Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

H3: Parlementaire democratie

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 3373 woorden
  • 29 oktober 2016
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Parlementaire democratie

§1 Wat is politiek?

1.1 Het belang van politiek

Politiek : de wijze waarop een land wordt bestuurd.

Onderwerpen waar politiek zich mee bezighouden zijn van algemeen belang, omdat iedereen er direct mee te maken heeft.

Het is belangrijk dat je de politiek volgt en je stem laat horen, want bij politiek gaat het om rechten die voor iedereen van belang zijn.

Politieke besluiten nemen kost veel tijd.

Grootste dilemma in de politiek:


1. Snel, daadkrachtig en efficiënt besturen  (doelmatigheid)

2. maximale participatie van burgers in de politiek. (afweging van verschillende belangen)

1.2 Dictatuur

Dictatuur: de 3 machten zijn niet van elkaar gescheiden, maar zijn in handen van een kleine groep mensen.

Gewone burgers hebben geen invloed op de politiek en zijn kunnen hun rechten niet opeisen.

Kenmerken:

 Beperkte individuele vrijheid.

 Geen politieke vrijheid.

 Er is dikwijls overheidsgeweld.

 Geen onafhankelijke rechtspraak.

 De massamedia en ook kunstuitingen staan onder censuur van de overheid.

Niet alle dictaturen zien er hetzelfde uit je hebt autocratische en totalitaire dictaturen.

Autocratische dictaturen


 Één leidersfiguur vormt het gezicht van de macht. (door staatsgreep of gekozen en vervolgens alle macht naar zich heeft toegetrokken).

 Leider kan worden geholpen door een junta: regering die grotendeels uit militairen bestaat.

 Bevolking wordt onderdrukt, omdat er geen ideologie aanwezig is.

 Vaak een zekere godsdienstvrijheid en economische speelruimte.

Totalitaire dictatuur

 Een groep mensen/partij grijpt de macht via een ideologische revolutie.

 Politieke invloed alleen voor degene die de ideologie steunen.

 Het hele politieke, economische en sociale leven is gereguleerd.

 Indoctrinatie; de bevolking krijgt de partij ideologie met de paplepel ingegoten.

 Theocratie: godsdienst is verheven tot staatsideologie.

 

1.3 Democratie

Het volk regeert.

Referendum:  een volksstemming over een bepaald wetsvoorstel.

Kenmerken democratie:

 Representatieve democratie: het volk kiest vertegenwoordigers die de beslissingen nemen en met een zekere regelmaat bij verkiezingen aan de bevolking verantwoording moeten afleggen over hun beleid.

 Politieke macht is verdeelt over meerdere machten: trias politica.

 Individuele vrijheid.

 Er zijn politieke grondrechten.

 Politie en leger hebben beperkte bevoegdheden.

 Er is onafhankelijke rechtspraak.

 Persvrijheid

Democratie is meestal een rechtsstaat, waarin burgers rechten en vrijheden hebben die door de overheid worden gerespecteerd.

Binnen landen met een representatieve democratie maken we onderscheid tussen:

 Parlementaire stelsel:

• Participatie van de bevolking.

• Het gekozen parlement  is het hoogste machtsorgaan  formatie van kabinet(minister en staatsecretarissen.)  moeten verantwoording afleggen aan parlement(indirect aan het volk).

• Niet- gekozen staatshoofd, de macht is beperkt door de grondwet. Als dit een koning(in) is dan noemen we dit constitutionele monarchie.

 Presidentiële stelsel

• Daadkracht

• Bevolking kiest parlement en president.

• President aan het hoofd van de regering, uitvoerende macht en kan naar eigen keuze ministers benoemen en ontslaan.

• Om macht te beperken: ontbindingsrecht: het recht om het parlement te ontbinden.

Nederlandse democratie

 1806 monarchie, sinds 1848 politieke macht bij parlement en niet meer bij de koning.

 Volwaardige democratie met een parlementair stelsel.

 Vrijheid en gelijkheid belangrijke waarden voor een democratie.

• Vrijheid: je mag zelf bepalen op welke manier je gebruik maakt van je politieke rechten

• Gelijkheid: iedereen mag meedoen

 Grondwet:

• Taken + bevoegdheden van de 3 politieke machten staan hierin beschreven.

• Alle Nederlanders vanaf 18 hebben het recht om te kiezen en om verkozen te worden.

• De regels voor politieke besluitvorming staan erin.

• De overheid laat de media vrij, moeten wel zorgen dat ze over juiste informatie beschikken.

 

1.4 Theorieën over democratie en dictatuur

Oligarchie: een heerschappij van weinigen.

Partijen die in een democratie de macht hebben worden groter en complexer  worden steeds minder democratisch.

Regentencultuur: politici en bestuurders regelen onderling de politieke zaken en schuiven elkaar de belangrijke baantjes toe.

Bestuurders regeren dan minder namens het volk en meer over het volk.

Bij dictatuur is de macht in handen van een autocratische leider alleen hij heeft ook hulp nodig dus is de macht in handen van een kleine politieke elite.

Verlangen naar meer democratie doordat: welvaart stijgt en mensen beter worden opgeleid.

 

§2 Politieke stromingen

2.1 Ideologieën

Ideologie: een samenhangend geheel van ideeën over de mens en de gewenste inrichting van de samenleving.

Standpunten die uit ideologieën voortkomen hebben te maken met 3 aspecten:

 Normen en waarden die voor iedereen in de samenleving zouden moeten gelden.

 De gewenste sociaaleconomische verhoudingen van de samenleving: wat is een rechtvaardige verdeling van welvaart?

 De gewenste machtsverdeling in de samenleving



2.2 Kompas om te kiezen

Progressief: vooruitstrevend, veranderingsgezind en gericht op de toekomst.

Conservatief: behoudend en is gericht op heden en verleden.

• Reactionair: de ooit gemaakte regels weer willen terugdraaien.

Politici hebben zowel progressieve als conservatieve standpunten.

Links en rechts gebruiken we voor de verschillende visies op de rol van de overheid met betrekking tot de sociaaleconomische verhoudingen.

Links

 Gelijkwaardigheid  gelijke kansen (onderwijs, werk en inkomen, beschermen zwakkeren)

 Actieve overheid (veel wetten en regels)

 (progressief  vooruitstrevende aanpak)

 PvdA, SP, GroenLinks

Rechts

 Vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. (individu + economie)

 Passieve overheid (alleen optreden wanneer het echt nodig is/ weinig wetten, veel vrijheid)

 (conservatief soms ouderwetse aanpak)

 VVD, PVV

Politiek midden

 Benadrukken van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers en overheid.

 Mensen/organisaties moeten voor zichzelf zorgen, lukt dit niet? Overheid kan bijspringen.

 D66, CDA

 

2.3 Stromingen

Liberalisme

 Het individu moet zich optimaal kunnen ontplooien.

 Mensen zijn niet gelijk, wel gelijkwaardig.

 Vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en tolerantie.

 Opstand door liberalen tegen autocratische leider door de ‘gegoede burgerij’; mensen die geld  verdienden in de handel en industrie. Hun ideaal: persoonlijke en economische vrijheid.

 Vrijheid + particulier initiatief.

Liberalen nu

 Vrijheid.

 Vrijemarkteconomie.

 VVD, progressieve liberalen: D66.

Socialisme

 Gelijke kansen

 Mensen moeten solidair zijn : de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.

 Einde maken aan armoede en ongelijk.

• Communisten: Arbeiders moesten de macht grijpen door een revolutie.

• Sociaaldemocraten maatschappelijke verbeteringen bereiken lang parlementaire weg

Sociaaldemocraten nu

 Kennis, inkomen en macht moeten eerlijker verdeeld worden.

 Actieve overheid.

 PvdA, SP, GroenLinks.

Confessionalisme

 Politieke opvattingen gebaseerd op hun geloofsovertuiging. (BV. BIJBEL)

 Christelijke partijen;  God heeft een bedoeling met de wereld en de mens moet zich daarna richten.

 Organische staatsopvatting: de samenleving is vergelijkbaar met een menselijk lichaam waarin alle onderdelen van elkaar afhankelijk zijn en ook alleen in onderlinge samenhang kunnen functioneren.

