Paragraaf 17

In 16e eeuw verloor de Kerk een deel van zijn macht:
· door ontstaan wereldwijd handelsverkeer na de ontdekkingsreizen;
· door godsdienstige twisten:
- 1519: Luther brak met Rome;
- 1534: anglicaanse Kerk scheidde zich af;
- 1541: hervorming van Calvijn in Zwitserland.
· Er vonden diverse godsdienstoorlogen plaats die uiteindelijk ook leidden tot burgeroorlogen: Dertigjarige Oorlog (1618 – 1648)
In tweede helft 17e eeuw:
· werd het rustiger in de Europese landen;


· ontstond er een ‘absolute monarchie’: staatsstelsel waarin de koning de volledige macht bezat en alleen de verantwoording op God aflegde.
Het bestuur in Nederland vanaf de 16e eeuw tot en met de 17e eeuw:
· Rond 1500: Nederlandse gewesten in bezit van Karel V:
- geen echte eenheid: provincies waren zelfstandig.
· 1556: Filips II aan de macht:
- probeerde gewestelijke autonomie aan banden te leggen;
- trad feller op tegen ketters (protestanten);
- 1587: noordelijke gewesten riepen Republiek der Verenigde Nederlanden uit
· machtisgste man in Staten-Generaal (vertegenwoordigers in Den Haag) was
landsadvocaat (raadpensionaris)van Holland: Johan v Oldenbarnevelt en Johan de Witt.
· Stadhouder: een door de koning over elke provincie aangestelde bestuurder:
- Willem van Oranje;


- zijn drie zoons Maurits en Frederik Hendrik.
Verschillende meningen:
· Stadhouders: centraal geregeerde staat;
· Raadpensionarissen: gewestelijke autonomie.
Paragraaf 18
Renaissance = nieuwe cultuurbeweging (humanisten): onderzoeken hoe de mens in elkaar zit en de klassieke cultuur.
De theocentrische opvattingen (vanuit God) veranderde in antropocentrische opvattingen (vanuit de mens)
Individualisme:
· De mens werd niet langer gezien als een wezen dat in de eerste plaats deel uitmaakte van een groter geheel (dorp, Kerk);
· De mens werd gezien als een unieke, individuele persoonlijkheid;
· De mens was in staat om eigen dingen te doen;
· Dat niet dankzij de gemeenschap waarin hij leefde, maar dankzij zijn eigen verstand en wilskracht;
· Voortaan signeerde kunstenaars en schrijvers;
· Kunstenaars maakten zelfportretten;
· Schrijvers schreven over eigen persoonlijke omstandigheden.
Homo universalis = mens die op alle gebieden van de menselijke cultuur uitblonk.
Leonardo da Vinci (homo universalis):
· Schilder Mona Lisa;
· Achitect en beeldhouwer;
· Bracht vernieuwingen aan in enkele muziekinstrumenten;
· Beoefende diverse literaire (proza)genres;
· Wetenschapsman: secties uitvoeren op lijken;
Empirisme = mensen wilden zelf onderzoeken hoe de wereld in elkaar zit.

Paragraaf 20

Beeldende kunst in de Renaissance:
· Realisme: anatomie van de mens en de studie van het perspectief;
· Estheticisme: het gaat vooral om de vorm (symmetrie) en de inhoud;
· Classicisme: mythologie, het Latijn en het gebruik van zuilen in de bouwkunst.
Italiaanse Renaissance-schilders:
· Sandro Botticelli
· Leonardo da Vinci
· Rafaël Santi
· Titiaan
Voornaamste muzikale genres in de Renaissance:
· De mis;
· Het motet: eerst eenstemmig a capella, later meerstemmig;
· Het lied: eerst eenstemmig met instrumentale begeleiding, later meerstemmig.
Polyfoon = men speelde/zong verschillende melodieën tegelijk, die bijvoorbeeld elkaars spiegelbeeld of tegengestelde waren.
Bekende componisten:
· Henegouwer Josquin des Prés
· Giovanni Pierluigi da Palestrina

Paragraaf 21

Onderscheidingen klassieke- en eigen literatuur:
· Translatio: het vertalingen uit Grieks en Latijn.
· Imitatio: het nadoen of imiteren, vaak ook namen ‘verlatijniseren’.
· Aemulatio: het verbeteren
Purisme = men probeerde Latijnse woorden te vervangen door nieuw bedachte woorden in de landstaal (neologismen) à Simon Stevin (waterbouwkundige)
Epigram/puntdicht = kort gedicht van meestal twee of vier regels met een grappige inhoud en een verrassend slot. Dit genre is voortgekomen uit opschriften op monumenten uit de Oudheid.
Epigramschrijver: Constantijn Huygens
De aemulatio (ontwikkeling van nieuwe genres):
· Aforisme/spreuk: korte, krachtige zin waarin een levensles wordt gegeven
· Essay: korte prozatekst waarin de auteur zijn persoonlijke mening over het onderwerp geeft
· Sonnet: lyrisch gedicht dat bestaat uit 2x4 regels en 2x3 regels en is opgebouwd uit twee gedachten:
- octaaf (2x4): beschrijving werkelijkheid
- volta: overgang tussen octaaf en sextet
- sextet (2x3): beschrijving gevoel
Hoofdkenmerken van Renaissance-kunst:
· Classicisme
· Realisme: Het verhaal moest waarschijnlijk zijn (het moest in echt kunnen gebeuren)
· Estheticisme: Grote nadruk op regelgeving. Het literair werk moest aan bepaalde eisen voldoen
- Taal moest verfijnd zijn;
- taal moest elegant zijn.
Nederlandse taal:
· Amsterdam: Bredero, Hooft en Vondel;
· Den Haag: Huygens

Paragraaf 26

Joost van den Vondel was een literaire schrijver uit Keulen die in Amsterdam woonde.
Hij beoefende:
· Hekeldichten: gedicht waarin iets fel aangevallen wordt (is net zo iets als een satire)
Joost van Vondel schreef vooral over politieke en religieuze twisten;
· Klaagzangen: liederen over zijn persoonlijke omstandigheden.
· Tragedies: Gijsbrecht van Aemstel (een vergelijkbaar troje)
De stadhouder Maurits (streng protestant) en Johan van Oldenbarneveld (raadspensionaris) hadden een strijd en Joost van den Vondel schreef daar hekeldicht(en) over. Joost van den Vondel stond aan de kant van Oldenbarneveld, maar van Oldenbarneveld werd in 1619 onthoofd.

Paragraaf 27

Homerus begon in de 8e eeuw voor Christus met de Griekse literatuur:
· Ilias;
· Odyssee.
Schrijvers in de 4e en 5e eeuw voor Christus:
· Socratus: mensen moeten zelfstandig denken
· Plato: kijk onder het oppervlak van de wereld.
· Aristoteles: Universeel geleerde en leerling van Plato
Stoïcisme = de mens mag zich niet laten meeslepen door emoties. Dit had vooral invloed op Hooft en het ontstond in de 3e eeuw voor Christus.
Aristoteles:
· Klassieke tragedie: de ondergang van een hooggeplaatst persoon, omdat hij in zijn overmoed de grenzen heeft overschreden van wat een mens geoorloofd is.
Klassieke tragedie wordt gekenmerkt door:
· Intrige: in het toneel de naam voor het tweede bedrijf, waarin de verwikkelingen op gang komen en de spanning wordt opgewekt;
· Eenheid van plaats (decor), van handeling (5 bedrijven) en van tijd (maximaal 24 uur)
· Na vier bedrijven: koor (de rei)
· Na vijfde bedrijf: ‘Deux ex machina’ (oplossing uit de hemel)
Bekende toneelschrijvers uit Rome:
· Vergilius: Aeneïs (toneelstuk)
· Horatius: Literatuur moet mooi en nuttig zijn
· Ovidius: metamorphoses (gedaanteveranderingen), reeks verhalen over de Griekse mythologie

Paragraaf 28

Zuivere Renaissance-schrijvers uit Italië:
· Francesco Petrarca: dichter-humanist
· Giovanni Boccaccio: prozaschrijver
Schrijvers uit Engeland en Frankrijk:
· Michel de Montange: schrijver prozagenre van het essay
· Tomas More: porzaschrijver en staatsman. Werd onthoofd vanwege zijn verzet tegen de oprichting van de anglicaanse Kerk. Hij beschreef de ideale maatschappij.
Schrijvers uit de literaire barok:
· Miguel de Cervantes Saavedra (Spanje) schreef tweedelige roman ‘De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha;
· William Shakespeare: grootste toneelschrijver uit de hele wereldliteratuur. Hij is een overgangsfiguur tussen Renaissance en barok. Tot zijn beste stukken horen de tragedies:
- Romeo and Juliet
- The merchant of Venice
- Julius Caesar
- Hamlet
- Othello
- Macbeth
- King Lear
Shakespeare-sonnet = type van een gedicht:
· De bouw is niet 4-4-3-3, maar 4-4-4-2
Classicisme in Frankrijk = een aparte stroming binnen de Franse literatuur uit de tweede helft van de 17e eeuw. De groep schrijvers hadden als reactie op de barok de eis gesteld van een heldere, duidelijke, ordelijke kunst.
Nicolas Boileau was iemand met deze classicistische opvattingen en schreef dat in het leerdicht L’art poétique. Hierin stelde hij de regels op waaraan een literair werk volgens hem aan moest voldoen en die voor een groot deel ontleend waren aan de grote schrijvers uit de Oudheid.
Tragikomedie werd verboden, omdat daarin twee genres door elkaar lopen, de rei verdween uit de tragedie omdat dit een lyrische inlas is in een dramatisch werk.
Bekende toneelschrijvers classicisme:
· Pierre Corneille: La Fontaine
· Jean de la Fontaine : Fables
· Molière L’avare
· Jean Racine : tragedies
· Charles Perrault : Contes de ma Mère l’Oye

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

te hip

11 jaar geleden