ADVERTENTIE
Ga je binnenkort naar een open dag? Joes en Jorn laten in deze video zien hoe je je daar op voorbereidt. Welke vragen kun je stellen en waar moet je op letten tijdens zo'n dag? Meer info over hoe je het beste een open dag kan bezoeken?

Check Studiekeuze123

§1 Wie lost onze problemen op?

Maatschappelijk probleem

  1. Gaat groepen mensen aan.
  1. Hangt samen met of is het gevolg van maatschappelijke veranderingen.
  2. Er bestaan verschillende meningen over de oorzaak en aanpak.

Verschillen van mening hangen samen met normen en waarden. Waarde>principe

dat mensen belangrijk vinden in het leven, normen vormen de verbindingen tussen de waarden en gedragingen. Belangen beïnvloeden dit ook.

Plato: in je eentje bereik je weinig (2500 jaar geleden), Thomas Hobbes (1588- 1679) benadrukt ook het belang van een krachtige staat. Anarchisten willen geen staat, ze vinden dat echte vrijheid pas bereikt kan worden als de staat verdwenen is. Een staat heeft 3 kenmerken:

  1. Grondgebied
  2. Volk
  3. Soevereiniteit

Overheid naam voor instantie met hoogste macht. De overheid heeft binden de grenzen het geweldsmonopolie, als enige het recht tot gebruik van geweld voor openbare orde en veiligheid.

Politiek: het beleid van de overheid, de totstandkoming van dat beleid en de effecten daarvan. Beleid komt niet zomaar. Eerst gaan allerlei betrokkenen (actoren) inspraak doen.

Macht is het vermogen invloed uit te oefenen, de factoren waarop dat gebaseerd is worden machtsbases genoemd. Als anderen je macht accepteren en erkennen heb je gezag. Een leraar met gezag wordt vanwege zijn persoon door de leerlingen gerespecteerd.

Als zo’n probleem door de overheid wordt aangepakt is het een politiek probleem geworden. Civil society (burgermaatschappij)> organisatie buiten de overheid, commerciële bedrijven en vrienden en familie, dus bijv. Kerken, vakbonden en sportverenigingen. Conclusie: zonder overheid worden de meeste problemen waarschijnlijk niet opgelost, maar de overheid lost ook niet alle problemen op.

 

§2 Beslissen we zelf?

In Zwitserland is een directe democratie; burgers kunnen zelf met het initiatief voor een referendum komen. Volgens Zwitsers is dit de manier van een echte democratie. Democratie is alleen niet overal in de wereld, van de 200 staten in de wereld zijn er ruim 30 die een bepaalde vorm van dictatuur hebben. Alle macht in handen van 1 familie, 1 persoon of 1 partij. Soms gaat dit samen met de persoonsverheerlijking van de leider (bijv. Noord-Korea). Verkiezingen zijn niet eerlijk.

Vaak beseffen mensen pas wat een democratie is als het wordt afgepakt.  Overal is een democratie ook anders. 4 kenmerken zijn erg belangrijk:

  1. De bevolking kiest haar eigen bestuur.
  2. De verkiezingen zijn vrij en geheim, iedereen mag stemmen en zich kandidaat stellen. Maar op wie je stemt is geheim, en daar kan niemand achter komen.
  3. De grondrechten van de burgers zoals vrijheid van meningsuiting worden vastgelegd in een grondwet. De overheid respecteert dit. Ook de staatsinrichting wordt in de grondwet vastgelegd.
  4. Onafhankelijke rechterlijke macht (scheiding van machten)

Nederland kent geen directe democratie, wij kennen een indirecte democratie of parlementaire democratie. Wij kiezen een regering en kiezen niet direct voor wetten met bepalende referenda. Dit zegt niet dat wij het minder goed doen als democratie, alleen anders.

 

Democratie

Dictatuur

1. Definitie

 

Een staatsvorm waarbij de bevolking invloed heeft op de politieke besluitvorming.

