Samenvatting Hindoeïsme en Boeddhisme

Wegen naar verlossing



Hoofdstuk 1: Een eeuwige orde

Hindoeïsme



1. Het Hindoeïsme, zoals we dat nu kennen, is een samensmelting van twee bevolkingsgroepen. De Ariërs, een oorlogszuchtig volk uit het gebied van het latere Perzië, vielen Noord-India binnen en liep het volk dat zich daar vestigde (aanhangers van één van de oudste culturen in India, die geloofden ‘in het ritme van het leven’) rond 1500 v.c.j. volledig onder de voet. Ze vestigden zich voorgoed in India en vermengden zich met de oorspronkelijke bevolking.



2. Na de inval van de Ariërs heeft de Indiase samenleving zich gevormd in verschillende lagen. Deze lagen worden kasten genoemd. Kaste, dat oorspronkelijk in het Sanskriet warna genoemd wordt, slaat terug op de kleur die een kaste (vroeger) had.



- Elitaire bovenlaag, Brahmanen:

(Arische) priesters

Ze regelen en voltrekken de godsdienstige rituelen in de tempel. Tegenwoordig kunnen zij ook hoge ambtenaren e.d. zijn.

Kleur: Wit

- Twee middenlagen:

Ksatria’s: militairen, bestuurders, ministers, hoge ambtenaren of Indiase adel

Kleur: Rood

Vaisja’s: landeigenaren, middenstanders, boeren en arbeiders

Kleur: Bruin

- Onderste laag:

Oorspronkelijke bewoners (slaven en dienaren)

Kleur: Zwart

In de loop van de tijd hebben er zich binnen bovenstaande kasten wel meer dan 2000 (sub)kasten gevormd. De kaste waarin je geboren bent, kun je tijdens je leven ook niet verlaten. Op het gebied van religieuze reinheid en in het sociale verkeer zijn er veel regels waar kasteleden zich aan moeten houden om de aard van de kaste te beschermen.



Kastelozen, de onderdrukten van de samenleving, worden vaak als onrein beschouwd (hiermee wordt rituele reinheid bedoeld), omdat dezen helemaal onderaan staan. Men vermijd meestal ook aanraking met buitenlanders, omdat die ook niet tot een kaste behoren. De mensen uit de hoogste kasten zijn reiner dan mensen uit lagere kasten.





3. De Samsara is de voortdurende kringloop van reïncarnatie van de ziel (atman). De wedergeboorte heeft te maken met je karman (eindsaldo goede en slechte daden). Is je karman goed, dan wordt je wedergeboorte in een hogere kaste, is het tegenovergestelde aan de hand, dan bestaat er zelfs een kans dat je als dier wedergeboren wordt. Het hoogste levensdoel van een hindoe is de moksja (verlossing). Hier wordt de kringloop van wedergeboorten doorbroken doordat de atman terugkeert naar de goddelijke bron (brahman). Deze weg is echter moeilijk, omdat de mens moet leren loslaten waaraan hij in het leven gehecht is.



De dharma is de goddelijke orde van het natuurlijke evenwicht, van de vaste ritmes in heel de kosmos (bijv. dat elke dag de zon opkomt). Diezelfde dharma schrijft ook geboden en verboden voor, die gebruikt worden voor het dagelijks leven (bijv. dat je niet mag liegen). De geboden en verboden voor het dagelijkse leven liggen voor een hindoe net zo vast als de natuurwetten. Overtreding van de regels kan nare consequenties met zich meedragen. Naast het vervullen van de plichten van de dharma is er voor de hindoe ook de weg van meditatie (bewuste concentratie op een onderwerp) om tot verlossing te komen. Het inzicht, door meditatie verkregen, dat de atman van ieder mens in wezen hetzelfde is als het goddelijke brahman, is een weg die naar de moksja leidt. Naast meditatie, die een meer intellectuele weg naar verlossing verschaft zijn er nog twee andere wegen:

- belangeloos je plichten vervullen (ook de plichten die bij je kaste horen)

- verering van de goden (dagelijkse verzorging van beelden van de goden, gaven geven e.d.)



