Samenvatting Literatuur hoofdstuk 1: De Middeleeuwen
paragraaf 3: Historische achtergrond 500-1500
Bestuur:
- eerste eeuwen jaartelling West-Europa - West-Romeinse Rijk
- 3e en 4e eeuw verval keizerrijk; Germaanse koninkrijkjes aan noordgrens: o.a. de Franken
- Franken woonden oorspronkelijk tussen Maas en Rijn
- Frankische Rijk was in tijd van K. de Grote zo groot als het West-Romeinse Rijk; vaan Spanje tot Polen en van Italië tot de Noordzee
- Gebied (Frankische Rijk) werd bestuurd door feodale stelsel/leenstelsel :


- Koning, leenheer, gaf grote delen rijk aan de adel, leenmannen. Die mochten de opbrengsten houden in ruil voor trouw en het verdedigen van het rijk.
- Frankische Rijk was dus geen centraal geregeerde staat.
- Na dood van K. de Grote splitsing in west en oost.
- Oost: kleine vorstendommen: eind 19e eeuw werd het centraal Duitsland.
- West: in 12e eeuw ontwikkeling tot Frankrijk.
- Nl en België => diverse graafschappen. Karel 5 => Duits => heer Nl gewesten => 1500/1550
Cultuur:
Middeleeuwen 500-1500
3 perioden
Vroege Middeleeuwen 500-1000
- primitieve Germanen verslaan Romeinen
- bekering Franken tot Christendom (6e eeuw)
- Theocentrische cultuur: komt van het Griekse woord voor god.
- Eerste stand: geestelijken; tweede stand: Adel / ridderlijk karakter
Hoge Middeleeuwen 1000-1300


- eerste steden in West-Europa
Steden kregen tegen betaling een grote zelfstandigheid. Nieuwe 3e stand: de stedelijke burgerij die zich vooral met handel en nijverheid bezig hield. Men laat in deze periode de literatuurgeschiedenis beginnen.
Late Middeleeuwen 1300-1500
- machtige burgerij
- hoofdkenmerk in middeleeuwse cultuur: het burgerlijke
- leenstelsel verdwijnt => nationaal stelsel komt
paragraaf 4: Beeldende kunst en muziek
De middeleeuwse kunst was ook theocentrisch. Diende mensen te wijzen op goddelijkheid. Kunst bevat een les.
Bouwkunst:
Vele kathedralen: symbool verbondenheid met God.
Romaanse stijl: oudste kathedralen. 950-1200; kenmerkend zijn de ronde bogen en massieve muren met kleine vensters en zware steunmuren. Sober.
Gotische stijl: 1150-1500; hoge spitse bogen en gewelven, grote ramen en luchtbogen. In tegenstelling tot de Romaanse stijl veel decoratie i.d.v.v beeldhouwwerk.
Schilderkunst:
Romaanse schilderkunst: vooral wandschilderingen in kerken en miniaturen.
Gotische schilders: Bondone, van Eyck en Bosch.
Schilders uit Nederland: Vlaamse primitieven; onrealistische karakter van hun
schilderijen.
Naast het theocentrisme is het ridderlijke het 2e hoofdkenmerk.
In de loop van de 13e eeuw kreeg de kunst ook een burgerlijk karakter.
Middeleeuwse muziek: nauw verbonden met de Kerk en de literatuur. De officiële kerkmuziek was Gregoriaans; koor of solist zong eenstemmig zonder begeleiding.
Wereldlijke muziek: eenstemmig maar mét begleiding van bijvoorbeeld de luit, vedel of schalmei.
In loop van 13e eeuw: eerste meerstemmige liedjes. Vanaf 14e eeuw: componisten/ schrijvers zich organiseren in Gilden.Belangrijkste componist uit de H. Middeleeuwen: Machaut. Late Middeleeuwen: muziek beheerst door Ne. of Bourgondische scholen. Belangrijkste vertegenw. daarvan: H. Josquin des Prés.
Paragraaf 5
Literatuur
Tot einde elfde eeuw werd er alleen Latijns in west Europa geschreven. Einde elfde eeuw werden de teksten van volksverhalen opgeschreven in volkstaal. Daarom begon de West Europese literatuurgeschiedenis in 1100.
Literatuur 11e en 13e eeuw - theocentrisch en ridderlijk.
Literatuur eind 13e eeuw - steeds meer didactische literatuur.
Middeleeuwse letterkunde was bedoeld om te luisteren. De troubadours componeerden teksten en de jongleurs of minstrelen zongen ze. Daarom was alle literatuur poëzie.
1450 - uitvinding boekdrukkunst. Daarvoor werd alles met de hand geschreven door monniken. Oude verhalen die in poëzievorm stonden werden omgezet in proza en op de markt gebracht. De boeken die van 1450 tot 1500 gedrukt werden, werden wiegendrukken genoemd of incunabelen. Ze lijken nog veel op handschriften.
Taal:
Er was in de Middeleeuwen geen vaste eenheidstaal. Elke schrijver schreef in eigen dialect. Overkoepelende term voor de dialecten is Middelnederlands. Er was geen uniforme spelling.
Paragraaf 6 De ridderroman
Ridderromans waren populaire verhalen in de Middeleeuwen. Het waren verhalen die zich in adellijke kringen afspeelden. Het genre ontstond in Noord-Frankrijk tegen het einde van de elfde eeuw. Voorbeelden zijn het Roelantslied en Karel ende Elegast.
Zulke ridderromans worden ook wel Frankische romans genoemd of Karelromans. Dat kom omdat ze zich allemaal afspelen in de kringen rond Karel de Grote.
Karel ende Elegast:
Over hoe Karel de Grote op een nacht wakker wordt door een stem die hem uit naam van God verzoekt om uit stelen te gaan. Hij komt Elegast tegen die hij heeft verbannen. Elegast ontdekt dat Eggeric Karel de Grote wil vermoorden.. Ze houden een gevecht en Elegast wint. Dat betekent dat hij niet liegt.
Paragraaf 7: over Reynearde - gewoon doorlezen + lees eigen samenvatting
Paragraaf 8: Liederen in de Middeleeuwen
Een ballade is een lied waarin het verhaal sprongsgewijs wordt verteld. Alles wat vanzelfsprekend is wordt overgeslagen. Meestal een ernstige of sombere sfeer. Voorbeeld is het lied Heer Halewijn.
Een klaagzang of elegie gaat over de dood van een geliefd persoon. Meestal een gedicht waarin gevoelens van wanhoop worden uitgedrukt.
Voorbeeld is het Egidiuslied.
Paragraaf 10:
In de loop van de 11e eeuw was in Noord Europa de ridderroman en in zuid de liefdeslyriek. De oudste ridderromans zijn de chansons de geste ook wel liederen van heldendaden. De meeste romans beschrijven Karel de Grote als een goede leenheer die in conflict komt met een ontrouwe onderdaan.
Voorbeeld: chanson de Roland.
Provençaalse lyriek:
In Zuid-Frankrijk werd Occitaans gesproken. Vele hoofde liederen over hoofse liefde. Betekent letterlijk zoals aan het hof. Vaak over liefde tussen troubadour en kasteelvrouw.
In de 12e eeuw kamen de hoofse romans ook naar de rest van Europa. Daarom worden de chansons de geste ook wel voorhoofse romans genoemd. De ridderidealen zijn hulpvaardigheid, rechtvaardigheid en hoffelijkheid.
Drie typen hoofse romans:
- klassieke roman: oude Griekse en Romeinse verhalen in de middeleeuwse tijd verplaatst.
- Oosterse roman: onder invloed van kruistochten, over Arabieren die zich voor deden als Christenen.
- Keltische roman: Stof uit oude Keltische cultuur in verwerkt.
Bestond uit 3 groepen:
Tristan en Isolderomans: over verhouding, als de een dood gaat, de ander ook, naast kerk, struik over kerk.
Arthurromans: Over Arthur en de ronde tafel.
Graalromans: Over lid van de ronde tafel die de graal wil; bevat genezende werking. Ligt vaak in kasteel bewaakt door Graalridders
- In Italië had je de dolce stil nuovo, de liefelijke nieuwe stijl. Gaat over liefde met religieuze trekken. Grote vertegenwoordiger is Dante; een van de grootste dichters uit de Middeleeuwen. Belangrijk boek is la vita nuovo.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

Je hebt een beetje de onbelangrijke dingen te duidelijk uitgelegd; ik wilde weten wat nou precies het ridderlijke was en dat staat hier niet in, terwijl het wel in het boek vetgedrukt is.

8 jaar geleden

K.

K.

Dankjewel voor je samenvatting, ik had hem heel hard noiddig!

5 jaar geleden