Hoofdstuk 1: Parlementaire Democratie

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1185 woorden
  • 25 mei 2015
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.8
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

Een maatschappelijk probleem gaat een groep mensen aan, dat samenhangt met of het gevolg is van maatschappelijke veranderingen; waarover verschillen van mening bestaan over de oorzaken en over de aanpak; dat vraagt om een gemeenschappelijke oplossing. De verschillende betrokkenen zullen samen naar een oplossing moeten zoeken of het over moeten laten aan een instantie die het probleem namens hen oplost.



Een waarde is een opvatting binnen een samenleving of groep over iets wat je belangrijk vindt en daarom moet worden nagestreefd. Normen zijn de toepassingen om die waarde te bereiken en regels zorgen voor een wetgeving



Belangen zijn opvattingen over wat in het voordeel is van een individu of een groep en daarom moet worden nagestreefd.



Een staat heeft drie kenmerken:




  1. Een staat beschikt over een omgrensd grondgebied

  2. Het grondgebied wordt bewoond door een groep mensen een volk

  3. De staat heeft de hoogste macht, de soevereiniteit over dat gebied en de bevolking.



Soevereiniteit is het hoogste gezag dat in democratische staten door de overheid namens het volk wordt uitgeoefend.



De overheid heeft het alleenrecht op het legitiem gebruik van geweld (geweldsmonopolie).



Politiek is het beleid van de overheid, inclusief de totstandkoming en de effecten van dat beleid.



Actoren zijn de individuen of groepen die invloed proberen uit te oefen op het politieke besluitvormingsproces.



Macht is het vermogen om invloed uit te oefenen, de factoren waarop macht gebaseerd is zijn de machtsbases. Invloed is het effect dat optreedt als iemand zijn macht gebruikt.



Gezag is legitieme macht; macht(suitoefening) die door anderen erkent en aanvaard wordt.



Een referendum is een volksraadpleging/volksstemming.



Het woord democratie komt van het Griekse woord ‘demos’ en ‘kratein’ en betekent het volk regeert.



Een dictatuur is een staat waarbinnen geen scheiding is tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en waar de overheid met geweld de oppositie onderdrukt en de vrijheid beperkt. De uitslag van verkiezingen wordt vervalst en er is geen vrije pers en kritiek op de overheid is verboden.



Kenmerken van een democratie:




  1. Er zijn regelmatig vrije en geheime verkiezingen.

  2. De grondrechten van de burgers zijn in een grondwet vastgelegd.

  3. Er is een onafhankelijke rechterlijke macht.

  4. Er is een meer partijenstelsel

  5. Er zijn geheim stemmingen



Een directe democratie is een democratie waarin het volk beslist, niet via partijen



Indirecte democratie = een bestuursvorm waarbij het volk niet zelf over allerlei zaken beslist maar de beslissingen overlaat aan gekozen vertegenwoordigers uit partijen in de Tweede Kamer.



Het parlement is de volksvertegenwoordiging. In Nederland is dat de Staten-Generaal (de Tweede en de Eerste Kamer)



De vertrouwensregel is een regel die eist dat een minister, staatssecretaris of kabinet aftreedt als die geen vertrouwen meer heeft van het parlement.



Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat, dat is een staat waarbinnen de landelijke overheid bepaalde bevoegdheden aan lagere organen heeft overgedragen (provincies en gemeenten).



Een Politieke stroming is een groep mensen met dezelfde waarden en opvatting over hoe de samenleving eruit moet zien en wat de rol van de overheid daarin is.



Liberalisme is een politieke stroming die de vrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van het individu centraal stelt en tegen een al te grote bemoeienis van de overheid is, met name op sociaaleconomisch gebied. Overheid is geen geluksmachine



Rechts is tegen al te grote staatsbemoeienis, met name in sociaaleconomische aangelegenheden, uitgaan van de kracht van het individu.



Links ziet meestal een belangrijke rol voor de overheid om een samenleving te realiseren die meer gelijkheid en gelijkwaardigheid kent.



Populisme is een politieke stijl die inspeelt op gevoelens van onvrede bij het volk. Het keert zich sterk tegen de elite en weerstand tegen de gevestigde politiek.



Socialisme is ontstaan naar aanleiding van de industriële revolutie → ingrijpen overheid, gelijkheid en gelijkwaardigheid staan centraal.



