Inleiding 

Overal waar mensen samenleven,  moeten keuzes en afspraken worden gemaakt. Het nemen van besluiten hiervoor  gebeurt in de politiek.  Politiek is het maken van keuzes en het nemen van besluiten zodat een land, provincie of een gemeente bestuurd wordt.

In de politiek worden de besluiten genomen door politici ( mensen die van politiek hun beroep hebben gemaakt ). Ze worden geholpen door ambtenaren ( mensen die werken bij de overheid). De overheid bestaat uit politici en ambtenaren. 

De overheid bemoeit zich met dingen die van algemeen belang zijn ( belangrijk voor iedereen ) :

Goede onderwijs 

Zorgen voor orde en veiligheid

Aanleggen van wegen

Goede gezondheidzorg voor iedereen

Zorgen voor vrede, zodat je zonder angst voor oorlog kunt leven 

Om ervoor te zorgen dat de overheid hun alle taken kan uit voeren, heeft de overheid  geld nodig. Daarom betalen alle burgers in dit land  belasting aan de overheid. Als dat niet genoeg is, dan  gaat de belasting omhoog, geld lenen aan de banken of gaan ze minder geld uit geven ( bezuinigen )

Nederland is een democratie land. Dat wil zeggen dat het volk de macht heeft. Maar dat beteken niet dat de volk voor elke wetvoorstel gaat voor stemmen. daarom is Nederland geen directe democratie(referendum) . Maar  we kiezen volksvertegenwoordigers/politieke partijen  die namens ons besluit nemen en stemmen over wetvoorstelling. Daarom zeggen we dat  Nederland indirecte democratie heeft.

a

Als je niet met de politicus oneens bent kan je zelfs lid worden 

2 maatschappijleer

links politici willen zich actief bemoeien met de bevolking. om de zwakkeren, mensen die weinig hebben helpen. vb. van links politici zijn SP, GroenLinks, D66

standpunten van links politici:

  • rijken mensen en bedrijven meer belasten.
  • goede uitkering voor mensen die weinig hebben.
  • het milieu beschermen
  • goede sociale zekerheid 

rechts politici vinden dat hun eigen verantwoordelijkheid hebben.de overheid zorgt ervoor dat je kan doen wat je wilt niet daarbij helpen.

standpunten van rechts politici:

  • de rol van de overheid is beperkt tot veiligheid en vrijheid.
  • in de samenleving moet voor zich zorgen.
  • de overheid moet zich niet teveel met de burgers bemoeien.

midden politici vinden dat mensen die het moeilijk hebben vooral geholpen moeten worden door andere mensen en organisaties, zoals voedselbank en de kinderbescherming.de overheid moet deze hulporganisaties met geld ondersteunen.

verkiezingen worden elke paar jaar gehouden. dan mag je stemmen op welken partij je wilt ( actief kiesrecht: de vrijheid om te stemmen). je moet 18 jaar zijn en Nederlands paspoort hebben. elke Nederlander mag verkiesbaar stellen ( passief recht). hiervoor richt je eigen politieke partij op ( vanaf 16 jaar).

je ziet vaak de lijsttrekker van een politieke partij, op straat hangen posters. bij lijsttrekker is het belangrijk om de stemmer te overtuigen waarom ze op jouw partij moeten stemmen.

elke vier jaar kiezen we Tweede Kamer. nadat de Tweede kamer is gekozen worden, gaan de grootste partijen het land besturen. daarna komen ze met plannen van de komende jaren en op zoek naar geschikte ministers voor die planen.

het kan niet zo zijn dat een politieke partij alleen de land bestuurd. daarom zijn er altijd twee of meer minister om een regering te vormen. samen moeten ze rekening houden met elkaars standpunten ( compromissen)

3.3

er zijn drie stromingen in Nederlandse politiek. meer over hier bron 6

  • liberalen voor:  economische vrijheid, persoonlijke vrijheid, alleen zorgen voor veiligheid en minder belasting voor de rijken. waarde vrijheid.
  • sociale-democratie voor: gelijkwaardigheid, rijken meer belasten, sociale zekerheid en minder inkomen verschil. waarde gelijkheid.
  • christendemocratie voor: laten zich leiden door hun geloof, naastenliefde en samen voor de zwakkeren te helpen. waarde geloof.

niet alle partijen horen bij een van deze drie stromingen. het kan zijn dat ze iets van die drie stromingen hebben. one-issuepartijen horen helemaal nergens bij (PvdD). ze hebben een politieke onderwerp.

