Literatuur cursus 4

1Presentatie

1.1Wit van de pagina

Gedichten verschillen wat onderwerp of aanleiding betreft niet van andere literaire teksten.

Een gedicht herken je door de presentatie: de manier waarop de tekst op de bladzijde staat. Bij een gedicht is er veel wit van de pagina rondom de tekst en vaak ook tussen de verschillende delen van een gedicht.

1.2Versregel

Een gedicht bestaat uit een aantal bij elkaar horende versregels (afgekort vs.). Een groepje bij elkaar horende versregels is een strofe. De verschillende strofen van een gedicht worden van elkaar gescheiden door witregels.

1.3Horizontaal en verticaal

Gedichten met redelijk lange versregels noem je horizontale gedichten. Gedichten met veel korte versregels van weinig woorden noem je verticale gedichten. De lengte van de versregel is (mede)bepalend voor je leesactiviteit en de waardering van het gedicht door jou als lezer.

1.4Enjambement

Bij enjambement wordt een versregel (soms midden in een woord) afgebroken op een plaats waar geen vanzelfsprekend einde van de versregel is. Het gevolg is dat de woorden voor en na het afbreken door enjambement nadruk krijgen, of dat er een extra betekenis wordt geactiveerd.

2Samenhang door herhaling

2.1Inhoudelijke herhaling

Net als bij andere literaire teksten als verhalen en romans ontdek je samenhang doordat bepaalde woorden of situaties herhaald worden.

Behalve door inhoudelijke (woord)herhaling kun je als lezer samenhang in een gedicht herkennen door de herhaling van klanken (rijm) en beklemtoning (metrum en ruimte).

2.2Rijm

Rijm is een overeenkomst van klanken in niet ver van elkaar verwijderde beklemtoonde lettergrepen. Rijmende woorden gaan door klankovereenkomst bij elkaar horen. Het gebruik van rijm kan woorden ook extra nadruk geven. Er is rijm op basis op basis van vorm en van plaats.

 

 

Rijm op basis van vorm:

  • Volrijm: rijmen van beklemtoonde klinker en de daaropvolgende medeklinker à piek - uniek
  • Halfrijm: * rijmen van beklemtoonde klinkers (assonantie) à voor – oog – toonbeelden; ziet niemand

                     * of beginmedeklinkers van beklemtoonde woorden (alliteratie) à los – lust, loop los, mijn – maken – mij, jak – juk.

2.3Metrum

Met het begrip metrum wordt de regelmatige afwisseling van sterke (–) en zwakker (U) beklemtoonde lettergrepen bedoeld. Het metrum is maat (regelmaat). Versregels met metrum worden verdeeld in versvoeten (|). Als op het einde van de versregel geen volledige voet is noem je dat een naslag. Alleen als deze beklemtoond is tel je hem mee.

– = beklemtoonde lettergreep/ heffing/ arsis.

U = onbeklemtoonde lettergreep/ deling/ thesis.

Er zijn verschillende soorten metrum:

2.3.1Jambe = U –

Jambe is de opeenvolging van een onbeklimtoonde, door een beklemtoonde lettergreep.

U    –    |    U    –    |  U    –  |  U     –   | U    –  |                                    5 voeten, dus 5 v. - jambe

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

 

     U   –  |    U      – | U   –  |     U     – | U   –  |  U à naslag                            5 v. - jambe.

…Is zeldzaam als de reuk van rotte bladeren.

2.3.2Trochee= – U

–      U | –     U | –     U | –    U |   –  U | –     U | –    U |      –                             1e= 4 v. - trochee; 2e= 4 v. - trochee

Aangezien de zonnestralen / alhoewel er wolken staan.           / = einde versregel

2.3.3Anapest = U U –

U   U     – |  U      U    – |   U   U     –   | U     U    – |  U                        4 v. - anapest + naslag

In het midden van mei als de nachtegaals zingen/

U   U   – | U      U        – |     U     U    –   | U  U       –  |                        4 v. - anapest

En de avondglans huwt aan de morgense schijn.

 

 

 

2.3.4Antimetrie

Antimetrie ontstaat als er in een versregel bewust van het gehanteerde metrum wordt afgeweken. Het effect van antimetrie op jou als lezer kan zijn dat je ‘stokt’, waardoor je je extra bewust wordt van het woord waardoor antimetrie ontstaat.

–  U | U    –  |   U   – | U                                                                          trochee | jambe | jambe | naslag

Edel en hooggeboren.

 

Moderne gedichten zijn vaak minder vormvast en zonder vast metrum. Wel is daar sprake van ritme: de afwisseling zonder vaste regelmaat van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen.

3Vormen

3.1Strofevormen

Een strofe heeft een door het aantal versregels bepaalde vaste vorm. Je kunt strofevormen benoemen naar het aantal versregels:

Aantal versregels

benaming

2

Distichon

3

Terzine

4

Kwatrijn

5

Kwintet

6

Sextet

7

Septet

8

Octaaf

 

3.2Sonnet

Gedichten als geheel kunnen een bepaalde vaste, aan regels gebonden vorm hebben. De belangrijkste vaste gedichtvorm is het sonnet.

Een sonnet heeft altijd veertien versregels die worden verdeeld over een octaaf en een sextet. Het octaaf kan in de regel verdeeld worden in twee kwatrijnen en het sextet in twee strofen van drie terzet. Octaaf en sextet verschillen in rijmschema van elkaar.

Een sonnet is meestal gebaseerd op een inhoudelijke tegenstelling. Deze wordt meestal duidelijk bij de overgang van octaaf naar sextet (vs. 8-9). Dat geval gaat gepaard met een verschil in rijmschema. De inhoudelijke wending wordt ook val of chute genoemd.

Behalve het sonnet zijn er nog andere gedichten met een vaste vorm, zoals de limerick, het oosters kwatrijn of de haiku.

 

 

3.3Vrije verzen

Naast vaste gedichtvormen als het sonnet of gedichten met steeds dezelfde strofevorm, zijn er vrije verzen. Het zijn gedichten zonder een bepaald vaste gedichtvorm. Het aantal strofen en de strofevormen zijn variabel.

4Wie is er aan het woord?

4.1Dichter en ik-figuur

Bij veel gedichten tref je als lezer een meer of minder nadrukkelijk aanwezige ik-figuur aan. Het is voor jou als lezer verleidelijk om zo’n ik-figuur in het gedicht gelijk te stellen met de dichter. Dat is echter niet terrecht. Het is beter om onderscheid te maken tussen de dichter als persoon en de ik-figuur in het gedicht.

De dichter is een echte persoon en geen element van het gedicht. De ik-figuur is wel een element van het gedicht. Dichter en ik-figuur hoeven niet samen te vallen. Bovendien zijn er ook gedichten zonder ik-figuur.

4.2Lyrische-ik

 Als je als lezer in een gedicht een ik-figuur treft, kan die min of meer zakelijke standpunten en gedachten, waarnemen en handelingen verwoorden. Een andere mogelijkheid is dat de ik-figuur duidelijk voor jou zijn emoties en gevoelens verwoordt. Zo’n ik-figuur noem je de lyrische-ik.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Joeri

Joeri

Ik vind dat de klemtoon op sextet anders moet!

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast