Havisten uit de bovenbouw gezocht! Vul deze korte vragenlijst over jouw studiekeuze in en maak kans op een Bol.com bon t.w.v. 15 euro.

Doe mee


Paragraaf 1

In verschillende perioden in de geschiedenis van de westerse cultuur is de overtuiging van de universele geldigheid van het eigen waardensysteem onder vuur komen te liggen door de confrontatie met de waardensystemen van andere, vreemde culturen. Vaak werd dan de eigen cultuur verdedigd en overtuigingen van andere culturen (en subculturen) werden als dwalend, vals, ketters of duivels bestempeld. In de Europese cultuur kunnen we twee perioden aanwijzen waarin de twijfel aan het bestaan van een universele moraal, en dus ook aan de absolute geldigheid van de eigen moraal, uit de ontmoeting met andere culturen opgekomen is. De eerste is de tijd van het klassieke Griekenland in de 4e en 5e eeuw voor Chr. en onze huidige cultuur nu is de tweede tijd.

Tussen 800 en 400 voor Chr. waren de Grieken een handeldrijvend, zeevarend en koloniaal volk. Ze stonden in contact met vel verschillende volkeren en culturen en migraties brachten de Grieken naar de kusten van Klein-Azië. Ook daar ontstonden bloeiende haven- en handelssteden die contact hadden met de meer landinwaartse steden. Ook de kustgebieden van Sicilië, Zuid-Italië en Zuid-Frankrijk werden door de Grieken gekoloniseerd, zo kwamen er nieuwe ideeën , gewoonten en inzichten naar het Griekse vasteland, zo heeft Athene van alle culturen de vruchten geplukt. De vreemde, afwijkende gewoonten, wijsheden, verklaringen van de werkelijkheid, die zich in de stadstaat Athene op de marktplaats de ronde deden maakten het denken van veel Grieken rijp voor twijfel aan de oude mythen. Met deze mythen werden de wereldgebeurtenissen, het ontstaan van de mens en de werkelijkheid en de moraal verklaard. Nu voldeden de mythen niet meer, of ze voldeden net zo goed als andere verklaringen, waarmee ze in strijd waren.

Er ontstond een kritische houding tegenover de verhalen, maar in het verlengde daarvan ook tegenover het eigen denken. In deze houding ontkiemde de filosofie, steeds meer gingen burgers de mythen beschouwen als een geheel van losse verhalen over de goden en hun avonturen die geen echte ware verklaringen meer konden geven van de wereld en de feitelijkheden.

De ‘ondermaanse’ wereldorde (kosmos) werd vanaf toen het onderwerp van het argumentatieve, rationele denken (logos): de kosmologie. De filosofie ontstond in de overgang van mythe naar redelijk denken en ook het ontstaan van ethiek is in deze ontwikkeling te plaatsen. Het ontstaan van ethiek heeft ook te maken met de overgang van mythe naar logos. Toen de mythen ongeloofwaardiger werden moest men ook voor de regels en wetten (nomoi) en voor traditionele leefwijzen van de samenleving een andere rechtvaardiging zoeken. Zolang de mythen hun werk deden en het geloof in goden het leven beheerste, genoten de ethos en nomoi van een vanzelfsprekendheid. Deze vanzelfsprekendheid werd aangetast door de opkomst van de democratische poleis, de wijziging in de sociale verhoudingen en door de toenemende rol van de logos. De nomoi werden niet langer gezien als weerspiegeling van een eeuwige, heilige orde. De nomoi waren ook tijds- en plaatsgebonden, want in andere culturen zijn er andere goden, gebruiken en wetten.

Zo zijn we beland bij de kwestie waar het hier om gaat: de twijfel aan de geldigheid van de eigen moraal en het bestaan van universele waarden en normen. De discussie die toen ontstond vond zijn hoogtepunt in het debat tussen Socrates en de sofisten.

Sofisten waren rondreizende leraren die je kennis en vaardigheden bijbrachten die je nodig had om in het openbare debat sterk te staan. Ze konden je uiterst bruikbare technieken en kunstjes leren om andere te overreden en zo invloed uit te oefenen op de wetgeving, rechtspraak en het bestuur van de polis. Ze haakten in op de algemene twijfel rondom de traditionele opvattingen: als de mythen van plaats tot plaats zo erg verschillen, dan zeggen ze waarschijnlijk meer over de mensen die ze als waarheden verkondigen dan over de verhalen zelf. Dit noem je het relativisme, het was erg kenmerkend voor de sofisten.

Socrates moest hier niets van hebben, hij was ervan overtuigd dat je via filosofische vragen en denken kon komen tot objectieve kennis, ook op het gebied van de moraal. Als je diep filosofeert met anderen in een vraag en antwoord dialoog krijg je objectieve betekenissen van begrippen als rechtvaardigheid en vriendschap. Hij zegt dus dat er een objectieve, universele waarheid bestaat, die je via de ratio kan bereiken. Deze opvatting noemen we het moreel rationeel objectivisme.

Socrates probeerde met zijn dialogen aan te tonen dat de meeste mensen geen echte kennis hebben over de algemene, objectieve begrippen. Daarom wilde hij ze via vragen dit zelf laten ontdekken. Meningen (verschillen vaak per persoon) zijn iets anders dan betekenissen (onveranderlijk universeel). Als je de échte betekenis van de algemene begrippen kent zal je daar ook naar handelen volgens Socrates. Deze opvatting van Socrates zie je nu nog vaak in veel humanistische ethische visies.

 

Paragraaf 2

2.1 Tegenover het relativisme van de sofisten stond het etnocentrisme, dit was de overtuiging die de meerderheid van Grieks-Romeinse populatie had. Het etnocentrisme is de opvatting, houding of neiging waarin en waarmee de eigen cultuur als centrum van de wereld gezien wordt en daardoor de maatstaf is waarmee andere culturen beoordeeld moeten worden. Het is dus een vorm van superioriteitsdenken. Het kan worden gezien als een algemeen antropologisch verschijnsel omdat het veel voorkomt en omdat de mens als sociaal en cultureel wezen in meer of mindere mate tot etnocentrisme geneigd is.

2.2 Het eurocentrisme is een vorm van het etnocentrisme, het is het denken of de houding waarbij de Europese cultuur als meerwaardig ten opzichte van andere culturen wordt beschouwd. In de Europese kolonisatie en het modern imperialisme vond het eurocentrisme zijn hoogtepunt, de gekolonialiseerde volken werden als minderwaardig gezien en economisch uitgebuit, politiek onderdrukt en religieus geïndoctrineerd. De missionarissering van het christendom in de gekolonialiseerde landen is tot de eerste helft van de 20e eeuw doorgegaan.

De Franse denker Augustus Comte deed een expliciete, filosofische uitdrukking in de cultuurfilosofie over het eurocentrisme. Hij deelde de menselijke geschiedenis in drie stadia in (de drie-stadialeer):

  1. Het theologisch tijdperk: natuurverschijnselen worden verklaart met bovennatuurlijke, religieuze krachten en de belangrijkste cultuurfiguren waren de priester en de krijgsman.
  2. Het metafysisch tijdperk: dit is een ontwikkelingsperiode, waarin natuurverschijnselen verklaart worden door speculatieve, abstracte theorieën. De jurist en de filosoof geven in dit tijdperk haar profiel.
  3. Het wetenschappelijke tijdperk: in dit stadium worden bovennatuurlijke krachten niet meer erkend en dankzij empirische wetten komen geleerden tot natuurbeheersing. Ze kunnen dingen voorspellen, vooruitzien en vooruitkomen. Dit noemde Comte het positieve tijdperk, de term positief heeft hier betrekking op wat feitelijk, concreet weergeven is.

Het laatste stadium is het stadium waarin de mensheid het hoogste ontwikkelingsniveau heeft bereikt, het is duidelijk dat de Europese beschaving hier rond de 19e eeuw in is beland. De drie-stadialeer is een ontwikkelingsmodel binnen de positivistische filosofie van Comte.

 

Paragraaf 3

In de tweede helft van de 19e eeuw en in de eerste helft van de 20e eeuw vond er een aantal ontwikkelingen plaats die het Europese meerwaardigheidsgevoel in de vorm van het eurocentrisme ernstig zou aantasten. Er ontstond kritiek op het eurocentrisme, van de Europeanen zelf. Ze waren door de ontwikkelingen in de spiegel gaan kijken en werden zich van hun etnocentrische houding bewust. Er zijn in totaal 7 oorzaken te noemen van hun zelfkritiek, we zijn hierbij beland bij de tweede periode van twijfel aan het bestaan van een universele moraal.