4. Hindoes geloven dat de hele natuur van goddelijke aard is. Bepaalde indrukwekkende plaatsen in de natuur (bijv. de Himalaya of de Ganges) worden als woonplaatsen van de goden gezien. De duizenden goden van het hindoeïsme zijn van oorsprong altijd verbonden geweest met de natuur, maar later werden ze ook als beschermgoden voor bepaalde mensen of activiteiten gezien.



Bij de hindoegoden is er sprake van een rangorde. Bovenaan staan de volgende drie ‘hoofdgoden’, die vaak als drie-eenheid (trimoerti) worden gezien, want elk van deze drie is op een eigen wijze bij de schepping betrokken:

- Brahma: de personificatie van het brahman, het goddelijke oerbeginsel van alles wat bestaat. Wordt gezien als de schepper. Er zijn haast geen beelden of tempels van hem omdat hij als zo’n hoge en verre god wordt gezien.

- Visjnoe: de ‘heer van de wereld’, creëerde na Brahma alle levensvormen voor het eerst op aarde, wil de mensen ook verlossen van het kwaad en is daarom in verschillende gedaanten op aarde gekomen.

- Sjiva: de god die verantwoordelijk is voor de schepping volgens het ritme van het leven, god van tegenstellingen en kringloop (bijv. schepper en doder), zo symboliseert deze god ook de vruchtbaarheid.



Andere goden:

- Ganesja: god van wijsheid en moed, helpt mensen met praktische problemen, aan hem worden bij verschillende dingen (bijv. het nieuwe jaar, een verhuizing), om zegen en hulp gevraagd.

- Krisjna: hoewel hij ook gezien wordt als een verschijning van Visjnoe, wordt hij ook beschouwd als enige of belangrijkste god.



5. De Hindoes kennen een aantal heilige boeken die in twee groepen worden verdeeld:

1. de oudste teksten (geopenbaarde boeken waarvan men gelooft dat de inhoud van goddelijke oorsprong is)

Hiervan zijn er vier boeken (Veda’s), op schrift gesteld door Arische priesters tussen 1500 en 1000 v.c.j. In deze boeken wordt beschreven hoe de brahmaanse priesters de rituelen moeten uitvoeren.



2. de jongere geschriften (boeken van overlevering, inhoud gemaakt door mensen)

Hierbij horen de Oepanisjads (geschreven tussen 600 en 300 v.c.j., waarin een heel andere weg naar verlossing beschreven wordt dan in de Veda’s: de eenwording van de atman met het brahman)

en twee grote verhalenbundels in dichtvorm, Ramajana (Rama’s levensloop) en Mahabraharata (De nakomelingen van Bharata). Deze verhalenbundels zijn voor het gewone volk veel makkelijker te lezen. Er spelen belangrijke thema’s, zoals het kwaad in de wereld en liefde en trouw, een rol. Deze verhalen worden op verschillende manieren (ook d.m.v. toneel en dans) onder de aandacht gebracht.



Hoofdstuk 2: Een religie om te doen

Hindoeïsme



1. Ons dagelijks leven zit vol met rituelen en symbolen. Een symbool is een voorwerp of een afbeelding dat op zijn eigen manier een boodschap uitdraagt. Rituelen zijn handelingen die een symbolische betekenis hebben. Vaak moeten ze ook op een bepaalde manier worden verricht.



2. Door de vele rituelen die bij het hindoeïsme horen wordt het ook wel een ‘doe-godsdienst’ genoemd. De meeste godsdienstige rituelen kunnen we onderscheiden in de volgende drie groepen:

- rituelen van het dagelijks leven: Er wordt gebeden aan het begin en het einde van elke dag. Na het opstaan wordt een bad genomen (reiniging). Daarna kan de dagelijkse verering (puja) beginnen. Er wordt dan ondermeer wierook gebruikt, het beeld wordt gewassen e.d. De hele familie doet hier actief aan mee. De hindoes kennen niet een wekelijkse heilige dag waarop zij naar de tempel gaan, dit gebeurt meestal alleen op feestdagen waarbij de tempel als heilig beschouwd wordt.

