Hoofdstuk 1 t/m 6: Parlementaire Democratie

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 2232 woorden
  • 12 januari 2015
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!


Maatschappijleer  Toets P.D. par. 1 t/m par.6.



Paragraaf 1.



Politiek = de manier waarop een land wordt bestuurd.



Politici hebben grote invloed op verschillende zaken die van groot belang zijn:




  • Openbare orde en veiligheid: het inzetten van meer politieagenten.

  • Buitenlandse betrekking: uitzending van militairen.

  • Infrastructuur: de aanleg van sporen, wegen en autobanen.

  • Welvaart: voldoende werkgelegenheid voor jongeren.

  • Welzijn: wegwerken van wachtlijsten in ziekenhuizen.

  • Onderwijs: veranderen van de exameneisen voor HAVO en VWO.



Voor het realiseren van deze belangen betalen burgers belasting.



Hiertegenover staat het recht dat je mag stemmen op een politieke partij.



Democratie = een staatsvorm waarbij de bevolking direct of indirect invloed uitoefent op de politieke besluitvorming.



2 vormen van democratie:




  • Directe democratie: burgers beslissen hoe een land moet worden bestuurd.

  • Indirecte democratie: de burgers kiezen vertegenwoordigers die het land gaan




Parlementaire democratie.




  • Burgers hebben politieke grondrechten:




  • Alle Nederlands hebben vanaf hun 18e stem recht.

  • Iedereen mag een politieke partij of vereniging oprichten.

  • Iedereen mag demonsteren en er is vrijheid van meningsuiting.




  • Politieke besluitvorming:




  • De leden van het parlement worden gekozen door een anonieme stemming.

  • De wetten worden vastgesteld door de regering en Staten-Generaal.




  • Vrije media:




  • De media heeft geen toestemming nodig voor publicaties of uitzendingen.

  • De overheid moet er zelf voor zorgen dat de media de juiste informatie krijgt.



Dictatuur = alle macht is in handen van één persoon of een kleine groep. ( N-Korea, Cuba ).



Fascisten zijn erg nationalistisch, deze mensen hebben liever één sterk persoon die de macht heeft in een land.



In Iran is sprake van een religieuze dictatuur, deze is gebaseerd op de islamitische wetgeving.



Bij een militaire dictatuur heeft het leger alle macht in een land.





Kenmerken van een dictatuur:




  • De politieke macht is in handen van een kleine groep mensen.

  • Grondrechten worden niet beschermd.










  • Geen vrije pers.

  • Oppositiepartijen zijn verboden.

  • Militairen spelen een grote rol.

  • Er is sprake van verkiezingsfraude.





Paragraaf 2.



Ideologie = een samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving.




  • Eigen waarde en normen: bijv. hoeveel vrijheid moet er zijn?

  • Sociaaleconomische verhoudingen: wat is een rechtvaardige verdeling van welvaart?

  • Machtsverdeling in de samenleving: moeten werknemers meer te zeggen hebben in hun bedrijf of niet?



Nederland kent 3 grote ideologieën.




  1. Liberalisme: VRIJHEID.




  • Persoonlijke vrijheid, Economische vrijheid.

  • Benadrukt de belangen van een individu in het bedrijfsleven.

  • Terughoudende overheid die orde en gezag handhaaft.

  • Partijen zijn: VVD en PVV.




  1. Socialisme: GELIJKWAARDIGHEID.




  • Eerlijke verdeling van inkomen, kennis en macht.

  • Bescherming van de zwakkeren.

  • Benadrukt de rol van de overheid op sociaaleconomisch terrein.

  • Sturende overheid om sociale gelijkheid tot stand te brengen.

  • Partijen zijn: PvdA en SP.




  1. Confessionalisme: HARMONIE.




  • Gespreide verantwoordelijkheid, zorgzame samenleving.

  • Benadrukt de verantwoordelijkheid van burgers voor elkaar.

  • Aanvullende rol van de overheid ter ondersteuning van particuliere organisaties.

  • Partijen zijn: CDA en SGP.







LINKS                                                                                                                                  RECHTS



PvdA                                                                CDA                                                                                    VVD



SP                                                       D66                                                                         PVV



Groenlinks

















Paragraaf 3.



Politieke partij = een groep mensen met dezelfde ideeën over de manier waarop onze samenleving het beste bestuurd kan worden.



Actiegroepen: houden zich vooral bezig met één bepaalde doelstelling. ( Milieudefensie. )



Belangenorganisaties: behartigen de problemen van één bepaalde groep mensen.(FNV, ANWB.)





Soorten partijen:




  • Op basis van een ideologie.

  • One-issuepartijen, richten zich op één aspect in de samenleving.

  • Protestpartijen, ontstaan uit onvrede over de politiek.

  • Populistische partijen, opkomen voor de zwijgende massa.