3.1 Aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw kwam de etnologie op, de etnologie is een wetenschap die de kenmerken van een volk bestudeert om algemene structuren en gegevens vast te stellen over de mens als cultureel wezen. Pas vanaf de 19e eeuw werd er onderzoek gedaan naar niet-westerse culturen. De naam had toch nog iets van een etnocentrische houding, dus er kwam al snel kritiek op. De etnologen Franz Boaz en Bronislaw Malinowski waren erg belangrijk voor deze kritische wending. Ze deden studie naar niet-westerse natuurvolken en deze waren baanbrekend voor de ontwikkeling en groei van de etnologie, deze krijgt nu steeds vaker de naam culturele antropologie. Deze verandering wijst er op dat de antropologie geen verschil meer wilde maken tussen beschaafde volken enerzijds en de primitieve volken anderzijds. De aanhangers (antropologische school van Boaz) van Baoz ontwikkelden de theorie van het cultuurdeterminisme uit Boaz studies. Deze theorie zegt dat de mens wordt bepaald door de cultuur waarin hij leeft en is opgevoed. Dit was al een eerste stap in de erkenning van de eigenwaarde van elke cultuur, alle culturen waren namelijk onderhevig aan dezelfde determinatiefactoren. Alle mensen zijn zo gelijk, als het dus ligt aan waar je bent geboren en wanneer en in welke traditie je bent opgevoed.

Claude Lévi Strauss was een Franse cultureel antropoloog en filosoof en hij ging nog en stapje verder in de antropologische overeenkomsten tussen volken. Hij deed onderzoek naar de mythen van ‘primitieve’ volken en kwam tot de slotsom dat iedere samenleving berust op enkele grondregels, hier zijn de leden van de samenleving zich niet van bewust. Alle culturen hebben deze structurering, want de structuur is in de taal, godsdienst en de normen en waarden van een volk te vinden. Deze opvatting van Lévi Strauss noemen we het antropologisch structuralisme, alle culturen zijn dus fundamenteel gelijk.

3.2 Aan het eind van de 19e eeuw beheerste het vooruitgangsgeloof Europa, iedereen dacht dat de moderne natuurwetenschappen en nieuwe technologische ontwikkelingen in staat zouden zijn om alle problemen van de mensheid op te lossen, deze opvatting wordt sciëntisme genoemd. Iedereen was ervan overtuigd dat dit in de nieuwe eeuw zou gaan gebeuren, in 1900 was er een wereldtentoonstelling in Parijs en dit was een schitterende, indrukwekkende uiting van dit optimisme in Europa en het was de bevestiging voor de waarheid van de stadialeer van Comte. ook aan de industrialisatie zag je dat de mensheid een steeds hoger beschavingsniveau kreeg. Deze mentaliteit, dit geloof en de ontwikkelingen stimuleerden het Europese en Amerikaanse imperialisme, de periode van 1870 tot aan de Eerste Wereldoorlog (1914) wordt het moderne imperialisme genoemd. De grote Europese industriestaten concurreerden met elkaar om de afzetgebieden en wilden zo veel mogelijk land en volk binnen hun invloedssfeer. Het moderne imperialisme kan dus worden verklaard uit de 19e eeuwse expansiedrang en de industrialisatie. De ervaringen van de eerste Wereldoorlog maakten een einde aan het vooruitgangsgeloof dat haar rechtvaardiging zag in de industrialisatie. Na de Europese slagvelden konden ze niet meer verdedigen dat de Europese beschaving alleen maar vooruitgang bracht. Het democratische stelsel was ook in diskrediet gebracht, de democratie betekende nog geen garante voor vrede.

3.3 Na de oorlog belandde de westerse wereld in 1929 in een grote economische recessie, voor het geloof in het kapitalistische systeem was dit een grote slag. Het vrije markt systeem was feilbaar en mensen dachten niet dat dit de hongersnood, armoede en werkloosheid op den duur zou uitbannen. Er kwam een algemeen cultuurpessimisme tot leven, een sombere blik op de Europese beschavingen haar waarde in de toekomst. In de oorlog ervaringen had dit pessimisme al een bodem gevonden. De Duitse filosoof Oswald Sprenger schreef het boek ‘Der Untergang das Abendlandes’ (de ondergang, het verval van de Europese beschaving). Hij dacht dat de Europese beschaving rond het jaar 2000 zou vervallen.  

3.4 Tijdens het interbellum (tijd tussen de twee wereldoorlogen) ontstond er een vrij nieuwe cultuurfilosofie: het historisme. Deze denkrichting stelt dat alle cultuur te beschouwen zijn als het resultaat van een historische ontwikkeling.Er bestaat dus geen cultuur die onveranderlijk is, van goddelijke oorsprong is of aan het einde staat van een opgaande ontwikkeling. Dus ook alle moraal is tijd- en plaatsgebonden: elke moraal is dan ook betrekkelijk, relatief en kan niet als een soort bovenhistorische standaard gelden voor andere waardensystemen. Je kan de Europese moraal en religie dus niet als verheven achten.

3.5 De tweede wereldoorlog maakte een definitief einde aan het geloof in vooruitgang van de mensheid in het algemeen en in die van de Europese cultuur in het bijzonder. Na Auswitz, kon er geen redelijk mens meer volhouden dat Europa een moderol speelt of kan spelen in de wereld op gebied van humaniteit, moraal en civilisatie. Veel mensen geloofden na de holocaust ook niet meer in het christelijke geloof, want kon je nog wel in een goede god geloven na deze verschrikking.

3.6 In de jaren 50 was er sprake van een heropleving van het geloof in de westerse cultuur, het succesvolle en economische herstel en de strijd tegen het communisme in de Sovjet Unie en haar Europese satellietstaten onder leiding van de Verenigde Staten in Amerika brachten nieuw vertrouwen. Tegen deze houding reageerden de maatschappijkritische bewegingen in de jaren 60. De Duitse filosoof Herbert Marcuse formuleerde een kritiek op de moderne westerse industriële samenleving. Deze houdt in dat mensen niet meer beseffen wat mens-zijn eigenlijk inhoudt. Mensen worden niet individueel bevrijd door de burgerrechten (kiesrecht, persvrijheid, onderwijsrecht), die wel de maatschappelijke bevrijding zijn. Mensen worden door het technisch industriële systeem gemanipuleerd en dit zie je vooral in de commerciële reclame. Marcuse’s kritiek inspireerde studentenbewegingen en deze werden gevolgd door de hippies. Ze protesteerden tegen de oorlogsconflicten in de wereld die in het kader stonden van de koude oorlog en ook tegen de oorlog in Vietnam, die in hun ogen een uiting was van het amerikanisme, een opvolging van het eurocentrisme. De oorlog in Vietnam was een vrijheidsstrijd van een gekoloniseerd, onderdrukt volk.

Het verloop van de jaren 60 kan je kenschetsen als een wereldwijde vrijheidsstrijd tegen de oude koloniale westerse machten. Dit dekolonisatieproces werkte ook bevrijdend voor de denkwereld van Europeanen. Ze konden zich na de bezetting van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog beter voorstellen dat de onderdrukte volken ook naar bevrijding streefden.

3.7 De snelle ontwikkeling van massacommunicatiesystemen heeft ertoe geleid dat in de loop van elke decennia steeds meer Europeanen kennis kregen van vreemde, niet-westerse culturen. Zo kwamen mensen er zelf achter dat deze culturen helemaal niet inferieur zijn (eurocentrisme), zoals in het verleden werd gedacht. De andere culturen zijn gewoon naders en hebben allemaal een eigenwaarde.

3.8 Al deze ontwikkelingen leidden tot een kritiek op het eurocentrisme en dus ook op het etnocentrische denken. De kritische conclusies kwamen op het volgende neer:

