Hoofdstuk 4

Beoordeling 5.9
Foto van L.
  • Samenvatting door L.
  • 4e klas vwo | 7092 woorden
  • 16 september 2015
  • 22 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.9
  • 22 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode


Hoofdstuk 1: Cultuur en identiteit

1.1Met cultuur bedoelen we alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en als vanzelfsprekend beschouwen. Mensen die veel en langdurig met elkaar optrekken ontwikkelen zo’n gezamenlijke cultuur.



Een deel van je identiteit wordt bepaald door de cultuur waar je bijhoort, je persoonlijkheid wordt gevormd door cultuurgebonden elementen (taal, kleding, muziek, religie).



Mensen hebben door hun cultuur een gemeenschappelijk refentiekader met deels dezelfde normen, waarden en gewoonten. Zo kunnen ze elkaar beter begrijpen en makkelijker gedachten en gevoelens uitwisselen.



Cultuur geeft ook nog een richting aan het denken en doen van mensen, cultuur werkt gedragsregulerend.  



Volgens socioloog Erving Goffman hebben mensen allerlei rollen, hoe we ons in die rollen laten zien (presentation of the self) wordt sterk beïnvloed door maatschappelijke verwachtingen. We hebben volgens Goffman verschillende maskers die we tussen de rollen onbewust verwisselen. In verband spreekt Goffman van ‘impression managment’, dit wordt ook door groepen mensen toegepast. Groepen die het toepassen zijn vaak in een team, zoals het personeel in een restaurant. In deze rollen ben je in je frontstage, maar er is ook altijd een backstage waar je je rol kan laten vallen en waar je andere gevoelens kan tonen.



Goffmans visie laat zien hoe ons alledaags gedrag samenhangt met de cultuur waar we deel van uitmaken en het verklaart ook dar we in rolconflicten terecht kunnen komen als we met tegenstrijdige verwachtingen te maken hebben.



Elke groep of organisatie heeft een eigen cultuur, er is in een samenleving altijd een minimum aan gedragsregels en normen en waarden waar iedereen het over eens is, de dominante cultuur: het geheel van waarden, normen en kenmerken dat door de meeste mensen binnen een samenleving wordt geaccepteerd. De kenmerken van de dominante cultuur zijn vaak gebaseerd op de cultuurkenmerken van de groepen die de meeste invloed hebben (politiek, economische functies).



We spreken van een subcultuur als een specifieke groep eigen waarden, normen en andere kenmerken ontwikkelt die afwijken van de dominante cultuur. Bijna iedereen in een samenleving behoort tot zo’n subcultuur. Allochtonen zijn ook in een subcultuur gekomen, terwijl hun eigen cultuur in hun land van herkomst vaak de dominante cultuur was. Met een etnische subcultuur bedoelen we een subcultuur van mensen die behoren tot dezelfde etnische groep. Etnisch betekent: behorend tot een bepaald volk of afkomstig uit een bepaald land. Vaak gaan etnische subculturen samen met een religieuze subcultuur



Subculturen hoeven niet in strijd te staan met de dominante cultuur, dit is wel het geval bij een tegencultuur, deze dragen mensen die zich verzetten tegen de dominante cultuur of daar een bedreiging voor vormen (denk aan dierenbevrijdingsorganisaties of antiglobalisten).



1.2 De belangrijkste kenmerken van een cultuur worden overgedragen aan nieuwe leden door socialisatie, socialisatie zorgt er dus voor dat een cultuur blijft bestaan. Het wordt van generatie op generatie doorgegeven. Socialisatie vindt vooral plaats via imitatie, kinderen doen bijvoorbeeld het gedrag van hun ouders na en jongeren die voor een subcultuur kiezen dragen die kleding en het gedrag wat er bij past.



Socialisatie vindt plaats via socialiserende instituties, dit zijn instellingen, organisaties en collectieve gedragspatronen waarbinnen en waarlangs de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt. Onder collectieve gedragspatronen verstaan we gemeenschappelijke gewoonten (carnaval, Kerstmis), hierdoor worden ook waarden en normen overgebracht.



De belangrijkste socialiserende instituties zijn de gemeenschappen waar je toe behoort, zoals de school, het gezin, het werk en de vriendenkring. De overheid en de media zijn ook socialiserende instituties, de overheid vormt specifieke waarden en normen om in wetten en de media heeft een grote invloed op het denken en gedrag van mensen.



Socialisatie vindt plaats door middel van sociale controle, dit is de manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden. We noemen het formeel als sociale controle gebaseerd is op geschreven regels, zoals wetten of contracten. We spreken van informele sociale controle als het gaat om beleefdheidsvormen en andere ongeschreven regels.



Sociale controle vindt plaats in de vorm van positieve en negatieve sancties.



Diploma → formele positieve sanctie

Fluiten bij een wedstrijd → informele negatieve sanctie



Enculturatie is een vorm van socialisatie wat inhoudt dat je vanaf je geboorte in een bepaalde groep of land opgroeit en dus de culturele kenmerken ‘met de paplepel’ ingegeven krijgt.



Als je op latere leeftijd tot een cultuur gaat behoren, gaat de socialisatie vaak minder vanzelf, denk aan immigranten of verhuizen van een rustige buurt naar de stad. Het aanleren van de kenmerken van een cultuur waar je oorspronkelijk niet toe behoort, noemen we acculturatie.



We spreken van internalisatie als je je bepaalde aspecten van de cultuur of de samenleving waar je bij hoort, zo eigen hebt gemaakt, dat je je automatisch gaat gedragen zoals de groep dat van je verwacht.



Culturen veranderen voortdurend, ook de dominante cultuur. Veranderingen binnen de dominante cultuur vinden plaats onder de invloed van subculturen en tegenculturen.