  • Niet-democratische partijen, zijn vaak erg nationalistisch gericht.





Functies partijen:




  • Integratiefunctie, op basis van allerlei wensen maken partijen vanuit hun eigen ideologie een samenhangend geheel.

  • Informatiefunctie, politieke partijen informeren de kiezers.

  • Participatiefunctie, politieke partijen proberen burgers te stimuleren om actief deel te nemen aan de politiek.

  • Selectiefunctie, mensen die in de politiek willen sluiten zich vaak aan bij een bestaande partij of richten zelf een partij op. Zonder partij is het niet mogelijk om gekozen te worden.







Voor specificatie van de partijen etc. zie:






  • Bladzijde 76/77 TB.

  • Bladzijde 78/79 TB.





Paragraaf 4.



We kiezen politici op 4 verschillende niveaus:




  • Het Europees parlement.

  • De Tweede Kamer.

  • Provinciale Staten.

  • De gemeenteraad.



Alle Nederlanders van 18 jaar en ouder hebben actief kiesrecht. Daarnaast heeft iedere volwassenen passief kiesrecht.



Actief kiesrecht = je mag bij verkiezingen jou stem uitbrengen op een partij.



Passief kiesrecht = het recht om je verkiesbaar te stellen.



De overheid wil voorkomen dat mensen zich voor de grap verkiesbaar stellen. Daarom moet je aan een paar dingen voldoen:




  • Registeren bij de kiesraad.

  • Je moet steunbetuigingen inleveren.

  • Je moet een borgsom betalen van €11,250.



Mensen met een buitenlands paspoort die langer dan 5 jaar in Nederland wonen hebben alleen kiesrecht bij gemeenteraads verkiezingen.





Partijen hebben verschillende standpunten. De bekendste kandidaat van een partij is de lijsttrekker.



Lijsttrekker = de bekendste kandidaat van een partij. Deze persoon staat altijd op nummer 1 op de kandidatenlijst. Deze persoon debatteert voor de partij, is het gezicht tijdens campagnes en zie je vaak op de televisie.



Een aantal redenen waarom je op een partij zou stemmen:




  • De standpunten van een partij komen overeen met jou ideeën.

  • De partij let goed op jouw belangen, bijvoorbeeld een etnische minderheid.

  • Je stemt strategisch, wie wil jij in de regering hebben?

  • De aantrekkingskracht van de lijsttrekker.



Verkiezingen draaien om zetels. Verkiezing worden gehouden volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.



Evenredige vertegenwoordiging = elke partij krijgt het aantal zetels dat in verhouding is met het totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen.



Als je gaat stemmen, stem je niet op een partij maar op een persoon. Keurstemmen krijgen mensen die niet hoog op de kandidatenlijst staan maar toch gekozen worden.



Voor de verkiezingen stellen de partijen campagnes op. Deze lijsttrekkers worden geholpen door spindoctors.



Spindoctors = communicatiedeskundigen die de partij en de lijsttrekker adviseren.



Er zijn ook opiniepeilingen. Dit betekent dat er wordt gekeken hoe de partij ervoor staat.



De avond voor de verkiezingen vindt er een groot tv-debat plaats. Hierdoor proberen de partijen de zwevende kiezers voor zich te winnen.



Zwevende kiezers = kiezers die niet bij elke verkiezing op dezelfde partij stemt.



Doordat er een grote rol van de media is wordt er ook wel gesproken van een tv- en internetdemocratie.



Laat op de avond wordt de uitslag bekend gemaakt. Deze uitslag zal bepalen welke partijen in het kabinet komen.







Paragraaf 5.



De regering bestaat uit een aantal mensen:




  • De koning(in).

  • De ministers met hun staatssecretarissen.



De ministers en staatssecretarissen vormen ZONDER de koning(in) het kabinet.



Direct na de uitslag van de verkiezingen begint de kabinetsformatie. Het doel is om het volgende kabinet samen te stellen:




  • Het samen globaal eens zijn over het toekomstige beleid.

  • Samen de steun hebben van de meerderheid van de Tweede Kamer, dus tenminste 76 leden.



Omdat een partij in zijn eentje nooit 50% kan halen, zitten er altijd meerdere partijen in het kabinet.



Het verloop van de kabinetsformatie:




  1. Adviezen



Verschillende mensen krijgen een bericht:




  • De koning(in).

  • De vice-president van de Raad van State.

  • De voorzitters van de 1ste en 2de kamer.

  • Fractievoorzitters van de 2e kamer.



Zij adviseren elk welke partijen het beste een kabinet kunnen vormen. Op basis hiervan benoemd de koning(in) een informateur.




  1. De informateur begint



Partijen moeten van de informateur compromissen sluiten. Als dat lukt is er sprake van coalitie.



Coalitie = een samenwerkingsverband van twee of meerder partijen.



Met hulp van de informateur stellen de coalitiepartijen een regeringsakkoord op.



Regeringsakkoord = een akkoord waarin de hoofdlijnen van het beleid voor de komende jaren staat.




  1. De formateur maakt het af



Als de coalitie is gelukt, dan benoemd de koning(in) een formateur die geschikte ministers en staatssecretarissen bij elkaar zoekt. De formateur is vaak afkomstig van de meest gekozen partij. Hij wordt dan meestal zelf de minister-president.




  1. Op het bordes



Nadat de formateur klaar is, benoemt de koning(in) de ministers en staatssecretarissen en volgt de wel bekende foto op het koninklijke bordes.



De regering.



Iedereen die lid is van de regering moet zich houden aan de grondwet, dus ook de koning(in). We spreken daarom van een constitutionele monarchie.



Constitutionele monarchie = een staatsvorm waarin de taken en bevoegdheden van het staatshoofd grondwettelijk zijn vastgelegd.





De belangrijkste taken van de koning(in) zijn:




  • Een handtekening plaatsen onder de wetten.

  • De troonrede voorlezen op Prinsjesdag.

  • Ministers en (in)formateurs benoemen.

  • Regelmatig overleg voeren met de minister-president.



De belangrijkste taken van de ministers:




  • Het opstellen van wetvoorstellen.

  • Het uitvoeren van eenmaal aangenomen wetten.

  • Het jaarlijks opstellen van de rijksbegroting en deze aanbieden aan het parlement.



Troonrede = hierin staan alle begrotingen voor het komende jaar ( de miljoenennota ). Deze wordt door de koning(in) voorgelezen op de 3de dinsdag van september ( Prinsjesdag ).



Ministeriële verantwoordelijkheid = het kabinet is verantwoordelijk voor het volgende:




  • De inhoud van wetten.

  • De troonrede.

  • Alle gedragingen van alle leden van het Koninklijk Huis.



Ministers zijn ook verantwoordelijk voor hun ambtenaren. Als ambtenaren de fout in gaan dienen de ministers hier een passende sanctie voor te hebben.





Elke minister heeft zijn eigen bedrijfsterrein, ook wel portefeuille genoemd. De minister heeft dan ook zijn eigen ambtenaren in dienst.



Ambtenaren = mensen die wetvoorstellen voorbereiden en adviezen geven.



Een minister heeft ook een of twee staatssecretarissen. Deze mensen zijn verantwoordelijk voor een deel van het beleidsterrein.





Paragraaf 6.



Politieke cultuur = de manier waarop de regering en het parlement met elkaar omgaan.



Kenmerkend voor de Nederlandse politieke cultuur is de bereidheid tot overleg en sluiten van compromissen, dit wordt poldermodel genoemd.




  • Parlement: Staten - Generaal




  • Eerste Kamer ( senaat )        75 leden

  • Tweede Kamer                      150 leden



Tweede kamer wordt direct gekozen door Nederlandse bevolking.



Eerste kamer wordt indirect gekozen door leden van de Provinciale Staten, in dit geval spreek je van ‘’ getrapte “ verkiezingen.



De Eerste Kamer controleert als het ware de wetvoorstellen van de Tweede Kamer. Ze mogen er niks aan veranderen, alleen goed- of afkeuren.



Fractie = de groep vertegenwoordigers van een politieke partij in een gekozen orgaan.



Oppositiepartijen = de partijen die niet in de regering zitten.



Ministers hebben 2 soorten machten:




  1. Wetgevende macht

  2. Uitvoerende macht



De trias politica wordt dus niet helemaal nageleefd. Daarom vinden veel mensen dat de ministers teveel macht hebben in Nederland.



Het parlement heeft 2 soorten machten:




  1. Medewetgeving

  2. Controle van de ministers.





*bijlage



De kabinetsformatie



=             Het vormen van een kabinet van ministers en staatssecretarissen die (1) het eens zijn over beleid en (2) de steun hebben van de meerderheid van de Tweede Kamer





1) Uiterlijk 1 week na de verkiezingen debatteert de Tweede Kamer over de verkiezingsuitslag





2) Informateur wordt benoemd door  de Tweede Kamer



Onderzoekt welke combinatie van partijen de meeste kans van slagen heeft



Probeert compromissen te sluiten tussen partijen en met deze partijen een coalitie te vormen



Stelt samen met coalitiepartijen een regeerakkoord op





De informateur brengt verslag uit aan de Tweede Kamer





3) Formateur wordt benoemd door de Tweede Kamer



Is afkomstig uit de grootste regeringspartij



Wordt meestal de minister-president



Zoekt de geschikte ministers en staatssecretarissen bij elkaar





4) De koning benoemt de ministers en staatssecretarissen






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.