- rituelen van de jaarcyclus: Er zijn twee belangrijke jaarlijkse feesten. Met het holifeest wordt de komst van de lente gevierd en hiermee begint er een nieuw jaar. Bij dit feest wordt er een brandstapel – de holika – aangestoken. Dit is aan de ene kant een vreugdevuur, maar aan de andere kant ook een vuur waarin het kwade wordt verbrand. Rond het vuur wordt gebeden en gezongen en er wordt symbolisch, door een handvol rijst op het vuur te gooien, afstand gedaan van de slechte gedachten en daden. De volgende dag wordt er met elkaar gebeden en daarna wordt er een beetje as op ieders voorhoofd gesmeerd waarop het een dolle boel wordt als iedereen elkaar met as bestrooit.

Het divalifeest dat in november gevierd wordt, is het feest van het licht. Op de dag van de nieuwe maan wordt de terugkeer van koning Rama na zijn overwinning op de demonenkoning Ravana gevierd. Voor het divalifeest worden de huizen goed schoongemaakt, omdat men gelooft dat Laksjimi, de vrouw van Visjnoe, voor een jaar in de goed schoongemaakte huizen zal wonen, hetgeen voor welvaart en geluk zorgt.

- Rituelen van de levenscyclus:

Geboorte: Bij de zwangerschap wordt er gebeden voor een goede zwangerschap. Als het kind geboren is zal de vader het een druppeltje honing en roomboter geven, waarop hij met een stokje het aum-teken op de tong van de baby maakt, waarna hij een zegenspreuk in het oor van de baby fluistert. Na tien dagen vindt de naamgeving plaats. De laatste ceremonie is het knippen van het eerste haar. Een familielid zal dit haar daarna verwerken in meeldeeg, dat na een offerdienst in het water van een rivier wordt geworpen.

Huwelijk: De meeste huwelijken worden gearrangeerd. Aan de familie van de bruidegom wordt een bruidsschat betaald. Veel Hindoes in India geven daarom de voorkeur aan zonen. In het huwelijksritueel wordt er zeven keer rond het offervuur gelopen. In het vuur wordt dan rijst gepoft als een offer aan de goden. De graankorrels die in het vuur worden geworpen symboliseren vruchtbaarheid en afweer tegen ongeluk.

Levenseinde: Door de familieleden worden magische spreuken opgezegd en er wordt rijst geofferd die de geesten van het dodenrijk gunstig moeten stemmen. Doden worden meestal gecremeerd waarbij de oudste zoon of een ander familielid de brandstapel aansteekt. De ziel maakt een overgang naar een nieuw bestaan. De as van de overledene wordt in bij voorkeur in de heilige rivier als de Ganges of de Indus gegooid.



Plaatsen waar de goddelijkheid gemakkelijk te ervaren is (de zogenaamde ‘oversteekplaatsen zoals de stad Benares of de rivier de Ganges) worden vaak bezocht als een pelgrimstocht. Ook zijn er meestal tempels gebouwd op plaatsen waar een godheid verschenen zou zijn.



In India kun je op pelgrimsplaatsen en op straat heilige mannen (sadhoes) tegenkomen. Deze schaars geklede mannen bezitten niets. Zij hebben afstand gedaan van al het aardse om zich te richten op het eeuwige. Daarbij doen ze yoga en meditatie om dit gevoel te versterken. Het leven van een sadhoe (eveneens een persoon uit één van de drie hoogste kasten), bestaat uit vier fasen:

1. een initiatieritueel waarbij hij het ‘heilige koord’ ontvangt dat een symbool is voor zijn ‘tweede geboorte’. Daarna moet er een opleiding gevolgd worden waarop hij weer naar huis terugkeert om weer gewoon naar school te gaan, een beroep te leren en een gezin te stichten.

2. Het is de plicht van de sadhoe om goed voor het gezin te zorgen. Wanneer zijn zoon zo oud is dat deze op zijn beurt een gezin kan stichten, trekt hij zich terug om zich te richten op de godsdienst en meditatie.

3. De onthechting van alle aardse goederen. Het huis wordt meestal verlaten wanneer hij grootvader is geworden, zodat hij zich werkelijk los kan maken.

4. De fase van de sadhoe. Zonder enige binding trekt hij van pelgrimsplaats naar pelgrimsplaats.



3. Na een jarenlange onafhankelijkheidsstrijd werd de koloniale macht die de Engelsen vanaf 1857 over India hadden uitgeoefend, overgedragen aan de Indiërs. De hindoeleiders Gandhi en Nehru speelden hier niet alleen een belangrijke rol in, ook de moslimleider Jinnah. Door deze gezamenlijke strijd waren ze het erover eens dat het land zou worden opgedeeld in twee onafhankelijke staten: Pakistan (Moslims) en India (Hindoes). Hierdoor kwam er een grote volksverhuizing op gang waarbij ruim een half miljoen doden zijn gevallen door geweld van beide kanten. In India bestaan er zo nog een aantal politieke brandhaarden (zoals in Kasjmir, waar de moslims de meerderheid vormen en het liefst willen verenigen met het buurland Pakistan). Het streven naar afscheiding resulteert op deze manier vaak in politieke gewelddadigheden.



Hoewel het kastenstelsel in 1950 officieel is afgeschaft, heeft het op het platteland nog steeds grote invloed en dit geldt vooral voor de laagopgeleide mensen. In de steden wordt de invloed steeds iets meer weggevaagd. De overheid wil iets doen aan de onderdrukking van de mensen uit de lagere kasten, maar dit zorgt vaak ook voor verzet bij leden uit hogere kasten. Kasten hebben niet alleen een negatieve betekenis. Het is ook een sociaal vangnet van levensbelang.



Gandhi (1869-1948), kreeg de eretitel Mahatma, dat grote ‘Grote Ziel’ betekent door zijn inzet voor gelijkheid onder mensen. Hij is vooral bekend geworden door zijn principe van geweldloos verzet. Ahimsa (dat letterlijk betekent: levende wezens niet dood maken), is volgens hem hét middel om verantwoordelijk en actief in de wereld te staan. Geweldloosheid brengt de tegenstander tot nadenken. Volgens Ghandi is God de waarheid. Zij die zich daar aan houden zouden innerlijk sterk en onkwetsbaar zijn.



Hoofdstuk 3: Een religie zonder goden

Boeddhisme



1. Het boeddhisme kent wel een stichter: Siddharta Gautama (geboren in ongeveer 560 v.c.j. als zoon van een heerster van een klein hindoeïstisch koninkrijk). Volgelingen noemde zichzelf boeddhisten, vernoemd naar de eretitel die de stichter werd toegekend (Boeddha betekent de ontwaakte of verlichtte). Het was bij de geboorte al een wonderbaarlijk kind. Boeddha is opgevoed als hindoe en geloofde in alles wat daarbij hoorde. Doordat hij, ondanks de verboden van zijn vader, buiten de paleismuren in aanraking kwam met ouderdom, ziekte en dood, veranderde hij zijn leven en werd hij een sadhoe. Hij deed afstand van al zijn bezittingen en leed een moeilijk en sober bestaan. Toch vond hij op deze manier geen verlossing. Door een diepe nachtelijk meditatie kreeg hij een wonderbaarlijke ervaring en zag hij de ware weg naar verlossing die hem deed ontwaken.



2. Met dit antwoord heeft Boeddha een heel nieuwe afwijkende leer uitgewerkt. Hij geloofde niet dat de rituelen die door priesters werden uitgevoerd verlossing zou leveren uit de samsara (de kringloop van de wedergeboorten). Ook zou de ziel (atman) niet van goddelijke oorsprong zijn. Een goddelijke schepper zou niet bestaan. De eeuwige wetmatigheid van de kosmos is de enige bovenaardse macht die alles beheerst (de wet van karma). Eveneens worden alle goede en slechte daden van mensen volgens die kosmische wetmatigheid gevolgd door even zo vele positieve of negatieve gevolgen. Deze gevolgen zijn een beloning of een straf voor de daden van mensen. De goden in andere religies zouden alleen maar personificaties van deze wetmatigheid van het heelal zijn.



