Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

H3, kiezen en delen.

Beoordeling 8.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 3155 woorden
  • 10 februari 2009
  • 55 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.6
  • 55 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Samenvatting maatschappijleer.
Hoofdstuk 3, kiezen en delen;
Paragraaf 1.1, democratie is niet vanzelfsprekend:
Democratie bestaat nog niet zo lang. Eeuwenlang was de macht in handen van koningen.
De handel en de steden gaan omhoog waardoor de rijke burgerij erin slaagden om de macht van de vorsten te beperken. Burgers mochten hun mening geven, hiervoor waren echter wel grondrechten voor nodig. Ideeën over vrijheid en gelijkheid stimuleerden dit.
Engeland + Nederland  macht van de koning beperken en uitbreiding van de grondrechten

Frankrijk  gewelddadige revolutie nodig om de macht van de koning te breken.
In Nederland bepaalde de grondwet van Thorbecke dat de macht niet bij de koning maar bij het parlement lag.
Macht van de koning omlaag + vrijheid van meningsuiting + vereniging en vergadering =
nog geen democratie
in 1917 is er algemeen kiesrecht gekomen voor de mannen in 1919 ook voor de vrouwen, dit dankzij de strijd van de arbeiders en de vrouwen.
Verloop aantal democratieën:
Eind WO l, steeg het aantal democratieën aanzienlijk maar ging snel weer omlaag.
Tijdens de WO ll was er geen democratie er was namelijk ook geen vrijheid.
Na 1945 kwamen er al een aantal democratieën, dit kwam doordat er veel koloniën onafhankelijk werden.
De jaren 60, 70 en 80 gingen het aantal democratieën weer omlaag door de militairen.

Sinds de jaren 80 is het aantal democratieën flink gestegen dankzij de val van het communisme in Midden-Oosten en Oost-Europa. 2/3 van de wereld is democratisch, 60 % van de mensen woont in zo een land.

Paragraaf 1.2, Democratie: waar gaat het om?
Democratie beteken in het Grieks: volk heerst. Het volk heerst via vertegenwoordigers.
In de kern is democratie een politiek stelsel dat het mogelijk maakt om de vreedzame en geregelde wijze conflicten op te lossen en op basis van meerderheidsbesluiten afspraken te maken over de richting van de samenleving, daarvoor zijn 2 basiselementen nodig:
1. alle volwassen inwoners kunnen d.m.v. algemeen kiesrecht invloed uitoefenen op de besluitvorming.
2. grondrechten zijn gewaarborgd om in vrijheid die invloed te kunnen uitoefenen. Een democratie kan alleen functioneren met een rechtstaat.
Burgers hebben rechten en plichten en zijn gene onderdanen in een democratie.
Waarden:
Democratisch besluit is een besluit wanneer de meerderheid vóór is. Maar democratie is meer dan dat. Vrijheid en gelijkheid staan centraal.
Vrijheid= de burgers moeten hun leven zelf kunnen inrichten zoals zij dat willen. Zoland zij daarbij de vrijheid van andere burgers niet schande mag de overheid die vrijheid niet beperken.
Gelijkheid=alle burgers hebben gelijke rechten, er mag niet worden gediscrimineerd.

Invloed:
In een democratie kunnen mensen in vrijheid hun ideeën, vaak samenhangen met hun belangen naar voren brengen. De democratische staat regelt hoe conflicten over ideeën of belangen opgelost kunnen worden. Zo kan de meerderheid van het parlement een nieuwe wet maken. De tegenstander moet zich daar ook aan houden.

Paragraaf 1.3, kenmerken van de parlementaire democratie:
De belangrijkste kenmerken en regelingen van de democratie zijn vastgelegd in de grondwet. Die kenmerken zijn:
1. algemeen kiesrecht, ieder individu heeft stemrecht is geheim tenzij je het zelf verteld.
2. parlement, neemt besluiten over wetten en controleert de regering.
3. vrijheid van meningsuiting, mensen mogen vrij hun mening geven alleen de onafhankelijke rechter mag het verbieden.
4. vrijheid van vereniging en vergadering, iedereen mag een vereniging oprichten voor mensen met dezelfde belangen.
5. machtenscheiding, tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
Soorten democratie:
Directe democratie, alle burgers beslissen direct mee. Dit kan alleen bij een klein aantal. De democratische landen kennen allemaal een vertegenwoordigend stelsel.
In een indirecte democratie kan ook een directe democratie. Denk maar aan een referendum(een volksstemming). Dit gebeurt als je moet stemmen binnen de gemeente voor een nieuwe plannen binnen de gemeente.

