H1: Politiek
Politiek = de inhoud van het overheidsbeleid en de wijze waarop dit beleid totstandkomt.
De beslissingen die de overheid neemt, gaan meestal over:
 Openbare orde en veiligheid
 Buitenlands betrekkingen
 Welvaart
 Welzijn
We hebben 3 bestuurslagen:
 De gemeente
 De provincie
 Het Rijk (hele land)
Je hebt verschillende manieren om invloed uit te oefenen op de politiek, je kan:
 Stemmen
 Lid worden van politieke partij
 Contact opnemen met politici
 Een verzoek indienen
 De pers benaderen
 Lid worden van actiegroep
 Overgaan tot burgerlijke ongehoorzaamheid (het openlijk de wet overtreden met het doel politici te overtuigen dat een genomen besluit fout is)
 Of een gerechtelijke procedure beginnen

H2: Politieke stromingen en partijen

Stroming = een geheel van opvattingen
Ideologie = een visie op de wereld
Ideologieën hebben duidelijke standpunten over:
 Normen en waarden (normen zijn regels en waarden wat je zelf belangrijk vindt)
 De gewenste sociaal-economische verhoudingen van de samenleving
 De gewenste machtsverdeling in de samenleving
Progressief = vooruitstrevend, de maatschappij willen veranderen
Conservatief = behoudend.
Reactionair = oude regels die inmiddels zijn veranderd weer willen herstellen
Links Rechts
<--|---------------|----------|------------|--------------|----------|------------|-----------|-----------|-----|->
SP Groen PvdA D66 CDA LPF VVD Christen SGP
Links Unie
Links = sluit over het algemeen aan op de progressieve uitgangspunten, en komt op voor mensen met een achterstandspositie. Ze beschermen de zwakkeren erg.
Rechts = sluit vaak aan bij conservatieve uitgangspunten, en is voor eigen initiatief: hard werken om geld te verdienen. Rechts is voor bescherming van persoonlijke en economische vrijheid.
Rol van de staat = bij links heeft de overheid een duidelijke rol, als beschermer van de zwakkeren, en bij rechts heeft de overheid de rol van bewaker van de vrijheden.
Liberalisme = (vooral rechts) stroming die aan het einde van de 18e eeuw ontstond en zich richt op het ideaal vrijheid. Het ging vooral om persoonlijke en economische vrijheid.
Socialisme = (vooral links) stroming ontstaan als reactie op het liberalisme. Ze zijn vooral voor gelijkheid.
Sociaal-democraten = socialisten die de zaken langs de democratische weg willen bereiken.
Christen-democratie = benadrukken de gezamenlijke verantwoordelijk tussen werkgevers en werknemers. Ze streven naar een samenleving op christelijke grondslag, en het rentmeesterschap is belangrijk: De aarde is door god in bruikleen gegeven, en dus moet je haar goed behandelen.
One-issueparijen = partijen die zich op één aspect in de samenleving richten
Protestpartijen = ontstaan uit onvrede met bestaande politiek

H3 Rechtsstaat en democratie

Staat = een staat is onafhankelijk als hij 3 elementen heeft;
 Een vast grondgebied of territoir
 Er woont een bevolking op het territoir
 Er wordt ene vorm van gezag uitgeoefend.
Gezag = accepteren dat er iemand boven je staat
Macht = het vermogen om je wil aan anderen op te leggen, eventueel tegen hun zin in
Dictatuur = een staat waarin alle politieke macht in handen is van één persoon of een kleine groep mensen
Democratie = staatsvorm waarbij de bevolking invloed heeft op de politieke besluitvorming.
Deze heeft een paar kenmerken;
 Zich moet houden aan de grondwet
 De vrijheid van de overheid wordt beperkt door de kiezers. Zij kiezen een volksvertegenwoordiging die de overheid controleert
 De overheid wordt nauwlettend gevolgd door de media
Rechtsstaat = Staat waarin de overheid is gebonden aan wettelijke regels en waarin de bevolking beschikt over politieke en sociale rechten.
Grondrechten = Nederland heeft verschillende grondrechten;
 Vrijheidsrechten
 Politieke grondrechten
 Sociale grondrechten
Politieke macht = het vermogen om invloed en controle uit te oefenen op politieke besluiten
Trias politica = scheiding der rechten;
 Wetgevende macht, stelt wetten vast waaraan burgers zich moeten houden. Dit is de taak van het parlement en de regering
 Uitvoerende macht, zorgt ervoor dat eenmaal goedgekeurde wetten ook precies worden uitgevoerd. Dit is de taak van de ministers
 Rechterlijke macht, beoordeelt of wetten goed worden nageleefd. Dit is de taak van de rechters.
Directe democratie = democratie waarbij bijv. op een plein wordt gestemd
Referendum = een volksstemming over een wetsvoorstel.
Voordelen hiervan zijn;
 De bevolking wordt meer betrokken bij de politiek
 Politici zijn beter op de hoogte van de mening van de bevolking
Nadelen hiervan;
 Er moeilijk een duidelijke en volledige vraagstelling te bedenken waarop je alleen maar ja op nee kan antwoorden
 Duur en organisatorisch onuitvoerbaar om regelmatig een referendum te houden
 Extreme denkbeelden kunnen hier een onderdeel van worden (discriminatie, afschaffing belasting)
Parlementaire democratie = democratie waarbij het parlement de beslissingen neemt.
Monarchie = staatsvorm met een koning(in) als staathoofd

H4: Verkiezingen en kabinetsformaties

Actief kiesrecht = het mogen stemmen als je 18 jaar of ouder bent. Alleen de rechter mag je dit ontnemen.
Passief kiesrecht = het recht om je verkiesbaar te stellen als je Nederlander en 18 jaar of ouder bent.
Dit kan onder 4 voorwaarden:
1. De partij moet zich officieel laten registreren bij de Kiesraad. Dit vereist een waarborgsom van €450,-. Dit krijg je terug als ja aan de verkiezingen meedoet.
2. De partij moet in elke kieskring een kandidatenlijst inleveren.
3. De partij moet in elk kiesdistrict waarin het mee wil doen een steunbetuiging van 30 mensen hebben.
4. De partij moet €11.250,- betalen. Dit krijg je terug als je 75% van de stemmen haalt die nodig is om één zetel te halen.
Verkiezingsprogramma = de belangrijkste plannen en opvattingen van de partij
Lijsttrekker = de persoon die voor een partij als eerste op de kandidatenlijst staat. Hij / Zij
bepaalt tijdens de campagne het gezicht van de partij.
Evenredige vertegenwoordiging = de 150 zetels worden verdeeld op basis van alle uitgebrachte stemmen in het hele land. Hierbij wordt uitgegaan van de kiesdeler.
Kiesdeler = de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor één zetel. Dit bereken je door het aantal uitgebrachte geldige stemmen te delen door het aantal beschikbare zetels.
Kiesdrempel = een partij krijgt alleen zetels als er een bepaald percentage stemmen is behaald.
Zwevende kiezers = mensen die:
 Niet op een vaste partij stemmen
 Ontevreden zijn over de partij waarop ze de vorige keer stemden
 Mensen die nog nooit gestemd hebben
Kabinet = het kabinet is een ander woord voor alle ministers en staatssecretarissen samen.
Kabinetsformatie = de onderhandelingen over welke partijen en personen ons land gaan besturen.
Het doel hiervan is het vinden van een aantal bekwame bestuurders, ministers en staatssecretarissen die:
 Het globaal eens zijn over het toekomstige beleid
 Samen de steun hebben van de meerderheid (75 + 1) van de Tweede Kamer
De kabinetsformatie verloopt in 8 stappen:
1. de koningin krijgt advies, direct na de verkiezingen kan de nieuwe Tweede Kamer bijeenkomen om over mogelijke combinaties van partijen te vergaderen.
2. de koningin benoemt een informateur. Een informateur is een ervaren politicus die kijkt welke partijen samen een meerderheid hebben in de Tweede Kamer en ook met elkaar willen samenwerken. Een kabinet dat op de steun van meer dan de h. elft van het aantal Kamerleden kan rekenen, noemen we een meerderheidskabinet.
3. de informatie. De informateur overlegt eerst met de leiders van de partijen die ongeveer dezelfde ideeën hebben. Hij ruimt dan de eventuele meningsverschillen uit de weg. Dan wordt er een coalitie gevormd. Een coalitie is een samenwerkingsverband van twee of meer partijen. Vervolgens stelt de informateur een regeerakkoord op, waarin de coalitiepartijen de hoofdlijnen aangeven van het beleid dat zij in de komende tijd willen voeren.
4. de informateur gaat terug naar de koningin. Als het de informateur niet is gelukt een regeerakkoord op te stellen, benoemt de koningin een nieuwe informateur.
5. de koningin benoemt een formateur. Een formateur moet ervoor zorgen dat hij de ministers en staatssecretarissen vindt die het regeerakkoord uit willen voeren.
6. de formatie. De formateur overlegt met de coalitiepartijen over de verdeling van ministers en staatssecretarissen.
7. de formateur gaat terug naar de koningin, om te vertellen dat er een nieuw kabinet is gevormd.
8. de koningin benoemt het nieuwe kabinet.
Kabinetscrisis = dat de problemen zo hoog oplopen dat het bestaan van het hele kabinet in gevaar komt.
Hiervoor zijn 2 redenen:
 de ministers kunnen het onderling niet met elkaar eens zijn
 de meerderheid van de Tweede Kamer steunt het kabinet niet meer en zegt zijn vertrouwen in de ministers op
demissionair (aftredend) kabinet = een kabinet die alleen nog de lopende zaken afhandelt en maken geen nieuwe plannen meer.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.