Jodendom

Ongeveer 4000 jaar geleden is het Jodendom ontstaan. Jodendom heeft niet alleen met religie te maken. Het gaat ook over het verhaal van een volk, met eigen gewoonten en tradities en een eigen cultuur.
Ontstaan: De belangrijkste bron van het Jodendom is de Tenach. Een belangrijk persoon in de Tenach is aartsvader Abraham. Hij is één van de drie aartsvaders samen met z’n nakomelingen Isaak en Jakob. Ook Mozes is belangrijk; hij heeft het Israëlitische volk bevrijd, omdat ze hen als slaven lieten werken. En hij heeft ze toen na –een tocht van 40 jaar- naar het beloofde land geleid. Hij ontving op de berg Sinaï de wetten voor zijn volk (de tien geboden). Deze zijn opgenomen in de Thora.
Eén God: Mozes heeft ook bedacht dat er maar één God was. De meeste volkeren aanbaden meerdere goden met hun eigen taken en eigenschappen dus dit was nieuw. De Israëlieten waren de eerste met een monotheïstische godsdienst. Zij vormden het door God gekozen volk: God sloot een verbond met hen. Zij hielden zich aan speciale wetten, hij zou voor hen zorgen. Dat staat aan het begin van de Tien geboden. Mensen mochten later geen beelden meer maken van Goden. Daardoor mensen geen beeld meer van hem en werd het allemaal steeds abstracter.
Koningen: De meest bekende koning was David en zijn zoon Salomo. David zou de psalmen (liederen over God, maar vooral over alle aspecten uit het menselijk leven) uit de bijbel hebben geschreven. Salomo liet een tempel in Jeruzalem bouwen, daarin stond: ‘Ark van het verbond’. In die houten kist werden de ‘stenen tafelen’ bewaard, waarop de tien geboden gegraveerd stond. Hier werden zoenoffers of dankoffers gehouden.
Profeten en Ballingschap: Belangrijke profeten waren Amos, Jesaja en Jeremia. Zij lieten kritische geluiden horen. Waarschuwden het volk, als ze verkeerd bezig waren. Amos ging hevig tekeer tegen mensen die vol uiterlijk vertoon offers brachten. Je innerlijk moet in overeenstemming zijn met wat je doet. Profeten waarschuwden het volk steeds dat het niet op moreel juiste manier handelde. En ook voor onheil. Dat onheil kwam toen de tempel in 586 vóór de gewone jaartelling verwoest werd door Babyloniërs en er een groep van 150 gedeporteerd werd. De profeet Ezra probeerde de eenheid te herstellen, hij las voor uit de Thora en zo leerde mensen Gods wetten weer kennen.
Diaspora: Dit betekent: Joden die zich over de aarde verspreiden. Vanaf het jaar 70 t/m 1948 heeft het Joodse volk geen eigen land meer gehad. Met de val van de tempel viel ook de plek om te offeren. Daarom werd nu het bestuderen van heilige geschriften belangrijker. Het Christendom is voortgekomen uit het Jodendom. (Boek.)
Vervolgingen: Joden werden vervolgd door Christenen (beschuldigd dat ze Jezus gedood zouden hebben) Door Moslims (omdat ze zich niet tot Islam bekeerden). Dit leidde soms tot Jodenhaat, waarin Joden werden vervolgd, verbannen of vermoord. Soms was het minder erg: niet vrij om te wonen waar ze wilden, mochten niet alle beroepen uitvoeren, niet trouwen met mensen uit ander geloof. In Islamitische landen en Spanje en Portugal, waar in de Middeleeuwen de islamitische Moren het voor het zeggen hadden, konden ze behoorlijk vrij leven. Dat betekende een grote groei voor de cultuur waarin grote denkers als Maimonides hun belangrijkste werken schreven.
Joodse Emancipatie: In de 18e en 19e eeuw ontstonden nieuwe stromingen binnen het Jodendom. Joden speelden een vooraanstaande rol in het culturele leven van vooral Duitsland en Oostenrijk. Belangrijke stroming in Polen: Chassidisme. Had vooral invloed op orthodoxe Joden. Daarin staat de gehoorzaamheid van de Joodse wetten centraal. En die heeft 613 regels. Mozes Mendelssohn is een belangrijke naam uit die tijd. Hij liet zien dat je in culturele zin Duits kon zijn, terwijl je in religieuze en persoonlijke zin Joods bleef. Het verschil tussen liberalen en orthodoxen gaat over de mogelijkheid van aanpassing aan de moderne tijd: hoe ver kun je, mag je daarin gaan. (Boek.)