 Gezinnen vormen

 Samenlevingsverbanden aangaan  mensen moeten verantwoordelijkheid dragen.

Christendemocraten nu

 Solidariteit, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid zijn belangrijke waarden.

 Overheid heeft aanvullende rol(mensen zijn verantwoordelijk voor elkaar).  overheid moet taken overlaten aan het maatschappelijke middenveld(scholen, belangenorganisaties en vakbonden).

 Rentmeesterschap: zorgen voor de door God aan ons toevertrouwde aarde.

 Solidariteit: ‘naastenliefde’  zorg voor de kwetsbare in de samenleving.

 CDA, Christen Unie (CU), SGP

Populisme

 Bepaalde stijl van politiek bedrijven, niet echt ideologie.

 De stem van het volk willen laten horen.

 Opkomen voor de eenvoudige burger, wiens belangen ondergeschikt blijven aan de belangen van grote bedrijven en bepaalde bevoorrechte groepen.

 Politieke kwesties versimpelen en daadkrachtige oplossingen aan dragen.

 Niet links/rechts, niet confessioneel/progressief.

 Nationalistische standpunten: tegen immigratie en tegen inmenging van het buitenland in de nationale politiek en economie.

 

§3 Politieke partijen

Soorten partijen

Een politieke partij bestaat uit een groep mensen met globaal dezelfde ideeën over een ideale samenleving.

Naast de partijen die in §2 zijn behandeld zijn er nog:

One-issuepartijen: richten zich op één aspect van de samenleving.

Protestpartijen: zijn ontstaan uit onvrede met de bestaande politiek.

Functies politieke partijen

 Integratie van ideeën: opvattingen worden gebundeld tot één politiek programma  partij kan door een gezamenlijk programma lange tijd blijven bestaan.

 Informatie: kiezers komen via politieke partijen verschillende standpunten te weten  burgers worden gestimuleerd een eigen mening te vormen.

 Participatie: door middel van de 2 punten hierboven, proberen ze burgers te interesseren om zelf actief aan de politiek deel te nemen.

 Selectie van kandidaten: politieke partijen stellen lijsten van kandidaten op.  burger kan makkelijker kiezen. (politici  meestal eerst gemeenteraadslid en kunnen klimmen tot Tweede Kamerlid).

Partijen en hun achterban

Lange tijd werd er gestemd op partijen die tot de 3 grote ideologische stromingen waren terug te voeren.

Mensen stemden hun hele leven trouw op dezelfde partij omdat: ouders, traditie, sociale afkomst, geloof, cultuur en door de denkbeelden van de partij.

Arbeiders  PvdA    ondernemers  VVD   katholieken  KVP

Toen de mens het geloof en de kerk minder serieus gingen nemen veranderde een hoop in de maatschappij. De bevolking kreeg het beter: meer welvaart, minder zwaar werk en meer vrije tijd en goed onderwijs voor iedereen. 

Dit had grote gevolgen voor het politieke landschap, vooral voor de traditionele ‘grote drie’ :CDA, PvdA en VVD:

 Daling aantal christenen  inkrimping achterban CDA, door middenpartij te worden dachten ze nieuwe kiezers te winnen, maar PvdA en D66 deden dat ook  lukte dus maar gedeeltelijk.

 De traditionele achterban van de PvdA verdween, de arbeidsomstandigheden werden beter dus de directe aanleiding om op de PvdA te stemmen verdween. Nu komen ze op voor nieuwe verdrukten en kansarmen: jongeren, werklozen, chronisch zieken, allochtonen.

 VVD profiteerde van de omslag, door de individualisering van de samenleving en het grotere aantal zelfstandig ondernemers. De VVD groeide.

Je had ook zwevende kiezers: laten de keuzen voor een partij afhangen van het moment en vooral ook van de persoonlijkheid van de partijleiders.

Hierdoor kwamen nieuwe ideologische partijen(SP), populistische partijen en protestpartijen. Sommige van deze partijen weten voor korte of lange tijd veel kiezers te trekken.