1.3 Groepsidentificatie is het gevoel dat mensen zich met de dominante cultuur en andere culturen verbonden voelen, het gevolg is dat onze persoonlijkheid of identiteit voor een deel bestaat uit sociale elementen. Wie wij zijn wordt dus bepaald door aangeboren eigenschappen en aangeleerde cultuurkenmerken, zo ontwikkelt ieder mens een persoonlijke individu.



In Nederland is veel ruimte voor de ontplooiing van de individu, daarom noemen we de Nederlandse dominante cultuur individualistisch. Er zijn andere culturen waarbij het belang van het collectief voorop staat, deze culturen noemen we collectivistisch.



Het is moeilijk om de Nederlandse identiteit te typeren, omdat onze samenleving sterk individualistisch is en veel subculturen telt. Doordat iedereen zo verschillend is, roept de vraag op in hoeverre we als Nederlanders nog met elkaar verbonden zijn. Het antwoord hierop is dat er van ons allemaal verwacht wordt dat we loyaal zijn aan de basisafspraken van de Nederlandse samenleving (deels vastgelegd in de wet). Deze vormen de minimale binding die we met elkaar delen, je kan dus loyaal zijn aan de beginselen van je geloof en aan de Nederlandse grondwet.





Hoofdstuk 2: Culturele veranderingen

2.1 Tot ongeveer 1960 werd de Nederlandse samenleving gekarakteriseerd door de volgende kenmerken:




  • Weinig sociale mobiliteit: het was moeilijk om te stijgen op de maatschappelijke ladder.

  • De samenleving was sterk gezinsgericht: gezinnen waren de norm, alleenstaanden werden met medelijden of met een zekere argwaan bekeken en er was binnen de gezinnen een strikte taakverdeling: de man was kostwinner en de vrouw zorgde voor de kinderen en het huishouden. Tot 1956 waren gehuwde vrouwen handelingsonbekwaam: ze mochten zonder toestemming van hun man of vader geen overeenkomst sluiten, zoals het openen van een bankrekening of het kopen van een huis. Ook was er weinig ruimte voor persoonlijke (individuele) ontplooiing.

  • Er bestonden strikte hiërarchische verhoudingen tussen mensen: verschillen in rang en stand werden algemeen geaccepteerd. Dit werd deels veroorzaakt door het ontbreken van sociale voorzieningen. Kinderen waren ook naar ouders absolute gehoorzaamheid verschuuldigd.

  • Nederland was een verzuild land: het maatschappelijk leven werd bepaald door geloofs- en levensovertuigingen. Een groot deel van het leven van mensen speelde zich af binnen de eigen geloofsgemeenschap, de eigen ‘zuil’. Het was niet de bedoeling dat mensen buiten hun eigen zuil actief waren en ook huwelijken tussen mensen van verschillende komaf werden afgekeurd.



2.2 De jaren 60 staan bekend als de jaren van de sociale en culturele revolutie, er ontstonden nieuwe politieke bewegingen en in nauwelijks tien jaar tijd veranderde de cultuur in Nederland grondig en voorgoed:



Nieuwe verhoudingen: De welvaart voor veel Nederlanders groeide als gevolg van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Nederland werd een consumptiemaatschappij: een samenleving waarin het bedrijfsleven zich sterk richt op het produceren van aantrekkelijke luxegoederen voor consumenten. Kinderen uit lagere niveaus konden langer doorleren en zo nam de sociale mobiliteit en het opleidingsniveau sterk toe. Dit hogere opleidingsniveau zorgde ook voor een grotere mondigheid, gezag werd niet meer als vanzelfsprekend aanvaard en de autoriteit van gezagsdragers zoals politieagenten, ouders en werkgevers nam af. Het besef voor normen en waarden zoals omgangsvormen nam af.



Meer aandacht voor het individu: De individuele ontplooiing kreeg ook meer kans, mensen wilden meer als een persoon gezien worden en niet meer als het gezin. Zo gingen mensen eerder uit huis, kregen sneller kinderen, begonnen eenoudergezinnen en latrelaties. Deze nieuwe ontwikkelingen kwamen voort uit de gestegen welvaart en de opbouw van de verzorgingsstaat.



Emancipatie: Vrouwen werden zelfbewuster door het hogere opleidingsniveau en het eigen inkomen. Er ontstonden feministische actiegroepen, Dolle Mina was de bekendste. Vrouwen eisten gelijk loon voor gelijk werk, zelfbeschikkingsrecht, de pil moest worden vergoed, abortus moesten ze zelf mogen kiezen, verkorting van arbeidstijd en betere kinderopvang. Veel acties hadden effect: abortus ging uit het wetboek van strafrecht en een goede opleiding en later een baan zijn nu vanzelfsprekend, ook als vrouw.



Ook homoseksuelen en andere minderheidsgroepen eisten gelijke rechten, ook met succes: homoseksuele stellen kunnen nu trouwen met dezelfde rechten als heteroseksuelen.



Ontkerkelijking en ontzuiling: Steeds meer mensen zijn niet meer actief lid van een kerkgenootschap, deze ontkerkelijking begon in het begin van de jaren 60. Bij de ontzuiling speelde de televisie een grote rol, je kon daar zien dat mensen van andere zuilen niet perse ‘anders’ of ‘slecht’ waren. Mensen groeiden naar elkaar toe en de scheidslijnen tussen de zuilen verdwenen, ook kranten en sportverenigingen maakten zich los van de kerk. Dit proces noemen we secularisatie.



Opkomst jongerenculturen: Veel werkende jongeren hoefden vanaf de jaren vijftig hun loon niet meer aan hun ouders af te staan, zo kregen ze meer eigen geld en kochten andere dingen en gingen andere dingen doen. Zo ontstond de eerste jongerencultuur in Nederland: jongens met vetkuiven, meisjes met wijde jurken en petticoats. Later kwamen er hippies, provo’s, krakers, die zich tegen de gevestigde orde verzetten.