De Shoah: Er zijn in de eeuwen heen veel joden vervolgd en vermoord. Geen duidelijke redenen; sommige religieuze aanduidingen; Christenen verweten Joden dat zij Jezus vermoord hadden en een verkeerde opvatting van de wet hanteerden. In de 19e eeuw ook een raciale aanleiding: het Joodse ras zou inferieur zijn aan het ‘Arische’ ras. Ze slaan nergens op, maar er werd toch in ze geloofd. Dat werd duidelijk in de Tweede wereldoorlog. Zes miljoen Joden zijn in kampen vermoord. Dat riep bij veel gelovigen vragen op: Waarom beschermde God hen daar niet voor? Belangrijke Jood: Etty Hillesum, haar dagboek is gevonden en uitgegeven.
De staat Israël: In 1948, na de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog word de staat Israël gesticht, eindelijk weer een thuisland. De bedoeling was dat ze hierin niet vervolgd konden worden, het was immers hún staat. Dat is wel anders, omdat er al mensen woonden, waar moesten die blijven? Vijandige staten: vooral Arabische landen. Jeruzalem is de heilige stad van Joden, Christenen en Moslims. Dat levert weleens problemen op. Voor Joden heeft Jeruzalem nog steeds een religieuze betekenis; dat is het land waar Mozes, zo’n 3000 jaar geleden de Israëlieten naartoe heeft geleid.
Monotheïsme: Joden geloven in één god. Een van de knelpunten tussen Joden en Christenen. Want Christenen geloven in God de Vader, Jezus zijn Zoon en de heilige Geest: De heilige drie-eenheid. Voor een Jood is dat heiligschennis. Andere kernpunten: God heeft een verbond gesloten met aartsvader Abraham. (Joden hebben speciale rechten en plichten) Deze zijn door God aan Mozes geopenbaard. Je hebt het dan over de 10 geboden. Joden geloven ook in Messias, degene die heil komt brengen, die de wereld weer heel zal maken. Hij zou een zoon van koning David zijn. Christenen geloven dat Jezus Messias is. Joden geloven dat de Messias nog moet komen.
Gebeden: Vrome joden zeggen tweemaal per dag een Bijbeltekst uit Deuteronomium. Die tekst word ook uitgesproken vlak voor het sterven. Traditionele Joden schrijven deze tekst op een stuk perkament en stoppen dat in een mezoeza (een kokertje aan de deurpost van het huis, dat altijd even word aangeraakt). Mannen dragen de tekst tijdens het gebed in de tefilien, de gebedsriemen, op hun voorhoofd en op hun linkerarm. Zo laten ze zien dat het middelpunt van hun denken in overeenstemming is met het woord van God en dat hun arm ermee ‘versterkt’ word. Een van de bekendste gebeden is het Sjemenoh Esrei. Dat bestaat uit verschillende zeggingen en gebeden die voor de helft het individu aangaan (genezing, wijsheid) en voor de helft de gemeenschap. Dit word staande uitgesproken terwijl men zachtjes heen en weer beweegt.
De Synagoge: Op de Sjabbat (rustdag-Zaterdag) komt de gemeente bij elkaar in de Synagoge. (letterlijk: Huis van samenkomst). Tijdens een samenkomst is het lezen van de Thora het belangrijkst. Deze eerste 5 boeken van de Tenach worden elk jaar helemaal gelezen. Voordat eruit gelezen wordt, worden de rollen waarop de Thora geschreven is, door de Synagoge gedragen. Synagoge word ook weleens Sjoel genoemd, afgeleid van het Duits ‘Schule’. Leren is in het Jodendom heel erg belangrijk. (Boek.)
Het heilige boek: Dat is de Tenach. Dat is een afkorting:
T=Thora, de vijf boeken van Mozes.
N= nevi’iem, de boeken van de profeten.
CH= chevoetim, verschillende geschriften zoals de psalmen en spreuken en het boek Job.
Vieren en gedenken: Tijden van vieren en gedenken volgen elkaar op. Er is een wekelijkse cyclus, waarin de sjabbat centraal staat. Zes dagen word er gewerkt, de zevende dag word er gerust volgens het Bijbelse scheppingsverhaal. De sjabbat begint op vrijdagavond bij zonsondergang. De vrouw des huizes steekt speciale kaarsen aan en spreekt een gebed uit. Daarna eet de familie samen een gezamenlijk een extra lekker sjabbatsmaal. Op de Sjabbat mag er niet gewerkt worden. Het is een dag om stil te staan, niks te doen.
Feesten door het jaar: De joden hebben een andere kalender en jaartelling. Het begin van de jaartelling ligt bij de schepping, 3761 jaar voor de gewone jaartelling. Er word een maankalender gevolgd, met maanden van 29 of 30 dagen. Het begint met Nieuwjaar, Rosj Hasjana. In de synagoge blaast men dan op de sjofar, de ramshoorn. Dat is een herinnering aan aartsvader Abraham, die zijn zoon Isaak aan God wilde offeren. God stuurde toen een Ram die als offer kon dienen. 10 dagen later is het Jom Kipoer, de grote verzoendag. Een van de heiligste dagen; er wordt nagedacht over zonden en fouten die men begaan heeft. Weer 5 dagen later begint Soekkot of het Loofhuttenfeest, dat een week duurt. Dan leeft men in een simpel hutje, ter herinnering aan de vlucht uit Egypte en de toch door de woestijn. De dag na het Loofhuttenfeest wordt Simchat Thora, de vreugde der wet, gevierd. Ze lezen eerst het laatste hoofdstuk uit de Thora en dan de Eerste. Chanoeka is de herdenking van de inwijding van de tempel, het feest van het licht. Elke dag wordt er één van de 8 kaarsen in de achtarmige kandelaar aangestoken. Het Poerimfeest herdenkt de periode van Ballingschap in het Perzische rijk van koning Ahasveros, die probeerde het Joodse volk uit te roeien. Dit werd voorkomen door de slimme Ester, een Joodse vrouw en minnares van de koning. Pesach, het joodse paasfeest, herdenkt de uittocht uit Egypte. De seidermaaltijd herinnert aan het overhaaste vertrek uit Egypte. Men eet Matzes, platte, ongezuurde en ongerezen broden en andere dingen die aan dat vertrek herinnerden. (Het duurt 8 dagen) Na zeven weken is het dan Sjavoeot, het wekenfeest. Dit is oorspronkelijk het oogstfeest, maar men denkt ook terug aan Mozes die op de 50ste dag na de uittocht uit Egypte, op de berg Sinaï de Tien geboden ontving.
Voedselvoorschriften: In totaal zijn er 613 voorschriften, mitswot, waar een jood zich aan moet houden. Orthodoxe Joden houden zich er strikt aan. Liberale Joden interpreteren ze vrijer. Voedselvoorschriften zijn het bekendst. Joden moeten koosjer eten, alleen bepaald voedsel is toegestaan, bijvoorbeeld: vlees van dieren met gespleten hoeven, die herkauwen –dus wel rund –en geen varkensvlees; zeedieren die vinnen en schubben hebben –dus wel schol en kabeljauw maar geen mosselen of garnalen. In dezelfde maaltijd mag geen vlees met melk of melkproducten gecombineerd worden. Ook attributen waar mee gekookt worden moeten gescheiden blijven. Andere voorschriften gaan over hygiëne en seksualiteit. (Boek.)
Besnijdenis: Op de 8ste dag na de geboorte word een Joods jongetje besneden. Dat is een teken van het verbond met god. Abraham was de eerste die besneden werd.
Bar Mitswa: Jongens worden op hun dertiende bar mitswa, zoon der wet. Het is een overgangsritueel. Hierna zijn kinderen in religieuze zin volwassen. Bij meisjes is dat af en toe ook, maar dan op hun 12e en dan heet het; Bat Mitswa.

Ongeveer 4000 jaar geleden is het Jodendom ontstaan. Jodendom heeft niet alleen met religie te maken. Het gaat ook over het verhaal van een volk, met eigen gewoonten en tradities en een eigen cultuur.
Ontstaan: De belangrijkste bron van het Jodendom is de Tenach. Een belangrijk persoon in de Tenach is aartsvader Abraham. Hij is één van de drie aartsvaders samen met z’n nakomelingen Isaak en Jakob. Ook Mozes is belangrijk; hij heeft het Israëlitische volk bevrijd, omdat ze hen als slaven lieten werken. En hij heeft ze toen na –een tocht van 40 jaar- naar het beloofde land geleid. Hij ontving op de berg Sinaï de wetten voor zijn volk (de tien geboden). Deze zijn opgenomen in de Thora.
Eén God: Mozes heeft ook bedacht dat er maar één God was. De meeste volkeren aanbaden meerdere goden met hun eigen taken en eigenschappen dus dit was nieuw. De Israëlieten waren de eerste met een monotheïstische godsdienst. Zij vormden het door God gekozen volk: God sloot een verbond met hen. Zij hielden zich aan speciale wetten, hij zou voor hen zorgen. Dat staat aan het begin van de Tien geboden. Mensen mochten later geen beelden meer maken van Goden. Daardoor mensen geen beeld meer van hem en werd het allemaal steeds abstracter.
Koningen: De meest bekende koning was David en zijn zoon Salomo. David zou de psalmen (liederen over God, maar vooral over alle aspecten uit het menselijk leven) uit de bijbel hebben geschreven. Salomo liet een tempel in Jeruzalem bouwen, daarin stond: ‘Ark van het verbond’. In die houten kist werden de ‘stenen tafelen’ bewaard, waarop de tien geboden gegraveerd stond. Hier werden zoenoffers of dankoffers gehouden.
Profeten en Ballingschap: Belangrijke profeten waren Amos, Jesaja en Jeremia. Zij lieten kritische geluiden horen. Waarschuwden het volk, als ze verkeerd bezig waren. Amos ging hevig tekeer tegen mensen die vol uiterlijk vertoon offers brachten. Je innerlijk moet in overeenstemming zijn met wat je doet. Profeten waarschuwden het volk steeds dat het niet op moreel juiste manier handelde. En ook voor onheil. Dat onheil kwam toen de tempel in 586 vóór de gewone jaartelling verwoest werd door Babyloniërs en er een groep van 150 gedeporteerd werd. De profeet Ezra probeerde de eenheid te herstellen, hij las voor uit de Thora en zo leerde mensen Gods wetten weer kennen.
Diaspora: Dit betekent: Joden die zich over de aarde verspreiden. Vanaf het jaar 70 t/m 1948 heeft het Joodse volk geen eigen land meer gehad. Met de val van de tempel viel ook de plek om te offeren. Daarom werd nu het bestuderen van heilige geschriften belangrijker. Het Christendom is voortgekomen uit het Jodendom. (Boek.)
Vervolgingen: Joden werden vervolgd door Christenen (beschuldigd dat ze Jezus gedood zouden hebben) Door Moslims (omdat ze zich niet tot Islam bekeerden). Dit leidde soms tot Jodenhaat, waarin Joden werden vervolgd, verbannen of vermoord. Soms was het minder erg: niet vrij om te wonen waar ze wilden, mochten niet alle beroepen uitvoeren, niet trouwen met mensen uit ander geloof. In Islamitische landen en Spanje en Portugal, waar in de Middeleeuwen de islamitische Moren het voor het zeggen hadden, konden ze behoorlijk vrij leven. Dat betekende een grote groei voor de cultuur waarin grote denkers als Maimonides hun belangrijkste werken schreven.
Joodse Emancipatie: In de 18e en 19e eeuw ontstonden nieuwe stromingen binnen het Jodendom. Joden speelden een vooraanstaande rol in het culturele leven van vooral Duitsland en Oostenrijk. Belangrijke stroming in Polen: Chassidisme. Had vooral invloed op orthodoxe Joden. Daarin staat de gehoorzaamheid van de Joodse wetten centraal. En die heeft 613 regels. Mozes Mendelssohn is een belangrijke naam uit die tijd. Hij liet zien dat je in culturele zin Duits kon zijn, terwijl je in religieuze en persoonlijke zin Joods bleef. Het verschil tussen liberalen en orthodoxen gaat over de mogelijkheid van aanpassing aan de moderne tijd: hoe ver kun je, mag je daarin gaan. (Boek.)