Alle macht is in handen van één persoon of kleine groep mensen.

2. Soorten

 

-Directe democratie: het volk stemt rechtstreeks, bijv. d.m.v. een referendum

-Indirecte democratie: het volk laat beslissingen over aan gekozen vertegenwoordigers.

-Dictatuur macht in handen van weinigen

-Autocratie één leidersfiguur

-Theocratie ideologie gebaseerd op een religie

3. Kenmerken

 

-Verschillende politieke partijen

-Mensenrechten liggen vast in een grondwet

-Politie en leger houden zich aan regels

-Scheiding van macht

-Demonstreren

-Anonieme stemming

-Gekozen volksvertegenwoordiging

-Oppositiepartijen zijn verboden

-Grondrechten niet beschermd

-Geen gelijke rechten

-Politie en leger gebruiken sneller geweld

-Schijnverkiezingen

-Geen volksvertegenwoordiging of zonder oppositie

 

Onze landelijke bestuurders zijn de ministers en de staatssecretarissen, die moeten verantwoording afleggen aan het parlement en een meerderheid van de tweede kamer achter zich hebben. Als dit er niet is, valt het kabinet. Deze vertrouwensregel is de basis van de parlementaire democratie. Nederland is een gedecentraliseerde  eenheidsstaat geworden na de val van Napoleon.

 

Land

Provincie

Gemeente

Dagelijks bestuur

Kabinet

Commissaris v/d Koning + Gedeputeerde Staten

College B&W (Burgemeester en wethouders)

Algemeen bestuur

Parlement

Provinciale Staten

Gemeenteraad

 

                                                                                                                                     

§3 Meer vrijheid of meer gelijkheid?

Niet iedereen heeft dezelfde waarden, daardoor ontstaan verschillende politieke stromingen van mensen die min of meer dezelfde opvattingen hebben. Binnen politieke stromingen zijn er allerlei organisaties, verenigingen en politieke partijen. Liberalisme legt de nadruk op de vrijheid van het individu, de burger moet zijn eigen talent kunnen ontwikkelen en de overheid moet zich daarmee zo weinig mogelijk bemoeien. Liberalisme is een rechtse stroming.

Partijen die vooral willen vasthouden aan traditionele waarden en normen worden conservatief genoemd. Ze zijn voor God, koning en vaderland. Het tegenovergestelde hiervan is progressief, zij willen vooruit, individuele vrijheid en autonomie, zelf over je lichaam beslissen en of je wil trouwen en met wie. Meestal zijn liberalen conservatief, in Nederland eigenlijk niet, hier zijn ze vooral progressief.

Populisme bestaat ook nog, maar het is vooral een politieke stijl die bij alle stromingen voorkomt, het komt er eigenlijk op neer dat het vooral een afkeer heeft van de elite.

De PVV is rechts, doordat het uitgesproken conservatief is op sociaal-cultureel gebied, maar is voor overheidsbemoeienis op sociaaleconomisch vlak, waardoor het ook erg links is. De PVV wordt ook wel in verband gebracht met het fascisme, wat sterk antidemocratisch is, bovendien gelooft het niet in vrijheid en gelijkheid. Ondanks dat er fascistische trekken in de PVV zitten (zich keren tegen etnische minderheden), is het niet juist de PVV als fascistisch te bestempelen.

