Letterkunde h1 t/m h4

Motivaties om te lezen:
- lezen om te ontspannen, om je in een andere wereld te verplaatsen en alles om je heen te vergeten
- lezen om informatie te krijgen, om kennis op te doen, om iets te leren
- lezen om kennis te maken met andere mensen, hun problemen, meningen en ideeën
- lezen om te genieten van een mooie, kunstige vorm, van het boek als kunstwerk
Literatuuropvatting: alle voorkeuren voor een boek die jij persoonlijk hebt, deze opvattingen liggen niet altijd vast, ze kunnen veranderen, doordat je interessen krijgt voor ander soort boeken.
Verzonnen gebeurtenissen: verhalen, romans & sommige gedichten.
Genres: tekstsoorten (er zijn erg veel verschillende tekstsoorten)
De verwachtingen va n een boek ontstaan door: titel, achterkanttekst & de omslag van het boek.

Open plekken: plekken in het verhaal die vragen oproepen, open plekken sturen de lezer. Door open plekken krijgt de lezer de noodzakelijke achtergrondinformatie over gebeurtenissen of personen.
Open plekken kunnen op verschillende manieren door de lezer worden ingevuld:
- ze worden vrij snel ingevuld
- ze worden na lange tijd (halverwege of aan het slot) ingevuld
- soms worden ze helemaal niet ingevuld (open einde)
Het manipuleren van de schrijver:
- Er ontstaat spanning door het achterhouden van informatie, door de tijd tussen vraag en antwoord te verlengen.
- Het wekken van vermoedens & dwaalsporen worden vaak gebruikt.
Manipulatietechnieken:
- een vooruitgang inlassen ( er staat iets te gebeuren maar er wordt verteld wat er verderop in het verhaal gebeurt)
- vertraging ( je bent op het punt gekomen wanneer er antwoord op je vraag komt maar er worden eerst allerlei andere dingen verteld)
- op een andere verhaallijn overschakelen (net wanneer je denk dat je je antwoord zult krijgen schakelt het verhaal zich over naar een andere gebeurtenis)
Spanningsboog: de tijd die verloopt tussen de vraag en het antwoordt van de open plekken, een spanningsboog begint bij het oproepen van een vraag en eindigt bij het geven van het antwoord.

Non-fictie: teksten die gaan over de werkelijkheid ( studieboeken, kranten, artikelen in tijdschriften)
Fictie: teksten die niet waar gebeurt zijn, de schrijver heeft ze bedacht (romans, stripverhalen enz.)
Autobiografie: het eigen leven beschrijven, eigen belevenissen en ervaringen in een verhaal betrekken
Proza: teksten waarin een verhaal verteld wordt zoals:
- romans (een roman heeft meestal ong. 100 blz. en beschrijft vrij uitgebreid de lotgevallen van het hoofdpersonage. Ook de gedachten en gevoelens worden erg uitgebreid beschreven.
- Novelle (korter dan een roman 80-100 blz. hoofdpersonage wordt beperkt uitgewerkt minder bijfiguren en gebeurtenissen.
- Kort verhaal (bestaat uit niet meer dan 30 blz. en is meestal beperkt tot 1 enkele gebeurtenis. Niet een grote uitwerking van gebeurtenissen en er is vaak maar 1 bijfiguur.
Poëzie (deze soort is meteen te herkennen aan de hoeveelheid wit op de blz. De regels zijn niet volgemaakt en vaak ongelijk van lengte:
- gedichtjes (ideeën, gevoelens of situaties)
- liedjes (songteksten)
Toneel: het opvoeren van een spel, voor toneel ga je naar de schouwburg of het theater. Bij toneel spelen de relaties tussen personages een grote rol.
Lectuur (fictionele tekst van lage kwaliteit):
- liefdesromans
- dokters-, adel-, of kasteelromans
- detective-, western-, oorlogs-, seks-, en sciencefictionromans
- pocketboekjes
Verschil lectuur en literature:
- schrijvers van lectuur willen geen kunst maken, ze zijn niet artistiek gericht, en zijn alleen voor de ontspanning
- schrijvers van literatuur willen kunst maken en passen zich nauwelijks aan aan de smaak van de schrijver of aan de mode. Ze willen meer bieden dan ontspanning bijv. je aan het denken zetten.
Het 2e verschil heeft met de erkenning te maken die een tekst krijgt van de literaire recensenten (professionele lezers) zij hebben lezen en het beoordelen ervan tot hun beroep gemaakt. Zij bepalen het verschil tussen lectuur en literatuur.
In de 3e plaats: bij uitgeverijen wordt het verschil tussen literatuur en lectuur d.M.V een schifting gemaakt.7
In de 4e plaats heeft het verschil van lectuur en literatuur te maken met de kwaliteit van de tekst. Literatuur heeft inhoudelijk meer diepgang, is in een betere stijl geschreven, heeft een goede bouw, geen voorspelbare personages en geen vaste rolpatronen.
Lectuur is altijd hetzelfde geschreven volgens dezelfde opzet, de lezer weet wat hij kan verwachten.

Hoofdpersoon: het allerbelangrijkste figuur in de tekst, wil iets bereiken. Hij streeft een bepaald doel na.
Helper: de helper is het bijfiguur die de hoofdpersoon helpt bij het bereiken van zijn doel, er kunnen meerdere zijn.
Tegenstander: is een bijfiguur die de hoofdpersoon dwarszit bij het bereiken van zijn doel. Er kunnen er meerdere zijn.
Drijfveren: waarom iemand iets doet of juist niet doet
Normen en waarden van personages (leefregels)

Verhalende tekst: een tekst waarin en verhaal wordt verteld
Chronologisch: in de juiste tijdsvolgorde (fabel chronologisch geordende geschiedenis)
Het nut van kunstgrepen:
- het verhaal spannender te maken
- de lezer actiever bij het verhaal te betrekken
- je nieuwsgierig maken
- de thematiek verduidelijken
- het verhaal boeiender en interessanter maken
- bijv het verstoren van de chronologie
Sujet: de volgorde van de gebeurtenissen in het verhaal
Flashbacks: terugblikken naar vroeger in het verhaal
Als je een serie gebeurtenissen beschrijft en alle details weglaat krijg je de verhaallijn
Losse structuur: zijlijntjes of details die vulling aan het verhaal geven
Hechte structuur: alles wat er gebeurd hangt samen.
Het nut van flashbacks:
- achtergrondinformatie geven
- duidelijk maken hoe moeilijk het voor het personage is om los te komen van het verleden
- door de structuur van het verhaal te laten zien

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.