Tekenen blz 39 t/m 58
Renaissance 1400-1530
Tegen het eind van de 14e eeuw verloren de kerk en het christelijk geloof steeds meer terrein in het leven van de middeleeuwse burger. Het zelfbewustzijn en het cultureel besef namen toe. Men nam minder genoegen met de overheersende rol van de kerk. Wetenschappen verzwakten de positie van de kerk. Er ontstond een drang om van alles te onderzoeken en nieuwe terreinen te ontdekken, waartoe ook de klassieke beschaving behoort.
Renaissance  opnieuw geboren worden.
De bakermat van de Renaissance lag in Florence. Daar werden mensen steeds geïnteresseerder in de Griekse en Romeinse kunst, het was hét voorbeeld voor de Renaissance-kunstenaars. In de schilderkunst werd nabootsing van natuur het grote ideaal.
De uitvinding van de boekdrukkunst zorgde voor een snelle verspreiding van de opvattingen van de Renaissance.
In de vormgeving van de gebouwen is tussen het begin en het eind van de Renaissance een duidelijke ontwikkeling te zien. Om achter het geheim van de harmonische maatverhoudingen van de klassieke tempels te komen, bestuurden architecten de geschriften van de klassieke bouwmeesters nauwkeurig. Hieruit blijkt dat de verhoudingen afgeleid zijn van de verhoudingen van het menselijk lichaam. Een vaste eenheidsmaat (modulus) is uitgangspunt geweest voor de plattegrond en de opstand van gebouwen. De modulus is onder andere afgeleid van de gulden snede (wiskundig verband tussen twee lijnstukken).
Voor de plattegrond van gebouwen wordt uitgegaan van geometrische basisvormen als, de rechthoek, het vierkant en de cirkel. De vlakke plafonds van de gebouwen zijn vaak versierd met cassettes (een kruisconstructie van balken met daartussen dieper liggende vierkante vlakken).
In een Italiaans palazzo zijn de kenmerken van de vroeg-renaissance duidelijk zichtbaar. Het ziet er robuust en gesloten uit. De buitenmuren zijn rustica (grote blokken natuursteen). Horizontale geledingen benadrukken de plaats van verdiepingsvloeren. De drie bouwlagen zijn voorzien van pilasters,en het dak wordt voorzien van een brede vooruitspringende kroonlijst.
Inspiratiebron voor architecten uit de hoogrenaissance is het Romeinse Pantheon. Een vaak toegepaste bouwvorm hier is centraalbouw, bekroond met een koepel. De halfzuilen en andere muurversieringen kregen in de 16e eeuw steeds meer aandacht, de nissen zijn onderworpen aan een wetmatigheid met de ideale maatverhoudingen van de gulden snede. De buitenmuren worden dynamischer.
In de ‘Geboorte van Venus’ behandelt Botticelli een mythologisch thema, een nieuw thema in de schilderkunst. De nauwkeurige, realistische uitbeelding van de figuur speelt in de schilderkunst een belangrijke rol. Ook aan de weergave van de natuur wordt veel aandacht besteed.
Door rijke burgers als opdrachtgevers, ontstaat er portretkunst. Ze laten zich op een bescheiden plekje in een religieus tafereel afbeelden. Daarna krijgen ze een steeds belangrijkere plaats in de schilderijen.
De figuren worden steeds realistischer weergegeven, omdat schilders in lijken sneden om de anatomie van het menselijk lichaam steeds beter te leren kennen. Schilders passen de wetten van het perspectief toe in muurschilderingen. Lijnperspectief  alle evenwijdige lijnen eindigen op de horizon in het verdwijnpunt. De kunstenaars wilde dat zijn werk een harmonieuze schoonhoud zou uitstralen, door de keuze van de kleuren, ideale vormen en proporties en de symmetrische compositie toe te passen. Met sfumato (rook) probeerden ze dat esthetische effect te bereiken.
Nauwkeurige observatie van het landschap heeft Da Vinci gebracht tot de toepassing van atmosferisch perspectief.
De belangrijkste schildertechnieken van Renaissance  olieverf en tempera op paneel, fresco a secco.
De belangrijkste tekentechnieken  pen en inkt, krijt,metaal- of zilverstift op papier.
Druktechnieken  etsen, koper- en houtgravures, en houtsneden.
Kunstenaars tijdens de Renaissance worden steeds belangrijker. Da Vinci is een goed voorbeeld van de Uomo Universale. Tijdens de Renaissance worden schilderijen voor het eerst gesigneerd, dit beketende het toenemen van het zelfbewustzijn van de kunstenaars.
Een nieuw verschijnsel is ook het aanleggen van kunstcollecties  het verzamelen van dure kunstvoorwerpen of schilderijen betekent geld beleggen en geeft een bepaalde status.
Beroemde Renaissance schilders  Masaccio, Michelangelo, Botticelli en Rafael.
Grote bekendheid tijdens hoogrenaissance  Titiaan, Tintoretto en Veronese.
In Noord-Europa worden in de schilderijen van Holbein, Grunewald, Brueghel de kenmerken van de Renaissance op een geheel wijze toegepast.
Ook de schilderijen uit de Renaissance hebben als doel iets te leren aan de mensen, kunstenaars schilderden echter niet alleen geloofswaardigheden, maar ook deugden.
Allegorie  symbolische voorstelling, vb: Aristoteles en Plato met hun wijsheden, afb 11 blz 43.
Beeldhouwers ontlenen hun onderwerpen aan de klassieke mythologie of de bijbel.
De beelden uit de Renaissance hebben geïdealiseerde vormen en proporties. De makers besteden veel aandacht aan de anatomie van het lichaam van de mens. Voor het eerst in de klassieke oudheid komen de beelden ook los van de muur. Behalve vrijstaande beelden worden er ook voor het eerst weer meer dan levensgrote ruiterstandbeelden van beroemde veldheren gemaakt.
De beeldhouwers van de hoogrenaissance laten zich meer inspireren door de hellenistische periode.
Het doel van de beelden is het uitbeelden van schoonheid. Tijdens de Renaissance beschouwt men het lichaam als deel van de schepping met een eigen schoonheidswaarde. De beeldhouwers zijn minder gebonden aan religieuze onderwerpen.
Tijdens de Renaissance maakt de tapijtkunst een bloeiperiode door. Opvallend zijn de minnetapijten, met als onderwerp de hoofse liefde. Hierin valt de decoratie van de achtergrond op, net als de vele symbolen, die met liefde, trouw en huwelijk te maken hebben.
Tijdens de 19e eeuw worden kenmerken van de Renaissance-architectuur toegepast in de stijl van neorenaissance-architectuur. In Nederland verwijst men met de bouwstijl terug naar het roemrijke verleden van de Nederlanden in de Gouden Eeuw.