Volgens de Boeddha in reïncarnatie een eeuwigdurende kringloop van oorzaak en gevolg. Hier wordt niets met een ziel of goddelijke kern bedoeld. Het zijn de goede en slechte daden van de mensen van nu, die tot gevolg hebben dat er in de toekomst mensen in goede of slechte omstandigheden worden geboren. Dit heeft te maken met twee krachten:

- begeerte (onophoudelijk verlangen van de mensen naar aardse bezittingen)

- onwetendheid (het gebrek aan inzicht die leidt naar verlossing)



De twee elementen om verlossing worden door Boeddha samengevat in zijn leer van de vier waarheiden:

1. Al het leven is lijden: Hier wordt niet een voortdurend lijden aan lichamelijke pijn of een diep ellendig gevoel bedoeld, maar de gehechtheid aan deze wereld en aan dit leven, waarbij voortdurend gehoopt wordt dat alles mooier en beter wordt.

2. Het lijden ontstaat door verlangen: Lijden en verlangen horen bij elkaar, het eerste wordt altijd veroorzaakt door het tweede (zoals je hoopt aantrekkelijk te blijven, maar je lichaam veroudert).

3. Het opgeven van verlangens stopt het lijden: Als de verlangens het leven niet meer beheersen, zijn er ook geen teleurstellingen.

4. Het achtvoudige pad maakt vrij van verlangens: Om volledig afstand te doen van je verlangens, moet er een pad gevolgd worden met acht stappen.

Stap 1+2: bewustwording

1. Het juiste inzicht (in je ‘lijdend bestaan’)

2. Het juiste besluit (uit deze situatie weg te komen)



Stap 3,4 en 5: vormen van een nieuwe leefwijze

3. Het juiste spreken (taal niet gebruiken om anderen te kwetsen)

4. Het juiste handelen (geen kwaad t.o. levende wezens)

5. Het juiste levensonderhoud (een eerlijk en betrouwbaar beroep)



Stap 6, 7. en 8: vormen van een nieuwe levensinstelling

6. De juiste inspanning (wat heilzaam is bevorderen)

7. De juiste aandacht (voor de lijdende wereld om je heen)

8. De juiste concentratie (situaties waar jij anderen van dienst kunt zijn)



Als een mens zich deze vier waarheden eigen maakt, zal hij de kringloop van oorzaak en gevolg doorbreken. Deze totale verlossing wordt nirwana (wat letterlijk uitgewaaid zijn en uitgedoofd zijn betekent) genoemd. Nirwana kan zowel het niet-meer-bestaan van een persoon zijn, maar ook de volmaakte innerlijke rust.



3. Het wiel met de acht spaken is een symbool voor het achtvoudige pad (de boeddhistische leer, de dharma). Boeddha wilde deze nieuwe inzichten aan zoveel mogelijk mensen bekend maken. In de stad Benares hield hij zijn eerste toespraak, waarbij hij zijn eerste volgelingen kreeg. Dit was het begin van de boeddhistische leer.



Het aantal boeddhistische monniken groeide snel, en om de gelijkheid die in de boeddhistische leer een rol speelde, werden vooral mensen uit de lagere kasten aanhangers. De Boeddha wilde niet aanbeden worden, maar een voorbeeld zijn om een verlichte te kunnen worden. Kenmerkend voor het boeddhisme in Zuioost-Azië zijn de stoepa’s. Dat zijn kegelvormige bouwwerken die van oorsprong grafheuvels zijn. Hierin zit de als van de Boeddha, die stierf op tachtigjarige leeftijd.



De gehele bevolking is door het regeren van keizer Asjoka (tussen 300 en 200 v.c.j.) bekend geworden met de boeddhistische leer. De meerderheid bleef echter Hindoe, want de boodschap van de leer van de Boeddha is van oorsprong niet een die veel mensen inspireert tot navolging. Alleen mensen die ervoor kozen om monnik te worden waren in staat zo’n leven te leiden. Omdat het voor de meeste mensen te moeilijk was, bleef het een monnikenreligie (kreeg later de benaming Hinayana, wat het kleine voertuig betekent). Wel kwam er, ongeveer 100 v.c.j. een andere, massalere stroming tot ontwikkeling, die Mayayana (het grote voertuig) wordt genoemd. Hierbij gaat het om verlossing van heel de mensheid i.t.t. tot de Hinayana-aanhangers, die teveel met hun eigen verlossing en dus zijn eigen belangen bezig zouden zijn. Boeddha wordt bij deze stroming echter wel als een heilig wezen, die iedereen zal verlossen, gezien. Zij geloven niet zozeer in het loslaten van alles, maar vertrouwen ook op het uitvoeren van bepaalde rituelen en gebeden in de tempels.



