Hoofdstuk 1, 3 en 4

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2195 woorden
  • 14 maart 2005
  • 22 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 22 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Hoofdstuk 1: Wat is literatuur?
* Lectuur: alles wat mensen lezen.
* Twee groepen: Fictionele en non-fictionele teksten.
* Non-fictionele: Onderwerpen die echt bestaan of gebeurtenissen die echt zijn voorgevallen. Vb.= gebruiksaanwijzing.
* Fictionele: Onderwerpen die de schrijver geheel of gedeeltelijk verzonnen heeft.
* Fictionele teksten is een synoniem voor literatuur. Literatuur is een verzameling voor allerlei teksten in verhaal-, dicht- of toneelvorm.
* Literatuur is helemaal of voor een deel verzonnen, maar verwijst tegelijkertijd naar de werkelijkheid. Vb. historische gebeurtenissen.

* Schrijver van literatuur niet gebonden aan feiten, waardoor hij de tekst mag aanpassen aan zijn doel met de tekst, als dat hem beter uitkomt.
* De schrijver kan de werkelijkheid weergeven zodat die net echt lijkt, maar kan ook een fantasiewereld zijn.
* Eerste werkelijkheid: Feiten (werkelijkheid). Vb. encyclopedie.
* Tweede werkelijkheid: werkelijkheid + eigen visie van de schrijver daarop. Vb. boek, gedicht, etc.
* Derde werkelijkheid: De werkelijkheid die de lezer uit het boek haalt.
* De schrijver kleurt de tekst met zijn persoonlijke ervaringen en opvattingen. Hierdoor bied de tekst de mogelijkheid tot identificatie.

2. Schrijver en lezer:
* Literatuur is een vorm van communicatie → Zender (schrijver)-medium (tekst)- ontvanger (lezer).
* Schrijver heeft niet meer fantasie als iemand die dat niet doet.
* Verschil is dat de schrijver vaste vorm geeft aan zijn gevoelens en gedachten d.m.v. een tekst.

* Schrijven moet ook geleerd worden – leren mensen geboeid te laten raken door een tekst.
* Schrijver – vanuit eigen wereld/lezer – persoonlijke wereld. Verschil in referentiekader. Dit komt bijv. door verschillen in opvoeding, karakter, etc.
* De schrijver schrijft dus vanuit zijn eigen referentiekader. Dit vormt de schrijverstekst.
* De lezer krijgt al lezend een persoonlijke opvatting over een tekst. Dit vormt de lezerstekst.
* Iedereen heeft andere opvatting – evenveel lezersteksten als lezers.

3. Literatuur en maatschappij:
* Teksten hebben verschillende doelen. Twee soorten zijn:
* Amuseren – mensen plezier laten beleven. Zo moeten ze de mensen afleiden van maatschappelijke problemen. (escapefunctie: de lezer tijdelijk laten ontsnappen.)
* Geëngageerd – persoonlijke manier maatschappelijke problemen bloot. Zo proberen ze kritische houding te bewerkstelligen t.o.v van de maatschappij.
* Met beide uitersten van deze soorten kan je de lezer voorbijschieten.
* Boeken kwamen op zwarte lijst – zouden slechte invloed hebben op mensen. Vb. De Duivelsverzen

4. Literatuur en kunst:
* Kunst roept bepaalde individuele reacties op: Persoonlijke gevoelens, herinneringen en herkenningen.
* Argumenten voor wat goede kunst is, zijn dan ook heel persoonlijk.
* Argumenten voor goede literaire tekst = argumenten voor goede kunst in het algemeen:
v Men vindt het werk mooi.
v Men vindt dat het werk de werkelijkheid goed weergeeft.
v Men vindt het werk knap gemaakt (technisch en ambachtelijk)
v Men waardeert de bedoeling van het werk.
v Men is het eens met de morele waarden van het werk.
* In kunst is een spanning tussen traditie en vernieuwing.
* Kunst is onderdeel van de maatschappij → kunst wordt beïnvloed door de
maatschappij en andersom.
* Er zit vaak tussen de verschillende kunstgenres een rode lijn.

5. Lezer en mening:
* Lezen doe je om verschillende redenen. Vb. uit nieuwsgierigheid.
* Als lezer identificeer je jezelf met de figuren uit de tekst → je doet hierdoor allerlei ervaringen op.
* Er zijn veel soorten leeservaring. Vb. lachen of ontroerd worden.
* De kracht van de fictionele teksten zit in de herkenning door de lezer: Bijv. van de aspecten van huneigen leven, zijn wensen of dromen, zen politieke of geloofsovertuiging, of zijn liefde voor man/vrouw, natuur, etc.
* Enkele criteria om een tekst wel of niet te waarderen zijn:
* Vinden dat een tekst mooi of lelijk is geschreven.
* Mening van de schrijver waarmee je het een of oneens bent.
* De wereld die het boek aangeeft, kan je aanspreken of niet.
* Je vindt dat een tekst wel of niet goed is opgebouwd. Etc. Etc.
* Ieder heeft dus een eigen visie op boeken. De één leest daarom graag sciencefiction, de ander leestliever reisverhalen of oorlogsboeken.

6. Literatuur met een grote L en een kleine l.
* Literatuur → taalkunst – goede(Literatuur) en slechte(literatuur).
* Of literatuur een grote L heeft bepaald de lezer zelf.
* De critici hebben een andere visie daarop als gewone lezers. Zij maken vaak uit wat tot de officiële literatuur behoort.
* Enkele redenen voor Literatuur voor jezelf zijn: een boek heeft je ontroerd, bij herlezing ontdek je iedere keer nieuwe dingen of een boek zet je een tijd aan het denken over een bepaald onderwerp.
* literatuur = Alle teksten die alleen dienen voor ontspanning, waar weinig van blijft hangen.
* De critici proberen wegwijs te maken in alle boeken en teksten – ze gebruiken persoonlijke criteria, maar ook enkele gemeenschappelijke punten:
¨ Werking: Een tekst stelt de lezer in staat iets meer te weten te komen over zichzelf, over de wereld, over het bestaan. Een tekst kan leiden tot identificatie of een escapefunctie hebben.
¨ Herkenbaarheid en nieuws: Een tekst biedt de lezer nieuwe aanknopingspunten: herkenning en nieuwe ervaringen.
¨ Kritische opstelling: De tekst stelt vooroordelen, de heersende moraal, etc. aan de kaak.
¨ Originaliteit: De tekst verrast de lezer. Ze heeft een verrassende verhaalloop, structuur, taalgebruik en beeldspraak.
¨ Eigen stijl: De schrijver heeft een eigen, herkenbare stijl. Die komt tot uiting in de tekst.
¨ Diepgravende thematiek: De tekst stelt belangrijke levensvragen en biedt de lezer kans hier antwoord op te vinden.
* Toch blijft de waardering een persoonlijke aangelegenheid.

Hoofdstuk 3: Proza

1. Inleiding
-Proza: verzamelnaam voor literaire teksten in verhaalvorm.
-Verhaal: een tekst over het gedrag en de belevenissen van een of meer hoofdpersonen op een bepaalde plaats en/of in een bepaalde tijd.
-Indeling verhalen: vorm, omvang, inhoud, schrijfstijl en de context waarin een verhaal verschijnt.

2. Volksverhaal
-Volksverhalen: mondeling overgeleverd en pas eeuwen na ontstaan opgeschreven.
-Legende en sage: historische achtergrond, een kern van waarheid > vaag geworden of weg
-Mythen en parabels, fabels en sprookjes: volledig gefantaseerd.

Legende Versterken van godsdienstzin. Een godheid grijpt in door middel van een wonder. Hoofdrolspelers: heiligen Boeddha
Sage Oude volksvertelling die een historisch gegeven verklaart. Als waar gebeurd, maar niet meer te achterhalen. Krachten Duivels- en geestensagen Tover-, verklarende-, historische en heldensagen.
Mythe Verhalen over goden en halfgoden uit de natuurgodsdienst van een volkVerklaring voor verschijnselen die mens niet kon verklaren. Scheppingsverhaal Goden spelen een rol
Sprookje Zwakke/arme hoofdpersoon overwint een slechte/rijke slechterik. Fantasie, vaste uitdrukkingen, vage aanduiding plaats, wreedheden, eenvoudig taalgebruik, iets verbieden>toch doen. Roodkapje
Fabel Korte anekdotische verhalen over dieren. Moraal apart vermeld aan einde tekst > levenswijsheid overbrengen > dieren praten De vos Reynaert
Parabel Lezer tot morele houding overredenNieuw inzicht bijbrengenNiet echt godsdienstig, wordt er wel voor gebruikt De barmhartige Samaritaan.De parabel van de grot

3. Van anekdote tot roman
Anekdote Kortste verhaaltype. Opmerkelijk of opmerkelijk. > alleen kern
Kort verhaal -meestal 1 hoofdpersoon –1 gebeurtenis –eenvoudige opbouw, geen bijzaken –meestal geen inleiding –verrassend einde
Novelle Tussen korte verhaal en roman in -1 plaats van handeling –geen uitvoerige karakterbeschrijvingen –zo weinig mogelijk verhaalfiguren
Roman Uitgebreid verhaal waarin de daden en gedachten van de hoofdfiguren worden beschreven.