  1. Cultuurantropologisch onderzoek wees uit dat niet-westerse culturen hun eigen waarde en betekenis hebben.
  2. Cultuurantropologisch onderzoek wees verder uit dat elk individu door zijn eigen cultuur wordt gedetermineerd. Dit is de stelling van het cultuurdeterminisme. Omdat elk individu door zijn cultuur wordt gedetermineerd, kan hij nooit helemaal uit zijn eigen cultuur stappen. Dat betekent omgekeerd dat iemand uit een vreemde cultuur in principe nooit helemaal een andere cultuur kan begrijpen. Inculturatie, het integreren in een vreemde cultuur, is hierdoor een erg moeilijk proces. Een mens beoordeelt immers een andere cultuur altijd vanuit zijn eigen normen en waarden. Je kunt dus ook niet over een andere cultuur oordelen, tenzij je in deze cultuur bent opgegroeid. Een cultuur kan alleen beschreven en beoordeeld worden met begrippen en criteria (maatstaven) uit die cultuur zelf.
  3. De geschiedenis liet zien dat de westerse beschaving niet als superieur beschouwd kan worden. Twee wereldoorlogen, de holocaust, een grote economische depressie, de Koude Oorlog en een vervreemding van de mens door de materialistische, kapitalistische levenswijze hebben tot deze conclusie gevoerd, Europa, het westen, kan juist heel veel van andere culturen leren. De Europese naties hebben hier de verantwoordelijkheid te dragen, om een nieuwe rol in de wereldgeschiedenis te gaan spelen en te strijden tegen nationalisme, onderdrukking, imperialisme, slavernij en oorlog.

 

De conclusies kwamen geleidelijk tot uitdrukking, daarom kan je van een bewustwordingsproces van het westerse denken ten opzichte van zichzelf en haar rol in de wereld spreken. Deze bewustwording kan in de theorie van het cultuurrelativisme worden uitgedrukt: verschillende culturen zijn nooit hiërarchisch met elkaar te vergelijken. Er bestaat geen rangorde van hogere en lagere culturen, alleen een veelheid van verschillende culturen. Dit betekent: culturen zijn gelijkwaardig.

 

Paragraaf 4

Dit relativisme kan je in verschillende opzichten verdedigen, het is namelijk een feite dat culturen in dingen verschillen: kleding, eetgewoonten, techniek, kunst, mythologie, zeden, sociale gewoonten enz. Levi Strauss zei zelfs dat de mensheid als een transcultureel is. De opvatting van Levi Strauss is een kritiek op het etnocenrisme. In tegenstelling tot het etnocentrisme gaat het cultuurrelativisme er van uit dat het niet mogelijk is andere culturen objectief te beoordelen. Je kijk op andere culturen wordt bepaald door je eigen cultuur, waar je nooit helemaal los van kunt komen. Het cultuurrelativisme beweert dus eigenlijk dat etnocentrisme onvermijdelijk is en dat we om die reden niet in staat zijn om een objectief oordeel te vellen over andere culturen. Je kan culturen niet vergelijken, daarom kan je niet stellen dat de ene cultuur beter is dan de ander.
Het cultuurrelativisme zegt ook dat je niet te veel mag bemoeien met en ingrijpen in andere culturen, daarom is het een kritiek op de Universele Mensenrechten (leerdoel 145).

 

Paragraaf 5

Het cultuurrelativisme roept de vraag op of er een universele moraal mogelijk is, we zagen al dat de sofisten deze opvatting verdedigen (dat de morele waarden en normen de mens niet van nature zijn gegeven, maar tot stand komen door overeenkomsten tussen mensen). Derhalve hebben deze morele waarden en hun normen op verschillende plaatsen en tijden niet altijd dezelfde geldigheid, deze ethische visie waarin gesteld wordt dat moraal cultuur- en persoonsgebonden is noemen we het ethisch relativisme. Het ethisch relativisme verdedigt de stelling dat er geen universele waarden bestaan en er zijn volgens deze theorie geen morele waarden die boven elke tijd, plaats en cultuur staan en derhalve voor iedereen, overal en altijd geldig zouden zijn. De morele waarden hebben slechts geldigheid binnen de cultuur die ze ontwikkeld heeft. De ethische relativisten verdedigen hun standpunt op de volgende manieren:

  • Het standpunt van het ethisch relativisme wordt opgeroepen door na te denken over het algemeen verbreide meningsverschil over moraal, zowel in onze tijd als in heel de menselijke geschiedenis. Op grond van deze constateerbare meningsverschillen moet men volgens de ethisch relativist wel concluderen dat er geen absoluut objectieve en dus universele morele waarheden bestaan.
  • Deze theorie is volgens de ethisch relativisten de enige weg voor ontwikkeling van een zelfrelativerende houding ten opzichte van de moraal, waardoor een tolerantere relatie met andere volken en hun culturele tradities mogelijk wordt. Zo zou ethisch relativisme een voorwaarde zijn voor wereldvrede.

 

Paragraaf 7

Kijk bij leerdoel 150.

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.