Nu zijn jongerenculturen vaak aan kledingstijlen en muziekstijlen gekoppeld, dit noemen we een ‘peergroup’. Vooral in de puberteit hebben deze groepen veel invloed op de psychische en sociale ontwikkeling van jongeren, het is een gedeeltelijke vervanging van het gezinsverband.



Diversificatie media-aanbod: Tot de jaren 60 was er maar één tv-zender en maar drie radiostations, elke zuil had een eigen omroep met programma’s over de eigen ideeënwereld en identiteit. Deze structuur werd door piratenzenders verbroken, het ging vooral om popmuziekprogramma’s. In 1989 werden de wettelijke kaders aangepast en er konden nu tientallen commerciële zenders bestaan, naast een beperkt aantal ’publieke’ omroepen.



De verschillende mogelijkheden van internet brachten de diversificatie van de media in een stroomversnelling. Er vinden veel sociale contacten via internet plaats.



Globalisering: Via internet kunnen we de hele wereld over en er wordt veel gereisd, ook is er sprake van globalisering op de arbeidsmarkt. Deze veranderingen hebben een internationalisering van culturen tot gevolg: nationale dominante culturen zijn verbreed, maar ook in betekenis afgenomen. Je noemt deze verandering culturele globalisering.





Hoofdstuk 3: Nederland immigratieland

Al eeuwenlang vestigen mensen uit andere landen zich in Nederland, soms omdat ze in hun eigen land niet vrij waren en soms omdat zij zich aangetrokken voelen door het tolerante en liberale klimaat in Nederland. De factoren om je land te verlaten noem je pushfactoren en de factoren om naar een ander land te gaan noem je pullfactoren. Het is bij dit hoofdstuk erg belangrijk dat je goed de begrippen autochtoon en allochtoon kan beschrijven (kijk begrippen).



3.1 De meeste immigranten na 1960 wilden hier graag werk vinden en hadden hoop op een betere toekomst dan in hun eigen land. In de Nederlandse fabrieken was erg veel werk en Nederlandse bedrijven gingen zelfs actief buitenlandse werknemers werven, deze mensen werden gastarbeiders genoemd,  men dacht niet dat ze hier voor eeuwig zouden blijven. De meeste Spanjaarden, Italianen en Grieken keerden terug, maar de meeste Turken en Marokkanen zijn gebleven. De laatste tijd kun je drie groepen buitenlanders onderscheiden die naar Nederland komen om te werken:




  • Mensen uit nieuwe, minder welvarende lidstaten van de EU, zoals Polen, Bulgaren en Roemenen: ze doen werk in de tuinbouw, bouw en transport. Er zijn voor dit werk weinig Nederlanders en ze werken voor lagere lonen dan Nederlanders.

  • Hoogopgeleide mensen uit Duitsland, de VS, China, Zuid-Korea en India: ze brengen kennis mee die in Nederland nodig is, zoals vaak in de ICT en de technieksector. Kennismigranten werken vaak bij multinationale bedrijven als Shell, Philips en KPN.

  • Mensen uit arme gebieden buiten de Europese Unie: ze komen werk zoeken, Europa houdt de grenzen dicht, maar vaak komen ze toch binnen: het zijn dan illegalen.



3.2 Lange tijd had Nederland kolonies, zoals Nederlands-Indië en Suriname en de Antillen (deze zijn nu nog een kolonie). De inwoners van de kolonies werden rijksgenoten genoemd en waren Nederlanders, ze mochten soms in Nederland studeren of hier wonen en werken.



In de eerste 20 jaar nadat Indië (nu Indonesië) zich van Nederland losmaakte, in 1949, emigreerden er veel Nederlandse Indiërs naar Nederland. Ze dachten vaak dat ze hier een betere toekomst te hebben. Ze waren vaak van gemengd Indisch-Nederlands bloed.



In 1951 kwamen er zo’n 12.000 Molukkers naar Nederland, ze hadden in het Koninklijk Nederlands-Indisch leger (KNIL) gevochten tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. Ze werden door de Indonesische bevolking als collaborateurs, landverraders, genoemd, bovendien omdat ze een onafhankelijke Molukse staat ondersteunden. Door deze lastige situatie haalde Nederland ze hierheen, de eerste generatie dacht nog terug te gaan, maar de jongere generaties zijn vaak al erg in de Nederlandse samenleving geïntegreerd.



Toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd mochten de inwoners tussen de Nederlandse of de Surinaamse identiteit kiezen, velen kozen voor Nederland, omdat de toekomst voor Suriname onzeker was. In 1980 kwam Desi Bouterse via een staatsgreep aan de macht, hierop bood Nederland nog eens vele duizenden Surinamers aan om naar Nederland te verhuizen.



De Surinamers hebben een heterogene samenstelling, de creolen zijn donder gekleurd en stammen af van slaven. Er zijn ook Hindoestanen van Indiase afkomst en Javaanse Surinamers, beiden stammen af van contractarbeiders die op Nederlandse plantages werkten.



Vanaf de jaren zestig werden veel mensen in de Antillen werkloos, omdat de werkgelegenheid bij de olieraffinaderijen sterk daalde. In Nederland was er juist veel werkgelegenheid en de Antillianen konden zich zonder problemen in Nederland vestigen. Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn nu zelfstandige landen binnen het Nederlandse koninkrijk. Bonaire, Saba en Sint-Eustatius hebben de status van een gemeente in Nederland. Antillianen hebben tegenwoordig een visum nom toegelaten te moeten worden.



3.3 De grootste groep mensen die van buiten de EU naar Nederland komen, zijn gezinsvormers en gezinsherenigers. Gezinsherenigers zijn mensen die legaal in Nederland verblijven en hun gezinsleden laten overkomen. Vroeger ging het vooral om werkzoekers, maar nu ook om erkende vluchtelingen. Bij een gezinsvormer gaat het om een Nederlanders of iemand met een verblijfsvergunning die met een buitenlander trouwt en een gezin sticht.



Om het aantal gezinsvormers tegen te gaan heeft Nederland voorwaarden opgesteld:




  • Beiden moeten 21 zijn.

