Hoofdstuk 4, Criminaliteit

Beoordeling 8.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2905 woorden
  • 26 juli 2007
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.5
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Samenvatting maatschappijleer; hoofdstuk 4 ~ criminaliteit.

§1
Afwijkend gedrag= als mensen zich niet houden aan de normen van een bepaalde samenleving of groep.
Crimineel gedrag= overtreden van de wet.
↓ ↓
Overtreding Misdrijf
(moreel niet erg) (moreel verwerpelijk)
• Kanton gerecht arrondissementsrechtbank
• Hechtenis gevangenisstraf
• Huis van bewaring gevangenis
• Meestal geen strafblad strafblad

• Hechtenis max. 1 jaar max. levenslang (20 jaar).
• Verjaringstermijn
(2 jaar)
Ernstige delicten worden misdrijven (diefstal, geweld tegen personen) genoemd, minder ernstige delicten heten overtredingen (zwart rijden, te hard rijden).

Criminaliteit= door de overheid in een bepaald land in een bepaalde tijd strafbaar gesteld gedrag. Het gaat om wettelijk vastgelegde normen.

Vroeger verboden in Nederland: openbare verkoop van voorbehoedmiddelen, pornografie, abortus, euthanasie, gebruik van softdrugs en homoseksuele handelingen met een minderjarige (onder de 21 jaar) verboden. Deze handelingen zijn niet meer strafbaar of hun strafbaarheid is ingeperkt. Gebruik van softdrugs is geen misdrijf meer, maar een overtreding en wordt in Nederland in de praktijk niet vervolgd. Euthanasie staat nog wel in het Wetboek van Strafrecht, maar een zorgvuldig handelende arts wordt niet vervolgd. De grenzen voor pornografie zijn enorm opgerekt. Aparte bepalingen over homoseksuele handelingen zijn verdwenen. Ook is in 2000 prostitutie gelegaliseerd.
Er zijn ook handelingen strafbaar gesteld die dat vroeger niet waren of toen nog niet bestonden. Zo is verkrachting binnen het huwelijk nu strafbaar, mits het slachtoffer een klacht indient. Verspreiden van ‘gewone’ pornografie is nauwelijks meer strafbaar, maar straffen voor kinderporno zijn strenger geworden. Dronken een auto besturen is van een overtreding een misdrijf geworden. Ook zijn handelingen die het milieu verontreinigen in het strafrecht opgenomen, evenals inbreken in computers en vernietigen van computergegevens.


Waarom is criminaliteit een maatschappelijk probleem?
economisch
Sociaal cultureel
 Het veroorzaakt materiële en immateriële schade;
 Premies worden verhoogd;
 Het bedreigt het waarden/normen systeem;
 Preventie kost geld.
Politiek/juridisch
 Op politieke agenda;
 Handhaven van de openbare orde;
 Basisgevoel van veiligheid.
Algemeen probleem
 Angst;
 Kosten.

Tussen 1970 en 1994 is het aantal misdrijven verviervoudigd. Deze stijging komt voor een deel, omdat mensen vaker aangifte doen. Bovendien is de politie vollediger gaan registreren. Maar criminaliteit is sowieso toegenomen. De laatste 10 jaar is nauwelijks sprake van een stijging.
Voor sommige misdrijven schamen de slachtoffers zich of ze hebben het gevoel dat de politie hen niet serieus neemt. Een andere reden om geen aangifte te doen is als de daders familieleden of bekenden zijn. Kleine misdrijven zijn vaak niet belangrijk genoeg om aan te geven of toch niet oplosbaar door de politie.
Wat de politie belangrijk vindt om te registreren, kan bovendien naar tijd en plaats verschillen.
Tijdgebonden
o Prostitutie;
o Homoseksualiteit;
o Milieucrimi;
o Porno.
Plaatsgebonden
o Zoenen op straat (Maleisië).

→ Slachtofferenquête // dader- of zelfrapportage-enquête.

§2
Soorten criminaliteit
 Geweldscriminaliteit;
 Vermogenscriminaliteit
(diefstal, inbraak, verduistering, valsheid in geschrifte, bedrog en heling);
 Vernieling
(brandstichting, verstoren van de openbare orde, rellen);
 Verkeersmisdrijven (doorrijden na een ongeluk, dronken autorijden);
 Drugshandel;
 Milieudelicten (storten van giftig afval).

 Witteboordencriminaliteit/fraude (criminaliteit die mensen van achter hun bureau plegen door te ‘rommelen’ met papieren en cijfers).
- Fraude door te lage inkomsten op te geven aan de belastingen/belastingontduiking door particulieren;
- Zwart werken (geen sociale premies betalen);
- Stelen op je werk;
- Uitkeringsfraude.

De meeste vormen van criminaliteit zijn in Nederland de afgelopen halve eeuw toegenomen. Maar er zijn ook delicten afgenomen of vrijwel verdwenen.

§3
Psychologische verklaringen
 Erfelijkheid (criminele ouders → criminele kinderen);
 Karaktertrekken (extroverter, impulsiever en meer op directe bevrediging van hun behoefte gericht);
 Socialisatie (het leerproces waarbij kinderen zich de waarden en normen eigen maken van de samenleving of groep waartoe zij behoren).
Sociale verklaringen
 Subcultuur;
 Anomietheorie/straintheorie (verband tussen misdaad en armoede en sociale ongelijkheid);
 Etiketteringtheorie (reactie van de samenleving, iemand bestempelen als ‘misdadiger’);
 Controle-bindingstheorie (waarom stelen mensen niet, terwijl er zoveel moois te stelen valt?);
 Gelegenheidstheorie (welvaart/armoede);

 Alcohol;
 Drugs;
 Vuurwapens;
 Tv-geweld.

Lombroso; biologische kenmerken → crimineel gedrag is biologisch en erfelijk bepaald.
Freud; psychoanalyse → driften krijgen de overhand in de persoonlijkheid en zijn niet onderworpen aan het geweten.
Sutherland; aangeleerd gedrag → crimineel gedrag door omgeving aangeleerd.
Merton; sociale ongelijkheid → ongelijke verhoudingen in de maatschappij.
Becker; etikettering → je krijgt het opgeplakt.
Hirschi; binding en sociale controle → invloeden van ‘goede’ omgeving nemen af.

De meeste delicten worden gepleegd door
• Mannen (sekse); 90% man
• 16-23 jaar (leeftijd) → vaak openbaar geweld 86% onder invloed van alcohol
14% alcohol + andere drugs
• Lager milieu (woonomgeving/gezin/opleiding/werk) → agressieve delicten
belastingontduiking
• Hoger milieu → vermogens crimi fraude 78%
16% vernieling/verstoring orde → niet tegen personen.
6% geweld → tegen personen.

Jongeren plegen meer delicten dan ouderen, vooral zichtbare en hinderlijke delicten: diefstal, inbraak, vernieling, straatroof en soms geweld. Voor de meeste jongeren is het een uitprobeergedrag, het verkennen van grenzen van wat wel en niet mag, van wat je wel en niet durft.
Allochtonen plegen meer delicten dan autochtonen → Marokkaanse en Antilliaanse jongens en Joegoslavische 18-30 jarigen. Plegen vooral misdrijven zoals diefstal, inbraak, straatroof en ander geweld waar mensen veel last van hebben en bang van worden. De hoge criminaliteit van allochtonen wordt voor een deel verklaard door de bevolkingssamenstelling (jongeren, lagere klassen en werklozen met weinig toekomstperspectief, wonen in grote steden waar de criminaliteit hoger ligt en vanwege migratiefactoren; agrarisch - stedelijk).