Paragraaf 1.4, dictatuur:
Dictatuur is het tegendeel van de democratie. De inwoners hebben geen invloed op de besluitvorming. Weinig rechten en veel plichtenonderdanen. De macht is in handen van één persoon. Dictatuur is nooit een rechtstaat. Mensen met kritiek worden opgepakt, martelt en gedood.
In de meeste dictaturen worden wel verkiezingen gehouden, men kan dan maar op één presidentskandidaat stemmen. Als er een parlement is, is dat alleen maar schijn. Radio en televisie zijn in handen van de staat. Sommige niet maar die leven onder censuur)=wat je wil publiceren of uitzenden moet worden gecontroleerd.
De media bedenkt zelfcensuur zodat ze niet in de problemen komen met de machthebbers. Onder een samenleving van dictatuur is veel angst. Mensen houden hun mond en proberen niet op te vallen.

Paragraaf 1.5, sociale voorwaarden voor democratie:
Mensen met verschillende opvattingen en belangen moeten het eens zien te worden en de genomen besluiten zien te accepteren. Alleen democratische regels is niet voldoenden. De regels werken alleen onder sociale voorwaarden voor democratie. De kans dat het met een democratie goed gaat, is groot als:
1. sociaaleconomische ontwikkeling,
2. gelijkheid,
3. politieke cultuur en tolerantie,
4. organisaties,
5. militairen,
6. goed functionerende staat,
7. geen hevige conflicten tussen etnische groepen.

Paragraaf 2.1, ideologieën en partijen:
Algemeen belang= welvaart, veiligheid, onderwijs en gezondheidszorg.
Ideologieën= opvattingen over hoe de maatschappij functioneert, in de toekomst moet functioneren en wat de rol van de overheid daarbij is.
Politieke stroming= mensen met dezelfde ideologie.
In een democratie kunnen aanhangers van een bepaalde ideologie zich verenigen in een politieke partij. Dat is een georganiseerde groep mensen, die:
1. de ideeën over al het belangrijke beleidsterrein zoals economie, gezondheidszorg, uitkeringen, onderwijs, buitenlands beleid, veiligheid en milieu. Die ideeën samen is het programma.
2. kandidaten stelt bij de verkiezingen. Men hoopt dat veel kandidaten van de partij worden gekozen, zodat de partij veel kans krijgt om haar programma uit te voeren.
Politieke partijen zijn landelijk, provinciaal en gemeentelijk georganiseerd.
Links en rechts:
Links. Rechts.
Tegen sociale ongelijkheid in het onderwijskansen, inkomen en huisvesting. Vreest dat de vrijheid van mensen in gevaar komt als de overheid zich te veel bemoeit met de sociaaleconomische zaken.
Hecht aan gelijke kansen.
Op sociaaleconomisch gebied,
Socialisten - christendemocraten – liberalen.
Links. Rechts.
Liberalen=vrijheid.
Socialisten= gelijkheid.
Christendemocraten=broederschap.
We kunnen de politieke ideologieën sinds de 19de eeuw op een lijn plaatsen:
Communisme – socialisme – christendemocraten – liberalisme – fascisme.
Communisme en fascisme hebben in europa vooral historische betekenis, zij willen de staat diep laten ingrijpen in de persoonlijke vrijheden en het privé-leven van de mens.

Paragraaf 2.2, communisme en fascisme:
Bij communisme staat vrijheid centraal. In een kapatilistische maatschappij van particulier eigendom(van productiemiddelen, fabrieken, land etc), concurrentie en streven naar vrijheid tot onderdrukking en uitbuiting van arbeiders.
Het gevolg is grote sociale ongelijkheid. Daarom vindt het communisme dat de productiemiddelen in handen moet komen van de gemeenschap. Meestal in de vorm van een staat waarna er voor iedereen rechtvaardigheid zal zijn/komen.
De meeste ideologieën hebben samenhangende ideeën, maar dat dit geldt niet voor het fascisme. Dit kom doordat de antistroming zicht keert tegen de waarden; vrijheid, gelijkheid en tolerantie van democratie.