De leerplichtwet was het sluitstuk van een heleboel maatregelen die een eind moesten maken aan de kinderarbeid in Nederland. Dit was namelijk een groot maatschappelijk probleem geworden. Het socialisme was een reactie op het kapitalisme in de 19e eeuw. De socialisten eisten ingrijpen van de overheid. Het ideaal>klassenloze maatschappij. Communisme radicale vorm van socialisme. In Nederland alleen nog maar gematigde socialisten, de sociaaldemocraten.  De aanhangers van deze sociaaldemocratie zijn wat minder radicaal. ZE willen wel meer rechtvaardigheid en gelijkheid, en de overheid speelt een belangrijke rol. Ze zijn daarom links te noemen. Vooral SP en PvdA horen hierbij, met een beetje twijfel ook GroenLinks en de PvdD, maar die horen ook bij het ecologisme, die vooral voor natuur zijn. De sociaaldemocraten zijn vooral progressief, de PvdA meer dan de SP, behalve bij zaken overdragen aan Europa.                                               

 

Socialisme (sociaaldemocratie)

Confessionalisme (christendemocratie)

Liberalisme

Belangrijkste normen & waarden

Gelijkheid / gelijkwaardigheid

Rechtvaardigheid / naastenliefde

(Individuele) vrijheid op alle gebieden

Verhouding

overheid – burgers

Sterke overheid / veel overheidsinvloed

Burgers en overheid hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid

Gat tussen arm en rijk is logisch en natuurlijk

Gewenste sociaal-economische verhoudingen

Gat tussen arm en rijk zo klein mogelijk

Gat moet worden verkleind, maar niet te ver en de overheid heeft er maar een kleine rol in

Overheid alleen verantwoordelijk voor rust en veiligheid

 

§4 Regering of parlement: Waar ligt het zwaartepunt?

Kan de tweede kamer het kabinet dwingen een project stop te zetten? Hiervoor moet je dit eerst uit elkaar houden: Kabinet en Regering, het eerste wordt gevormd voor de ministers en staatsecretarissen, terwijl het laatste wordt gevormd door de koning en de ministers

                De tweede kamer kan zelf met een wetsvoorstel komen> recht van initiatief. Dit wordt een wet als de regering en de eerste kamer hiermee akkoord gaan. Het parlement heeft bij ons dus een wetgevende taak. De tweede kamer heeft ook het recht wetsvoorstellen aan te passen> recht van amendement. Als het parlement beslist over de begroting maakt het gebruik van budgetrecht.

                Het parlement heeft naast de wetgevende taak ook een controlerende taak. Beide kamers kunnen een onderzoek doen > recht van enquête > parlementaire enquête. De tweede kamer maakt hier steeds meer gebruik van. Eenvoudiger middel > parlementair onderzoek. Geen speciale bevoegdheden, maar getuigen zijn niet verplicht mee te werken. Nog meer middelen zijn:

  • Kamervragen > aan de regering
  • Recht van interpellatie > De kamer roept de minister of staatssecretaris op om snel over een spoedeisend onderwerp uitleg te geven. Toestemming v.d. kamervoorzitter is nodig.
  • Spoeddebat (dertigledendebat) > mogelijk als dertig leden erom vragen. Is om dringende, actuele gebeurtenissen. Betrouwbare dingen > artikel 68 verplicht ministers en staatssecretarissen de info te vergeven zolang dit niet in strijd is met het belang van de staat.

Motie

Daarmee kunnen beide kamers een uitspraak doen over een maatregel van een minister of het hele kabinet. Op volgorde:

  1. Treurnis > betreuren zonde consequenties.
  2. Motie van afkeuring > Als de regering niet haar beleid aanpast volgt:
  3. Motie van wantrouwen > De kamer zegt dan haar vertrouwen in een minister of het hele kabinet op. Dan moet een minister of het kabinet aftreden. Er is dan een ministers- of kabinetscrisis.

Hieruit blijkt dat het zwaartepunt van de macht bij het parlement ligt

                De regering bestaat uit de Koning en ministers. Grondwet (art. 24): Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van koning Willem I, prins van Oranje-Nassau. De grondwet perkt de macht echter wel in.

                In de constitionele monarchie blijft de macht van de koning beperkt tot het recht geraadpleegd te worden, het recht om aan te moedigen en om te waarschuwen. Hij mag geen politiek uitspraken doen (niet democ.) Verder ondertekent hij alle wetten, ook die waar hij het niet mee eens is. De koning leest de door de minister-president geschreven troonrede voor op prinsjesdag. De minister-President voert wekelijks overleg met hem.

