Criminaliteit



Criminaliteit is een gedrag waarbij je schade toebrengt aan Criminaliteit en strafbaar

de anderen, op zo’n manier dat mensen vinden dat het bestraft gedrag zijn bijna altijd

zou moeten worden. hetzelfde, maar niet altijd.

Strafbaar gedrag is gedrag dat volgens de wet bestraft zou

moeten worden.

Oorzaken voor het verschil hiertussen:

maatschappelijke ontwikkelingen gaan sneller dan wetsovertredingen.

invloed van de vierde macht; zijn de ambtenaren (geven anderen info aan de minister over wat de bevolking vindt)



de ene belangenorganisatie heeft meer invloed dan de andere (eigenbelangen, niet v/d rest van de bevolking)

de personen v/d minister (kan zelf een wet aannemen of afkeuren terwijl de meerderheid v/h volk daar niet voor koos)



1.1 Wat is recht?

Rechtsregels geven aan wat wel en niet toegestaan is en regelen ze de verhoudingen tussen mensen. Ze gelden ook voor iedereen. De overheid gebruikt ze om:

ongewenst gedrag tegen te gaan

orde aan te brengen in de maatschappij

conflicten naar behoren te regelen

rechtvaardigheid te garanderen.

Alle regels staan in het Wetboek van Strafrecht, maar die kunnen veranderen door:

de normen en waarden steeds veranderen

samenleving wordt complexer -> er komen steeds meer vormen van criminaliteit zoals cyberstalken.

Soms duurt het jaren voordat een nieuwe wet is ontworpen, vaak omdat de meningen dan verschillen.

Rechtsregels zijn ook plaatsverbonden; wat in NL legaal is, is bv in Azië illegaal.





1.2 Wat is criminaliteit?

Misdrijven zijn de meer ernstige strafbare feiten Verschil is ook te zien in de strafmaat:

(diefstal, moord, dronken rijden). misdrijven hebben hogere straffen en

Overtredingen zijn de minder ernstige strafbare komen ook op het strafblad.

feiten (door rood rijden).

Soorten misdrijven:

delicten tegen de openbare orde en het gezag (verbranden v/d Nlse vlag)

misdrijven tegen leven en persoon (moord, mishandeling)

ruwheidmisdrijven (vernieling)

vermogensmisdrijven (diefstal)

seksuele misdrijven (verkrachting, aanranding)

verkeersmisdrijven (dronken rijden)

misdrijven tegen de Opiumwet (verkoop drugs)

economische delicten, omschreven in de Wet economische delicten (onwettig manipuleren met BV’s)

milieudelicten.

Veelvoorkomende criminaliteit (kleine criminaliteit) is bv winkeldiefstal, graffiti en te snel rijdenèversterken gevoelens van onveiligheid -> worden licht gestraft (geldboete of een alternatieve straf).

Zware criminaliteit omvat ernstige vormen van criminaliteit, bv moord en inbraak.

Georganiseerde criminaliteit (vorm zware criminaliteit) worden misdrijven ondergaan door organisaties met een taakverdeling. Vooral actief in drugshandel, mensensmokkel en prostitutie. Kenmerken:

aanwezigheid van intern sanctiesysteem

gebruik van geweld om de positie van de groep in de criminele wereld hoog te houden

witwassen van zwart verdiend geld

plegen van meerdere soorten misdrijven

gebruik van bedrijven als dekmantel

actief in meerdere landen tegelijk



1.3 De registratie van criminaliteit

De cijfers die door de politie worden gegeven geven geen totale beeld van criminaliteit, maar van geregistreerde criminaliteit. De echte nummer ligt altijd hoger, omdat:

mensen niet altijd aangifte doen bij de politie.

er veel dingen niet ontdekt worden (zakkenrollerlij)

Doordat de cijfers niet helemaal kloppen is het moeilijk te weten of de criminaliteit toe –of afneemt. Dit versterkt ook nog:

opsporingsactiviteit: hoe langer de politie op straat is, hoe meer er ontdekt wordt en dus ook geregistreerd.

slordigheidfouten: de registratie gebeurt niet voldoende nauwkeurig en systematisch; wat een agent mishandeling vindt, vindt de ander poging tot doodslag.

Om een beter beeld te krijgen op criminaliteit, houdt het CBS een slachtofferenquêtes onder de bevolking, maar ook dit heeft nadelen:

de persoonlijke beleving wordt gemeten en dat is subjectief.

er wordt alleen veelvoorkomende delicten gemeten onder ongeveer enkele duizenden mensen.

slachtofferloze criminaliteit (hard rijden etc.) wordt niet gemeten.

De CBS houdt ook de daderenquête: er wordt gevraagd aan mensen of ze in een bepaalde periode zich schuldig hebben gemaakt aan een strafbaar feit, maar ook dit levert niet allemaal betrouwbare informatie op.



1.4 Is Nederland onveilig?

jaarlijks komen er bijna 1,5 miljoen misdrijven bij die geregistreerd zijn. Dit kan ook zijn, omdat er steeds meer kleine diefstallen worden aangegeven.

ongeveer 35% v/d Nlse bevolking wordt slachtoffer van 1 of meer misdrijven.

ongeveer 45% van alle misdrijven worden opgehelderd en in 1960 was dat 89%.

Oorzaken toename geweld (ook zinloos geweld):

veranderingen in het uitgaansleven

omdat veel gebouwen goed zijn beveiligd, worden nu vaak overvallen gepleegd op bv benzinestations.



1.5 Maatschappelijke gevolgen

Criminaliteit is van alle tijden, maar de laatste tijd krijgt de criminaliteit veel aandacht -> het is een belangrijke maatschappelijke probleem geworden:

materiële schade: is heel hoog, ook wordt er veel geld uit gegeven aan beveiliging, bewaking en hoge verzekeringsmaatschappijen hun premies.

immateriële schade: inbraak op de geestelijke en lichamelijke integriteit (seksuele delicten) of als inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (inbraak).



2.1 De crimineel

Kenmerken crimineel:

geslacht: meestal man.

leeftijd: volwassen.

maatschappelijke positie: lage positie. Vermogensdelicten worden vaak gepleegd door witteboordencriminelen.

etnische afkomst: autochtonen en allochtonen

locatie: meestal inwoners in grote steden



2.2 Oorzaken op micro –en macroniveau

Veel wetenschappers geloofden dat crimineel gedrag aangeboren was (=biologisch bepaald). Nu geloven ze dat de grootste invloed vanuit de sociale omgeving komt. Deze invloed speelt zich af op 2 niveaus:

microniveau: het niveau v/d primaire socialisatie van het individu

macroniveau: het niveau v/d maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen waarmee het individu te maken heeft.

Microniveau: eerste sociale milieu -> had is het gezin waar een kind opgroeit. Tweede sociale milieu -> school, buurt etc. De invloed van dit 1e en 2e milieu bepaald de crimineel gedrag:

als een kind iets doet wat strafbaar is en de ouders corrigeren dat niet, zullen de kinderen de normen die gelden in de samenleving niet leren kennen en kunnen zij crimineel gedrag vertonen. Ook ernstige gezinsproblemen (mishandeling) kunnen leiden tot latere gedragsstoornissen.

jongeren die mislukken op school lopen een grote kans met justitie in aanraking te komen.

het groepsgedrag stimuleert stoerdoenerij en kan dus crimineel gedrag vertonen.

Macroniveau: de belangrijkste oorzaken hierbij zijn:

maatschappelijke achterstanden:uitzichtloze situatie, doelloos etc. -> gaan crimineel gedragen.

vervaging van maatschappelijke normen en waarden

afnemende sociale controle: mensen letten niet zo vaak meer op elkaar en voelen zich niet verantwoordelijk voor wat er om hun heen gebeurt.

afnemende pakkans: kans is kleiner omdat er personeelstekort is bij justitie etc.



2.3 Theorieën over criminaliteit

Biologische theorieën: volgens sommige wetenschappers is crimineel gedrag aangeboren. Lombroso zei dat bij sommige mensen het crimineel gedrag biologisch bepaald is -> was dus helemaal niet waar. Nu probeert de sociobiologie het sociale gedrag van mensen uit biologische factoren te verklaren.

Psychologische theorieën: psychologen zeggen dat de oorzaak bij de dader zelf te vinden is. Volgens Sigmund Freud (grondlegger psychoanalyse) is er een verband tussen crimineel gedrag van volwassenen en hun ervaringen in hun kindertijd. Freud gaat ervan uit dat elke persoonlijkheid opgebouwd is uit 3 delen:

id: bevat aangeboren instinctieve driften in het onderbewuste van de mens.

ego: bewuste deel van de persoonlijkheid, dat de overhand krijgt als we volwassen worden.

perego: ontwikkeld door de samenleving -> geweten en gevoelens voor schuld en schaamte worden ontwikkeld.