De Shoah: Er zijn in de eeuwen heen veel joden vervolgd en vermoord. Geen duidelijke redenen; sommige religieuze aanduidingen; Christenen verweten Joden dat zij Jezus vermoord hadden en een verkeerde opvatting van de wet hanteerden. In de 19e eeuw ook een raciale aanleiding: het Joodse ras zou inferieur zijn aan het ‘Arische’ ras. Ze slaan nergens op, maar er werd toch in ze geloofd. Dat werd duidelijk in de Tweede wereldoorlog. Zes miljoen Joden zijn in kampen vermoord. Dat riep bij veel gelovigen vragen op: Waarom beschermde God hen daar niet voor? Belangrijke Jood: Etty Hillesum, haar dagboek is gevonden en uitgegeven.
De staat Israël: In 1948, na de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog word de staat Israël gesticht, eindelijk weer een thuisland. De bedoeling was dat ze hierin niet vervolgd konden worden, het was immers hún staat. Dat is wel anders, omdat er al mensen woonden, waar moesten die blijven? Vijandige staten: vooral Arabische landen. Jeruzalem is de heilige stad van Joden, Christenen en Moslims. Dat levert weleens problemen op. Voor Joden heeft Jeruzalem nog steeds een religieuze betekenis; dat is het land waar Mozes, zo’n 3000 jaar geleden de Israëlieten naartoe heeft geleid.
Monotheïsme: Joden geloven in één god. Een van de knelpunten tussen Joden en Christenen. Want Christenen geloven in God de Vader, Jezus zijn Zoon en de heilige Geest: De heilige drie-eenheid. Voor een Jood is dat heiligschennis. Andere kernpunten: God heeft een verbond gesloten met aartsvader Abraham. (Joden hebben speciale rechten en plichten) Deze zijn door God aan Mozes geopenbaard. Je hebt het dan over de 10 geboden. Joden geloven ook in Messias, degene die heil komt brengen, die de wereld weer heel zal maken. Hij zou een zoon van koning David zijn. Christenen geloven dat Jezus Messias is. Joden geloven dat de Messias nog moet komen.
Gebeden: Vrome joden zeggen tweemaal per dag een Bijbeltekst uit Deuteronomium. Die tekst word ook uitgesproken vlak voor het sterven. Traditionele Joden schrijven deze tekst op een stuk perkament en stoppen dat in een mezoeza (een kokertje aan de deurpost van het huis, dat altijd even word aangeraakt). Mannen dragen de tekst tijdens het gebed in de tefilien, de gebedsriemen, op hun voorhoofd en op hun linkerarm. Zo laten ze zien dat het middelpunt van hun denken in overeenstemming is met het woord van God en dat hun arm ermee ‘versterkt’ word. Een van de bekendste gebeden is het Sjemenoh Esrei. Dat bestaat uit verschillende zeggingen en gebeden die voor de helft het individu aangaan (genezing, wijsheid) en voor de helft de gemeenschap. Dit word staande uitgesproken terwijl men zachtjes heen en weer beweegt.
De Synagoge: Op de Sjabbat (rustdag-Zaterdag) komt de gemeente bij elkaar in de Synagoge. (letterlijk: Huis van samenkomst). Tijdens een samenkomst is het lezen van de Thora het belangrijkst. Deze eerste 5 boeken van de Tenach worden elk jaar helemaal gelezen. Voordat eruit gelezen wordt, worden de rollen waarop de Thora geschreven is, door de Synagoge gedragen. Synagoge word ook weleens Sjoel genoemd, afgeleid van het Duits ‘Schule’. Leren is in het Jodendom heel erg belangrijk. (Boek.)
Het heilige boek: Dat is de Tenach. Dat is een afkorting:
T=Thora, de vijf boeken van Mozes.
N= nevi’iem, de boeken van de profeten.
CH= chevoetim, verschillende geschriften zoals de psalmen en spreuken en het boek Job.