Vierhonderd jaar lang werd alles over de leer van Boeddha mondeling (door)verteld. Rond het begin van de christelijk jaartellen werden ze pas op schrift gesteld. Deze geschriften zijn in het Pali geschreven (een oude taal die niet meer wordt gesproken, maar in deze taal heeft Boeddha zijn leerlingen onderwezen). Deze boeddhistische boeken worden daarom Pali-geschriften genoemd, maar ze worden ook wel Tripitaka genoemd (wat de drie korven betekent). Alle woorden van Boeddha zouden op palmbladeren geschreven zijn en in drie korven zijn bewaard:

Eerste korf: de regels voor monniken en voor het kloosterleven.

Tweede korf (belangrijkst): de leidraad (soetra’s), dit zijn de gesprekken die Boeddha met zijn leerlingen heeft gevoerd.

Derde korf: latere uitleg van boeddhistische leer.



Hoofdstuk 4: Een stijl van leven

Boeddhisme



1. De boeddhistische ethiek gaat uit van het geloof dat alle mensen aan elkaar gelijkwaardig zijn en dat de mens in staat is in vrijheid te keizen tussen goed en kwaad (zonder het vereren van een godheid). Het kwaad zal zichzelf straffen en het goede zichzelf belonen.



Naast het achtvoudige pad, dat de weg vormt naar de uiteindelijke verlossing, zijn er vijf basisregels/geboden (alle regels zijn even belangrijk):

1. Geen levende wezens doden (ahimsa) Hierbij zijn dieren evenveel waard als mensen. Dit in tegenstelling tot Nederland waar vele dieren worden gebruikt voor de bio-industrie e.d.

2. Niet nemen wat je niet gegeven is.

3. De seksualiteit niet misbruiken.

4. Geen onwaarheid spreken.

5. Geen bedwelmende middelen gebruiken (hierbij wordt ook overdadige luxe bedoeld).

In bovenstaande regels staat mededogen voor de ander centraal, en heeft het niets te maken met rituele voorschriften of plichten.



2. De weinige rituelen die het Hinayana-boeddhisme kent, zijn gebaseerd op bezinning.



Vanaf jonge leeftijd kunnen jongetjes aan de zorg van een klooster worden toevertrouwd, waar ze een lange opleiding krijgen. Als een man twintig jaar wordt, kan hij besluiten om definitief bij het klooster te blijven. Daarbij horen twee overgangsrituelen: het hoofd wordt kaal geschoren waarbij hier drie keer een gelofte uit moet spreken. Het tweede ritueel is het overhandigen van drie monnikskleden, een bedelnap, een snoer met kralen (voor het opzeggen van heilige teksten), een scheermes om zich regelmatig kaal te schreren en een naald voor het verstelwerk van zijn kleren.

De mensen die in landen waar het Hinayana-boeddhisme voorkomt, voelen het als een plicht en een eer om monniken van eten en drinken te voorzien. De taken van de monniken hebben vooral te maken met de dagelijkse zorg voor het klooster. Verder bespreken ze de Pali-teksten, reciteren soetra’s, mediteren ze, geven ze onderwijs en bieden ze mensen hulp.



Boeddhistische rituelen vinden vaak bij de stoepa’s plaats. Dagelijks gaan ze hier een aantal keren rond en worden er gebeden opgezegd. Om de goden, geesten en demonen te vriend te houden, en zo het evenwicht in de kosmos te handhaven, bidt en offert een boeddhist vrijwel dagelijks.