 

§4 Verkiezingen

4.1 Hoe kiezen wij?

Alle Nederlandse staatburgers van 18 jaar en ouder hebben:

 Actief kiesrecht: het recht om te kiezen.

 Passief kiesrecht: het recht om gekozen te worden.

Stemmen zijn geheim, niemand kan nagaan wat een ander heeft gestemd.

Wij kiezen vertegenwoordigers op verschillende niveaus:

 het Rijk: Tweede Kamer

 De provincie: Provinciale Staten

 De gemeente: gemeenteraad

 Waterschappen: zorgen voor de waterhuishouding in Nederland.

 Europese Parlement

Je maakt gebruik van je passieve kiesrecht als een partij jou op de kandidatenlijst plaatst.

Partij oprichten? De overheid stelt hier wel aan aantal voorwaarden aan, zodat mensen zich niet voor de grap verkiesbaar stellen. De voorwaarden zijn:

 Je moet je op tijd registreren bij de Kiesraad

 In elke kieskring een kandidatenlijst en 30 steunbetuigingen inleveren.

 Een borgsom van €11.250,- betalen.

In Nederland is het kiesstelsel gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels. (3% van alle stemmen  3% van het aantal zetels).

Dit wordt berekent aan de hand van een kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt om 1 zetel te krijgen.

Voordeel evenredige vertegenwoordiging:

 Iedere stem telt even zwaar bij de verdeling van de zetels.

 Daardoor worden ook kleinere partijen in de Tweede Kamer gekozen en zijn er veel meningen te horen.

Nadeel:

 Alle partijen hebben spreektijd in de Tweede Kamer  debatten duren lang en kunnen onoverzichtelijk zijn.

Sommige landen hebben daarom een kiesdrempel: je moet als partij een minimumpercentage stemmen halen om mee te kunnen delen in de zetels.

Districtenstelsel

Districten- of meerderheidsstelsel: het land wordt verdeelt in een aantal districten. Per district is er 1 afgevaardigde in het parlement, deze heeft in het district het meeste stemmen behaald.

Voordeel: kiezers kennen de kandidaten beter

Nadeel: afgevaardigde denkt te veel aan de belangen van zijn district en te weinig aan het algemeen belang. OOK gaan de stemmen op een verliezende kandidaat uit een district verloren, het kan dus zijn dat de partij die landelijk het meeste stemmen behaalt, niet de meeste zetels krijgt.

Verkiezingsstrijd

Partijen stellen voor de verkiezingen een campagneteam samen van prominente partijleden onder leiding van een lijsttrekker vaak geholpen door een spindoctor: een communicatiedeskundige die de partij en de lijsttrekker adviseert.

Samen bepalen ze de verkiezingsstrategie.

Dagelijks zijn er opiniepeilingen, deze peilen niet alleen de meningen van de kiezers, maar beïnvloeden ook de uitslag.

Tv- en internetdemocratie: de grote rol die nieuwe en oude media spelen tijdens de verkiezingen beïnvloeden de kiezer ook.

Naar de stembus

Als we gaan stemmen, spelen bij onze keuze voor een partij de volgende punten een rol:

 De standpunten van de partij.

 Je eigen belangen.

 De kans dat de partij een cruciale rol kan spelen bij de vorming van een kabinet. Grote partij heeft meestal meer invloed. Dit is strategisch stemmen.

 De aantrekkingskracht van de lijsttrekker. Deze staat bovenaan de kandidatenlijst en is het gezicht van de partij.

Je kiest voor een partij, maar stemt op een persoon. De meeste stemmen op de lijsttrekker, andere kiezen bewust voor een vrouw, iemand uit eigen regio of iemand die veel op het nieuws is geweest. Kandidaten die laag op de lijst staan kunnen met veel voorkeurstemmen toch in de Tweede Kamer komen.

 

4.2 Na de verkiezingen

De dag na de 2e kamer verkiezingen begint de formatie van een nieuw kabinet. Omdat de 2e kamer beslist over alle wetsvoorstellen, moet een kabinet kunnen rekenen op steun van de meerderheid van de 2e kamer.

In landen met een districtenstelsel is er vaak 1 partij die de meerderheid in het parlement heeft.

In veel landen is dat onmogelijk, een meerderheid is alleen mogelijk als meerdere partijen een coalitie sluiten.

Coalitie: een combinatie van verschillende partijen die samenwerken op bestuurlijk niveau.

Informatie

De dag na de verkiezing begint de vorming van een nieuw kabinet. Een informateur onderzoekt welke partijen samen een kabinet willen vormen dat steun krijgt van een meerderheid in de Kamer.

Als de partijen gevonden zijn, dan moeten die partijen met elkaar onderhandelen over de hoofdlijnen van het te voeren beleid. Deze afspraken worden vastgelegd in het regeerakkoord.

De formatie

Als de informateur klaar is vormt de formateut het kabinet van ministers en staatsecretarissen. De lijsttrekker van de grootste partij wordt meestal Minister President. Bij de verdeling van de overige posten wordt gekeken naar het aantal zetels en de voorkeuren van de partijen en de zwaarte van functie. Een minister heeft meer macht dan een staatsecretaris. Aan het eind benoemt de koning(in) de ministers en staatssecretarissen en maken ze een foto op het koninklijke bordes.

Het regeerakkoord

Het regeerakkoord vormt het raamwerk voor het beleid dat het kabinet wil gaan voeren. Het regeerakkoord wordt elk jaar bijgesteld en aangevuld in de troonrede. De koning(in) leest elk jaar op de 3e dinsdag van september (Prinsjesdag, begin parlementaire jaar) de troonrede voor in de Ridderzaal, tijdens een speciale gezamenlijk zitting van de Staten-Generaal.

De minister van Financiën biedt op Prinsjesdag de miljoenennota aan, aan de 2e Kamer. Hierin zijn de plannen concreet gemaakt en wordt aangegeven hoeveel geld ervoor beschikbaar is. De miljoenennota is dus een samenvatting  van de rijksbegroting.

Na de bekendmaking debatteert de 2e kamer over de plannen tijdens de Algemene Beschouwing. De oppositiepartijen leveren kritiek, die proberen de plannen volgens hun ideeën bij de sturen. Tot slot stemt de Kamer over alle voorstellen.

Gehaktdag

3e woensdag in mei = gehaktdag.

Als de veronderstellingen van de miljoenennota anders uitpakken, moeten die plannen worden bijgesteld. De eerste bijstelling vindt plaats in de voorjaarsnota. De regering legt verantwoording af over het beleid dat in de miljoenen nota is toegezegd. Dit vindt plaats op gehaktdag.

 

4.3 De val van een kabinet

Een kabinet regeert 4 jaar, tot er na nieuwe verkiezingen een nieuw kabinet wordt gevormd.

Meeste kabinetten vallen, regeren met coalities is niet erg eenvoudig. Een kabinet kan vallen omdat:

 De ministers worden het niet eens over één of meer kwesties en de regeringspartijen besluiten daarom gezamenlijk dat het niet verder gaat.

 Een meerderheid in de 2e Kamer verwerpt het beleid van het kabinet en de ministers zijn niet bereid hun beleid te wijzigen.

Als de 2e Kamer het beleid van één minister afkeurt(in motie afkeuring/wantrouwen), kan die minister aftreden en het kabinet doorregeren. Die minister wordt vervangen.

Als het hele kabinet zijn ontslag aanbiedt komen er vervroegde verkiezingen. De oude minister blijven in functie tot er een nieuw kabinet gevormd is. = demissionair kabinet(ze handelen alleen de lopende zaken af).

Soms is de kabinetscrisis niet zo groot probleem en kan een informateur een nieuw kabinet proberen te vormen zonder nieuwe verkiezingen.

Een kabinet valt meestal over een kwestie die in de samenleving veel emotie opwekt.

 

§5 Regering en Parlement

5.1 De regering

Kabinet = ministers + staatsecretarissen

Regering = Koning(in) + ministers

Ministers en staatssecretarissen

De regering is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van ons land. De koning bemoeit zich niet actief met het beleid. De minister-president houdt de koning wekelijks op de hoogte.

Iedere minister heeft een beleidsterrein onder zijn beheer, de beleidsvoornemens worden besproken in de ministerraad = gezamenlijke vergadering van de ministers.

De premier is de voorzitter van de ministerraad. Een staatsecretaris kan worden aangesteld om een minister te helpen bij zijn taken.

Ministers+ staatsecretaris zijn verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging  de 1e +2e kamer kan ze op het matje roepen.

Minister en eventuele staatsecretaris hebben eigen ministerie, hier werken ambtenaren voor hen die bereiden wetsvoorstellen voor en geven adviezen.

Sommige ministers hebben geen eigen ministerie maar vallen onder een verantwoordelijkheid van een andere minister, dat is dan een minister zonder portefeuille.

De positie van staatshoofd wordt erfelijik vervuld door de wettige opvolgers van Willem I.

De koning heeft ceremoniële taken (lintjes knippen) ook politieke taken:

• Ondertekenen wetten

• Voorlezen van de troonreden op Prinsjesdag.

• Benoemen ministers

• Overleg met de minister-president over het kabinetsbeleid.

De koning is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de wetten en van de troonrede.

Troonrede = kijkt terug op het afgelopen regeringsjaar en schets de hoofdlijnen van het beleid voor het komende jaar.

Iedere minister levert de tekst voor zijn beleid en is daar dus verantwoordelijk voor. Staatsrechtelijk valt de troonrede dus onder ministeriële verantwoordelijkheid.

De koning kan NOOIT ter verantwoording worden geroepen. (art.53; de koning is onschendbaar, de  ministers zijn verantwoordelijk)

 

5.2 Het parlement

Parlement = 1e + 2e Kamer = Staten-Generaal.

2e Kamer is belangrijker: leden worden rechtstreeks gekozen en ze hebben meer bevoegdheden dan de leden van de 1e Kamer.

De Tweede Kamer

150 leden, hun lidmaatschap is een fulltimebaan. Hun taken zijn:

 Samen met de regering wetten maken en die goedkeuren. ('medewetgeving’ genaamd)

 De regering controleren.

Medewetgeving

• Stemrecht: 2e Kamer kan wetsvoorstellen aannemen of verwerpen.

• Recht van amendement: wetsvoorstellen wijzigen en vervolgens aannemen. Wijziging = amendement

• Recht van initiatief: 2e kamer kan zelf wetsvoorstellen indienen.

• Budgetrecht: plannen van de regering moeten financieel verantwoord worden in de begroting van de ministeries. De rijksbegroting wordt door de regering in de vorm van een wet ingediend. De 2e Kamer kan die begroting goedkeuren, verwerpen of wijzigingen aanbrengen.

Controle ministers

• Recht van motie: een motie is een uitspraak van de 2e Kamer waarmee zij een minister of staatsecretaris oproept bepaalde maatregelen te nemen of eventueel met een wetsvoorstel te komen.

Moties die het beleid van een minister bekritiseren of afkeuren zijn er in gradaties:

Motie van treurnis, gevolg door motie van afkeuring en motie van wantrouwen. Bij wantrouwen kan de minister 1 ding doen  aftreden.

• Vragen recht: 2e Kamer heeft het recht om vragen te stellen aan de regering.

• Recht van interpellatie: Kamerleden mogen een spoeddebat aanvragen met een minister of staatsecretaris waarover zij zich ernstige zorgen maken.

• Recht van Enquête: de 2e Kamer heeft de mogelijkheid zelf een onderzoek in te stellen naar de rol van de regering en de overheid in een bepaald kwestie.

De Eerste Kamer = senaat  75 leden, het lidmaatschap is een deeltijdfunctie. Worden indirect gekozen door de leden van de Provinciale Staten.

De taak van de 1e Kamer is veel beperkter dan de taak van de 2e Kamer.

De 1e Kamer heeft GEEN recht van initiatief en amendement.  mogen alleen wetsvoorstellen aannemen of verwerpen. De Senaat moet wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en regels van behoorlijke wetgeving. 1e Kamer vervult rol laatste controle.

5.3 Van wetsvoorstel tot wet

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.