  • De nieuwe burger moet het basisexamen inburgering afleggen.

  • Het minimumloon geldt als inkomenseis.



Voor gezinsherenigers geldt hetzelfde, alleen moeten de kinderen bij aanvraag onder de 18 zijn en het huwelijk moet geldig zijn in Nederland.



3.4 Vluchtelingen zijn mensen die hun land onder druk verlaten, mensen krijgen de status vluchteling als zij vervolgd worden vanwege geloof, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of als zij op de vlucht moeten vanwege oorlogsgeweld. Sommige vluchtelingen vluchten naar het Westen en vragen asiel aan, in de hoop zich permanent te kunnen vestigen.





Hoofdstuk 4: Culturele diversiteit

Fundamentele cultuurverschillen vallen in samenlevingen meer op als mensen of groepen mensen sterk dogmatische denkbeelden hebben. Als ze zichzelf alleen maar de beste vinden, zullen ze zich tegen anderen afzetten. Zo’n dogmatische visie kan religieus zijn, maar dat hoeft niet. Als cultuurverschillen uitgroeien tot culturele tegenstellingen, kan het tot spanningen en conflicten leiden.



4.1 Nederland is dus in de vorige eeuw van een homogene, verzuilde samenleving naar een cultureel heterogene samenleving. Het aantal cultuurverschillen is hierdoor gegroeid, de verschillen worden zichtbaar als je kijkt naar:




  • Emancipatie;

  • Bestuur en gezag;

  • Huwelijk en seks;

  • Opvoeding:



Emancipatie: opvattingen op dit punt hangen samen met de verhouding tussen masculiniteit en feminiteit. De meeste Zuid-Europese en niet-westers culturen zijn meer masculien ingesteld met een vaste taakverdeling tussen de seksen: de man werkt en de vrouw verzorgt. In Nederland en andere Westerse landen is de belangrijkste waarde de kwaliteit van het leven, dit zijn feminiene culturen.



In deze culturen streden emancipatiebewegingen in de vorige eeuw voor gelijkberechtiging van vrouwen en homoseksuelen, met succes. Gelijkwaardigheid is nu een van de belangrijkste grondslagen van onze samenleving, maar er zijn altijd groepen mensen die vinden dat mannen en vrouwen niet gelijkwaardig zijn. Bij de islam hebben mannen bijvoorbeeld meer rechten dan vrouwen.



Deze cultuurverschillen kunnen tot spanningen leiden, als een islamitische jongen bijvoorbeeld een lerares niet zou erkennen en dus niet gehoorzamen.



Bestuur en gezag:

Vanzelfsprekend in onze samenleving is de rationele manier waarop de overheid een land bestuurt, deze manier wordt gekenmerkt door formele, onpersoonlijke en bureaucratische procedures, die bedoeld zijn om alle burgers gelijk te behandelen. Deze westerse bestuursvorm werd door de socioloog Max Weber beschreven als ideaal en staat tegenover het traditionele en charismatische gezag. Dit gezag zie je in veel niet-westerse landen.



Huwelijk en seks: in veel islamitische en hindoeïstische gezinnen wordt het huwelijk gezien als een middel om families met elkaar te verbinden, seks voor het huwelijk is (zeker voor meisjes) verboden vanwege de familie-eer. Ouders bemoeien zich in die culturen vaak met de partnerkeuze van de kinderen.



In Nederland denken de meeste mensen veel vrijer over relaties en seks, dit leidt bij allochtonen van de tweede generatie soms tot dilemma’s: aan de ene kant zijn er de verwachtingen van thuis en aan de andere kant de moderne samenleving.



In sommige gevallen leidt familie-eer tot het plegen van eerwraak, een meisje kan dan bijvoorbeeld door haar familie verstoten worden en het komt ook voor bij homoseksualiteit. Je ziet het verschijnsel vaak in islamitische landen als Turkije, Iran, Pakistan en Afghanistan. Het heeft feitelijk niet met de islam te maken, maar met overblijfselen van oude stam- en familiegebruiken. In Marokko komt eerwraak niet voor.



Opvoeding: in Nederlandse gezinnen krijgen kinderen vaak veel vrijheid, ze kunnen vaak onderhandelen over zaken met hun ouders. Bij de democratische manier van opvoeden horen geen lijfstraffen. In sommige culturen is dit wel een onderdeel van de opvoeding, maar in Nederland zie je het niet veel.



4.2 Overal waar een ‘wij’ is, is ook een ‘zij’. ‘Zij’ zijn de anderen, de ‘out-group’, de groep die er niet bij hoort. ‘Wij’ kennen elkaar en vormen de ‘in-group’. Meestal heeft de wij-groep een negatief beeld van de zij-groep. Je spreekt van polarisatie als je zegt: wie niet voor mij is, is tegen mij. Dit kan optreden tussen verschillende groepen jongeren, maar ook tussen etnische groepen en landen. Als een groep bewust wordt zwartgemaakt om het wij-zijdenken te stimuleren, spreken we van demoniseren.



Over de manier waarop Nederland het beste kan omgaan met culturele tegenstellingen heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) enkele jaren geleden het rapport waarden, normen en de last van het dragen gepubliceerd. De teneur was: regering, bemoei je er niet te veel mee. Zo moet de overheid zich niet met de opvoeding en geloof bemoeien en er moeten ook geen normen komen over de omgang tussen mannen en vrouwen of tussen ouders en kinderen. Pas als gedrag in strijd is met de rechtsstaat, moet de overheid ingrijpen. De WRR onderscheidt drie mogelijke strategieën die de overheid kan hanteren bij verschillende soorten conflicten en cultuurverschillen:




  • Dulden: accepteren van afwijkend gedrag, omdat je anderen de vrijheid gunt om hun leven te leven zoals zij dat graag willen.                                                                                                                    Het dragen van een hoofddoek, bloot gekleed zijn of het vieren van het Chinees                                                nieuwjaar.