3.4

in de grondwet staan alle belangrijke rechten en plichten. het macht van de overheid is gebaseerd op grondwet.

v.b van rechten en plichten in de grondwet :

  • het rechte op vrije meningsuiting.
  • het recht om te stemmen.
  • het rechte op persvrijheid.
  • de plicht om belasting te betalen.
  • de plicht om naar school te gaan.
  • de plicht om je ID-bewijs bij je te hebben.

deze rechten noem je grondrechten of mensenrechten.

wat mag de overheid wel of niet.

de overheid in Nederland heeft macht,  je kan voor sommigen dingen naar de gevangenis. zodat de overheid niet te veel macht krijgt, staat er in de grondwet een duidelijke taakverdeling:

  • Eerste en Tweede kamer beslissen over alle wetvoorstellen
  • de ministers voeren de wetten uit.
  • de rechters oordelen en controleren in een rechtszaken of  het volgens de wet gedragen.

deze drie verdeling noem je een trias politica, dat voorkomt dat nooit een persoon of groep alle macht hebben. in een land waar de rechten en plichten van de mensen en de overheid zijn vastgelegd noem je een rechtstaat.

als regels niet meer werken of verouderen, kan je ze afschaffen of toepassen,  

3.5

de regering bestaat uit ministers en de koning(in). de regering is het dagelijkse bestuur van ons land. de koning is ons staatshoofd. de minister hebben in de praktijk veel meer macht dan de staatshoofd.

wat de regering doen.

  • uitvoeren van allerlei plannen
  • besluiten nemen over de problemen die niet in het regeerakkoord(in regeerakkoord schrijft de regering belangrijke afspraken) staan.

elke minister:

  • houdt  zich bezig met een deel van onze samenleving. vb landbouw, onderwijs, economie enz.
  •   een minister heeft eigen ministerie waar duizenden ambtenaren voor hem werken.
  • een minister heeft een of twee staatssecretarissen (onderminister) onder zich.

elke minister:

  • houdt  zich bezig met een deel van onze samenleving. vb landbouw, onderwijs, economie enz.
  •   een minister heeft eigen ministerie waar duizenden ambtenaren voor hem werken.
  • een minister heeft een of twee staatssecretarissen (onderminister) onder zich.

alle ministers en hun staatssecretarissen samen noemen we het kabinet. de leider van het kabinet en voorzitter als se minister vergaderen noem je een minister-president.

alle minister komen iedere vrijdag bij elkaar in de ministerraad en moeten veel samenwerken over een probleem. als ze het eens zijn over  de juiste aanpak van een probleem , dan stellen zij een wet voor, pas nadat dit wetvoorstel goedgekeurd door de eerste en tweede kamer kan de regering de wet uitvoeren.

onze koning is officieel in de regering, maar heeft weinig macht en mag geen mening geven in het openbaar over politieke kwesties. taken van de koning als staatshoofd zijn:

  • een handtekening zetten onder alle wetten.
  • de troonrede voorlezen op de prinsjesdag.
  • overleg voeren met de minister-president.
  • ons land vertegenwoordigen in het buitenland.
  • na de tweede Kamerverkiezing helpen met de vorming van de nieuwe regering.
  •  werkbezoeken aan scholen, ziekenhuizen, bedrijven enz.

op Prinsjesdag derde dinsdag van september gaat de koning met de gouden  koets naar ridderzaal . daar leest hij de troonrede. diezelfde middag opent de minister van financiën in de tweede kamer het koffer met de miljoenennota. het is een soort nationale begroting met de inkomen en de uitgaven van ons land.

3.6

het parlement of volksvertegenwoordigers bestaan uit 1e kamer(75 leden) en 2de kamer(150 leden). ze zijn door de bevolking gekozen. maar 1ste kamer wordt indirect gekozen via de verkiezingen voor de provincie. Tweede kamer behandelt als eerste elke wetvoorstel en mag hierin dingen veranderen en zelfs het voorstel afwijzen. in de tweede kamer vind debatten met de minister van de regering plaats.

de eerste kamer mogen ze een wetvoorstel niet veranderen maar allen goed- of afkeuren. ze kijken vooral of er geen fouten in het wetvoorstel staan en of de wet wel goed uitvoerbaar is. meer bron 13

hoofdtaken van de parlement:

  • controle van de ministers. in de tweede kamer wordt besproken wat de minister gedaan hebben en nog moeten doen.
  • mede wetgeving. minister en hun ambtenaren maken samen een wetvoorstel. daarna gaan de 1ste en 2de kamer stemmen over de  wetvoorstel.

rechten van Kamerleden.

  • het vragenrecht ( vragen stellen of brief schrijven aan de ministers)
  • het recht van interpellatie, ( spoeddebat houden voor een minister om iets uit te leggen)
  • het stem recht. stemmen over alle wetvoorstellen.
  • het recht van amendement ( delen van een wetvoorstel veranderen)
  • het recht van initiatief ( een wetvoorstelling maken).
  • het motierecht. mening geven over een verzoek van een minister.

coalitie en oppositie

coalitie zijn de partijen die samen een regering vormen. de regeringspartijen hebben samen de meeste zetels in de tweede kamer. de andere partijen inde tweede kamer vormen oppositie partijen. ze hebben andere ideeën over het bestuur van het land, daarom stemmen ze tegen de regering .

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.