Pelgrimstochten zijn voor boeddhisten een symbool van hun levensweg in de richting van het nirwana. De volgende plaatsen worden daarbij vaak bezocht: Bodh Gaya (hier zou Siddharta zijn Verlicht), het Loembinipark (waar hij geboren zou zijn), Benares (hier hield hij zijn eerste toespraak) en Koesjinara (hier stierf hij aan de oever van de rivier).



Er zijn geen echtte boeddhistische rituelen bij de belangrijke momenten in het leven, maar de volgende dingen worden het meest gedaan:

- bij de geboorte: ouders brengen hun kind zo spoedig mogelijk na de geboorte in contact met boeddhistische rituelen. In de tempel wordt het aan de voeten van het boeddhabeeld neergelegd om een zegen te ontvangen.

- het huwelijk: bruidsparen ontvangen graag een zegen in een tempel. Dat is een korite plechtigheid waarbij kaarsen aangestoken worden, wierook wordt gebrand, bloemen worden neergelegd, heilige schriften worden gelezen waarin elkaar trouw wordt beloofd en witte sjaals worden uitgewisseld.

- crematie/begrafenis: de dode wordt gecremeerd en de as wordt in een urn bewaard. Soms wordt dit uitgestrooid. In China, Japan en Tibet komt begraven meer voor. Afscheidsrituelen (de dode wordt gewassen, gekleed en de monniken gaan voor in een korte ceremonie) bevorderen een goede overgang naar de andere zijde van de dood.



Er zijn drie belangrijke jaarlijkse feesten (drie heilige juwelen):

- Vesakha Puja: Het belangrijkste feest, het feest van de Boeddha. Hier wordt gevierd dat de Boeddha als de verlichte Meester in de wereld kwam. Hierbij houden monniken vooral speciale vieringen. De geboorte van Siddharta, het bereiken van de Verlichting en de sterfdag wordt hierbij herdacht.

- Magha Puja: Het feest van de Sangha. Hier worden de sadhoes herdacht die naar Boeddha kwamen in de stad Rajagaha (volgelingen).

- Asalha Puja: Het feest van de Dharma. Hierbij wordt de leer die Boeddha voor het eerst verkondigde herdacht. Hiermee breekt ook een periode van bezinning aan. Monniken en nonnen trekken zich terug uit het dagelijks leven.

- Boeddhistisch Nieuwjaar: Een belangrijk feest op de boeddhistische kalender waar drie dagen lang gevierd wordt vanaf de eerste volle maan in april.



3. Nu is slechts 1% van de bevolking boeddhist, terwijl rond het jaar 200 de meerderheid van de bevolking boeddhist was (volgens de leer van de ouden). De Mahayana-stroming heeft hier de plaats van ingenomen, waardoor het ook naar andere landen is overgewaaid (hierdoor ontstonden er ‘regionale vormen’ van het boeddhisme). Langzamerhand is deze stroming in India weer opgegaan in het Hindoeïsme (dit kwam doordat brahmaanse priesters Boeddha als een incarnatie van Visjnoe verklaarden).



Het boeddhisme in Tibet heeft zich vermengd met plaatselijke natuurreligies. De nadruk ligt vooral op geweldloosheid. De priesters hebben de titel lama; het hoofd heet dalai-lama.



In China vormen het boeddhisme en oude Chinese filosofieën de basis voor de klassieke ‘Chinese godsdienst’.



In Japan is het begrip ‘zen’ belangrijk in het boeddhisme, dat daar populair werd in de twaalfde eeuw. Het heeft te maken met mediteren om daarbij het juiste inzicht over jezelf te krijgen. Nu is het daar vooral een monnikengodsdienst.



Hier in Nederland zijn er ongeveer 400.000 aanhangers van het Boeddhisme, waarvan 70.00 van buitenlandse afkomst zijn.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

mooi gedaan

8 jaar geleden

K.

K.

Goede samenvatting, vooral als met in de komende week de toetsweek...hele jaar niks geleerd uit het boekje en nu opeens toets over het hele boek. Thx voor de samenvatting.

Off: klein aandachtspunt veel spelfoutjes (waarbij je moet gokken wat er staat) maar dat boeit niet

8 jaar geleden

M.

M.

H4.3 is 1 procent van India, 8 procent ongeveer van totale bevolking

7 jaar geleden