Paragraaf 2.3, liberalisme:
Liberalisme hecht zich sterk aan vrijheid. Ieder individu moet zijn eigen leven kunnen inrichten en is daarvoor zelf verantwoordelijk. Ze moeten kunnen kiezen voor abortus en euthanasie. De overheid mag de vrijheid niet inperken.
De economische vrijheid is belangrijk. Daarbij staat particulier initiatief centraal. Als ondernemers door overheidsregels en hoge belastingen worden gehinderd, kunnen zij niet goed concurreren. Liberalen menen dat mensen goed weten wat hun eigen belangen zijn. Als iedereen die nastreeft, zonder daarbij de wetten te overtreden zal dat uiteindelijk het beste zijn voor iedereen.
De overheid moet zorgen voor veiligheid, infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg. Er moeten ook uitkeringen zijn bij werkloosheid, ziekte en ongeval. Deze mogen niet te hoog zijn want mensen moeten op eigen benen staan.
Liberale partijen:
VVD
D66
- sterkte rechten individu.
- de partij wil niet baseren op een politieke ideologie, maar pragmatisch bekijken wat in een situatie het beste is.
D66 is voor wat meer arbeidsbemoeienis op sociaaleconomisch gebied dan de VVD. Daarom wordt de D66 ook wel links-liberaal of sociaalliberaal genoemd. D66 wil de burgers ook meer rechtstreekse invloed geven door invoering van een referendum en het kiezen van een burgemeester.

Paragraaf 2.4, socialisme:
Het socialisme is ontstaan als reactie op het liberalisme. Volgens de socialisten leidde de economische vrijheid tot uitbuiting van arbeiders: lange werktijden, lage lonen, slechte werkomstandigheden. De overheid moet wetten maken om de arbeiders te beschermen. Zodat de vrijheid van de werkgever de vrijheid van de arbeider niet in gevaar brengt.
Gelijke kansen:
Socialisten willen een actieve overheid om gelijke kansen en een rechtvaardige inkomensverdeling te garanderen. De overheid moet proberen gelijke kansen te scheppen.
‘’ Zij vinden het onrechtvaardig als een jongen(13) uit een achterstandswijk minder kans op een goede opleiding heeft dan een van jongen(13) uit een villawijk uit Wassenaar ’’
Mensen met hoge inkomens betalen procentueel meer belasting, zo worden de inkomens beter verdeeld. Onder individuele vrijheid in de privé-sfeer zoals abortus en euthanasie. Denken socialisten hetzelfde als de liberalen(een vrije keus dus).
Socialistische partijen:
PvdA  grootste partij.
Groenlinks(milieuproblemen) en de SP(arbeiders+uitkeringsgerechtigheden)
 kleinere partijen.
Allemaal zijn ze vóór(SP en groenlinks iets meer)sterker overheidsingrijpen omdat de markt niet veel zou oplossen.

Paragraaf 2.5, christendemocratie:
Het liberalisme en het socialisme zijn niet gebaseerd op een godsdienst. Confessionele partijen laten zich inspireren door de bijbel, de hoofdstroming hiervan is het christendemocratie. Op sociaaleconomisch gebied zitten de christendemocraten tussen de socialisten en de liberalen in.
Namelijk; iets minder vertrouwen in individu en iets minder vertrouwen in de overheid dan de socialisten.
Het goed functioneren van de maatschappij is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van iedereen. Problemen moeten zoveel mogelijk is overleg en harmonie worden opgelost.
Christendemocraten benadrukken het belang van de samenleving. Men is tegen abortus en euthanasie.
Christelijke partijen:
CDA grootste partij.
Cu en de SGP(sterker bijbel volgen en absoluut tegen abortus en euthanasie) 
kleinere partijen.
Alle 3 de partijen denken dat seksreclame + pornografie een gevolg is van grote individuele vrijheid.
De verschillen tussen Cu en SGP zijn:
SGP=strikt tegen de scheiding van kerk en staat + tegen vrouwenkiesrecht en voor de doodsstraf.
Cu= wil actief overheidsingrijpen ten gunste van de ‘sociaal zwakkeren’ en strenge maatregelen tegen milieuverontreiniging.

Paragraaf 2.6, andere stromingen en partijen:
Sommige partijen passen niet in de 3-deling van liberalen, socialisten en christendemocraten. Zo een stroming word populisme genoemd, omdat men een beroep doet op het ‘volk’ tegen de gevestigde machten in, en zegt namens het volk te spreken.
LPF is hier een voorbeeld van: harder optreden tegen criminaliteit, allochtonen afdwingen zich ‘aan te passen’ en asielzoekers weren.
Af en toe duiken van die partijen op die zich niet op het hele overheidsbeleid richten maar vooral op één punt. Dit noem je single-issuepartijen. Bijvoorbeeld alleen voor ouderen of partijen die zich keren tegen allochtonen.

Paragraaf 3.1, verkiezingen:
Elke 4 jaar kunnen Nederlanders rechtstreeks stemmen voor:
• 2de kamer, het belangrijkste deel van het parlement of de volksvertegenwoordiging.
• Provinciale staten, de volksvertegenwoordiging in elk van de 12 provincies.
• De gemeenteraden, de volksvertegenwoordigers in elk van de 450 gemeenten.
• De deelgemeenteraden, voor wijken van grote gemeenten zoals Rotterdam en Amsterdam.
• Europees parlement(eens in de 5 jaar). De volkvertegenwoordiging in de Europese Unie.
De 1ste kamer die samen met de 2de kamer het parlement vormt word indirect gekozen. De leden van de provinciale staten bepalen wie in de 1ste kamer komt. Je kunt Nederland niet kiezen voor de burgemeester wat wel in veel andere democratische landen kan.
Actief kiesrecht= 18+ mag je stemmen.
Passief kiesrecht= zij die kunnen gekozen worden als lid van de 2de kamer en de andere vertegenwoordigen lichamen.
Lijsttrekker= persoon die bovenaan de lijst van een partij staat.
Televisiedemocratie:
Aan verkiezingscampagnes wordt steeds meer geld uitgegeven. De partijen maken veel propaganda, omdat veel kiezers zich niet meer zo sterk verbonden voelen met een partij.
Vroeger;
kerkelijke mensen=confessionele partijen.
Niet-kerkelijk=PvdA
Niet-kerkelijke ondernemers= VVD.
Er zijn steeds meer ‘zwevende kiezers’ die vaak van keus veranderen. Televisie is tegenwoordig de meest effectieve manier om de kiezers te bereiken.
Geïnteresseerde= discussieprogramma’s
Ongeïnteresseerde= reclamespotjes.
In de televisiedemocratie worden de personen soms belangrijker gezien dan de politieke standpunten en hebben vooral politici succes die het op de buis goed doen.

Paragraaf 3.2, kiesstelsels:
De 2de kamer telt 150 leden. Er zijn 150 zetels(stoelen) te verdelen. Om te bepalen hoeveel zetels iedere partij krijgt, geldt het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het aantal zetels is evenredig aan het aantal stemmen. Een partij met 10% van de stemmen krijgt 10% van de zetels. Dus 15 leden in het parlement. Om één zetel te winnen, heb je 1/50=0,67% van de stemmen nodig.
Om een regering te vormen zijn meerdere partijen nodig. Je kan met een partij bijna nooit de meerderheid vormen.
Kiesdistricten:
Veel landen kiezen parlementsleden via een districtenstelsel, daarbij is het land in even grote kiesdistricten verdeeld. Ieder district kiest één afgevaardigde in het parlement. De strijd gaat meestal tussen 2 grote partijen en de winnende partij vormt de regering. Als je stemde op de verliezende kandidaat gaat je stem verloren.
Groot-Brittannië en Verenigde Staten hebben dit.