Vieren en gedenken: Tijden van vieren en gedenken volgen elkaar op. Er is een wekelijkse cyclus, waarin de sjabbat centraal staat. Zes dagen word er gewerkt, de zevende dag word er gerust volgens het Bijbelse scheppingsverhaal. De sjabbat begint op vrijdagavond bij zonsondergang. De vrouw des huizes steekt speciale kaarsen aan en spreekt een gebed uit. Daarna eet de familie samen een gezamenlijk een extra lekker sjabbatsmaal. Op de Sjabbat mag er niet gewerkt worden. Het is een dag om stil te staan, niks te doen.
Feesten door het jaar: De joden hebben een andere kalender en jaartelling. Het begin van de jaartelling ligt bij de schepping, 3761 jaar voor de gewone jaartelling. Er word een maankalender gevolgd, met maanden van 29 of 30 dagen. Het begint met Nieuwjaar, Rosj Hasjana. In de synagoge blaast men dan op de sjofar, de ramshoorn. Dat is een herinnering aan aartsvader Abraham, die zijn zoon Isaak aan God wilde offeren. God stuurde toen een Ram die als offer kon dienen. 10 dagen later is het Jom Kipoer, de grote verzoendag. Een van de heiligste dagen; er wordt nagedacht over zonden en fouten die men begaan heeft. Weer 5 dagen later begint Soekkot of het Loofhuttenfeest, dat een week duurt. Dan leeft men in een simpel hutje, ter herinnering aan de vlucht uit Egypte en de toch door de woestijn. De dag na het Loofhuttenfeest wordt Simchat Thora, de vreugde der wet, gevierd. Ze lezen eerst het laatste hoofdstuk uit de Thora en dan de Eerste. Chanoeka is de herdenking van de inwijding van de tempel, het feest van het licht. Elke dag wordt er één van de 8 kaarsen in de achtarmige kandelaar aangestoken. Het Poerimfeest herdenkt de periode van Ballingschap in het Perzische rijk van koning Ahasveros, die probeerde het Joodse volk uit te roeien. Dit werd voorkomen door de slimme Ester, een Joodse vrouw en minnares van de koning. Pesach, het joodse paasfeest, herdenkt de uittocht uit Egypte. De seidermaaltijd herinnert aan het overhaaste vertrek uit Egypte. Men eet Matzes, platte, ongezuurde en ongerezen broden en andere dingen die aan dat vertrek herinnerden. (Het duurt 8 dagen) Na zeven weken is het dan Sjavoeot, het wekenfeest. Dit is oorspronkelijk het oogstfeest, maar men denkt ook terug aan Mozes die op de 50ste dag na de uittocht uit Egypte, op de berg Sinaï de Tien geboden ontving.
Voedselvoorschriften: In totaal zijn er 613 voorschriften, mitswot, waar een jood zich aan moet houden. Orthodoxe Joden houden zich er strikt aan. Liberale Joden interpreteren ze vrijer. Voedselvoorschriften zijn het bekendst. Joden moeten koosjer eten, alleen bepaald voedsel is toegestaan, bijvoorbeeld: vlees van dieren met gespleten hoeven, die herkauwen –dus wel rund –en geen varkensvlees; zeedieren die vinnen en schubben hebben –dus wel schol en kabeljauw maar geen mosselen of garnalen. In dezelfde maaltijd mag geen vlees met melk of melkproducten gecombineerd worden. Ook attributen waar mee gekookt worden moeten gescheiden blijven. Andere voorschriften gaan over hygiëne en seksualiteit. (Boek.)
Besnijdenis: Op de 8ste dag na de geboorte word een Joods jongetje besneden. Dat is een teken van het verbond met god. Abraham was de eerste die besneden werd.
Bar Mitswa: Jongens worden op hun dertiende bar mitswa, zoon der wet. Het is een overgangsritueel. Hierna zijn kinderen in religieuze zin volwassen. Bij meisjes is dat af en toe ook, maar dan op hun 12e en dan heet het; Bat Mitswa.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Anoniem

Anoniem

Hey

7 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast

Niek Rombauts

Niek Rombauts

Dit is dus geen samenvatting

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast