Geschiedenis van de literatuur

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1952 woorden
  • 31 mei 2004
  • 39 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 39 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Samenvatting Eldorado:

1100-1500: De late middeleeuwen:

De late middeleeuwen waren vergeleken met de vroege Middeleeuwen rustig. Ambachten en handel maakte een bloei door. Door de stedelijke ontwikkeling ontstonden veranderingen. Er was een duidelijk standenmaatschappij.

Eigenlijk was er gewoon sprake van de verdeling arm/rijk.

Vanaf de 13e eeuw ging de burgerij een grote rol spelen. Samen met adel en geestelijken (elite)
In de Middeleeuwen was er een groot sterfte aantal. De medische kennis was gering. De builenpest of Zwarte dood (1356) was een van de grootste rampen van Europa.


Kunst: Middeleeuwse kunst was gemeenschapskunst. Vaak dus anoniem. De laatmiddeleeuwse kunst is beinvloed door het Christendom, bijbelse stukken speelden een rol. Ook is de macht van de dood sterk afgebeeld. Elk detail had een betekenis.
Bouwkunst: 11e en 12e eeuw: Romaanse bouwkunst. Gedrongenbouw, horizontale lijnen en ronde bogen.
In de 13e eeuw kwam de Gotische kunst op. Dit was voornamelijk hoog, de betekenis hievan was de uitdrukking van het machtelijke Christendom.
Muziek: Teksten en melodieen waren eenvoudig in de middeleeuwen. Daarnaast kwam het kunstlied in ontwikkeling. Tekst en melodie waren gekunstelder dan het volkslied. Gecomponeerd door Troubadoeurs, Trouveres of Minnesanger.
Literatuur: in de middeleeuwen mocht je niet opeljik kritiek uiten. Als je dit toch deed riskeerde je je leven. Er is weinig bewaard gebleven. Boeken waren kostbaar doordat ze handgeschreven waren.
Een sprookspreker trok langs hoven en voozag hun in onderhoud met schrjiven en voordragen van toepasselijke teksten. In 1940 werd de boekdrukkunst uitgevonden.
Proza: Middeleeuse ridderroman, lange verhalen in volkstaal over de adel, deze proza rijmde.

Er waren in deze tijd Karelromans en Arthurromans.

Karelroman: Voorhoofdse ridderroman. Karel de grote staat centraal. Persoonlijke moed, lichaamskracht en het recht van de sterkste zijn terugkerend. Edele vrouwe waren in de verhalen onbelangrijk en zij werden onbeschoft behandeld.
Arthurromans: Hoofdse roman. Zijn romantischer dan de karelroman. Hierin wordt een geïdealiseerd beeld van het hofleven geschetst. Ridder heeft wel heldenverhalen maar is ook behulpzaam en vereert adelijke dames. Het is meer fantasie.

Poezie: Hoofse poëzie is ontstaan in frankrijk (Zuid). Het werd in de provence snel populair. Kenmerkend is niet beantwoorde liefde, dit wordt geleidelijk ontdekt (spanning van liefde). De troubadoers (dichters en componisten) werden vaak op kastelen uitgenodigt.
Toneel: Toneel was een bonte mengeling van religieuze spelen en hoofse toneelstukken. Door het luctige spelen van Romeinse komedies werd het later door de kerk verboden.

1700-1800: Achttiende eeuw:

Deze tijd is een tijd van modernisering in Europa. Deze ontwikkelingen worden ook wel de verlichting genoemd.

De verlichting: De 18e eeuw noemde men de eeuw van de verlichting, het geloof verloor haar invloed en het gezonde verstand stond centraal. Men vond dat alles uitgelegd kon worden met het gezonde verstand, rationalisme. Emoties waren niet meer belangrijk
wetenschap
De wetenschappelijke revolutie raakte in een stroomversnelling, grote geleerden hebben waardevolle ontdekkingen gedaan. Veel mensen waren enthousiast over de vooruitgang en wilden hier goed over geïnformeerd worden, dit gebeurde door middel van tijdschriften en boeken.

De staatsvorm was een absolute monarchie, dus 1 vorst had het voor het zeggen. In 1789 brak de Franse revolutie uit waarin werd gepleit voor democratische beginselen. Het volk krijgt hierdoor meer macht en niet alle macht is meer in handen van de koning.

De 18e eeuw wordt ook wel de pruikentijd genoemd, omdat het in deftige kringen de gewoonte was een pruik te dragen. De rijke burgers en de gewone bevolking waren nog steeds aparte groepen. Er ontstond een algemene behoefte om zich te verenigen in genootschappen, men probeerde zich zo te ontwikkelen en mee te werken aan een betere maatschappij.
Halverwege de eeuw konden veel landarbeiders de kost niet meer verdienen door de uitvinding van allerlei machines en verbouwingsmethoden, ze trokken naar de grote steden op zoek naar werk, en er ontstonden daar krottenwijken met sociale wantoestanden en veel armoede.

Kunst: De kunst moest de orde en redelijkheid van de schepping weerspiegelen, er waren daarom strenge regels voor de vorm en inhoud van kunst.
In het laatste kwart van de 18e eeuw ontstond er een kunstvorm die vanaf de 19e eeuw veel invloed zou gaan krijgen, de romantiek, het gevoel moest een rol gaan spelen in de kunst en niet het verstand. Kunstenaars kregen meer vrijheid.

Literatuur: Er waren veel dichtgenootschappen in de 18e eeuw, men dacht dat iedereen het kon leren, maar er kwam weinig talent uit voort.
Er was wel veel nieuws op het gebied van proza. De literatuur was vooral opvoedend.
Er kwamen:
- spectatoriale geschriften, dit was de voorloper van de krant, er stonden verhalen in over het dagelijkse leven die voor de toeschouwer goed te begrijpen waren.
- Romans, de meeste romans werden geschreven in briefvorm
- Imaginaire reisverhalen, Robinsonades, avonturenromans met verzonnen avonturenverhalen, zoals Robinson Crusoë.

De poëzie werd in de 18e eeuw glad en eenvormig, de poëzie bestaat vooral uit moralistische gedichten: van poëzie moest je wijzer en vooral deugdzamer worden.
Het toneel verloor veel terrein aan de roman als bron van vermaak en als kunstvorm.

1500-1700: Renaissance:

In de Renaissance wilde men de Griekse en Romeise cultuur opnieuw tot leven brengen. Dit leidde tot de moderne mens: de humanist (optimistisch opzoek naar eigen waarde). Een jumanist had een actief leven, bezig met cultuur, wetenschap, kunst en zijn geloof het Christendom. De ideale mens dus: Uomo universale.
De renaissance kunst verspreidde zich vanuit Italie.
Op leiders van de kerk kwam steeds meer kritiek. Dit kwam door hun luxe levenstijl en hun bemoeienis met de politiek. Maarten Luther was de eerste die belangrijke geestelijke. Hij eiste hervorming. Hij wou meer inbreng en een zuiniger leven. Luther kreeg snel veel aanhangers.
De renaissance is een periode van de Reformatie. Hervormers waren protestanten.

Kunst: Kunst in deze tijd was individueel. Kunstnaars kregen meer aanzien.
In de beeldende kunst werden naar klassiek voorbeeld veel goedgevormde mensen levensgroot in marmer uitgebeeld, veel aandacht voor anatomie. Oko ni de schilderkunst werd de mens centraal gezet. Kunst en techniek waren nauw met elkaar verbonden.
Door de godsdienst strijd werd de kunst in de 16e eeuw soberder.
Bouwkunst: In de 17e eeuw wilden heersers hun macht laten zien door uiterlijk. Dit leidde tot de Barok. (feestelijke, uitbundige stijl) De Barok is de stijl van de Katholieken. De Barok-schilderkunst door sterke licht-schaduwcontrasten.
Muziek: naast kerkelijke muziek kwam ook wereldlijke muziek op. meerdere onderwerpen. Veel muziekale vormen-> uit Barok in de 16e eeuw. Het moest groots en indrukwekkend zijn. Ook kwam het ballet op, en orgelmuziek.
Literatuur: Literatuur was ook individueler.
Proza: verhalen raakte uit de mode, poezie en toneel was echte literatuur. De helden waren nu de ontdekkingsreizigers en handelaren.
Poezie: De inspiratie van de Barok bij Poezie is terug te vniden in Italie. (14e eeuw). In de nieuwe poezie ging het vooral om de schoonheid van de geliefde. Ook kwamen gelegenheidsgedichten op.
Toneel: De gewone mensen bleven op bruiloften of partijen toneel spelen. Maar de echte schrjivers begonnen met schrijven voor de geode burgerij. Er werd in speelhuizen gespeeld. Er werd overdriven gespeeld.
De schrijvers sloten zich aan bij klassieke toneelvormen van de Grieken en de Romeinen, tgagedie en komedie.

1800-1880: Negentiende Eeuw:

In de 19de eeuw nam de bevolkingssterk toe, door hygiëne, voeding, vaccins, ziektebestrijding, techniek, betere oogsten.
Industriële revolutie: overgang van handwerk naar productieproces met machines, in Engeland was dit rond 1760. Minder werk op ’t platteland arbeiders vertrokken naar de steden en gingen in de fabrieken werken.
De bourgeoisie: fabrikanten en kooplieden, nam een opvoedende houding aan, anders zou de volksmassa maar al te graag aan de revolutie meedoen. Bevolking: bovenlaag bourgeoisie, middenlaag winkeliers ambachtlieden en zelfstandige boeren, onderlaag arbeiders.
Gezin en huwelijk. Rolverdeling van man en vrouw, de vrouw werkte alleen door de grote armoede. Tweede helft van de 19e eeuw werd Victoriaanse tijd genoemd omdat het Victoria van GB regeerde in die tijd. In die tijd golden er duidelijke regels: over seks praten was taboe, preutsheid.
Door de revoluties van 1848 namen Europese landen een liberale grondwet aan, volgens de ideeën van de Verlichting en de Franse revolutie. Gelijkheid, vrijheid van meningsuiting, onderwijs en geloof. Alleen werden die regels niet in de praktijk nageleefd. De arbeiders werden uitgebuit door het vrije economisch liberalisme. Totdat er vakbonden ontstonden. In 1861 richtte Karl Marx een arbeidersbeweging op. Het communisme en socialisme ontstond. Het kiesrecht werd uitgebreid -> meer partijen. Socialistische partijen zorgden voor betere sociale wetgeving.
Wetenschap: Er werd veel uitgevonden: zoals de trein in1819, en in1863 metro, de fiets werd in ’t begin van de eeuw uitgevonden. Aan ’t eind van de eeuw kwam de automobiel op de weg, in 1891 voerde Otto Linienthal een zweefvlucht uit. In Parijs ontwikkelde de broers Lumiere de eerste films, 1859 Darwin publiceerde zijn evolutieleer, Freud en Jung legden de basis van de psychologie, huizen kregen gas, licht, en stromend water.

Schilderkunst: Schilders putten hun inspiratie uit de revolutie, literatuur, verre landen en de natuur.
Romantiek: een beweging in de beeldende kunst en de literatuur die zich afzette tegen de 18e eeuwse geloof en de deugden van het burgerleven. Weltschmerz = pessimistische lijden aan de wereld. Kunstenaars kwamen in opstand tegen van alles, tegen de maatschappij, kerk en God, onderdrukking, of vlucht uit de werkelijkheid. Romantiek: droom, natuur, fantasie, vlucht naar vreemde culturen of verleden.

Twee belangrijke kunstrichtingen: het impressionisme en het symbolisme.
Impressionist: legt de indruk vast van iets(een landshap, een mens, een stadsbeeld) op een bepaald moment. Maar het is wel een persoonlijke indruk (ervaring) van de werkelijkheid. Spontaan, daarbij gelet op het licht. Kleur erg belangrijk.
Symbolist: ging uit van de directe waarneming. Achter de voorstelling gaat een innerlijke wereld schuil. Deze kunst vond haar uitdrukkingsmiddel in symbool. Hier werd verdiept in oosterse religies, occultisme& satanisme.

Fotografie: dit begon de uitvinding (1826) ook als kunstvorm bekendheid te krijgen.

Bron van inspiratie voor de bouwkunst was de Middeleeuwen en de neoklassieke stijl uit de eeuw ervoor –18e eeuw-. Zo waren er verrassende vormen, spitse torens en verticale lijnen. Veel oude bouwstijlen werden gecombineerd. Veel neostijlen: neoclassisme, neobarok, neogotiek. Qua bouwkunst wordt de 19e eeuw nu vrijwel de eeuw de lelijkheid genoemd.

In de eerste helft 19e eeuw was lezen en schrijven alleen voor de gegoede burgerij. Boeken waren erg duur. Lezers waren verzameld in leesgezelschappen, en kochten gezamenlijk een boek.
In Tweede helft 19e eeuw liep het analfabetisme steeds meer terug, lezen was nu voor een bredere laag bevolking. Het werd minder kostbaar. Feuilletons (romans in aflevering) en uitleenboeken werden steeds populairder. Het beroep van schrijver werd door deze leesuitbreiding financieel interessanter. Boeken ook meer gericht op leesbehoeften gewone man, daardoor:
Eerste romantici: kunstenaars die zich verzette tegen de rationeel geordende maatschappij.Ze wilden een grote inruimen voor gevoel, verbeelding en godsdienst.
Belangrijkste kenmerken van de literaire romantiek: verzet, humor, liefde voor natuur, belangstelling voor het verleden, aandacht voor droom en fantasie.
Er was veel tegenstand tegen romantiek: ze wenste meer evenwicht tussen verstand en gevoel. Ze wilden beschrijvingen van het alledaagse leven in het teken van deugdzaamheid en godsdienst, waarin elk mens zijn plaats heeft die door God is aangewezen. Literaire almanakken waren erg geliefd. Hierdoor spreekt men ook wel van burgerlijk realisme&biedermeiertijd: een tijd voor tevredenheid en gemoedelijkheid.
De jeugdliteratuur kwam ook op.
In deze periode erg veel verhalende literatuur geschreven door de romantische beweging. Dit als voorloper op de moderne, psychologische romans.
Historische roman is typische romantische verhaalvorm. Veel schrijven zochten toevlucht tot t verleden, door hun onvrede met de maatschappij, deze was ongecompliceerd en kon gemakkelijk geïdealiseerd worden.

Poëzie: De poëzie bleef belangrijke rol vervullen. Door Charles Baudelaire werd poëzie weer een individuele gevoelszaak, wat tot nu nog steeds zo is.
Eind van de 19e eeuw veranderde ook het toneel: de dichtvorm verdween, de dialogen waren voortaan in alledaags taalgebruik, onderwerpen werden weer realiteit. Deze vorm van toneel zie je deze tijd nog steeds.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.