Paragaaf 4.1, constitutionele monarchie:
Elk jaar wordt op de derde dinsdag van September, Prinsjesdag in Den Haag het politieke jaar geopend met een plechtige bijeenkomst van parlement, ministers en de koningin. Nederland is naast een parlementaire democratie ook een monarchie met erfelijk koningschap. De koningin is staatshoofd maar zijn macht is beperkt. Nederland is een constitutionele monarchie. Net zoals België, Denemarken en Spanje.
Ministers verantwoordelijk:
De koning kan geen politieke beslissingen nemen of uitspraken doen. Voor alles wat hij zegt, zijn de ministers verantwoordelijk. Het koningshuis is onschendbaar. De premier praat wekelijks met de koningin, de ministers af en toe.
Prinsjesdag is een politieke gebeurtenis, de koningleest de troonrede voor waarin de plannen van de regering staan voor het komende jaar.

Paragraaf 4.2, regering:
De dagelijkse leiding in Nederland is in handen van een klein gezelschap dat in kranten en op de televisie wisselend word aangeduid als regering, kabinet of ministerraad.
Regering= 15 ministers + koningin.
Ministerraad= ministers.
Kabinet= ministers + 15 staatsecretarissen(onderministers).
Het kabinet word geleid door de minister-president of premier. De premier en de ministers van financiën hebben algemene taken. De andere ministers hebben ieder een gespecialiseerd beleidsterrein, zoals economische zaken, justitie of onderwijs. Ministers hebben de leiding over een departement of ministerie.
Taken:
De regering moet zorgen dat de bestaande wetten worden uitgevoerd, dat de acute noodsituaties effectief wordt ingegrepen en dat (nieuwe) problemen worden aangepakt, zoals: werkloosheid en veiligheid. Meestal zijn wetten nodig.
In de miljoenennota/troonrede staan in grote lijnen de plannen over 4 jaar in een reageerakkoord:
1. concrete plannen.
2. begroting.
3. verdeling van het geld.
Na de verkiezingen moet een nieuwe regering worden gevormd uit partijen die samen de meerderheid(minstens 76 zetels) hebben in de 2de kamer.
1 partij kan nooit 76 zetels hebben. Daarom moeten partijen met elkaar onderhandelen. Deze kabinetsformatie is een moeizaam proces. De koning benoemt een informateur die na gaat of er een bepaalde regering mogelijk is.
Als duidelijk is welke partijen willen samenwerken benoemt de koningin een formateur die een regering moet samenstellen. Meestal word die formateur de premier.
Coalitieregering= regering die bestaat uit verschillende partijen.

Paragraaf 4.3, parlement, regering en oppositie:
Met de troonrede en de miljoenennota richt de regering zich tot het parlement.
Volksvertegenwoordiging, parlement, 1ste en 2de kamer(senaat) en Staten-Generaal zijn allemaal hetzelfde.
Het gaat om de 150 direct gekozen 2de kamerleden en 75 indirecte 1ste kamer leden.
Scheidslijn:
Het parlement staat tegenover de regering.
Parlement= 1ste + 2de kamer.
Regering= ministers + koningin.
Ook binnen het parlement is er een scheidlijn tussen de leden van regeringspartijen en van de niet-regeringspartijen(=oppositiepartijen).
De oppositiepartijen zijn heel kritisch en stelt fouten in het beleid. Oppositiepartijen willen de regering verbeteren.
De regeringspartijen stellen wel kritische vragen maar zijn wel genaaid de regering te steunen.
De leden van één partij=fractie geleid door een fractievoorzitter.
De 2 belangrijkste taken van het parlement zijn:
• wetgeving.
• Controleren van de regering.

Paragraaf 4.4, het parlement als wetgever:
Voor de wetgeving heeft het parlement een aantal rechten:
• Begrotingsrecht, de jaarlijkse begroting opgenomen in de miljoenennota, moet voor iedere ministerie als wet goedgekeurd worden.
• Recht van amendement(2de kamer), de kamerleden kunnen bij meerderheid van de stemmen de wetten aanpassen.
• De 2de kamer heeft het recht van initiatief(wetten maken). De wet moet dezelfde weg doorlopen als een ingediend wetsontwerp.
Van wetsontwerp tot wet:
De weg van wetsontwerp tot wet is sterk vereenvoudigd als volgt:
• De regering maakt een wetsontwerp, als de ministerraad het eens is vraagt die advies en wijzigt het eventueel.
• De regering zendt het ontwerp naar de 2de kamer. De fractiespecialisten bekijken het en stellen vragen aan de ministers en kunnen wat wijzigen.
• Als een meerderheid van de 2de kamer vóór is gaat het wetsontwerp naar de 1ste kamer, die geen wijzingen mag aanbrengen.
• Handtekening van betreffende minister + de koningin onder de wet. Weigeren= aftreden.

Paragraaf 4.5, het parlement als controleur:
Om de regering te controleren beschikken 2de en 1ste kamer over de volgende middelen of rechten:
• Het stellen van mondelinge en schriftelijke vragen aan de regering.
• Het houden van een interpellatie over een belangrijk onderwerp.
• Enquête kan een uitgebreid onderzoek inzetten.
Kabinetcrisis:
Als kamerleden vinden dat een minister, staatsecretaris of het hele kabinet grote fouten heeft gemaakt, kunnen zijn een motie van wantrouwen indienen. Zo’n motie maakt alleen kans op een meerderheid als ook leden van regeringsfracties vóór stemmen. wanneer zo’n motie tegen één minister wordt aangenomen, moet die aftreden. Bij een aangenomen motie tegen het hele kabinet, moet het kabinet opstappen(=kabinetcrisis).
Het kabinet blijft wel demissionair om de lopende zaken te regelen, maar mag geen grote politieke besluiten nemen.

Paragraaf 7.1, politieke functies van massamedia:
Massamedia bieden openbaar toegankelijke informatie aan een groot publiek. De eerste belangrijke massamedia waren kranten en tijdschriften. Later ook televisie en radio.
Vijf functies:
In een democratie vervullen massamedia vijf politieke functies:
1. de informatiefunctie, burgers worden geïnformeerd over belangrijke problemen.
2. de platform- of spreekbuisfunctie, massamedia bieden mensen en organisaties de mogelijkheid om hun mening te uiten.
3. de controlefunctie, massamedia horden in een democratie als waakhond op te treden. Zij volgen regering en het parlement kritisch.
4. de commentaarfunctie, journalisten leveren commentaar op het handelen van de politici. Waarom goed of slecht?
5. de onderzoeksfunctie, sommige journalisten duiken diep in een kwestie en zoeken die tot op de bodem uit.
Pluriformiteit:
Voor een democratie is pluriformiteit van wezenlijk belang. Zo veel mogelijk verschillende ideeën moeten geuit kunnen worden. deze pluriformiteit loopt gevaar als commerciële belangen in de media de overhand krijgen.

Paragaaf 7.2, invloed media op politiek en publiek:
Volgens communicatiewetenschappers hebben media meer invloed op politici dan op gewone burgers. Dat komt doordat de media opvattingen verwoorden die in de samenleving leven. de media kan zoveel aandacht geven aan een kwestie dat de politici zich gedwongen voelen om iets te doen.
Ook hebben journalisten politici nodig als nieuwsbron. Helemaal als minders of kamerleden vertrouwelijke informatie doorlekken.
Politici klagen dat de media veel te veel invloed hebben op de besluitvorming.

Paragraaf 7.3, directe democratie door ICT?
Er kom meer politieke gelijkheid door de ICT, dit komt doordat iedereen op internet kan kijken. En ook hun eigen mening geven op forums.
Er zijn ook mensen die denken dat alleen politiek geïnteresseerden zullen actief politieke informatie zoeken en hun mening uiten. Diegene die niet geïnteresseerd zijn zoekt dit ook niet op internet. Daarom blijft een parlement met gekozen vertegenwoordigers nodig. Zij moeten de besluiten nemen na discussie en afwegen van verschillende belangen

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

C.

C.

Fijne samenvatting, alleen staat de paragrafen 5 tm 10 er niet op. 7 wel nog.

12 jaar geleden

J.

J.

Bij communisme staat vrijheid niet centraal, maar gelijkheid!

9 jaar geleden

C.

C.

Er zitten te veel schrijffouten in deze samenvatting, veel informatie wordt verward of verkeerd opgeschreven en een aantal belangrijke punten missen.

9 jaar geleden