Ben jij 16 jaar of ouder? Doe dan mee aan dit leuke testje voor het CBR. In een paar minuten moet je steeds kiezen tussen 2 personen.

Meedoen

Hoofdstuk 2 politiek

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 2370 woorden
  • 13 januari 2005
  • 41 keer beoordeeld
Cijfer 7.1
41 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Samenvatting maatschappijleer: Hoofdstuk 2 Politieke besluitvorming 1 Democratie Wetten en staat: Wetten= voor iedereen geldende regels, (wetten gelden in een bepaald land (staat)) Drie kenmerken van een staat: 1.Een staat heeft een afgebakend grondgebied. De grenzen zijn in de loop van de tijd ontstaan door natuurlijke barrières. Zoals bergen, zeeën en ook door huwelijken tussen verschillende koningshuizen en oorlogen. 2.In een staat woont een bevolking die veel gemeenschappelijks heeft: taal, cultuur.. 3.De staat (overheid) heeft binnen het gebied het hoogste gezag. Deze mag optreden als de regels van de staat overtreden worden. De overheid heeft macht omdat zij burgers via straffen kan dwingen zich aan de wet te houden. Er is gezag als de macht als redelijk wordt aanvaard.Als mensen ontevreden zijn over het overheidsbeleid, kan er een gezagscrisis ontstaan. Belangen, conflicten, politiek en beleid. In een staat (bv Nederland) zijn er veel groepen die verschillende belangen hebben. Bijv. De een wil de lonen laag houden de ander weer hoog. Zo doen veel groepen een beroep op de staat, overheid.Zij vragen dan bijvoorbeeld dat de staat het belasting geld anders verdeelt en nieuwe of andere wetten opstelt. De staat zorgt er ook voor dat er geen conflicten ontstaan tussen groepen en dit niet met geweld opgelost wordt. Zulke conflicten en regels hebben een politiek karakter. Politiek= alles wat te maken heeft met de overheid.( Hoe komen besluiten en wetten tot staand?, enz.) De overheid en andere organisaties voeren een beleid. Beleid voeren= proberen een doel te bereiken door her doelgericht gebruik van middelen. Democratie en dictatuur
Dictatuur= 1 persoon of een kleine groep heeft alle macht in handen. De rol van de bevolking is zeer klein. Er wordt niet om hun mening gevraagd. Wel openlijk kritiek? Dan wordt je gevangen gezet. Inwoners hebben weinig rechten, maar vooral plichten. Zij zijn onderdanen van de staat. Democratie= Het volk heerst. De bewoners kunnen wel invloed hebben op de besluiten. Zij mogen wel kritiek leveren op de overheid. Het zijn geen onderdanen maar burgers die ook plichten maar ook rechten hebben. Indirecte/ vertegenwoordigende democratie= het volk heerst niet rechtstreeks maar via vertegenwoordigers dit komt vaak voor in landen met miljoenen inwoners (NL). Directe democratie= het volk heerst wel rechtstreeks, dit is alleen bij kleine aantallen bewoners mogelijk. Alle democratische landen hebben een vertegenwoordigend stelsel. Kenmerken van een democratie: Centraal in een democratie staan: •Gelijkheid: alle burgers hebben gelijke rechten, er mag niet worden gediscrimineerd op grond van huidskleur, sekse, godsdienstige opvattingen. •Vrijheid: burgers moeten hun eigen leven kunnen inrichten zoals zij dat willen. Zolang ze de ander zijn vrijheid niet beschadigen mag de overheid die vrijheid niet beperken. De belangrijkste kenmerken van een (vertegenwoordigende) democratie: 1. Algemeen kiesrecht: alle volwassen vrouwen en mannen mogen stemmen. Hoe of op wie ze stemmen is geheim tenzij ze ‘t vrijwillig vertellen. 2. Regelmatige verkiezingen: in NL kiezen de burgers elke 4 jaar een nieuw parlement.(neemt besluiten over wetten en controleert de regering)De regering is het dagelijkse bestuur van een land.Kan alleen blijven regeren als hij de meerderheid van t parlement achter zich heeft

3. Vrijheid van meningsuiting: mensen zijn vrij hun mening te geven zolang het niet beledigend is.Via tv, radio, krant enz. hierdoor kunnen de burgers verschillende meningen aanhoren en daaruit hun eigen mening vormen. 4. Vrijheid van vereniging en vergadering: iedereen mag een vereniging oprichten van mensen met dezelfde ideeën of belangen. Je mag ook demonstraties en bijeenkomsten organiseren. 5. Machtenscheiding: Er is een wetgevende macht die wetten maakt, (regering) parlement. uitvoerende macht die zorgt dat de wetten worden uitgevoerd. regering + ambtenaren, Rechtelijke macht die optreedt als de wetten overtreden zijn, (de rechters) Sociale voorwaarden voor een democratie
Er is kans dat ‘t met een democratie goed gaat als deze aan sociale voorwaarden voldoet: •is er sprake van sociaal-economische ontwikkeling: de lonen gaan omhoog, er is werk voor iedereen. Hierdoor zullen mensen positief over een democratisch stelsel denken en hebben geen behoefte aan iemand die zegt de problemen op te kunnen lossen. •Bestaat er sociaal-economische gelijkheid: is iedereen gelijk in een land. Kunnen niet alleen de rijken alles doen, kranten oprichten, advertenties betalen. Als mensen met een laag inkomen dit niet kunnen, kunnen ze minder invloed hebben op de politiek en zullen zich dan niet serieus genomen voelen. •is er sprake van democratische politieke cultuur: de conflicten worden beslecht door verkiezingen en niet door geweld. Ook is tolerantie belangrijk, mensen moeten ruimte geven aan de meningen waar ze het niet mee eens zijn. De meerderheid houdt rekening met de rechten en belangen van minderheden. •Burgers hebben zich verenigd in organisaties op grond van ideeën en belangen: bijv. kerken, vakbonden, milieuactiegroepen enz. •Militairen hebben geen invloed op de politiek: ze kunnen geweld gebruiken en dreigen om hun zin te krijgen hiermee kunnen zij democratische besluiten ongedaan maken. In democratieën (NL) gehoorzamen de militairen aan de democratische besluitvorming. (er is dan dus geen invloed). •De staat goed functioneert: Er worden goede diensten verleent (wegen, scholen gebouwd) en niet te veel geluisterd naar 1 groep. Er is geen corruptie. Mensen hebben vertrouwen dan problemen democratisch opgelost worden. •Er geen hevige conflicten zijn tussen etnische groeperingen: 2 Rechtstaat Kenmerken van een rechtstaat
We kunnen pas van een volwaardige democratie spreken als er ook sprake is van een rechtstaat. Een rechtstaat zorgt ervoor dat een land democratisch blijft. Rechtstaat = dat alle belangrijke rechten van burgers gegarandeerd zijn en ook iedereen zich aan de wetten moet houden, ook de overheid. Kenmerken van een rechtstaat: 1.gelijke rechten ( zie gelijkheid) 2.wat wel, niet mag staat in wetten. Overheid + burgers moeten zich hieraan houden
3.er is een machtenscheiding (zie machtenscheiding kenmerken democratie) 4.in de grondwet en internationale verdragen zijn de belangrijkste grondrechten opgenomen. Deze zijn er om burgers tegen de overheid te beschermen. Om de grondwet te veranderen is er een tweederde meerderheid nodig. Als deze 4 kenmerken zo zijn kan je er voor zorgen dat de grondrechten voor iedereen zeker zijn/ blijven. Grondrechten worden ook vaak mensenrechten genoemd. Grondrechten
Klassieke mensenrechten: -vrijheid van godsdienst -vrijheid van meningsuiting -vrijheid van vereniging en vergadering -onaantastbaarheid van het lichaam -bescherming tegen willekeurige huiszoeking -bescherming tegen willekeurige arrestatie -brief, telefoon en telegraafgeheim. Is WEL afdwingbaar:Je kunt een rechtszaak aanspannen tegen De overheid als de overheid er niet voor zorgt. sociale mensenrechten: - recht op onderdak - recht op onderwijs en werk - recht op voedsel - recht op gezondheidszorg
Is NIET afdwingbaar: er kan geen rechtszaak aangespannen worden. Omdat het afhangt van de Economie en niet vd overheid 3 politieke stromingen en partijen: Belangen, ideologieën, partijen