Als de balans van deze 3 delen wordt verstoord, kan het tot crimineel gedrag leiden.

Sociologische theorieën: sociologen zeggen dat crimineel gedrag te maken heeft met de maatschappelijke omstandigheden. De theorieën:

de aangeleerd-gedrag-theorie: volgens Sutherland kan crimineel gedrag aangeleerd worden. Als een jongere steeds contact heeft met andere criminelen, kan hij ook crimineel gedrag vertonen. Deze theorie verklaart echter niet hoe criminologie begint.

de anomietheorie: volgens Merton ontstaat criminologie als mensen hun levensdoelen niet bereiken.

de bindingstheorie: volgens Hirschi is ieder mens voor een deel tot het slechte geneigd. De meeste mensen gedragen zich netjes omdat zij hun bindingen niet zomaar op het spel zetten: de familie, vrienden, collega’s etc. Dat zijn hun remmen. Mensen bij wie deze bindingen ontbreken, zijn eerder geneigd om een crimineel te worden.

de etiketteringtheorie: volgens Howard Becker is sociale afkeuring van een persoon als gevolg van zijn afwijkende of criminele gedrag. Als mensen het etiket afwijkend of crimineel krijgen opgeplakt, kunnen zij worden gestimuleerd op zichzelf als zodanig te gedragen.



3.1 Rechtsbescherming

De overheid mag niet te veel macht in handen hebben -> de politie mag niet zomaar iedereen oppakken en in een cel stoppen. De overheid moet zich ook aan regels houden -> rechtsstaat.

Kenmerken rechtstaat: er bestaat een onafhankelijke rechterlijke macht die niet gebonden is aan de beslissingen van de overheid -> trias politica.

In 1948 heeft de VN de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens gemaakt:

men mag niet discrimineren

men mag mensen niet martelen

men mag niet zomaar iemand gevangen zetten

iedereen heeft recht op een eerlijk proces

iedereen heeft recht op vrijheid van meningsuiting

Er zijn enkele specifieke bepalingen waar de overheid zich aan moet houden bij de bestraffing van crimineel gedrag:

Het legaliteitsbeginsel: Je kunt alleen gestraft worden voor iets wat in de wet strafbaar gesteld is.

Elk wetsartikel in het strafrecht bevat telkens een nauwkeurige omschrijving van het delict in de strafmaat die een rechter maximaal kan opleggen.

Wanneer een rechter uitspraak heeft gedaan in een zaak mag je niet voor hetzelfde strafbare feit voor een tweede keer worden vervolgd. De ne bis in idem-regel.

Een verdachte is onschuldig totdat hij door de rechter schuldig is bevonden



3.3 Tweesporenbeleid

In NL zijn er steeds andere politieke partijen aan de macht en dit zorgt ervoor dat bij het bestrijden van criminaliteit er steeds wordt gezocht naar een combinatie van preventie en repressie -> tweesporenbeleid.

preventie maatregel: vooral gebruikt bij veelvoorkomende criminaliteit zoals versterking van de sociale controle. Daarnaast worden er alternatieven voor gevangenisstraf gezocht. Maar er wordt ook meer snelrecht toegepast.

repressieve maatregel: vooral bij zware, georganiseerde misdaad gebruikt zoals gevangenisstraffen. Het aantal opgelegde lange gevangenisstraffen is daarom de laatste twintig jaar bijna verviervoudigd.

Effect bij preventieve maatregelen is groot, wordt ook het meest gebruikt.

Bovendien zou gebruik van repressie tot een overbelasting van politie en justitie leiden.

