Criminaliteit

Beoordeling 7.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1535 woorden
  • 5 april 2004
  • 21 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.3
  • 21 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Paragraaf 1

Criminaliteit

Pluriforme samenleving = Samenleving van mensen met verschillende meningen en opvattingen
Dominante cultuur = gemeenschappelijke basis van normen en waarden.
Waarden = principes die mensen graag nastreven zoals vrijheid en eerlijkheid
Normen = gedragsregels, zoals respect en niet liegen
Onmaatschappijk gedrag = wanneer je je niet aan de geldende normen houd, door bijv. boeren laten
Wetten = worden gevormd als men het belangrijk vindt dat de normen bestraft worden

Crimineel gedrag = als men de normen in de wetten overtreedt -> in aanraking met justitie
Recht = het geheel van gedragsregels, vastgesteld door de overheid, die betrekking hebben op het handelen van mensen als leden van de samenleving
Rechtsnormen = het is belangrijk dat de strafbare feiten overeenkomen met de mening van de burgers, omdat men zich zo sneller aan de regels houd.
Deze zijn belangrijk voor: 1. De samenleving te ordenen
2. Conflicten naar behoren te regelen
3. Onafhankelijke rechtspraak te waarborgen
Criminaliteit = alle gedragingen die bij de wet strafbaar zijn gesteld.
Misdrijven = de meer ernstige strafbare feiten ( diefstal, moord)
Overtredingen = minder ernstige strafbare feiten ( door rood rijden, te hard rijden)
Zware criminaliteit = moordt, invallen, inbraak
Veelvoorkomende crimi = graffiti bijv. ze komen vaak voor, onveilige gevoelens, relatief licht gestraft.
Slachtofferenquête = CBS vraagt mensen of ze in aanraking zijn geweest met criminaliteit.

Gevoeligheid crimi = hoe veel waarde je aan criminaliteit hecht.
Slachtofferloze crimi = te hard rijden enz.
Daderenquête = aan mensen die dader zijn van crimi
Materiele schade = kapotte winkelramen, kapotte auto’s
Immateriële schade = emotionele schade

Soorten delicten

Delicten tegen de openbare orde & het gezag. (afluisteren telefoongesprek)
Misdrijven tegen leven en persoon. (moord en mishandeling)
Ruwheidmisdrijven. (vernieling, graffiti)
Vermogensmisdrijven. (diefstal, verduistering)
Seksuele misdrijven. (aanranding, verkrachting)
Verkeersmisdrijven. (rijden onder invloed)
Misdrijven tegen de opiumwet. (verkoop of bezit van soft-hard drugs)
Economische delicten, omschreven in de wet economische delicten. (onwettig manipuleren)
Milieudelicten.

Paragraaf 2

Oorzaken criminaliteit

1 Oorzaak criminaliteit = op individueel niveau= de mate van socialisme
op maatschappelijk niveau= de invloed van maatschapelijke omstandigheden
2 Oorzaak criminaliteit = 1. Maatschappelijke en sociale achterstanden. ( vertrouwen in de samenleving is klein, ze voelen zich niet meer geroepen en gaan het verkeerde pad op.)
2. Drugsgebruik.
3. Normen en waarden. ( deze zijn vervaagd)
4. Sociale controle. (mensen worden lakser, bijv, als er winkeldiefstal is en een klant ziet dan, dan zou hij nu niets meer zeggen.)
5. De pakkans is afgenomen. ( je word minder snel gesnapt.)
Socialisatie = het proces waarbij normen, waarden en andere kenmerken van een cultuur
worden aangeleerd.
Socialiserende instituties = school, het gezin, leeftijdsgenoten

Verklaringen criminaliteit

Biologische theorieën -> Lombroso = kijken of crimineel gedrag erfelijk is.
Psychologische theorieën -> Sutherland = kijken of crimineel gedrag aangeleerd is.
Sociologische theorieën -> 1. De anomietheorie -> Merton. (proberen mensen hun levensdoelen te bereiken d.m.v criminaliteit ->
2. De bindingstheorie -> Hirschi. (sociale bindingen zouden mensen
tgenhouden om criminaliteit uit te voeren