Soorten romans
Ridderroman (Middeleeuwen) / avonturenroman (17e en 18e eeuw) Beschrijven van avonturen van de hoofdfiguren.
Schelmenroman (picareske roman) Avonturen van slimme en meestal vrijgevochten fortuinzoekers beschreven.
Psychologische roman (vanaf 18e eeuw) Uitbeelding geestesleven een belangrijke plaats.
Tendens-, strekkings-, of ideeënroman Psychologische roman: doel > protesteren tegen bepaalde misstanden of een bepaalde filosofische, politieke of religieuze overtuiging te propageren
Zedenroman (19e eeuw) Zeden spelen een rol > opvoedkundig doel
Historische roman (19e eeuw) Niet historisch juist > spannende avonturen met dappere helden > levendig beeld van een bepaalde periode
Oorlogsroman (1939-1945) Verzet, vervolging en onderduiking en de oorlogstijd zelf.
Streekroman of regionale roman ( 1e helft 19e eeuw) Speelt zich af in bepaalde streek (Vlaanderen)Geromantiseerd beeld streek
Politieroman, misdaadroman, thriller Misdaad en oplossingen van misdaad spelen een rol. > zorgvuldige spanning (Maigret)

-sciencefiction: gebeurtenissen denkbaar > mogelijke toekomst beschrijven > wetenschappelijke ontwikkelingen > technische en wetenschappelijke theorieën uitgangspunt > moraal ontbreekt.
-voorbeelden van sciencefiction: utopie en anti-utopie > doel: waarschuwen voor verkeerde handelingen en denkwijzen van het heden die kunnen leiden tot een toekomst waarin kwaad overheerst.
-utopie: er wordt een beeld geschetst van een ideale maatschappij in de toekomst.
-anti-utopie: er wordt een toekomst geschetst van een toekomstige maatschappij waarin alle menselijke waarden op de achtergrond zijn geraakt. Voorbeeld: Brave New World van Aldous Huxley.
-fantasy: irrationeel, vol van wonderlijke krachten, dromen, magie. > gebeurtenissen niet logisch te verklaren. > 18e eeuw: gotische romans: bloedstollende verhalen (Dracula)
-fantasy-genre: sword and sorcery: reïncarnatie van oude sprookjes en sagen maar gruwelijker.

4. Journalistiek literair proza
Cursiefje Uitgewerkte anekdote. Met weinig woorden veel zeggen over alledaags onderwerp met de nadruk op sfeer en humor. Simon Carmiggelt > Kronkels
Column Combinatie van cursiefje en journalistiek artikel. Toonzetting satirisch. ActueelBepaalde onderwerpen of figuren worden bekritiseerd. Youp van ’t Hek, Jan Blokker, Jan Mulder en Hugo Brandt Corstius
Essay Een standpunt wordt ontwikkeld. Kees Fens, Rudy Kousbroek en Karel van het Reve.
Polemiek Pennenstrijd: verzameling teksten waarin aanval wordt ondernomen op personen, zaken, opvattingen die niet overeenstemmen met visie polemist > heftige toon W.F. Hermans, Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij, Jan Blokker, Hugo Brandt Corstius, Renate Dorrestein en Maarten ’t Hart.
Reisverhaal Nieuwe indrukken opdoen, onverwachte dingen meenemen, mooie en lelijke dingen tegenkomen > lezer mee op reis nemen. Cees Nooteboom en Adriaan van Dis
Recensie Keuring, schatting van een werk. Schrijvers geven adviezen om het werk wel of niet te lezen. -

* 5 Beeldverhalen
Beeldverhaal = geschreven of gedrukte tekst en beelden worden gecombineerd.
Is er in veel vormen:
· één plaatje met of zonder tekst (cartoon)
· gagstrip (dagelijkse strip in de krant)
· grotere stripverhaal
Tekststrip
Tekststrip: de tekst en de tekeningen zijn gescheiden. Tekst is vaak belangrijker dan tekeningen.

Ballonstrip
Ballonstrip: gesproken en gedachte zinnetjes staan in ballonnetjes; tekst van verteller staat in een kadertje in de tekening. Tekst is net zo belangrijk als tekening., soms is tekening belangrijker.
Fotostrip: van inferieure kwaliteit verhaaltechnisch en vormgeving.

Tekstloze strip
Tekstloze strip: taal ontbreekt, korte strip, kranten plaatsen vaak tekstlozen strips.

Cartoon
Cartoon = spotprent probeert door overdrijving iets of iemand belachelijk te maken.

* 6 Overige vormen van literair proza
Brievenboeken
Aantal schrijvers hebben hun correspondentie in druk laten verschijnen.
Briefroman: uit verschillende brieven valt tussen meerdere personages een verhaal te lezen.

Dagboeken en memoires
Dagboek van Anne Frank is zeer bekend geworden.
Memoires = verzameling herinneringen van de auteur, geschreven bij wijze van terugblik. Bevatten vaak autobiografische elementen, verlagen van ontmoetingen of van belangrijke gebeurtenissen.

Biografie en autobiografie
Biografie: leven van iemand beschreven (auteur streeft er naar om de gebeurtenissen zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te brengen)
Autobiografie: schrijver is zelf onderwerp van zijn levensbeschrijving

Hoofdstuk 4: Verhalen lezen

1.
· schrijver speelt met lezer
· leid naar de ontknoping van het verhaal
· stukje bij beetje
· vormen:
1. huiveren
2. humor
· is persoonlijk
· afhankelijk van leeservaring en belangstelling

Spanning niet alleen huiveren -> ook humor spanning
De schrijver houdt spanning vast door middel van:
het uitstellen van een ontknoping
kennisvoorsprong: lezer weet meer dan de verhaalfiguur
kennisachterstand: lezer weet minder dan de verhaalfiguur

Verhaal vormt spanningsboog
Tekst tussen twee belangrijke nieuwe verhaalgegevens vormen kleine spanningsbogen

De lezer heeft bepaalde verwachtingen, begint bij omslag.

Ook tekst roept verwachtingen op.

Spanning: hangt af van schrijver en lezer
Vormen om spanning op te bouwen:
- hoogtepunt steeds uitstellen zodat lezer mee kan denken
- verhouding tussen wat lezer weet en wat verhaalfiguur weet gebruiken. Verhaalfiguur weet bijv. minder dan de lezer zelf. (= kennisvoorsprong)
- zorgvuldig humor gebruiken om te voorkomen dat het niet als een kaartenhuis in elkaar zakt
- bijzondere situaties en verhaalfiguren gebruiken

2. Basiselementen van een verhaal

1. ruimte
2. verhaalfiguren
3. situaties
Deze drie basiselementen zijn samen een handeling en uit een handeling komt een bepaald thema.

1. ruimte: de ruimtes (plaats en tijd) waar de verhaalfiguren zich bewegen
2. verhaalfiguren: mensen of dieren die een rol spelen in het verhaal
3. situaties: de verwikkelingen waarin de hoofdfiguren verzeild raken

plaats -> schrijver kiest een bepaalde ruimte
belangenruimte -> gevoel komt overeen met de omgeving
tijd -> gebeurtenissen spelen zich af in een bepaalde tijd
informatieve opening -> schrijver introduceert eerst personages en plaatsen
opening-in-de-handeling -> schrijver probeert je meteen te pakken
open einde -> het verhaal blijft je bezighouden en je verzint zelf een einde
gesloten einde -> het verhaal en de tekst eindigen op hetzelfde moment
chronologisch -> het verhaal maakt op volgorde sprongen in de tijd
niet-chronologisch -> de schrijver houdt zich niet aan de volgorde van tijd
flashback -> de schrijver brengt ons terug in de tijd: verklaring van een gebeurtenis
flashforward -> de schrijver vertelt iets over de toekomst
tijdvertraging -> auteur beschrijft gedetailleerd een scène
tijdversnelling -> een langere periode wordt samengevat in enkele zinnen

4. Verhaalfiguren ontstaan door beschrijving van:
· uiterlijke kenmerken (kleding, gedrag etc.)
· innerlijke kenmerken (gedachten karakter etc.)
· handelingen

De lezer moet verhaalfiguren accepteren

5. Situatie is onderdeel van een verhaal:
· er wordt een bepaalde handeling volbracht
· er is sprake van een bepaald tijdsverloop
· er verschijnt of verdwijnt een (bij)figuur

Belangrijke situaties;
q de beginsituaties
q situaties waarin een nieuw element wordt toegevoegd aan een verhaal
q de slotsituatie

6. Vertelwijze -> vertelperspectief

Ik-verhaal
de verteller is een ik-figuur
Auctoriaal verhaal
het perspectief van de alwetende verteller
Personaal verhaal
wordt ‘gezien’ door de ogen van een persoon, die meespeelt in een verhaal
staat in de hij/zij vorm
Wisselend perspectief
deze techniek biedt de schrijver de mogelijkheid om bepaalde verhaalaspecten vanuit verschillend figuren te laten zien.

7.
* 'Hoeveelheid' werkelijkheid verschilt per boek en per schrijver
- veel werkelijkheid gebruikt bij jeugdherinneringen van de schrijver
-avonturenverhalen is vooral fantasie
* Teksten 'kleuren' met persoonlijke ervaringen en opvattingen.
Als de schrijver dat niet doet, tekst biedt dan geen mogelijkheid
tot identificatie, verliest daarmee geloofwaardigheid.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.