Politici spreken over het algemeen belang. Daarbij gaat het over welvaart, veiligheid, onderwijs en gezondheidszorg. Alle mensen hebben verschillende belangen en opvattingen over hoe de maatschappij het best georganiseerd kan worden. Dit leidt tot uiteenlopende ideeën over het algemeen belang. Deze opvattingen over het organiseren van de maatschappij ideologieën. Mensen met dezelfde ideologie vormen een politieke stroming. In een democratie kunnen de mensen met dezelfde ideologie een politieke partij oprichten. Politieke partij= georganiseerde groep die: 1.ideeën heeft over alle belangrijke beleidsterreinen(ideeën samen is ’t programma) 2.kandidaten stelt bij verkiezingen: zodat ze hun programma uit kunnen voeren. Vaak worden politieke partijen ingedeeld in links en rechts. Linkse partijen willen meer sociale gelijkheid en hecht aan gelijke kansen. Rechts vreest dat de vrijheid van mensen in gevaar komt als de overheid zich hier meer in verdiept. communisme : In het communisme staat gelijkheid centraal. Er is een streven naar winst en de vrijheid wordt onderdrukt.Er moeten productiemiddelen komen van de gemeenschap, meestal in de vorm van de staat waarna er voor iedereen sociale rechtvaardigheid zal komen.De communistische partij verbiedt andere partijen die niet communistisch ingesteld zijn, hierdoor ontstaat er een eenpartijdictatuur. Socialisme (sociaal-democratisch): (PVDA)(groenlinks)( SP) Het socialisme is ontstaan als een reactie op het liberalisme
Ook hier staat gelijkheid centraal. Ze willen gelijke kansen op: werk, onderwijs(studiefinanciering) gezondheidszorg eigen huis (kopen) arbeidsrechten. De socialisten komen op voor de ‘’gewone man’’ (jan modaal= gemiddeld loon) voor werknemers + de zwakkere: gehandicapten, ouderen, uitkeringsgerechtigden) Socialisten willen een actieve overheid om gelijke kansen en een rechtvaardige inkomensverdeling te garanderen. Christen-democratie: (midden centrum) (CDA) Het gezin is centraal in de maatschappij zeggen de christen democraten. Gezin als hoeksteen van de samenleving. -ze zijn geïnspireerd door de bijbel -rentmeesterschap= de mens heeft de aarde in bruikleen v. god. We moeten dus zorgvuldig met de natuur omgaan. -Samen geen conflicten(ook tussen partijen) maar samen oplossen: water bij de wijn doen voor de maatschappij. Het maatschappelijke middenveld= zorgtaken meer door vrijwilligers en familie laten doen i.p.v betaalde krachten. Liberalisme: (VVD)(D66) Het liberalisme hecht sterk aan vrijheid.Ieder individu moet zoveel mogelijk zijn eigen leven kunnen inrichten en is daar zelf verantwoordelijk voor. Zo weinig mogelijk regels en bemoeienis van de overheid. Zij komen op voor de ondernemers en de “rijkere” ze zijn voor bedrijven dat ze minder arbeidsrechten (BV soepeler ontslag, afschaffing van het minimum loon.) en minder plichten hebben, minder regels om een bedrijf te starten. Fascisme: (extr rechts) Het fascisme keert zich tegen de democratische principes, vrijheid en gelijkheid en de daarbij horende tolerantie. Het vereert leiderschap, orde, elite, instincten en heldendom. Er moet hier een politiek van de daad komen. Dat leidt tot verering van eigen natie en het eigen volk. Alles wat vreemd is moet bestreden worden. (nationalisme in DU 2e WO) Andere stromingen en partijen

Rond 2000 ontstond in NL een nieuwe politieke stroming. De leefbaarheidbeweging. Volgens deze beweging is er een kloof ontstaan tussen de burgers en politici/bestuurders. De beweging wil harder optreden tegen criminaliteit, asielzoekers zoveel mogelijk weren en allochtonen dwingen zich aan te passen. Er is een ‘nieuwe politiek’ nodig die niet alles in achterkamertjes beslist. Deze beweging wordt gerekend tot de stroming van ’t populisme omdat men beroep doet tot t volk tegen de machten en namens het volk zegt te spreken.( politieke partij LPF lijst Pim Fortyn +2002) 4 verkiezingen, regering en parlement Constitutie= grondwet
NL is een constitutionele monarchie
De taken van de koningin staan in de grondwet: •Ceremoniële functie: -> prinsjesdag: zij leest de troonrede(alle plannen van de regering voor het komende jaar) voor maar heeft deze niet zelf geschreven en ook de inhoud niet bepaald. •Symbolische functie: zij symboliseert -> eenheid van het volk. Zij uit haar mening niet. En staat dus boven alle partijen. •Macht: de macht van de koningin is beperkt. Formele: Staat in de grondwetinvloed hangt van de personen af.( geen volle macht) De koningin heeft wel informele macht
bijv: elke week komt de MP bij de koningin
zij kan haar mening geven (ze heeft wel invloed om te adviseren) Als MP denkt