  • Confronteren en beslechten: de personen confronteren met de last of onvrede die ze veroorzaken, met het doel dat mensen zich aanpassen.                                                                                Hangjongeren, islamitische meisjes die van hun ouders niet mogen gymmen op school.

  • Verbieden en handhaven: het bestraffen van afwijkend gedrag wordt noodzakelijk als het rechten van anderen aantast en wettelijk strafbaar is.                                                                                                              Voetbalhooligans, discriminatie, eerwraak, vrouwenbesnijdenis.





Hoofdstuk 5: Vormen van samenleven

Bijna alle landen op de wereld zijn pluriforme samenlevingen met religieuze, etnische en andere subculturen. De manier waarmee landen er mee omgaan is wel verschillend, in sommige landen wordt de dominante cultuur dwingend opgelegd en in andere landen krijgen minderheden wel de kans om te leven volgens de eigen tradities.



5.1 De manier waarop de overheid en mensen omgaan met de culturele diversiteit in een pluriforme samenleving kent de volgende mogelijkheden:



Segregatie: we spreken van segregatie als cultuurgroepen volkomen langs elkaar heen leven: het opdelen van een samenleving in gescheiden delen.



Bevolkingsgroepen die in aparte wijken wonen, geen gemengde huwelijken en bijvoorbeeld kinderen die naar aparte scholen gaan. Segregatie wordt vaak veroorzaakt doordat één cultuurgroep de politieke en economische macht bezit en de andere groepen geen gelijke kansen biedt. Een goed voorbeeld was het apartheidsregime in Zuid-Afrika, daar legde een blanke minderheid haar wil op aan de zwarte meerderheid. Sociale en culturele ongelijkheid werd wettelijk vastgelegd.



Segregatie kan ook vrijwillig, als een groep zich vrijwillig afsluit bijvoorbeeld, dit zie je wereldwijd in grote steden, de Chinezen zonderen zich vaak af.



Assimilatie: dit is de tegenhanger van segregatie, hierbij past een bevolkingsgroep zich zo volledig aan, dat de oorspronkelijke cultuur grotendeels verdwijnt. De groep geeft dus een deel van zijn sociale identiteit op. Dit kan vrijwillig, maar ook onder dwang: dan verbiedt de overheid culturele uitingen van minderheden, zoals taal en religie. Kerken, tempels en synagogen worden gesloten. In Nederland is er nooit gedwongen assimilatie van burgers nagestreefd, er is wel het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) in de negentiende eeuw ingevoerd om meer eenheid te creëren. Hier moesten kranten en scholen zich aan houden, dus niet de aparte bevolkingsgroepen.



Integratie: dit vindt plaats als iemand zich aanpast aan de cultuur waarin hij terecht komt, maar tegelijkertijd gedeeltelijk zijn eigen gewoonten, normen en waarden kan behouden. Denk aan iemand die vanuit het platteland naar de randstad gaat. Als iemand vanuit een ander land hierheen komt, is degene geïntegreerd wanneer:




  • Er sprake is van een gelijke juridische positie;

  • Er een gelijkwaardige deelname op sociaaleconomische terrein is;

  • De kennis van de Nederlandse taal voldoende is;

  • De gangbare waarden, normen en gedragspatronen worden gerespecteerd.



Integratie is een tweezijdig proces: de nieuwkomer moet bereid zijn te integreren en de samenleving moet integratie mogelijk maken. Beide groepen moeten zich dus aanpassen.



De manier waarop nieuwkomers in het ontvangende land hun plaats vinden en integreren, wordt vaak vergeleken met de termen ‘melting pot’ en ‘salad bowl’.



Melting pot: hiermee wordt bedoeld dat culturen van etnische groepen versmelten met de dominante cultuur, zodat er in feite een nieuwe cultuur ontstaat. Zoals in Amerika in de achttiende en negentiende eeuw. De Engelsen en Nederlanders droegen bij aan een nieuwe, dominante cultuur.



Salad bowl: hierbij ontstat er ook vermenging van culturen, maar niet als één melting pot: er is sprake van wederzijdse beïnvloeding van culturen, maar cultuurgroepen behouden hun eigen typische kenmerken.



5.2 Nederland heeft gekozen voor het integratiemodel, maar als we kijken naar nieuwkomers zien we dat integratie niet altijd even makkelijk was. Vooral in de jaren 70 liep het niet goed, dit probleem had culturele, sociaaleconomische en politiek-bestuurlijke redenen.



Verschillen in achtergrond: de mensen die vanaf de jaren zestig ons land binnenkwamen, verschilden in sociaal en cultureel opzicht van de mensen in westerse samenlevingen. Ze kwamen van een minder gemoderniseerde samenleving naar een sterk gemoderniseerde en geïndustrialiseerde, stedelijke en seculiere samenleving.



Ook in de samenleving in Nederland erg individualistisch, terwijl niet-westerse landen vaak erg collectivistisch zijn.



Sociale ongelijkheid: de meeste nieuwkomers bleven op sociaaleconomisch gebied achter:




  • Werkloosheid: door automatisering en verplaatsing van veel fabrieken naar lagelonenlanden raakten mensen hun baan kwijt en dit trof veel allochtonen.

  • Taalachterstand: allochtone kinderen hebben het relatief moeilijker om hun talenten optimaal te benutten.

  • Woonsituatie: migranten vestigen zich vooral in grote steden en dan in wijken met goedkope woningen. Ze konden door moskeeën te bouwen, scholen op te richten en winkels en theehuizen te beginnen hun eigen cultuur behouden. Langzaam ontstonden er witte en zwarte wijken en scholen.

  • Discriminatie:dit blijft een terugkerend verschijnsel in de samenleving, waar vrouwen, allochtonen en gehandicapten last van hebben.



Passief integratiebeleid:



jarenlang was het integratiebeleid gericht op integratie met behoud van cultuur en identiteit, met weinig eisen aan nieuwkomers en er was nog geen idee van verplichte inburgering. Buitenlandse kinderen leerden de eigen taal en cultuur op speciale basisscholen en de Nederlandse taal had geen prioriteit. Met name de visies van linkse partijen werden geleid door het principe van cultuurrelativisme.



Pas toen het duidelijk werd in de jaren tachtig en negentig dat de immigranten zouden blijven, ging de overheid zich actief et de integratie bemoeien. Ze gingen de werkloosheid bestrijden met een gericht doelgroepenbeleid en om de taalachterstand weg te werken ontwikkelden ze speciale taalprogramma’s. Door achterstandswijken op te knappen probeert de regering de woonpositie van allochtonen te verbeteren.



Culturalisering van het debat:



Sinds 2000 is de toon van het integratiedebat harder geworden, dankzij de wereldwijde spanningen als gevolg van aanslagen uit naam van de islam in de VS en in Europa. Sommige artikelen spraken zelfs over het ‘multiculturele drama’, want de cultuur en godsdienst die immigranten mee zouden nemen uit hun land zou het moeilijk maken om volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Toen is het integratiedebat ingevoerd, hierin worden de cultuurverschillen tussen nieuwkomers en autochtone bevolking als hoofdoorzaak van de achterstand van etnische minderheden aangewezen: dit is de culturalisering van het debat.



Als we de mate van integratie willen meten moeten we kijken naar de sociaal-culturele integratie en de sociaaleconomische en politieke integratie. In het algemeen zijn veel kinderen goed geïntegreerd en veel Nederlanders van allochtone afkomst zijn werkzaam in maatschappelijke sectoren. De werkloosheid onder allochtonen is nog wel groot, maar de sociaaleconomische positie is sterk verbeterd. Er ontwikkelt zich een allochtone middenklasse, steeds meer allochtonen heeft nu een baan op middelbaar niveau of hoger.





Hoofdstuk 6: Sociale cohesie

Ieder mens is een individu, maar ook een onderdeel van een groter geheel: school, dorp, stad of je land. Je bent in feite onontkoombaar afhankelijk van anderen. Denk hierbij aan ziekten, kinderen, ouderen, maar het gaat verder en slaat op iedereen.



Zowel elke groep als elk land heeft eigen cultuurpatronen die het gedrag en de emoties van mensen deels bepalen. De basis hiervan is dat we behoefte hebben aan sociaal contact  met anderen, je hebt ze nodig voor voedsel en kleding maar ook om dingen samen te doen (koningsdag). De mate waarin mensen bindingen met elkaar hebben en het gevoel bij elkaar te horen dat hieruit kan ontstaan, duiden we aan met de term sociale cohesie.



Er zijn verschillende bindingen waarop mensen van elkaar afhankelijk zijn:

Affectieve bindingen:

Bindingen met vrienden en familie bijvoorbeeld, je hebt behoefte aan vriendschap, steun en liefde. Ook het gevoel ergens bij te willen horen, een sportclub bijvoorbeeld, komt voort uit een affectieve binding. Ook een popconcert of een 4 mei herdenking zorgt voor een collectieve ervaring die mensen, soms voor korte tijd, met elkaar verbindt. Affectieve bindingen vind je ook binnen godsdiensten of de trots voor een land of een bedrijf. Affectieve bindingen kunnen ook leiden tot het wij-zijdenken.



Economische bindingen:

We hebben behoefte aan voedsel, onderdak en kleding, zo ontstaan economische bindingen. Dat geldt voor mensen afzonderlijk, maar ook voor hele samenlevingen. We hebben economische bindingen binnen het bedrijf waar we werken, maar ook met de supermarkt. In onze samenleving bestaat er een sterk doorgevoerde mate van arbeidsdeling, we produceren vrijwel niet voor eigen gebruik, maar ontvangen geld en daarmee kopen we goederen. Deze economische globalisering heeft een nadelig effect op de sociale cohesie in ons land, veel Nederlandse bedrijven zijn in handen van buitenlandse aandeelhouders en productie is naar lagelonenlanden verplaatst.



Cognitieve bindingen:

Mensen ontwikkelen kennis en dragen dat aan elkaar over, we zijn voor het verwerven afhankelijk van de mensen met wie we cognitieve bindingen hebben. Erg belangrijk zijn ook de communicatienetwerken, maar dit zorgt wel tussen een tweedeling tussen mensen met een hogere opleiding die taal- en computervaardig zijn en mensen met een lagere opleiding die dat niet zijn, en ouderen die het niet willen/kunnen.



De sociale cohesie wordt ook versterkt als er een zekere mate van historische kennis binnen de groep is, in Nederland hebben we een ‘canon van de Nederlandse geschiedenis’, met vijftig elementen die iedereen zou moeten kennen.



Politieke bindingen:

We zijn ook afhankelijk van anderen, omdat we niet alles zelf kunnen regelen. De overheid is verantwoordelijk voor collectieve voorzieningen zoals het onderwijs, de dijkbewaking, de brandweer, de aanleg van nieuwe wegen en de AOW. Deze bindingen leiden tot afspraken die voor iedereen gelden, deze afspraken beschouwen we als een sociaal contract. De uitwerking hiervan is de basis voor rechtsstaat.





Hoofdstuk 7: Internationale vergelijking

Samenlevingen gaan verschillend om met pluriformiteit, vooral de manier waarop de relatie tussen kerk en stat is geregeld laat deze verschillen zien. Er zijn ruwweg vier modellen:




  • Het religieuze model: er is een staatsgodsdienst die andere religies uitsluit;

  • Het atheïstische model: er wordt geen enkele godsdienst toegestaan;

  • Het religieus neutrale model: religies worden toegestaan, maar kerk en staat zijn scherp gescheiden;

  • Het pluriforme model: religies worden toegestaan en zelfs actief ondersteund door de overheid.