                Sommigen vinden dit nog veel te veel, zij willen dat hij alleen nog ceremoniële taken uitvoert (Zweden). Dit is alleen mogelijk bij wijziging van de grondwet. Dat geldt ook als Nederland een republiek wil worden

Kabinetsformatie

  1.  Informateur wordt benoemd door de tweede kamer
  2. Als duidelijk is welke partijen gaan samenwerken maken ze afspraken > regeerakkoord
  3. Formateur (meestal latere premier) zoekt kandidaten voor de posten van minister en staatssecretaris, daarna formeert hij het kabinet.
  4. Beëdiging nieuwe bewindslieden door koning
  5. Fotosessie met koning en ministers

 In Nederland is het nog nooit gelukt om een meerderheid te halen in de tweede kamer. Daarom moet een partij altijd samenwerken met andere partijen (samenwerkingsverband > coalitie).

    Partijen die geen deel uitmaken van de coalitie worden oppositiepartijen genoemd. Een kabinet dat zo de steun krijgt van de meerderheid wordt een meerderheidskabinet genoemd.

                In de grondwet staat dat de koning onschendbaar is en dat de ministers verantwoordelijk zijn voor wat de koning doet of zegt. De ministeriële verantwoordelijkheid gaat nog verder.

                 Een staatssecretaris is verantwoordelijke voor alles van zijn portefeuille. Als een staatssecretaris moet aftreden blijft een minister zitten. Andersom is dat niet zo.

                Elke minister heeft zijn eigen beleidsterrein, de staatssecretaris gaat over een deel daarvan. Zij zijn samen verantwoordelijk voor het doen en laten van hun ambtenaren op het ministerie. De vertrouwensregel is een essentieel onderdeel van de parlementaire democratie. Een kabinet gaat ervan uit dat het het vertrouwen heeft van de Kamer. Totdat er een motie van wantrouwen wordt ingediend en aangenomen. Dit gebeurt echter niet zo vaak.  Meestal is een kabinetscrisis dan ook het gevolg van ruzie.

                Nederland heeft een parlementair stelsel. Regering en parlement horen bij elkaar, maar het zwaartepunt van de macht ligt bij het parlement. Nederland is hierin niet de enige, de meeste andere landen hebben dit ook. In een republiek staat een president aan het hoofd van de staat.

                De positie van de president is daar uiteraard niet overal hetzelfde. In landen met een parlementair stelsel is die positie te vergelijken met die van onze koning. Hij wordt niet door het volk, maar door het parlement gekozen. Andere landen > presidentieel stelsel. Veel striktere scheiding van machten dan bij ons. Wetgevende macht>congres (door volk gekozen). Uitvoerende macht>president(door volk gekozen. President kan ministers naar believen vervangen, opperbevelhebber leger. Kan niet naar huis gestuurd worden, kan wel wetten tegenhouden. Scheiding absoluut, maar wederzijdse controle en evenwicht.

                Dualisme>parlement controleert, kabinet bestuurt. Je kan niet lid zijn van het parlement en het kabinet tegelijk. Partijen zijn vaak minder kritisch dan zou moeten. Soms kiest een partijleider ervoor kamerlid te blijven om zijn kabinet kritisch te blijven volgen. Gebeurt niet vaak.

                Regering informatievoorsprong, daardoor meer monisme, overwicht vd regering in de verhouding met parlement. Afhankelijk van of het parlement gebruik maakt van zijn macht is het soms een leeuw en soms een lam.

§5 In het stemhokje is iedereen gelijk. Maar daarbuiten?