Progressief betekent letterlijk vooruitstrevend. Progressieven willen oude tradities doorbreken, vooral in sociaal-culturele zin. Ze zijn voor emancipatie van vrouwen en minderheden.



Conservatief betekent letterlijk behoudend. Conservatieven houden vast aan traditionele waarden en normen.



Sociaaldemocratie gematigde stroming binnen het socialisme die langs parlementaire weg een samenleving wil bereiken waarin er voor iedereen gelijke kansen zijn en er niet al te grote verschillen in inkomens zijn, wetgeving voor arbeiders.



Ecologisme is een stroming die van mening is dat welvaartsgroei niet ten kost mag gaan van ons milieu en de eindigheid van onze natuurlijke grondstoffen.



Christendemocratie politieke stroming waarin naastenliefde centraal staat en mensen als goede rentmeesters omgaan met de schepping. Christendom en politiek proberen verbonden te worden waarbij de Bijbel en kerkelijke leer de leidraad is.



Het recht vaninitiatief is het recht van de Tweede Kamer om een wetsvoorstel in te dienen.



Wetgevende macht is een orgaan dat over wetten beslist. In Nederland zijn dat de regering en de Staten-Generaal samen



Het recht van amendement is het recht van de Tweede Kamer om een wetsvoorstel van de regering te veranderen.



Het budgetrecht is het recht dat de jaarlijkse begroting van de regering kan worden goedgekeurd of afgewezen door het parlement of kan worden veranderd door de Tweede Kamer.



Controlerende middelen van het parlement:




  1. Het recht om Kamervragen (schriftelijk en mondeling) aan de regering te stellen.

  2. Het recht van interpellatie. De kamer roept dan een minister of staatssecretaris op het matje om over een spoedeisend onderwerp uitleg te geven

  3. Een spoeddebat, tegenwoordig dertigledendebat genoemd, is mogelijk als minstens dertig leden van de Tweede Kamer daarom vragen. Het doel van zo’n debat is het bespreken van dringende, actuele gebeurtenissen.

  4. Met een motie kunnen beide Kamers een uitspraak doen over een bepaalde maatregel of het hele beleid van een minister of kabinet.





De regering bestaat uit het bestuur van Nederland, de Koning en de ministers.



Constitutionele monarchie is een koninkrijk waarin de macht van de koning beperkt is door de grondwet.



Het kabinet wordt gevormd door de ministers en staatssecretarissen



Staatssecretarissen zijn personen die de verantwoordelijkheid hebben over een deel van de portefeuille van een minister.



Kabinetsformatie is het proces waarbij na de Tweede Kamerverkiezingen een nieuw kabinet wordt gevormd.



De fasen van zoektocht naar welke politieke partijen gaan regeren en wie ministers en staatssecretarissen worden:




  1. Benoeming van een informateur. De informateur wint adviezen en bekijkt welke mogelijkheden er voor een kabinet zijn.

  2. Als duidelijk is welke partijen met elkaar zullen gaan regeren, worden afspraken gemaakt of kabinetsperiode, het regeerakkoord

  3. De Tweede Kamer benoemt de formateur. Die zoekt kandidaten voor de posten van minister en staatssecretaris en formeert uiteindelijk het kabinet.

  4. De beëdiging van de nieuwe bewindslieden door de koning.



Coalitie is een samenwerkingsverband tussen regeringspartijen



Oppositie de partijen in het parlement die niet tot de regerende coalitie behoren.



Meerderheidskabinet kabinet dat het vertrouwen en de steun van een meerderheid van de Tweede Kamer heeft.



Ministeriële verantwoordelijkheid houdt in dat een minister verantwoordelijk is tegenover het parlement voor de koning, voor zijn eigen beleid en voor wat zijn ambtenaren doen of nalaten.



Uitvoerende (bestuurlijke) macht is het orgaan dat wetten uitvoert. Landelijk is dat de regering.



Dualisme is het principe dat regering en parlement beide eigen verantwoordelijkheden hebben: de regering regeert, het parlement controleert.



Monisme is een situatie waarin er een overwicht is van de regering, omdat het parlement onvoldoende gebruikmaakt van zijn controlerende bevoegdheden.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.