Oorzaken van de stijging van de criminaliteit
 Zwakker worden van waarden en normen;
 Alles moet steeds groter, sneller en efficiënter;
 Concurreren op de markt;
 Illegale goederen en diensten;
 Gelegenheid.

§4
Taken en bevoegdheden politie
 Het voorkomen en bestrijden van criminaliteit;
3 hoofdtaken:
 Hulpverlening (informatie geven, de weg wijzen, mensen opsporen);
 Handhaven van de openbare orde (verkeer regelen, ordehandhaving bij evenementen, bemiddelen bij ruzies);
 Opsporingstaken (strafbare feiten voorkomen en verdachten opsporen. Deze derde taak wordt steeds meer de hoofdtaak van de politie).

Taken en bevoegdheden OM/Officier van Justitie
 Vervolging van strafbare feiten gebeurt door het Openbaar Ministerie. Het OM is een onderdeel van het Ministerie van Justitie, dus van de staat. Veel praktisch opsporingswerk wordt gedaan door de politie, maar de eindverantwoordelijkheid ligt bij het OM. De officieren van justitie (ambtenaren van het OM) leiden de onderzoeken. Vaak moeten zij daarbij, bij de rechter aankloppen, bijv. voor een huiszoekingsbevel. Het OM werkt samen met de politie, gemeentelijke sociale recherches en opsporingsdiensten.
3 hoofdtaken:
 Opsporing van strafbare feiten;
 Vervolging van strafbare feiten;
 Uitvoering van strafvonnissen.

Diefstal tot straffen

Legaliteitsbeginsel= heel belangrijk is het legaliteitsbeginsel. “Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling”. Ook als een feit wettelijk strafbaar is, moeten bij opsporing en berechting van de dader bepaalde regels in acht worden genomen. Deze regels staan in het Wetboek van Strafvordering. Daarbij gaat het om zaken als: is het bewijs op legale manier verkregen, is de tenlastelegging correct geformuleerd, wat geldt als bewijs en wat zijn de rechten van de verdachte.
Oppertuniteitsbeginsel= Nederland kent het oppertuniteitsbeginsel. Dat houdt in dat het OM niet alle strafbare feiten hoeft te vervolgen. De officier van justitie kan strafzaken seponeren, dat wil zeggen ze niet aan de rechter doorgeven. Dat kan verschillende redenen hebben (zie Diefstal tot straffen).

§5
Wat gebeurt er tijden de rechtszitting?
Wanneer het vooronderzoek is afgrond en de officier van justitie voldoende bewijsmateriaal heeft, volgt een openbare terechtzitting. In dit strafproces ondervraagt de rechter (bij ingewikkelde zaken 3 rechter) de verdachte en eventuele getuigen en deskundigen. Ook de officier van justitie en de advocaat van de verdachte kunnen vragen stellen, maar in Nederland houdt de rechter als voorzitter duidelijk het initiatief in handen. Daarna houdt de officier van justitie als openbare aanklager een toespraak (requisitoir), waarin hij alle bewijzen naar voren brengt en een bepaalde straf eist. Vervolgens houdt de advocaat een verdedigingrede en pleit bijv. voor vrijspraak bij gebrek aan overtuigend bewijs. De verdachte krijgt het laatste woord. Ten slotte doen de rechter een uitspraak. De kosten van een strafprocedure zijn voor rekening van de staat, met uitzondering van de kosten van de advocaat.