Jongeren die veelvoorkomende criminaliteit plegen, worden behandeld door de HALT-projecten -> zij moeten dat de schade herstellen of vergoeden. De meeste projecten rusten op twee pijlers:

meer functioneel toezicht

meer binding van (potentiële) daders met de samenleving

Er zijn jaarlijks veel winkeldiefstallen. Winkeliers nemen diverse maatregelen tegen winkeldiefstal door:

technisch-preventieve maatregelen

meer winkel- en bewakingspersoneel

training van het personeel

Ook de overheid heeft maatregelen genomen:

centrale registratie van winkeldieven in een landelijk computersysteem

uitbreiding van de bevoegdheden van de politie om meteen een boete op te leggen

zwaardere aanpak van heling

In voetbalstadions is het vandalisme goed bestreden, maar erbuiten moeten er nog een paar maatregelen genomen worden, zoals:

het aanstellen van stewards

een verkoopverbod van alcohol in stadions

invoering van de pasjesregeling

terughoudende berichtgeving door de media

het toepassen van snelrecht en het uitdelen van een flinke straf en een stadionverbod aan schuldige van voetbalvandalisme

Als preventie niet werkt in het geval van zware criminaliteit dan past de overheid repressie toe. Een verdachte van een strafbaar feit krijgt dan, op basis van wetgeving, te maken met de politie, officier van justitie en de rechter -> zij moeten ook aan bepaalde regels houden:

Opsporing en aanhouding door politie en officier van justitie

Iemand is verdacht wanneer een redelijk vermoeden bestaat dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd -> De politie verzamelt informatie over het strafbare feit -> Ze verhoort de verdachte en eventuele getuigen, en gaat na wat er precies is gebeurd. -> Het proces-verbaal van de politie gaat naar de officier van justitie (leidt het opsporingsonderzoek)

Vervolging door de officier van justitie

De verdachte wordt aan de officier voorgeleid en door hem verder verhoord (dat kan ook gelden voor getuigen) -> bewijsmaterialen moeten worden gezocht -> De officier van justitie kan de rechter-commissaris inschakelen om bijvoorbeeld toestemming te krijgen om een bepaalde telefoon af te luisteren.

Rechtszaak door de rechter

Voldoende bewijs? -> dossier naar de rechter gestuurd. -> Deze moet tijdens een rechtszaak vaststellen of de verdachte inderdaad schuldig is. In dat geval kan hij de verdachte een straf opleggen.

Witteboordencriminaliteit: kan bestrijd worden door zowel preventieve als repressieve maatregelen. We spreken hiervan als:

de dader een beroep heeft met een hoge status

het strafbare feit gepleegd wordt in een beroepssituatie

specialistische kennis vereist is om het strafbare feit te kunnen plegen

Deze criminaliteit is moeilijk te vervolgen omdat de controlemogelijkheden en de specialistische kennis van politie en justitie vaak tekortschieten. Een maatregel die de overheid heeft genomen om deze criminaliteit te bestrijden is de Wet meldpunt ongebruikelijke transacties (MOT).



3.4 De politie

Taken van de politie:

Hulpverlening

Handhaving van de openbare orde

Opsporing: politie mag iemand aanhouden als deze verdacht is door bv:

op heterdaad betrapt is.

er een aangifte gedaan is.

De verdachte hoeft niet mee te werken en mag dus bv weigeren iets te zeggen -> krijgt geen boete. Uitzondering is de alcoholcontrole.

Het is niet altijd makkelijk om iemand op te sporen, daarom kan de politie gebruik maken van dwangmiddelen:

staande houden: politie mag de verdachte staande houden.

aanhouden: de politie mag een verdachte aanhouden oftewel arresteren. Verzet mag niet.

fouilleren: de politie mag een verdachte fouilleren, maar alleen als dit bijdraagt aan de oplossing van een strafbaar feit.

vrijheidsbeneming: de politie mag een verdachte in het belang van het onderzoek enkele dagen op het bureau vasthouden. Daarna wordt de verdachte overgeplaatst naar de Huis van Bewaring, nog voordat hij de rechter gezien heeftèvoorarrest (max. 3 maanden).

huiszoeking: de politie mag alleen een woning binnengaan om iemand te arresteren met een machtiging tot binnentreding. Als dit er niet is, is er sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

inbeslagneming: bewijsmaterialen mogen in beslag genomen worden. De officier van justitie of de rechter beslist later of iemand zijn spullen terug krijgt.