Politieke stromingen worden in de politiek vertegenwoordigd in politieke partijen. Partijen hebben een paar functies:

  1. Selectie van kandidaten voor de politiek
  2. Actieve deelname van burgers aan de politiek
  3. Articulatie van wensen en belangen (het verwoorden van eisen van burgers binnen de politiek = vertegenwoordiging) en Aggregatie van wensen en belangen (afgewogen partijprogramma maken)
  4. Socialisatiefunctie: leden leren het politieke systeem kennen

 

Hoe kun je invloed uitoefenen op de politiek?

  • Lid worden van een politieke partij
  • Stemmen op een partij
  • Kamerleden benaderen
  • Burgerinitiatief (40000 handtekeningen)
  • Demonstreren
  • Via de media

Mediafuncties

  • Amusementsfunctie
  • Informatiefunctie: media moeten informeren over (maatschappelijke) ontwikkelingen en gebeurtenissen
  • Meningsvormende functie: door specialisten en andere mensen aan het woord te laten de media verschillende visies op problemen zien
  • Agendafuncties: door aandacht te geven aan maatschappelijke problemen, kunnen die problemen op de politieke agenda terecht komen
  • Waakhondfunctie: media kijken kritisch naar het functioneren van politici

Pressiegroepen>groepen die druk en invloed uitoefenen op de politiek. Belangengroepen behartigen de belangen van een bepaalde groep. Ze doen dit voortdurend. Lobbyen is het stelselmatig invloed uit te proberen te oefenen op politici en ambtenaren. Actiegroepen hebben één doel, als dat doel is bereikt worden ze vaak opgeheven.

Naast de drie machten van de trias politica wordt er vaak gesproken van een vierde macht. In Nederland zijn ambtenaren namelijk gespecialiseerd en houden zij hun baan, ongeacht de samenstelling van het kabinet.

Systeemtheorie:

Stap 1>Invoer

Stap 2>Conversie>probleem besproken en hopelijk tot wet gemaakt

Stap 3>uitvoer

Stap 4>terugkoppeling>werkt het?

§6 Willen we meer of minder Europa

Na de WO II wens om samenwerking tussen landen, de EGKS ontstond (1951), kolen en staal werd niet meer per land geregeld maar kwam samen onder één bestuur. Hierna vormde de EEG (Europese economische gemeenschap) in 1957. Vrij verkeer van personen en goederen, steeds meer landen. Uiteindelijk de EU met één gemeenschappelijke munt.

                 Er zijn verschillende bestuursniveaus:

  • Nationaal: per land
  • Internationaal: tussen landen
  • Supranationaal: landoverstijgend
  • Federale staat: losse staten zijn hun soevereiniteit kwijt, ze verliezen hun onafhankelijkheid.

Door de EU is alles goedkoper en kunnen we met een geldig id vrij reizen en hebben we bovendien een hoger inkomen. We moeten echter ook geld betalen (burgers) en de staat heeft minder bewegingsvrijheid.

Trias Politica:

  • Uitvoerende macht: Europese Commissie (EC) (vergelijkbaar met het kabinet in Nederland) = supranationaal
  • Wetgevende macht:
    • Raad van de Europese Unie (Raad van ministers) = intergouvernementeel . Samenstelling is afhankelijk van het onderwerp
    • Europees Parlement (EP) (vergelijkbaar met Tweede Kamer in Nederland). Wordt elke 5 jaar rechtstreeks gekozen. Kiezen volgens de regels van de lidstaat.
  • Rechterlijke macht: Hof van Justitie van de Europese Unie. Toezicht op uitvoering Europese wetgeving en spreekt recht bij geschillen tussen lidstaten
  • Europese Raad of Eurotop: regeringsleiders en voorzitter EC. Stellen politieke richting EU vast.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Wortel

Wortel

Morgen proefwerk voor maatschappijleer, bedankt voor deze samenvatting!

1 jaar geleden

Antwoorden

Krokanjer

Krokanjer

1 jaar geleden

gast

gast