Soorten rechter/rechtbanken.
1. Kantongerecht. In 61 kantongerechten behandelt een alleensprekend rechter uitsluitend overtredingen. Vaak zijn de verdachten niet ingegaan op het schikkingsvoorstel van de politie of officier, bijv. om een boete te betalen bij een verkeersovertreding. Als de kantonrechter alle partijen heeft gehoord, doet hij meestal direct een uitspraak. Hoger beroep is mogelijk bij de rechtbank.
2. Rechtbank. De 19 rechtbanken behandelen alle misdrijven en de beroepszaken van de kantongerechten. Bij ingewikkelde zaken zijn er 3 rechters. Ze hebben meestal 2 weken nodig om tot een uitspraak te komen. Bij misdrijven kunnen zowel de officier als de verdachte in hoger beroep gaan bij het gerechtshof. Er zijn ook alleen alleensprekende rechters, zoals de politierechter voor lichtere misdrijven (hij kan max. 1 jaar gevangenisstraf opleggen), de economische politierechter (vaak milieuzaken) en de kinderrechter.
3. Gerechtshof. De 5 gerechtshoven behandelen de beroepszaken van de rechtbanken. De rechters spreken met z’n 3en recht. Als de rechters van een gerechtshof een hogere straf willen opleggen dan de rechtbank, moeten ze tot een unaniem oordeel komen.
4. Hoge Raad. Zowel de verdachte als het OM kunnen bij het hoogste rechtscollege van Nederland, de Hoge Raad, in cassatie gaan. Bij cassatie oordeelt de Hoge Raad niet of de verdachte schuldig is, maar of de lagere rechter de wetten juist heeft toegepast. Als de Hoge Raad oordeelt dat dat niet zo is, moet de lagere rechter de zaak opnieuw bekijken. Vaak doet de Hoge Raad zo uitspraken over zaken waarover de wetten niet helemaal duidelijk zijn, omdat je niet alles in detail kunt regelen of omdat zich nieuwe ontwikkelingen voor doen. De uitspraak wordt dan een richtlijn voor rechters die een soortgelijk geval moeten beoordelen.

Welke functies hebben straffen?
Het Nederlandse strafrecht is gericht op een aantal doelen tegelijk:
Vergelding; de dader moet boeten voor wat hij heeft misdaan.
Preventie; de straf moet mensen afschrikken om iets (weer) te doen.
Resocialisatie; de straf moet terugkeer in de samenleving mogelijk maken.
Voorkomen van eigenrichting; de overheid wil met het opleggen van straffen voorkomen dat slachtoffers zelf wraak nemen.

Welk soort straffen zijn er?
Nederland kent geen daadstrafrecht, maar daderstrafrecht. De rechter moet bij zijn uitspraak (vonnis) rekening houden met de ernst van het strafbare feit, de bewijsvoering en eventuele bijzondere omstandigheden. Daarom kunnen voor hetzelfde misdrijf heel verschillende straffen worden opgelegd.
De rechter kan iemand veroordelen tot een voorwaardelijke straf. Dan wordt die straf niet uitgevoerd als de dader zich aan de opgelegde voorwaarde houdt, bijv. binnen 3 jaar (de proeftijd) geen nieuw misdrijf begaan, de schade vergoeden of zich onder behandeling stellen van een psychiater.
Voor volwassene kent Nederland de volgende hoofdstraffen:
Gevangenisstraf; bij een misdrijf kan deze straf variëren van 1 dag tot levenslang (in de praktijk vaak 20 jaar). Meestal vindt vervroegde in vrijheidstelling plaats.
Hechtenis; meestal na een overtreding, max. 1 jaar en 4 maanden. Wordt vervangen door een geldboete.
Geldboete; min. 2 euro, max. 450.000 euro.
Onbetaalde arbeid; verrichten van dienstverlening door maatschappelijke nuttige arbeid, zoals schoonmaken van plantsoenen of werken in een verpleeghuis. De veroordeelde moet dit zelf aanbieden en de rechter kan alsnog een andere straf opleggen als de arbeid niet goed wordt verricht. Dit worden taakstraffen genoemd.
Daarnaast bestaan bijkomende straffen:
Ontnemen van bepaalde rechten, bijv. om een bepaald beroep uit te oefenen, auto te tijden of het kiesrecht.
Verbeurd verslagen van in beslag genomen buit of eigendommen.
Openbaar maken van het rechterlijke vonnis. Dit kan een fikse straf betekenen voor bijv, een restaurant dat met eten heeft geknoeid.

TBS
Straffen zijn gericht op de dader, terwijl maatregelen ook de samenleving wil beschermen:
TBS: ter beschikking stellen van de dader. De rechter legt deze maatregel op als het geestelijk vermogen van de dader tekortschiet (of tekortschoot tijdens het begaan van de daad);
Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Het verschil met TBS is, dat de dader uit het juridische circuit is gehaald. Niet de rechter, maar de dokter of psychiater beslist over de patiënt.

Minderjarigen
Minderjarigen hebben een aparte plaats in het strafrecht. Kinderen onder de 12 jaar zijn niet strafrechterlijk aansprakelijk voor hun daden. Wel kan de veroorzaakte schade op de ouders worden verhaald. Voor 12-18 jarigen gelden speciale regels.
Als de zaak te ernstig is voor een HALT-project of afdoening door de officier (zwaar misdrijf, herhaling of kans op herhaling), brengt hij de zaak voor de kinderrechter. Die kinderrechter bespreekt altijd met de raad voor kinderbescherming wat de beste aanpak is. De straffen moeten in het belang van het kind zijn. Een beschermende maatregel kan ondertoezichtstelling zijn waarbij een gezinsvoogd moet toezien op de opvoeding binnen het gezin. De rechter kan ook een korte vrijheidsstraf opleggen of een kind op een tuchtschool plaatsen.

§6
Klassenjustitie?
Het gelijkheidsprincipe komt in gevaar als er verschillen in pakkans en straftoedeling zijn, omdat de daders verschillende kenmerken hebben. Zulke selectiviteit kan betekenen dat er sprake is van klassenjustitie, dat mensen uit lagere sociale klassen een grotere kans maken om te worden opgepakt en veroordeeld dan mensen uit de hogere klassen. Dat is direct zichtbaar als er verschil in behandeling is bij dezelfde delicten. Het kan ook indirect, als misdrijven die vooral gepleegd worden door de lagere klassen actiever worden vervolgd en berecht.
Vooral door de hogere klassen gepleegde delicten zijn vaak zo ingewikkeld dat het bewijs moeilijk te leveren is. Een beroving of bedreiging is vaak makkelijk aan te tonen. Fraude niet.
Uit onderzoek blijkt dat er bovendien sprake is van een zekere directe selectiviteit bij beslissingen in de hele strafrechtketen: opsporing, vervolging en berechting. Deze selectiviteit werkt steeds in het nadeel van de lagere klassen: mensen met weinig opleiding en lage inkomens. Laag opgeleide werklozen worden het sterkst getroffen door deze ongelijke behandeling. Zo is de politie bij de controle en aanhouding strenger tegen mensen met een niet-blanke huidskleur (meestal uit de lagere klassen) en tegen mensen die zich stoer of uitdagend gedragen. Verdachte met een hogere status worden nogal eens bevoordeeld, misschien omdat zij beter hun woordje kunnen doen. Praten en uitleggen levert meestal meer op dan agressief worden of zwijgen.
De selectiviteit is per fase in de strafrechtketen niet zo groot, maar opgeteld wel, omdat het steeds in dezelfde richting werkt. Volgens dezelfde mechanismen hebben ook allochtonen, die meestal tot de lagere klassen behoren, meer kans om opgepakt en veroordeeld te worden. Bij vrouwen werkt het precies omgekeerd. Het uiteindelijk resultaat is dat mannen, mensen uit de lagere klassen en allochtonen meer in de gevangenis terechtkomen dan hun aandeel in de criminaliteit rechtvaardigt.

Effecten van de straffen
Ongeveer 60% van de ex-gevangenen recidiveert. Gevangenisstraf lijkt daarmee niet meer effect te hebben dan lichtere straffen.
Psychologen wijzen erop dat straffen meer effect hebben als de pakkans groot is en de straf snel volgt op de daad. Ook zetten ze vraagtekens bij de verzwaring van de straf bij herhaling. Er treedt dan iets als gewenning op: misschien was een harde aanpak in het begin effectiever geweest. Ook kan het effect van straffen teniet worden gedaan, omdat men in de gevangenis de verkeerde dingen leert eb ba vrijlating nog minder kans heeft op gewone deelname aan de samenleving. Mensen die niet eerder veroordeeld zijn, laten zich eerder afschrikken door (hun idee van) de pakkans dan door de hoogte van de straf. Ook moet er voldoende draagvlak zijn in je eigen omgeving voor de ter handhaven norm. Als men die bestraffing onterecht vindt, zal dreiging met straf weinig helpen. Ook moet de pakkans bekend zijn. Als niemand weet dat je op een bepaalde plaats grote kans loopt gepakt te worden voor te hard rijden (met risico van kwijtraken van rijbewijs), heeft het geen effect.

§7
Repressie= is bij uitstek een overheidstaak, uitgevoerd door politie en justitie. Men verwachtte dat door meer maatschappelijke kansen voor iedereen criminaliteit zou afnemen.
Preventie= aan preventie kunnen zowel overheid als particulieren organisaties en burgers bijdragen.
Resocialisatie= opnieuw plaats in de samenleving vinden.

De politiek heeft de sociale controle overgenomen. Ook is het strafklimaat veranderd. Van het optimistische idee om misdadigers te resocialiseren, is weinig over. Misdadigers moeten in de eerste plaats worden gestraft. Er is nu meer aandacht voor de slachtoffers. Tegenwoordig wordt meer aandacht besteed aan anderen dan de traditionele vormen van criminaliteit, zoals milieucriminaliteit, fraude en georganiseerde misdaad. Ook proberen politie en justitie met moderne technologie de wetloop met de georganiseerde misdaad vol te houden.
Regering en politieke partijen komen steeds met nieuwe plannen, zoals makkelijker maken om mensen te fouilleren, hogere straffen voor geweldsmisdrijven, minimum voor geweldsmisdrijven, meer politie op straat, 2 gevangenen in één cel, heropvoedingskampen, verplicht afkicken van verslaafden, harder optreden tegen illegalen, minder rechten voor verdachten en meer rechten voor slachtoffers. Veel partijen eisen dat een veel groter deel van de misdrijven wordt opgespoord en berecht. Ook leeft in de politiek een discussie over waarden en normen.
Met het drugsbeleid wijkt Nederland af van de rest van de wereld. Nederland hanteert en onderscheid tussen harddrugs en softdrugs en tussen handel en gebruik. Gebruik wordt in de praktijk niet gestraft. Het bezit van een kleine hoeveelheid softdrugs is sinds 1976 geen misdrijf meer, maar een overtreding. Coffeeshops waar softdrugs aan gebruikers worden verkocht, mogen officieel niet. Op grond van het opportuniteitsbeginsel worden ze echter niet vervolg, maar gedoogd. Politie en justitie richten zich vooral op de handel.
Andere landen vinden dat dit beleid de handel aanmoedigt. Toch zien we dat andere Europese landen in de praktijk steeds meer de Nederlandse kant op gaan. Steeds minder worden gebruikers vervolgd.
Alle grote politieke partijen ondersteunen het huidige criminaliteitsbeleid. De verschillen tussen links (nadruk op preventie) en rechts (nadruk op repressie) worden narbij steeds kleiner. Alle partijen zijn opgeschoven in de richting van repressie. Links verdedigt wel met overtuiging het drugsbeleid, terwijl vooral de confessionele partijen vinden dat Nederland daarmee wat minder uit de Europese pas moet lopen. Net als op andere terreinen wordt het beleid steeds meer voor de hele Europese Unie uitgestippeld. Zo zijn er afspraken gemaakt voor een gezamenlijke aanpak van de internationale criminaliteit, waarbij veroordeelde criminelen makkelijker kunnen worden uitgeleverd.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.