4.1 Taken

De officier van justitie is de openbare aanklager. Hij is van begin tot het eind in de strafzaak betrokken en heeft dus een belangrijke rol. Zijn taken:

leidt het opsporingsonderzoek -> maar de politie voert het uit.

brengt verdachten voor de rechter

eist een bepaalde straf in een rechtszaak

is verantwoordelijk voor de uitvoering van de straf

Alle officieren bij elkaar -> Openbaar Ministerie -> onderdeel van Ministerie van Justitie



4.2 Keuzemogelijkheden

In het opsporingsonderzoek wordt een dossier aangelegd met bewijsmateriaal, getuigenverklaringen en andere gegevens. Lang niet elk dossier leidt tot een rechtszaak. De officier heeft namelijk drie mogelijkheden:

seponeren: niemand wordt vervolgd, omdat :

onvoldoende bewijs is

het een klein vergrijp

de verdachte al genoeg gestraft is

De officier kan voorwaarden verbinden aan het seponeren, wordt er niet aan gehouden -> verdachte voor de rechter

een transactievoorstel aanbieden: bij overtredingen en lichte misdrijven -> geldboete. Als de verdachte dit niet aanvaard, moet hij voor de rechter verschijnen.

vervolgen: verdachte moet voor de rechter verschijnen -> er komt een rechtbank.



4.3 Uitbreiding opsporingsmethoden

Het opsporen van criminaliteit is steeds moeilijker geworden voor justitie door:

georganiseerde misdaad: hebben modernste informatietechnologie omdat ze veel geld hebben. De leiders achter de schermen houden zich niet zelf bezig met de daadwerkelijke misdaad en zijn daarvoor moeilijk te arresteren.

hierdoor wordt het werk van de justitie steeds ingewikkelder. Er moet dus nieuwe opsporingsmethoden ontwikkeld worden. Ook gaat de politie veel te ver in hun opsporingsonderzoek. Gevolg hiervan:

de opsporing moest effectiever worden

de opsporingsbevoegdheden moesten duidelijker worden omschreven

de samenwerking tussen politie en justitie moest beter verlopen

Justitie besloot daarop om in het Wetboek van Strafvordering nieuwe richtlijnen op te nemen:

Infiltranten mogen worden ingezet

Gecontroleerde doorvoer

De politie mag informanten geld betalen

Inkijkoperaties zijn toegestaan

Kroongetuige is iemand die een belastende verklaring aflegt tegen een grotere crimineel dan hijzelf is.



5.1 Onafhankelijkheid rechters

In Nederland is de rechtspraak opgedragen aan onafhankelijke rechters. Dit is een belangrijk beginsel van de rechtsstaat. Deze onafhankelijkheid is gewaarborgd door:

een rechter voor het leven wordt benoemd

het salaris van rechters bij de wet is geregeld

het aantal rechters in elke rechtszaak van tevoren vaststaat

De rechters worden bij hun werkzaamheden bijgestaan door gerechtssecretarissen (griffiers). Ze leggen onder andere het proces-verbaal vast, en ze maken de vonnissen van de rechters op.



5.2 Soorten rechtbanken

We kennen in Nederland drie soorten rechtsinstanties:

Arrondissementsrechtbanken: Laagste rechtscollege en houdt zich bezig met het berechten van alle overtredingen en misdrijven. Een arrondissement is het rechtsgebied van een arrondissementsrechtbank. Verschillende rechters:

politierechter

kinderrechter

kantonrechter

meervoudige kamer (drie rechters, zware misdrijven, hoger beroep van kantonrecht)

Gerechtshof: Belangrijkste taak is de rechtspraak in hoger beroep van alle misdrijven die door de arrondissementsrechtbank zijn behandeld. Bij het gerechtshof wordt rechtgesproken door een meervoudige kamer van drie rechters.

Hoge raad: Hoogste rechtscollege. Wordt gewerkt met kamers van drie of vijf raadsheren. Deze spreekt recht als een verdachte of het Openbaar ministerie het niet eens is met de uitspraak van het hof=Cassatie. Hoge Raad onderzoekt de zaak niet helemaal opnieuw, kijkt alleen of de rechtsregels goed zijn toegepast. Wel goed, dan blijft uitspraak geldig. Niet goed, dan wordt verwezen naar een ander gerechtshof dat de zaak opnieuw behandelt. Belangrijke taak van de Hoge Raad is ervoor zorgen dat in Nederland rechtseenheid en rechtszekerheid bestaat.



5.3 Verloop rechtszaak

Om de schuld van de verdachte tijdens de rechtszaak vast te kunnen stellen moet aan vier voorwaarden worden voldaan:

De dader is een mens of rechtspersoon

Het ten laste gelegde feit is geheel bewezen

Het feit is strafbaar

De dader is strafbaar

-> Voor aanvang van elke rechtszitting krijgt de verdachte een dagvaarding. Hierin staat dat de verdachte op een bepaald moment, op een bepaalde plaats een bepaald delict heeft gepleegd. Er staat ook in waar en wanneer de zitting plaats vindt. (wordt verstuurd door de officier van justitie)

De rechtstaat bestaat uit 8 stappen:

Opening: De rechter controleert de persoonsgegevens van de verdachte. De verdachte krijgt te horen dat hij goed moet opletten en niet verplicht is te antwoorden op de vragen.

Aanklacht: De officier leest de aanklacht voor, toelichting van dagvaarding.

Onderzoek: De rechter begint aan het eigenlijke onderzoek naar het eventuele bewijs voor de aanklacht. Hier kunnen ook getuigen worden opgeroepen. Spreken zij niet de waarheid -> meineed -> max. 4 jaar gevangenis of max 11.000 euro.

Verhoor van verdachte: Verdachte mag eerst zelf verklaring afleggen, daarna ondervraging rechter, de officier van justitie en ten slotte door eigen advocaat. Verdachte niet onder ede, hoeft dus niet de waarheid te spreken. Hoeft niet mee te werken aan eigen veroordeling.

Requisitoir: Officier houdt een verhaal waarin hij aan wil tonen dat de verdachte schuldig is en vraagt de rechter om een bepaalde straf, de eis.

Pleidooi: Advocaat verdedigt de verdachte. Vraagt meestal vrijspraak of strafvermindering. Officier van justitie kan hierop antwoorden, en daarna kan advocaat weer hierop reageren.

Laatste woord: verdachte altijd laatste woord.

Vonnis: Nadat de rechter onderzoek heeft afgesloten doet hij ten slotte een uitspraak. De kantonrechter en de politierechter meteen na de rechtszitting of dezelfde dag uitspraak. Bij arrondissementsrechter kan twee weken duren. In zijn uitspraak maakt de rechter onderscheid tussen schuldig met rechtsvervolging; schuldig zonder rechtsvervolging of onschuldig met vrijspraak.



5.4 Rechtshulp

Voor rechtshulp kun je o.a. terecht bij een advocaat, bureau voor rechtshulp of rechts –of wetswinkel.



6.1 Waarom straffen wij?

Vergelding

Afschrikken van de dader

Afschrikken van de samenleving

Handhaving van de rechtsorde

Resocialisatie (de dader wordt gecorrigeerd)

Beveiliging van de samenleving



6.2 Geschiedenis van straffen

Tot in de Middeleeuwen stond wraak voorop. In de 12e eeuw ontstonden er meer steden. Toen werd afschrikking een belangrijk doel. In het begin kwam er alleen een rechtszaak als iemand een klacht indiende (accusatoire). Later ging de overheid zelf misdadigers opsporen en voor de rechter brengen ( inquisitoir.) In de 19e eeuw werd het strafrecht gemoderniseerd. In 1870 doodstraf afgeschaft. In 1886 voltooiing van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Na de Tweede Wereldoorlog werd ook resocialisatie wettelijk vastgesteld.



6.3 De straf

De rechter bepaalt de strafmaat, gebaseerd op het Wetboek van Strafrecht, dat voor elk strafbaar feit een maximumstraf bepaalt. De rechter zal de maximumstraf echter niet vaak opleggen omdat hij naar de omstandigheden moet kijken waaronder het strafbaar feit is gepleegd. Bovendien moet de rechter ook meewegen of de verdachte eerder is gestraft. De zwaarste straf is levenslang (max. 20 jaar)

Hoofdstraffen:

Geldboete: Iemand die zijn boete niet betaalt, moet in plaats daarvan naar de gevangenis.

Vrijheidsstraf.

Alternatieve straf: een belangrijk doel hiervan is dat men de veroordeelde straft, maar tegelijk met de straf voorkomt dat hij in een criminele spiraal terecht komt.

Soms wordt een deel van de straf voorwaardelijk opgelegd.

Bijkomende straffen of maatregelen:

Schadevergoeding

Ontneming (winst afnemen)

Elektronisch toezicht

TBS: terbeschikkingstelling (hiervoor moet de veroordeelde niet of verminderd toerekeningsvatbaar zijn)


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.