7.1 Iran, het religieuze model:



-          Sinds de Islamitische revolutie van 1979 is het Sjiisme (één van de twee hoofdstromen van de islam) de staadsgodsdienst;



-          De juiste interpretatie van de Koran, meestal de letterlijke, wordt bewaakt door ayatollahs, religieuze leiders. Deze interpretatie vormt de leidraad voor het dagelijks leven, wetgeving en rechtspraak;



-          Er zijn religieuze minderheden zoals joden, soennieten en christenen,  zij mogen hun geloof vrij belijden, zolang ze zich niet actief bezighouden met het bekeren van moslims;



-     De staat houdt burgers goed in de gaten en de media staan scherp onder controle;



-          Kinderen krijgen les in burgerschap en patriottisme, ze moeten regelmatig het volkslied zingen. Op school leren ze islamitische waarden: meisjes wordt bescheidenheid, kuisheid en onderdanigheid bijgebracht en jongens leren zich beleefd te gedragen en zich fatsoenlijk te kleden;



-          Op straat en in de parken houdt zedenpolitie de mensen in de gaten en controleert of zij geen aanstoot geven met betrekking tot hun kleding of gedrag. De strenge sociale controle heeft als gevolg dat veel Iraniërs zich rustig houden. Kinderen leren hun mening voor zich te houden;



-          Etnische minderheden worden erkend, zolang ze geen politieke lading hebben of in strijd zijn met de zedelijkheidswetgeving.



7.2 China, het atheïstische model:



-          Sinds de oprichting in 1949 van het communistische China is het een atheïstische staat. Er is geen staatsgodsdienst, religies zijnofficieel wel toegestaan, maar er worden in werkelijkheid vaak gelovigen vervolgd. Doel: mensen verdoven en koest houden;



-          Sinds de economische liberalisatie heeft religie iets meer ruimte gekregen. Zo mogen christelijke kerken zich organiseren en internationale contacten onderhouden;



-          Patriottisme wordt sterk aangewakkerd door de overheid, ze proberen het nationale bewustzijn te versterken;



-          In China speelt het confucianisme, de 25 eeuwenoude leer van de wijsgeer Confucius, een belangrijke rol. Deze leer benadrukt het belang van onderlinge relaties en verplichtingen tussen mensen;



-          Het collectief is belangrijker dan het individu;



-          Op veel plaatsen heerst een sterke hiërarchie.  



7.3 De Verenigde Staten, het religieus neutrale model:



-          Officieel een scheiding van kerk en staat, zonder staatsgodsdienst;



-          ‘Amerika toch wel christelijke natie, omdat de principes van een democratisch bestuur onlosmakelijk verbonden zijn met de principes van het christendom’, werd in 1892 door het Hooggerechtshof gezegd. Veel mensen zijn christelijk, als je niet christelijk bent, maak je geen kans in de politiek. Ruim driekwart van de Amerikanen is christelijk;



-          De christelijke moraal werkt door in algemeen aanvaarde waarden en normen: liever geen seks voor het huwelijk, abortus en euthanasie zijn verwerpelijk.



-          Er is nauwelijks sprake van brede integratie, verschillende groepen mensen leven in verschillende wijken;



-          In Amerika hebben ze een ongekend hoog arbeidsethos, mensen lijken te leven om te werken en werkweken zijn langer dan in Nederland. Voor al dit harde werk is de Amerikaanse samenleving niet erg zorgzaam voor haar burgers: haast geen sociale voorzieningen en de rechtspositie van werknemers is slecht;



-          Vele Amerikanen hebben een individualistische levensstijl: je moet zelf je kansen grijpen en wie iets overkomt, moet zelf zijn problemen oplossen;



-          Vaderlandsliefde is opvallend cultuurkenmerk, je moet trots zijn op je land en dit wordt er met de paplepel ingegoten.



7.4 Frankrijk, het religieus neutrale model:



-          Scheiding van kerk en staat als ideaal, er wordt geen enkele godsdienst bestreden net als in de Verenigde Staten, maar de Franse staat gaat verder en doet niets ten gunste van welke religie dan ook;



-          Religie wordt beschouwd als een privézaak die niet in de publieke sfeer thuishoort, leerlingen en docenten mogen geen religieuze symbolen dragen op school. De achterliggende gedacht is dat etnische en religieuze verschillen niet op school thuishoren;



-          De meeste Fransen hebben veel zelfvertrouwen in de eigen cultuur en ze worden ook wel chauvinistisch gevonden, overdreven vaderlandslievend. ZO spreken ze weinig andere talen en van etnische en religieuze minderheden wordt verwacht dat ze zich de Franse cultuur en taal eigen maken;



-          Hun sociaaleconomische positie vaak (van etnische en religieuze minderheden) slecht;



-         Er heerst een strenge opvoedingsmoraal, met nadruk op autoriteit, regels, discipline en zelfbeheersing. Kinderen spreken hun ouders aan met ‘u’ en zullen niet snel om dingen zeuren, toch is de jeugdcriminaliteit erg hoog. Ook op de werkvloer is het autoriteitsbesef erg aanwezig.



7.5 Nederland, het pluriforme model:




  • Er is plaats voor verschillende religies, net zoals in het religieus neutrale model;

  • Het verschil is dat de overheid hen actief stimuleert en ondersteunt ze soms zelfs financieel.

  • Kerk en staat zijn gescheiden;

  • Gezagsverhoudingen anders dan in de andere modellen, inspraak is vanzelfsprekend, in gezinnen, op het werk, op school en in de politiek;

  • Het streven is om altijd en overal consensus te bereiken, volgens het bekende poldermodel;

  • Individualistisch;

  • Solidariteit (het idee van samenhorigheid) op sociaaleconomisch gebied;

  • De Nederlandse samenleving is zorgzaam voor haar burgers;

  • Binnen religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen kan zich een sterke verbondenheid ontwikkelen, dan kan de sociale cohesie ten kosten gaan van een nationale cohesie.





Hoofdstuk 8: De toekomst

De toegenomen culturele diversiteit zorgt in ons land voor veel discussies en onrust.



8.1Sinds enkele tientallen jaren voert Nederland een restrictief toelatingsbeleid, dat wil zeggen dat Nederland in principe geen immigranten toelaat, behalve als ze aan enkele strenge voorwaarden voldoen of als hun komst voortkomt uit internationale verdragen en overeenkomsten.



Door ondertekening van een hele reeks internationale verdragen heeft Nederland zich gebonden aan heel veel regelingen, richtlijnen en procedures die te maken hebben met immigratie:



-          De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) (1948): hierin staat dat een land niet mag discrimineren en dat de rechten en vrijheden van mensen – dus ook nieuwkomers – moeten worden nagekomen. Deze mensenrechten staan ook in Nederlandse Grondwet.



-          Europees Verdrag voor Rechten van de Mens (EVRM) (1950): Nederland moet inwoners de gelegenheid geven tot gezinshereniging en gezinsvorming. Hierbij mag een overheid aanvullende voorwaarden stellen.



-          VN-Vluchtelingenverdrag (1951): dit verdrag vormt de basis voor asielrecht.



-          Verdrag van Maastricht (1992): binnen de EU geldt een vrij verkeer van personen en goederen. De binnengrenzen van de lidstaten zijn dus open. Op grond hiervan kunnen Nederlanders in principe in alle EU landen wonen en werken en andersom.



Migranten, gezinsvormers, en gezinsherenigers, expats en arbeidsmigranten van buiten de EU, studenten en asielzoekers, moeten eerst een machtiging tot verloop verblijf (MVV) aanvragen om in Nederland zich te mogen vestigen. De immigratie en Naturalisatiedienst (IND) neemt hierover de beslissing, uit naam van de minister die zich bezighoudt met asiel en immigratie beleid.



Arbeidsmigranten krijgen alleen een MVV op verzoek van een in Nederland gevestigde werkgever, met als aanvullende eis dat op het betreffende vakgebied aantoonbare tekorten zijn op de arbeidsmarkt.



Studenten kunnen alleen op uitnodiging van een universiteit komen.



De meeste asielzoekers worden teruggestuurd, omdat hun land als veilig wordt gezien door het ministerie.



Er zijn verschillende meningen over dit toelatingsbeleid:



Argumenten tegen immigratiebeleid: hoge kosten voor de opvang, verdringingseffecten op de arbeidsmarkt, moeizame integratie en bedreiging van de Nederlandse cultuur. Ze willen dat Nederland meer immigranten weigert, desnoods door verdragen op te zeggen.



Argumenten voor immigratiebeleid:  formele regels zijn te streng, wat soms tot onmenselijke beslissingen leidt. Door de onuitvoerbaarheid van regels komen mensen tussen wal en schip terecht. De economische effecten van vergrijzing en ontgroening kunnen worden tegengegaan door meer migranten.



8.2 Cultuurrelativisten vinden dat alle (sub) culturen in beginsel gelijkwaardig zijn en dat de ene cultuur niet beter is dan de andere. Uitgangspunt: waarden en normen van anderen moeten beoordeeld worden vanuit de context van hun cultuur. Een sterk punt hiervan is de respectvolle manier waarop het naar andere culturen kijkt. Er zijn ook zwakke punten, want als er geen universele moraal is, dan kun je heel veel dingen waar wij het eigenlijk niet mee eens zijn rechtvaardigen zoals bijvoorbeeld de 2e wereldoorlog en de heksenverbrandingen.



Cultuuruniversalisten vinden dat bepaalde waarden, zoals de klassieke grondrechten, universele geldingskracht hebben. Een (sub)cultuur is in hun ogen beter, naarmate deze de universele waarden zorgvuldig nastreeft en beschermt. Critici vinden dat universalisten te sterk de individuele rechten benadrukken.



Cultuurpluralisten zien culturele verscheidenheid niet als een belemmering voor een samenleving, maar als een verrijking. Door van elkaar te leren worden culturen ‘rijker’ en leren mensen elkaar te respecteren. Ze gaan uit van een soort humaan minimum, de laagste drempel voor menselijke waardigheid die bij alle culturen aanwezig is. Ze bieden de mogelijkheid om bepaalde gedragingen af te keuren. Een belangrijk verschil tussen relativisten en universalisten aan de ene kant en pluralisten aan de andere kant: de manier waarop zij het begrip cultuur definiëren. De eerste twee zien culturen als statische, homogene eenheden die niet of heel langzaam veranderen. Zij hebben een essentialistisch (het heeft een vaste waarde, een essentie) cultuur begrip. Volgens pluralisten hebben culturen een dynamisch karakter. Ze veranderen voortdurend onder invloed van interne factoren en externe factoren. Sommige cultuurelementen verliezen aan kracht en nieuwe elementen worden toegevoegd. Dit noemen we het constructivistische cultuurbegrip.



We hebben eerder gezien dat de nieuwkomers geïntegreerd zijn als ze een gelijke juridische positie hebben, gelijkwaardige kansen hebben op de arbeidsmarkt, de Nederlandse taal beheersen en de meest gangbare waarden, normen en gedragspatronen respecteren. We hebben ook geconstateerd dat de bereidheid om te integreren van twee kanten moet komen, zowel van de nieuwkomers zelf als van de ontvangende samenleving die de integratie mogelijk moet maken. Beide moeten zich aanpassen. Sommigen zeggen dat de overheid een nog actiever beleid moet voeren om integratie te bevorderen. Anderen zeggen dat integratie simpelweg een kwestie van tijd is: het kan een of twee generaties duren, maar uiteindelijk ontstaat er vanzelf een nieuwe samenleving die op de ene plaats meer de kant opgaat van een ‘salad bowl’ en op de andere plaats een ‘melting pot’ wordt.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door L.