DAG dan hoeft hij niet naar haar te luisteren
Uitgangspunt van de constitutionele monarchie = ‘’ koningin is onschendbaar ministers zijn verantwoordelijk’’ Waarom? Omdat ze geen formele macht heeft en ze staat voor eenheid van het volk. Verkiezingen
Elke 4 jaar kunnen Nederlanders rechtstreeks stemmen voor: •Tweede kamer-> belangrijkste onderdeel van het parlement •Provinciale Staten-> Volksvertegenwoordiging in elk van de 12 Provincies. •Gemeenteraad-> volksvertegenwoordiging in elk 500 gemeenten •Europees parlement-> volksvertegenwoordiging voor EU (eens in 5 jaar) De 1e kamer(75 leden)die samen met de 2e kamer het parlement vormt, wordt indirect gekozen. Dit bepalen de leden van de Provinciale Staten. Actief kiesrecht= alle NLders van 18 jaar en ouder. Passief kiesrecht= zij kunnen gekozen worden als lid van de 2e kamer
De regering

De 2e kamer heeft 150 leden (150 zetels/stoelen) In NL geldt: Evenredige vertegenwoordiging= het aantal stemmen is evenredig met het aantal zetels.Maar om te regeren moet je minimaal 75+1 zetels hebben (helft +1) De 2e kamer beslist welke wetten er komen en welke niet. Na de 2e kamer verkiezingen (als alle 150 zetels verdeeld zijn) komt eruit de 2e kamer een nieuw kabinet = uitvoering + nieuwe plannen verzinnen)->( minister president + ministers). Een partij heeft nooit de meerderheid van de zetels. Dus -> Coalitie= samenwerking van meerdere politieke partijen in een kabinet! Hoe vorm je een coalitie? 1.De koningin benoemt een informateur. Deze gaat bij alle partijen informeren wie met wie wil samenwerken. 2.Als dat duidelijk is, benoemt de koningin een formateur (samensteller) deze gaat proberen een coalitie te vormen. De formateur is de lijsttrekker van de grootste coalitiepartij en wordt MP(premier) als de coalitie gaat regeren. 3.Tijdens de formatie? De potentiële coalitie probeert een regeerakkoord te sluiten met de andere coalitie kandidaten (een contract met afspraken) Parlement bestaat uit: regeringspartijen en oppositiepartijen( niet regeringspartijen). Regeringspartijen proberen hun eigen regering te steunen. De oppositie probeert de regering te volgen en fouten in het beleid of uitvoering daarvan aan de kaak te stellen. De leden in de kamer van dezelfde partij -> fractie(wordt geleid door een fractievoorzitter) iedere partij heeft zijn specialisten op bepaalde gebieden: fractiespecialisten. Parlement heeft 2 belangrijke taken: 1. wetgeving: alle wetsvoorstellen moeten worden goedgekeurd, eerst door de 2e kamer dan door de 1e kamer. 2. controleren van de regering. Voor de wetgeving heeft het parlement een aantal rechten: •begrotingsrecht: jaarlijkse begroting, opgenomen in de miljoenennota. Moet voor ieder ministerie goedgekeurd worden. •2e kamer heeft het recht van amendement: ze kunnen bij meerderheid van stemmen veranderingen aanbrengen in de wetsvoorstellen. (van t kabinet) •2e kamer heeft het recht van initiatief: als ze vinden dat er een nieuwe wet moet komen en de regering doet er niets aan kunnen zij zelf een wetsonderwerp indienen. De weg van wetsontwerp: 1. de regering maakt wetsonderwerp
2. regering zendt t naar de 2e kamer.daar wordt het bekeken door fractiespecialisten en eventueel nog wat veranderd. En discussiëren met de minister. Dan wordt er op gestemd (eerst op de wijzigingen en dan op het geheel) 3. als de meerderheid voor is gaat t naar de 1e kamer. (die mag geen wijzigingen aan brengen) 4. ten slotte zetten de koningin en de minister hun handtekening onder de wet en wordt de wet gepubliceerd. De controle: Om de regering te controleren beschikken de 1e en 2e kamer over: •Het stellen van mondelinge en schriftelijke vragen aan de regering •Het houden van een interpellatie (spoeddebat) voor uitleg van de minister •Als ’t parlement vind dat er veel is mis gegaan ergens kan er een enquête opgesteld worden en wordt er een onderzoek gedaan. Als er veel fouten zijn gemaakt. Kan er een motie van wantrouwen ingediend worden als dat gebeurd moeten de minister en/ of het hele kabinet aftreden. komt er een Kabinetscrisis.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.