Paragraaf 3

Bestrijding van de criminaliteit

Rechtstaat = de rechten en plichten van de burgers en van de overheid vastgelegd in de grondwet/ een staat waarin de overheid is gebonden aan wettelijke regels en waarin de bevolking beschikt over politieke en sociale rechten.
geweldsmonopolie = de staat zorgt ervoor dat iedereen zich aan de wet houd, zelfs met geweld
UVRM = Universele verklaring van de rechten van de mens -> 1948.
niet discrimineren, martelen, niet gevangen zetten, iedereen heeft recht op een eerlijk proces, vrijheid van meningsuiting, ( staat ook in de grondwet)
legaliteitsbeginsel = je mag alleen veroordeeld worden voor iets dat strafbaar is volgens de wet je mag maar 1 keer veroordeeld worden voor een strafbaar feit goede uitleg aan de rechter de verdachte is onschuldig tot hij schuldig word bevonden.
Wetgeving = wetten die verhoudingen regelen tussen burgers
Rechtshandhaving = de overheid moet optreden tegen diegene die strafbaar zijn.
2-sporenbeleid = 1. Preventieve maatregelen. Word gebruikt bij veelvoorkomende criminaliteit. Preventief -> voorkomen. Ze proberen dus criminaliteit te voorkomen.
2. repressieve maatregelen. Word gebruikt bij zware, georganiseerde misdaad. Hogere straffen is een voorbeeld.
Procedure = (bij opsporing, berechting en vervolging van verdachte, de regels die in het Wetboek van strafrecht en het wetboek van strafvordering staan.)
Procedure:
1. Informatie verzamelen over het strafbaar feit. De verdachte/getuigen worden verhoord en men vormt een idee over wat er precies is gebeurt. Dit wordt opgeschreven in het proces-verbaal.
2. Opsporingsonderzoek. Nadat de politie het proces-verbaal aan de
Officier van justitie geeft, begint er een opsporingsonderzoek.
Men gaat nog een keer de bewijzen af, en praat nog een keer met de verdachte, en zo gaat men kijken of de zaak zwaar genoeg is om is de rechtszaak te worden behandeld.
3. Hierna volgt de rechtszaak, wanneer de zaak zwaar genoeg is, en genoeg
bewijzen heeft. Wanneer de verdachte schuldig is kan de rechter een straf opleggen.
Taken politie = 1. Hulpverlening. ( kat uit de boom halen, kinderen bij ouders brengen)
2. Handhaven van de openbare orde. ( verkeer regelen, bemiddelen)
3. Opsporingstaak. ( voorkomen strafbare feiten, opsporen verdachten)
Verdachte = als er een redelijk vermoeden is dat de persoon zich strafbaar heeft gemaakt aan een strafbaar feit.. Bijvoorbeeld door middel van betrapping en aangifte. Pas als er verdenkingen, bewijzen of getuigenverklaringen zijn kan de politie in actie komen, en informatie zoeken naar dit strafbaar feit
Basisrecht = Een verdachte hoeft niet mee te werken aan zijn vervolging. Wanneer hij liegt is dat niet strafbaar.
Dwangmiddelen = 1. Staande houden. (iemand vasthouden om te vragen naar zijn I.D.
2. Aanhouden.
3. Fouilleren. (De kleding en het lichaam mag worden onderzocht.)
4. Vrijheidsbeneming. (de politie mag iemand vasthouden als het denkt
dat dat het belang is voor het onderzoek. Daarna kan hij, met toestemming van de rechter-commissaris naar het huis van bewaring worden gebracht. Deze periode mag max. 3 maanden duren.
5. Huiszoeking. (Een woning binnen gaan. Dit mag alleen met een
Machtiging tot binnetreding, toegewezen door de officier van Justitie.)
6. inslagneming.

Paragraaf 4

Officier van justitie

Taken = de officier van justitie is de openbare aanklager, hij zoekt nml namens de
Samenleving bewijzen tegen de verdachte en wil hem een straf geven. Zijn taken zijn:
-> Hij leidt het opsporingonderzoek
-> Brengt verdachten naar de rechter
-> Eist een straf binnen een rechtszaak
-> Is verantwoordelijk voor de uitvoering van de straf
Openbaar ministerie = alle officieren van justitie bij elkaar. De leider is de minister van justitie.
Seponeren = Wanneer een dossier ( na het opsporingsonderzoek) klaar is heeft de Officier van Justitie 3 keuzes:
1. Seponeren. (niet worden vervolgd. Dit gebeurt wanneer er te weinig bewijs is, als de verdachte al genoeg is gestraft of wanneer het over een kleine daad gaat. Bij een voorwaardelijk sepot heeft de verdachte toch een beetje straf. Bijvoorbeeld; een Junk moet afkikken.)
2. Een transactievoorstel aanbieden. (Bijvoorbeeld een schikking of een voortijdige afdoening. Dit doet een rechter vaak met overtredingen of lichte misdrijven. Dit scheelt papierwerk.
3. Vervolgen. (er komt een rechtszaak.)
Georganiseerde misdaad = Er wordt op een hele goede en veilige manier misdaad uitgevoerd.
Reactie overheid = de reactie van de overheid op georganiseerde misdaad -> uitbereiding opsporingsonderzoek.
-> Meer gebruik van richtmicrofoons
-> Infiltranten. (mensen die zeg maar undercover gaan)
-> Gecontroleerde doorvoer. (Bijvoorbeeld bij drugshoeveelheid)
-> Informanten. (Leden van de misdaadpolitie, die geld krijgen van de politie om zo aan informatie te komen.)
-> Inkijkoperaties. (Een gebouw binnen glippen, undercover, om te kijken of daar iets plaatsvindt.
-> Kroongetuigen. (wanneer een verdachte een verklaring legt tegen iemand die beschuldigd word van een groter strafbaar feit. Dit kan hem strafvermindering geven.

Paragraaf 5

De rechtszaak

Trias politica = De rechtspraak is volgens de rechterlijke macht. Een rechter is dus onafhankelijk, wat betekent dat ze niemand mogen veroordelen.
Er zijn verschillende redenen waarom een rechter onafhankelijk is:
-> Een rechter is voor het leven benoemd, hij kan dus niet ontslagen worden.
-> Het salaris van de rechter staat vast. Dit is omdat men dan ook geen invloed kan uitoefenen op het salaris.
-> Het aantal rechter staat in elke rechtszaak vast.
Gerechtssecretarissen = Griffiers
3 Soorten rechtbanken = 1. Arrondissementsrechtbanken. (laagste rechtscollege, heeft verschillende rechters: De politierechter, kinderrechter, kantonrechter (overtredingen), de meervoudige strafkamer.)
2. Gerechtshof. (Hogere rechtbank, rechtspraak op hoge beroep.)
3. Hoge raad. (Het hoogste rechtscollege, controleert of de uitspraak klopt, verdachte of aanklagers die het niet eens zijn met de straf kunnen hier heen.
Cassatie = vernietiging vonnis.
Rechtshulp = De verdachte heeft als hulp: Een advocaat, bureau van rechtshulp, rechts-wetwinkel.

Verloop rechtszaak

1. Dagvaarding (wat word de verdachte verweten)
2. De verdachte zoekt een advocaat/soms ook niet.
3. De opening van de rechtszaak. De rechter verteld gegevens over de verdachte, en legt de regels uit.
4. De aanklacht. De officier van Justitie doet dit.
5. Het onderzoek. Men gaat getuigen naar buiten halen. De rechter doet dit
6. Verhoor van de verdachte. Hij hoeft de waarheid niet te vertellen.
7. Requisitoir. Dit doet de Officier van Justitie. Hij vertelt een verhaal, waarin bewezen word dat de verdachte schuldig is.
8. Pleidooi. De advocaat doet dit, en verdedigt hierin de verdachte.
9. Laatste woord. De verdachte krijgt de kans om nog iets te zeggen
10. Vonnis. De rechter doet dit.

Paragraaf 6

Straffen

Waarom straffen-> = Vergelding. (Principes, wie iets doet, moet boeten.)
Afschrikking van de dader. (Zorgen dat zoiets niet vaker gebeurd)
Afschrikking van de samenleving (preventief dat mensen het niet doen.)
Voorkomen van eigenrichting. (mensen moeten duidelijke afspraken hebben)
Verbetering van de dader. (hem laten zien dat hij beter kan.)
Beveiliging van de samenleving. (als je vast zit kan niets kwaads doen)
Resocialisatie = Een straf moest uit zijn op de verbetering ven heropvoeding van de dader.
Soorten straffen = 1. Geldboete
2. Vrijheidsstraf
3. Alternatieve straf

Paragraaf 7

Burgerlijk recht / privaat recht

Eiser = men vraagt iets.
Gedaagde = van hem word iets gevraagd.
Verweer = reactie verdachte
Voorlopig oordeel = voorlopige straf

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.