Maniërisme 1530-1600
Kunstenaars die bewust van de normen en regels van de Renaissance afweken werden manieristen genoemd. Het maniërisme is een voortzetting van de Renaissance en vormt de overgang naar de barok. Kunstenaars brachten vooral hun eigen ideeën en emoties tot uitdrukking. Ze hadden een voorkeur voor ingewikkelde houdingen en constructies, zo konden ze laten zien dat ze de fijne kneepjes van het vak kenden. Het maniërisme ontstond in Rome en werd snel verspreid, onder andere door gravureboeken en pestepidemieën.
De toepassing van eigen invulling en van kolossale orde is kenmerkend voor het maniërisme. De kunstenaars wijken bewust af van de klassieke architectonische regels voor ideale maten en verhoudingen.
Vaak hebben versieringen als klassieke zuilen en timpanen geen dragende functie in het werk van een manierist. In tegenstelling tot de Renaissance-architectuur.
Behalve Bijbelse taferelen beelden de maniëristische schilders ook onderwerpen uit de mythologie af. De voorstellingen, composities en houdingen van de figuren in maniëristische werken zijn ingewikkeld, en verschillen van de werkelijkheid.
Een bijzonderde plaats in het maniërisme nemen de schilderijen van de Italiaanse schilder Arcimboldo in. Hij speelt met zijn voorstellingen. Een andere beroemde schilder is El Greco.
Maniëristische vormgevers hebben een voorkeur voor dure materialen.
Kenmerkend voor het maniërisme  menselijke figuren in een overdreven en onnatuurlijke houding.
Figura Serpentina  slangenmens, mensfiguur in extreem gedraaide stand.
Opdrachtgevers voor maniëristische beeldhouwkunst zijn rijke burgers, en het wordt dan ook vooral als decoratie en statussymbool gebruikt.
De bouwstijl van Palladio wordt in talloze villa’s, die vanaf de 17e t/m de 19e eeuw gebouwd worden, nagevolgd. Kenmerkend voor deze stijl is de toepassing van zuilen van de kolossale orde.

Barok 1600-1720
Ontstaan in Rome, laatste eenheidsstijl in Europa. Kunstenaars grijpen hier ook terug naar de klassieke vormgeving. Ze hielden zich echter niet aan strakke regels van de Renaissance, maar wilden meer dynamiek.
Michelangelo  zijn werk behoort tot hoogrenaissance en maniërisme.
Schilders van de barok laten zich inspireren door licht-donkercontrasten en ongewone lichtval. De kunst van de barok was een poging om de katholieke kerk haar macht terug te geven  contrareformatie. De stijl word in zijn uitbundigste vorm toegepast in paleizen en kerken.
Typerend  streven naar samensmelting van architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst.
Plattegronden van barokke gebouwen zijn asymmetrisch en bestaan uit grillige vormen die in elkaar overvloeien. Sterke reliëfwerking van de plastische muurvlakken wordt benadrukt door lichtinval  spel van licht- en donkereffecten (zorgt voor beweging). Opvallend is het gebruik van kolossale zuilen.
Beroemdste architecten  Borromini en Bellini.
Overdadige stijl vindt nauwelijks navolging in de Noord-Europese landen, zij kiezen voor een sobere, klassieke vorm  classicisme.
In het noordelijke deel van de Nederlanden neemt de rijke burgerij de plaats van de adel en kerk in als opdrachtgever voor schilderijen. Zij richten zich op de voorkeur van de opdrachtgevers  - onderwerpen uit het dagelijks leven, zogenaamde genrestukken.
- natuur, landschappen enz
- portretten van rijke kooplui.
Trompe l’oeil  bedriegen van het oog, illusionistisch ruimtelijk effect.
Triptiek  altaarstuk met drie luiken.
Beroemdste barokschilders in de Zuidelijke Nederlanden  Rubens en Brueghel
Kenmerkend  diagonalen, snijdende lijnen, clair-obscur, warme kleuren, natuurgetrouw.
Schetsen worden gemaakt in tempera, aquarelverf of olieverf.
Naast schilderijen worden er ook tekeningen in pen en inkt, in krijt en lood- of zilverstiften gemaakt.
De Bijbelse voorstellingen in de Italiaanse barokkerken staan volledig in dienst van het streven naar aanzien van de rooms-katholieke kerk te verbeteren.
Kunstwerken van beroemde meesters doen dienst als statussymbool.
Geliefd in beeldhouwkunst  mythologische thema’s, onderwerpen uit de natuur.
Ook ruiterstandbeelden en portretten worden in de barok vervaardigd.
Belangrijk  realistisch, dynamiek, emotie, diagonaal gerichte compositie.
Functie beelden  religieuze emoties en bewogenheid bij gelovigen op te roepen.
Belangrijke beeldhouwer, tevens architect  Bernini
Statussymbolen hebben geen praktische functie, maar benadrukken de decoratieve waarde van voorwerpen. Ook hier zijn de rijke burgers belangrijke opdrachtgevers.
Belangrijke elementen tapijtkunst van Rubens  dynamische compositie en clair-obscur.
Leidende positie van Vlaanderen wordt bedreigd door de Franse, olv Le Brun.
Franse tapijtkunst dient tot meerder eer en glorie van de Zonnekoning, Lodewijk XIV.
De barokarchitectuur heeft de architecten van de 19eeeuwse neobarok geïnspireerd.

Rococo 1720- 1750
Vervolg op de barok (maar frivoler en decadenter) en vond zijn oorsprong in Frankrijk, als reactie op het strakke classicisme van de Franse Academie. Kunstenaars zetten de uitbundige, versierende vormgeving voort, zij ontleenden vormen en motieven aan de klassieke vormgeving en mythologie. Werd vooral toegepast in paleizen, zeer geliefd bij aristocratie en rijke burgerij als pronkerige interieurstijl.
Rubenisten  groep schilders die de uitbundige schilderstijl van Rubens, legden de nadruk in hun werk op kleur en emotie.
Poussinisten  navolgers van Poussin, met voorkeur voor de strenge classicistische stijl. In hun werk speelden de getekende vorm en een rationele benadering een belangrijke rol.
Populair in beeldhouwkunst  frivole engeltjes, mensfiguren, slingerende plantmotieven en mythologische figuren.
Populair in schilderkunst  uitdagende en erotische taferelen, idyllische landschappen, decadente feesten en portretten.
Aan de uitbundige vormgeving van het rococo lag het streven om zich te ontdoen van het juk van academische beperkingen en voorschriften ten grondslag. Kunstenaars zochten naar spontaniteit en vernieuwing.
Typerend  ovaalvormige plattegronden en het samengaan van de beeldhouwkunst, schilderkunst, en architectuur in de interieurs.
Die typische vormen komen ook terug op gebruiksvoorwerpen en meubels.
Het aanbrengen van de versieringen is tijdrovend en duur, daarom kan alleen de rijke bevolking de rococokunst aanschaffen.
In weefsels komt het rocaillemotief vaak voor. Zwierige, gebogen lijnen overheersen de vormgeving van de weefsels. Het Boeketje komt veel voor.
Chinoiserie  oosters element in de tapijtkunst in Frankrijk, dankzij handelsreizen naar China.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

wauwww goed zeg!

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast