Kenmerken middeleeuwse maatschappij:

  • Geen sociale mobiliteit (standen)
  • Het lot speelt een grote rol

 

Kloosters

  • Kloosters werden rijk omdat mensen investeerden in de gebeden van monniken. Deze gebeden waren meer waard omdat monniken puur en zuiver leefden.
  • Gewone mensen kwamen er alleen tijdens pelgrimages of kruistochten.
  • Er waren verschillende kloosterordes. Bijv:
  • Benedictijnen: Grote kloosterorde die eerst afgesloten van de wereld leefde. Later waren ze open, hadden ze veel macht, rijkdom en werden ze commercieel (o.a. verkoop van gebeden).
  • Fransiscanen: Kloosterorde vernoemd naar st. Fransiscus; leefden sober en zuiver; functionele kloosters, geen tierelantijntjes; minder contact met de buitenwereld.

 

Monnik

  • Hele leven in het teken van God.
  • Afgezonderd in kloosters.
  • Celibatair leven: niet trouwen, relatie, etc.
  • Geen eigen bezittingen.
  • Verschillende functies: kalligraferen, koken, landarbeid.
  • Bidden is verplicht een aantal keer per dag.
  • Enigen die konden lezen en schrijven en dus overschrijven. Hierdoor hadden ze een grote invloed op de maatschappij omdat de meerderheid van het volk analfabeet was. (De burgers hadden geen tijd om te lezen, hun voornaamste doel was overleven Lezen en schrijven had voor hen niet veel nut)
  • Ze hadden toegang tot bibliotheken.

 

 

Verschuiving in de Kerk:

  • Ze stonden meer open zodat mensen minder afgeschrokken werden.
  • Kunst werd realistischer gemaakt omdat het dan herkenbaarder was.

 

Het laatste oordeel:

  • Oordeel van God over wie naar hemel of hel gaat.
  • Vaak te zien bij de poort van de kerk.
  • Door de angst voor de hel ging men op bedevaart om van zijn zonden verlost te zijn.
  • Vaak afgebeeld als gat, vuur of bloed
  • Hellemond = ingang van de hel.
  • Beelden hiervan waren schokkend voor mensen in die tijd omdat ze niks gewend waren.

Adam en eva

  • Volgens de bijbel de eerste mensen
  • Waren belast met zonde, hiervoor moeten we nu boete voor doen en een goed deugdzaam leven leiden

 

Erfzonde = Mensen doen eeuwen later nog boete omdat Eva een appel at.

 

Kunst was didactisch: Men leerde dat ze goed moesten leven om niet naar de hel te gaan.

Ook werd er doordat mensen niet konden lezen beelden belangrijker. Hierdoor begrepen de burgers de christelijke verhalen beter.

 

Waarom was kunst anoniem in de middeleeuwen?

  • Kunst stond in dienst van god
  • Naam gaf geen betekenis aan het werk

 

Relikwie = Overblijfsel van een heilige. Bijv. een voorwerp van die heilige of een botje.

Reliekhouder = Iets waar een relikwie in zit.

Reliekschrijn = Een bepaald soort reliekhouder, een kist waar een relikwie in zit.

 

Kruistocht

  • Land ontdoen van niet-gelovigen.
  • Ook met geweld.
  • Ook om land te veroveren.
  • Kwijtschelding van zonden.
  • Helpt mee aan de handel > opkomst steden en cultuur: Men nam boeken mee en ging deze weer ruilen voor andere boeken

 

Pelgrimage

  • Alleen voor mensen zelf, voor kwijtschelding van zonden.
  • Men nam spullen mee van plek naar plek. Bijv. specerijen, boeken, wetenschap, het getal 0, etc.
  • Er was meer handel, dat droeg bij aan welvaart en de vorming van steden. (ook van toepassing op kruistochten).
  • Ook leidde het tot meer bewustzijn onder burgers; ontwikkeling.

 

Mappa mundi

  • Beeldende kaart
  • Religieuze betekenis
  • Geografie was niet het eerste doel

 

Machtinstandhouding kerk door:

  • Vermoorden ketters (=mensen die het geloof in twijfel trokken)
  • Kennis = macht > verbieden wetenschap

 

In de vroege middeleeuwen werd het volk angst aangewakkerd. In de late middeleeuwen werd op de emotie van de burger gespeeld om mensen bij de kerk te houden (door in veel beelden moeder Maria te verwerken)

 

Scriptorium = Plek in klooster waar geschreven werd. Er werden meer ramen gebouwd.

 

Kopiëren: Monniken moesten allemaal in hetzelfde lettertype schrijven, en precies overschrijven wat er stond.

 

SCHILDERKUNST

 

Fresco = Schildering in de natte kalk.

Altaarstuk = Decoratief deel van een altaar.

Retabel = Altaarstuk, groot schilderij op een soort kamerscherm, dat kon makkelijk vervangen worden voor wat anders en weggehaald bij rouw.

Gebroeders van Eyck: Makers van het retabel in Gent. (het lampsgods)

 

Stofuitdrukking = Stoffen en dingen zo gedetailleerd schilderen dat het de indruk geeft dat het echt die stof is.

 

Door verschillende symbolen werden mensen als heilige afgebeeld:

  • Aureool
  • duif

 

Kleurvervaging/sfumato = Kleur en contouren die vervagen in de achtergrond om diepte te creëren.

 

Olieverf: Krijgt een mooie glans en diepte, kleuren zijn dieper. Daardoor kan je gedetailleerd werken en krijg je goede stofuitdrukking.

 

Judas = Één van Jezus’ apostelen. Hij kuste Jezus om hem aan te wijzen aan de slechteriken om hem te kruizigen.

 

Giotto

  • Schilderde de Judaskus
  • Minder realistische schilderstijl
  • Schilderde duidelijke emoties
  • Niet veel detail, grote massieve vormen.

 

BOUWKUNST

 

Boogveld = het deel boven de kerkdeur (waar vaak het laatste oordeel verbeeld staat).

 

Mandorla = Amandelvorm. Jezus zit vaak in zo’n vorm.

 

Petrus = De poortbewaker van de hemel, hij wordt afgebeeld met sleutels.

 

Kunstwerken zijn vaak in rijen omdat dat makkelijk leesbaar is.

 

Portaalbeelden = beelden die bij de ingang van een kathedraal zitten (tussen baldakijnen).

 

Baldakijn = Ding onder een beeld of erboven.

 

Kerken wilden met hun kunst later in de middeleeuwen niet alleen meer angst aanjagen maar ook inspelen op de emoties van mensen op een positieve manier.

Kunst wordt steeds bonter en realistischer.

 

Vroege middeleeuwen: Romaans

Late middeleeuwen: Gotiek

 

Gebouwen waren helemaal van steen waardoor er technische problemen ontstonden. Eerst maakten ze een tongewelf, dat is Romaans.

Daarna maakten ze kruisgraatgewelven = Gotisch. Dat ontstond doordat twee tongewelven elkaar kruisten. Later gebruikten ze het ook binnen 1 ruimte vanwege stevigheid.

Onderdelen van de kerk:

Middenschip = Lange stuk van het kruis van een kerk.

Dwarsschip = Het korte stuk van het kruis.

Kapel (apsis) = Zit in de bovenkant van het middenschip.

Westwerk = Ingang v/d kerk. Zit aan de onderkant van het middenschip.

 

Kenmerken Romaanse kerk:

  • Boogvormen aan de buitenkant.
  • Gesloten
  • Massief
  • Kleine ramen
  • Donker
  • Dikke muren

 

Kenmerken Gotische kerk (=kathedraal):

  • Licht, het licht van God
  • Glas in lood
  • Ruim
  • Bogen eindigen in een punt
  • Hoog
  • Dunne muren
  • Skeletbouw van steen: kruisgewelf, luchtbogen en steunberen.

Steunbeer = verdikking aan de buitenkant van de muur.

  • Roosraam = Rond raam boven de ingang.
  • Pinakels = Uitsteeksels aan dingen.
  • Populaire bouwstijl in Engeland

 

 

MUZIEK

 

Gezongen gebeden:

  • Makkelijk te onthouden voor volk.
  • De aandacht van mensen bleef erbij.

 

Gregoriaans gezang:

  • In het begin eenstemmig
  • Weinig dynamiek: weinig verschil in hard en zacht
  • Mannen
  • Veel herhaling, slepende melodie
  • Traag
  • A capella

 

Later kwam er het notenschrift

  • Handig, anders gingen details verloren
  • Universeel, dus overdraagbaar aan grotere groep

 

Ordinarum = Dingen die altijd terugkomen in een dienst.

Proprium = Bijzondere dingen zoals de paasdienst.

 

Vanaf c.a. het midden van de middeleeuwen kwam er polyfonie (=meerstemmigheid)

 

Wereldlijke muziek = Muziek die niet gebonden is aan de kerk, voor vermaak, om te dansen.

 

Troubadours:

  • Muzikant/zanger
  • Reisden rond, dus ook muziek uit andere culturen
  • Soms poëzie
  • Veel liedjes over liefde, seks en vrouwen
  • In de taal van het volk.

 

Minstrelen speelden ook toneelstukken.

 

Molet = Bepaalde compositievorm voor tekst, meestal meerstemmig en ingewikkeld.

 

DANS EN TONEEL

 

Nar = soort clown

 

Mirakelspel = Toneelstuk waarbij legendes en andere christelijke dingen centraal stonden, dus niet het Bijbelverhaal. Bijv: Mariken van Nieumeghen

 

Wagenspel = Toneelstuk op een kar buiten. Er kwam steeds meer humor in de stukken waardoor het verboden werd in de kerk en op straat gespeeld werd. Omdat het verboden was werd het nog leuker.

 

Passiespel = Toneelstuk over het lijden van Jezus.

 

 

Kenmerken klucht (toneelstuk):

  • Makkelijk
  • Over domme mensen
  • Identificeerbaar
  • In de volkstaal
  • Ontspanning
  • Vaak met acrobatiek
  • Kan losstaan van de Kerk
  • Leedvermaak

 

Hoofdstuk 1: Inleiding

 

Middeleeuwen = periode tussen uiteenvallen van het West-Romeinse Rijk en de Renaissance.

 

Germanen namen het christendom over van de Romeinen. De kerk bepaalde heel sterk het dagelijks leven van de bevolking. Het was een bindende factor. Leven hier minder belangrijk dan in de hemel. Mensen gingen in kloosters wonen om aan aardse zondige verlokkingen te ontsnappen.

Er was een feodaal stelsel = leenstelsel.

Er was vroege en late middeleeuwen, in de late middeleeuwen was er economische bloei. Er ontstonden grotere steden, waaronder Hanzesteden.

 

Hoofdstuk 2: De Kerk

 

Men kon niet lezen en schrijven dus verhalen uit de Bijbel werden in de kerk verbeeld met gebrandschilderde ramen en muurschilderingen. Versiering van de kerk was ook om macht uit te stralen. Er waren ook toneelstukken.

Alle kathedralen hadden een school.

 

Opdrachten voor het maken van kerkkunst en het bouwen van kerken kwamen van adel, koning of geestelijkheid. Het duurde zo lang om een kerk te maken dat ze vaak begonnen in romaanse stijl en eindigden in gotiek.

De kunst werd vaak gemaakt van dure materialen, de kerk zei dat het goed was dit te gebruiken ter ere van God. Diamant stond bijv. voor Jezus, en dure pigmenten werden veel gebruikt voor stof (vooral blauw). Ze zeiden dat deze pigmenten voor goddelijk licht zorgden.

 

Er kwam verzet tegen dit pronken van de kerk: Franciscanen tegenover Benedictijnen.

 

Giotto di Bondone was een meneer die veel fresco’s schilderde. Alle fresco’s verbeelden 1 scène uit de Bijbel.

 

Rooms-katholieke kerk bewaarde de traditie van het klassieke Romeinse toneel.

 

Liturgie = Kerkdienst

 

Vanaf de 6e eeuw waren er liturgische liederen (Gezongen gebeden).

 

Tropen = korte gezongen dialogen in de liturgie van de paasmis. Dit werd later uitgebreid tot toneelspel. Het heette liturgisch of kerkdrama, met als functie het Bijbelverhaal vertellen.

 

Kenmerken Liturgisch drama;

  • Meerdere locaties (links en rechts v/h middenschip)
  • Paasspelen, kerstverhalen
  • In het Latijn, later in volkstaal
  • Steeds uitgebreider en ingewikkelder (niet alleen meer over Bijbel, ook over het leven van heiligen).

 

Paus verbood later het toneel in de kerk, toen zetten ze het voort op het plein voor de kerk.

Verschillende spelen geleidelijk samengevoegd. Uitvoering op Sacramentsdag.

 

Mansiones = afzonderlijke decors, vaak borden.

 

Tot de 6e eeuw was dans in de kerk heel gewoon, daarna werd het ook verboden. Kerkleiders vonden het duivels: gaf toe aan lichamelijke verlangens en wekte lustgevoelens op. Het lichaam was zondig.

Cirkeldans = Dansers zingen, klappen in hun handen en stampen met hun voeten.

Labyrintdans = Geestelijke voorgangers namen de kerkelijke gemeente mee op een toch over een labyrint op de kerkvloer. Het pad stelde het leven voor, dat je op het goede pad moest blijven.

Dansmacabre = ‘Dans van de skeletten’ een dodendans. Want ziel leefde door na de dood. Ze bewogen alsof ze stuiptrekkingen hadden. Men danste op graven. Provocerend naar de Kerk.

 

Muziek was meer geaccepteerd tijdens de diensten in de kerk. Eerst was het eenstemmig, vanaf de 9e eeuw meerstemmig.

 

Paus Gregorius liet liturgische kerkmuziek verzamelen en ordenen voor een vaste structuur. Zo ontstond gregoriaanse muziek: zo’n 3000 melodieën gebruikt in de kerk. Het werd als heilig beschouwd waardoor niemand het mocht veranderen. Het was Latijn en kende 8 toonsoorten. Kon op 3 manieren worden gezongen: solo, wisselzang tussen voorzanger en koor, wisselzang tussen twee koren.

 

Neumen = eenvoudige notatie van muziek in middeleeuwen.

 

Requiem = mis ter nagedachtenis van een overledene.

 

Syllabisch gezang = als elke lettergreep correspondeert met één toon van de melodie.

Melismatisch gezang = als meerdere tonen per lettergreep worden gezongen.

Neumatisch gezang = beide gezangen in 1.

 

Men dacht dat ziekten of natuurrampen kwamen doordat kwamen door een zondig of slecht leven. Er mocht geen wetenschappelijk onderzoek zijn die niet waren om de Bijbel te onderbouwen.

 

Er werd niet realistisch geschilderd, alles was om de Bijbel te verduidelijken. Romaanse kunst was terughoudender, in Gotiek werd het uitbundiger en realistischer. Hoe belangrijker een persoon hoe groter afgebeeld.

 

(Fabel)dieren werden in verband gebracht met het goede of slechte en beelden daarom personen uit. (Bijv. draak=duivel en griffioen=Jezus). Er was geloof in bovennatuurlijke krachten. Kerk vond dit slecht. Ze dachten dat de duivel met mensen afspraken had in ruil voor bovennatuurlijke krachten.

 

Hoofdstuk 3 - Reizen

 

12e eeuw: Handel in Europa door overschotten door verbeterde productiemethodes. Welvaart. Behoefte luxe artikelen. (Noord-Europa Hanze)

 

Ook pelgrimstochten: Men hoopte daarmee op genezing, boetedoening en bescherming.

Kruistochten: In 11e t/m 13e eeuw. Voor bestrijding tegen Islam. Ze namen exotische waren mee terug.

Door pelgrimstochten en kruistochten kwamen ook nieuwe muziekinstrumenten mee terug, waardoor meer muzieksoorten mogelijk waren.

 

Middelpunt van liturgie was het altaar met altaarstukken.

Relikwieën waren de meest waardevolle bezittingen van de kerk, mede hierdoor waren er pelgrimages.

Eerst gewoon houtsplinters van het kruis en doeken. Later ook haren, nagels, bloed, moedermelk, steeds absurder. Erasmus vond dit onzin. Katholieke kerk vond deze heiligenverering een goede vorm van klantenbinding.

 

Orde van de Tempelridders = Ridders die het Heilige land en pelgrims beschermen.

 

De Tempeliers = Ridder- en kloosterorde. Monniksoldaten. Ze hadden rode kruizen op hun gewaden en vaandels. Geen eigen bezittingen, afgestaan aan de Orde. Daarom was de orde heel rijk. Groeide uit tot een v/d belangrijkste bankiers uit Europa. Franse koning had er grote schuld, hij liet ze oppakken.

 

Peregrinatio = Soort reis die monniken, vaak per boot, aflegden om buiten hun eigen, vertrouwde omgeving op zoek te gaan naar God en hem te dienen.

Groot voorbeeld die dit deed was Sint Brandaen. Verhaal over hem: ‘De Reis van Sint Brandaen’. Het was een raamvertelling: 1 verhaal, meerdere avonturen.

 

Dante Alighieri = Een van de belangrijkste middeleeuwse schrijvers. Grootste werk: De goddelijke komedie (La Divina Commedia). Gaat over hel, aarde en hemel.

 

De Reis van Sint Brandaen en De goddelijke komedie zijn beide reisverhalen.

 

Moreske = Dans waarin een groep blanke vrouwen, die door ‘moren’ geschaakt en gevangen gehouden werden, bevrijd door een groep blanke, christelijke soldaten met een dappere aanvoerder. Moren zwart geschminkt of masker, ze gingen altijd dood. Later ook zangers erbij.

 

Koning Alfonso bracht christenen, joden en islamieten bij elkaar in Spanje om tolerantie te kweken.

 

Canticas de Santa Maria = 430 verhalen over Maria in 4 handschriften.

 

Vaganten = Studenten en monniken die door heel Europa trokken om kennis te vergaren. Ze reisden van klooster naar klooster, universiteit naar universiteit. Ze maakten gedichten, zongen en speelden muziek. Ze hadden heel veel rechten.

 

Carmina Burana = Verzamelde liederen van vaganten. 4 categorieën: moralistische en satirische liederen; lente- en liefdesliederen; drink- en speelliederen; geestelijke verhandelingen.

 

Rond 1000 gingen Noormannen zich buiten Scandinavië vestigen.

 

Het tapijt van Bayeux = Groot tapijt waarop het verhaal van de strijd tussen William en Harold afgebeeld staat. Het was heel groot en geborduurd. Een van de bekendste middeleeuwse kunstwerken uit Europa. Niet religieus.

Hoofdstuk 4 – Vermaak

 

Minstrelen = Rondtrekkende artiesten. Brachten muziek, dans, grappen en grollen, verhaaltjes en sketches.

 

Ghesellen van den spele = Toneelgezelschappen, voerden op op wagens of houten podia.

 

Willem van Hildegaersberch = Een van de populairste sprooksprekers uit 14e eeuw. Veel bewaard gebleven. Ging over religieuze en morele zaken.

 

Toneel verboden in Kerk. Toen kwam het op straat (vanaf 13e eeuw), werd wereldlijk toneel. Bedoeld ter educatie over geloof en vermaak. Later ook mysteriespelen, die gingen niet altijd over iets christelijks. Konden dagen duren. Toneel vaak opgedeeld in hemel, aarde en hel. Ook veel muziek en dans.

 

Riddertoernooien = Toernooien tussen ridders ter vermaak en als voorbereiding op oorlog. Er was ook dans en toneel bij.

 

Adel werd ook vermaakt door mimen, minstrelen en troubadours.

 

Hofdans = Een beschaafde vorm van dans onder de adel. Heel anders dan bijv. de stampende regendansen van de boeren. Ingetogen ook door onhandige kleding van vrouwen. Partners raakten elkaar alleen met de pinken aan tijdens de dans. Dit waren danses basses (lage dansen). Later ook danses hautes, daarbij waren snellere ritmes en sprongetjes.

 

Handschrift van Hulthem = 10 toneelstukken uit de 2e helft van de 14e eeuw, opgeschreven als vijf paren. Ernstige Abele spelen worden gevolgd door komische sotternieën.

 

Abele spelen = romantisch toneelstuk, hoofse liefde. Minnaar onderwierp zich volledig aan de door hem aanbeden liefde. Ridder moest zijn feodale heer, zijn geloof in God en de eer van zijn dame met zijn leven verdedigen. Moed was erezaak. Voorbeeld: Lanseloet van Denemarken.

 

Voorbeeld soeternie: Drie daghe here.

 

Populaire volksdansen in de middeleeuwen: Rondedans en paardans. Vaak onstuimig en robuust, openhartig in seksualiteit en aardsheid.

 

Rondedans = Dans waarbij mensen elkaars handen vasthielden en in een cirkel of lange rij dansten.

 

Paardans = Vrij schandalige dans die later populair werd. Er werd in tweetallen gedanst.

 

Religieuze muziek bleef veel beter bewaard dan wereldlijke muziek. Bij wereldlijke muziek werden er ook instrumenten gebruikt i.p.v. alleen zang.

 

Muziek gemaakt aan hoven door trouvères, troubadours en Minnesänger. Ze maakten hun eigen teksten en melodieën (vaak over hoofse liefde) en dit werd door henzelf en rondtrekkende artiesten gespeeld.

 

Hoofdstuk 5 – Kloosters

 

Vroege middeleeuwen twee leefgemeenschappen van kloosterlingen:

  1. Ierse monniken.
  • Onherbergzame afgelegen gebieden
  • Onthouding van alle zingenot
  • Zelfkastijding
  1. Benedictijner Orde
  • Wees overdreven individualisme Ieren af.
  • Kuisheid: niet trouwen
  • Armoede: geen eigen bezit
  • Gehoorzaamheid: geen eigen beslissingsrecht
  • Afgezonderd gewone leven
  • Zelfvoorzienend, overschot verkocht.
  • Poorten wel open
  • Kloosters ook functie van culturele centra, werkplaatsen, hospitalen, scholen en herbergen.

Deze orde kreeg veel macht en aanzien door rijkdom door verkopen van producten en doordat mensen die er studeerden vaak hoge bestuurlijke functies kregen.

 

Later ontstond uit de Benedictijner Orde de Orde van Cluny:

  • Invloed op ontwikkeling wetenschap, beeldende kunst en architectuur.
  • Terug naar oorspronkelijke leefregels van Benedictus
  • Onder direct gezag van paus tegen inmenging van wereldse leiders en toezicht op regels.
  • Werk: kopiëren, emailwerk, edelsmeden, weven, tapijtknopen, klokkengieten, boekbinden, glasblazen, pottenbakken. Met het geld bouwden ze nieuwe kloosters en kerken. Alles was romaans gebouwd.

 

Benedictijner kerken werden heel rijkelijk versierd, de kerken van Cluny werden dat later ook waardoor ze later ongeveer evenveel rijkdom uitstraalden. Verhouding tussen wereldlijk en geestelijk leven raakte zoek door de luxe. Nieuwe afsplitsing: Cisterciënzers. Zij leefden in armoede. Nog verder gingen de Fransiscanen. Ze waren volledig afhankelijk van liefdadigheid en bedelen.

 

Handschrift = Boek

Bijna alle boeken waren religieus.

 

Kapitalen of initialen = Kunstige hoofdletters.

 

Scriptorium = Plek waar boeken werden overgeschreven.

 

Getijdenboek = Boek dat gewone gelovigen gebruikten. Minder ingewikkeld dan gebedenboeken. Soort religieuze middeleeuwse kalenders. Het was ook een statussymbool.

Voorbeeld: Les très riches heures. Gemaakt door Gebroeders Van Limburg.

 

Hildegard von Bingen stichtte vrouwenkloosters. Ze had visioenen en schreef daarover boeken en muziek. Ze dacht dat er zowel een mannelijke als vrouwelijke goddelijke kracht was. Ze had veel aanzien.

 

Woord ‘klooster’ afgeleid van ‘claustrum’ = afgesloten ruimte.

Bijna alle kloosters geïnspireerd op kloostercomplex in Sankt Gallen. Open kloosterhof had centrale plaats. Daaromheen kloostergangen. Aan lange dichte zijde lagen gebouwen van het kloostercomplex (kloosterkerk, kapel, eetzaal, ziekenzaal, scriptorium etc.)

 

Gotiek ontwikkeld uit kloosters. Door renovatie van klooster St. Denis. Licht, kleur, glans en geometrische ordening belangrijk. Want universum ook in evenwicht geschapen.

 

Neumennotatie = allereerste muzieknotatie. Neumen zijn tekens bij de tekst die de melodie aangeven. Voorstelling van de beweging van een stem per lettergreep. Niet zo nauwkeurig.

 

De harmonica instituione = boek waarin eerste duidelijke notensysteem stond van Hucbald. Tonen waren erin vastgelegd. Moest duidelijk want niemand mocht gregoriaanse muziek zomaar veranderen.

 

Guido van Arezzo bedacht notenbalk. In zijn tijd nog 4 lijnen. Belangrijkste middeleeuwse muziektheoreticus.

 

Hoofdstuk 6 – De stad

 

Steeds meer handel en welvaart zorgde voor groei van steden. Begin van de Late middeleeuwen. Steden kregen zelfbestuur omdat ze dit afdwongen of kochten. Kerken kregen meer grip op leven van mensen uit steden door veel kathedralen en kloosters in een stad.

 

Gilden = Beroepsverenigingen die belangen van bepaalde beroepen beschermen en behartigen. Bijvoorbeeld concurrentieverhoudingen bewaken. Ze hadden een soort cao’s. Iedereen die een bepaald beroep uitoefende moest ingeschreven staan bij zo’n gilde. Ze gaven ook opleidingen en waren ook actief op sociaal gebied.

 

Stad: Rijken in stenen huizen aan marktplein, daar was ook de grote kerk of kathedraal. Daaromheen houten huizen, nauwe straatjes. Men woonde vaak boven hun winkel of werkplaats. Aan de rand de armsten in kleine hutjes, en daaromheen zat de muur.

 

Vlaanderen en Noord-Italië hadden de meeste steden. Steden waren onafhankelijk van vorsten.

Belangrijke Stad: Brugge. Groot en bekend van lakens.

 

Ze waren vet sociaal in de steden. Rijke kooplieden bouwden vaak huizen waarin weduwen, weduwnaars, werklozen en gehandicapten tegen hele lage huur mochten wonen. Geestelijken zorgden voor de zieken in ziekenhuizen. Maar ze konden eigenlijk vrijwel niks bestrijden. Mensen gingen er naartoe om dood te gaan.

 

Rederijker toneel = Vanaf de late middeleeuwen. Groepjes mensen die zich bezighielden met dichten, zingen en toneelspelen. Ze oefenden dit in rederijkerskamers. Elke stad had daar wel minimaal 1 van. Kamer leek op een gilde. Rijke mensen.

 

De rondreizende artiesten werden vanaf 14e eeuw vaak in dienst genomen in een stad. Hij werd een stadsmuzikant met uniform etc.

 

Hoofdstuk 7 – Wetenschap

 

In West-Europa na romeinen:

Wetenschap in handen van kerk. Religieuze zaken werden onderzocht, mocht niet in strijd zijn met de Kerk. Daarom veel beperkingen.

In Oost-Europa bleef de kennis uit de romeinse cultuur wel bewaard. Arabieren namen dit over en via hen kwam het later weer terug bij West-Europa.

 

In 11e, 12e en 13e eeuw eerste universiteiten in Europa. Wetenschap werd weer belangrijker. Renaissance. Herontdekking Griekse kennis. Werd nog wel verbonden aan kerk. Wetenschap om Bijbel te onderbouwen.

 

Vanaf 8e eeuw veel contact tussen christelijke en Arabische geleerden op Iberisch schiereiland. Daar leefden Arabieren, christenen en joden samen. Later nog meer contact door kruistochten. Arabieren veel meer kennis. Zij hadden geen verboden door geloof.

 

Plato was wel belangrijk geweest in West-Europa en Kerk. Opvatting scheiding van geest en lichaam belangrijk. Materiële bederfelijk maar geestelijke eeuwig.

 

Astronomie in strijd met christendom.

Arabieren hadden getal 0.

Veel nieuwe woorden, bijv: atlas, mascara, mokka, alchemie, alcohol, tarief ….

Op medisch gebied waren Arabieren ook veel verder. Ze mochten doden ontleden waardoor ze ook konden opereren.

 

Bij romaanse kerken gewicht gedragen door pilaren, bij gotische kerken door skelet. Daardoor kon er veel groter en lichter gebouwd worden. Er werd veel aandacht besteed aan kathedralen. Steden maten elkaars macht af aan hoe groot en mooi het was. Voor de kathedralen werd belasting gevraagd, burgers soms in opstand.

Voor het bouwen werden bouwmeesters gevraagd. Ook werklieden natuurlijk. Er werkten soms wel duizenden mensen aan mee.

 

Gotische bouwstijl werd populair door renovatie St. Denis.

 

Symbolen:

3 = drie-eenheid

7 = heilig, want dagen waarin God aarde schiep

Blauw = hemel

Wit = goede, reinheid, maagdelijkheid

Zwart = het kwade

Leeuw = Marcus

Stier = Lucas

Adelaar = Johannes

 

Kathedraal van Aimes:

  • Heel groot door rivaliteit steden. Grootste van Frankrijk.
  • Gotisch
  • Vorm van kruis.
  • Relikwie: stuk schedel van Johannes de Doper.
  • Gefinancierd door Tempeliers.

 

Polyfonie = Meerstemmigheid. Eerste vorm hiervan ontstond in 9e eeuw. Parallel aan eerste stem (organum) maar net hoger of lager. Vals- of zuiverheid beoordeeld aan de hand van berekeningen. God had die harmonie gegeven en dat was volmaakt.

Organum werd later uitgebreid. Bijv. tegenstem die omlaag gaat waar melodie juist omhoog gaat.

Het werd steeds vrijer. Later tweede stem sneller dan de melodie (=tenor). Of stemmen konden elkaar kruizen. Gezangen dus steeds complexer.

 

Ars Antiqua = oude kunst

Ars Nova = nieuwe kunst

 

Leonius maakte een boek (Magnus Liber Organa) met allemaal muziek, oud en nieuw waaronder:

Clausulae of Motet= Anders dan bij oude gezangen waarbij 1 lettergreep 1 toon was. Nu: lettergrepen waarop meerdere noten van gregoriaanse gezangen zijn geplaatst. Plus nog een tweede ritmisch vrije stem. Degene uit Leonius’ boek bleef de basis voor het motet.

 

Perotinus maakte als eerste drie- en vierstemmige liedjes.

 

Het is niet eens zeker of deze meneren echt hebben geleefd.

 

Bij Ars Nova wilden ze meer eenheid in liedjes brengen. Het was minder statisch, wereldlijker en ritmisch complexer dan Art Antiqua.

Bij Ars Nova wilden ze meer eenheid in liedjes brengen. Het was minder statisch, wereldlijker en ritmisch complexer dan Art Antiqua.

 

Machault = belangrijke componist van Ars Nova. Hij maakte beroemdste kerkelijke compositie: Messe de Notre Dame, een vierstemmige mis.

 

Isoritmiek = Een ritme wordt toegevoegd aan de tenoren die kon steeds worden herhaald en kon langer zijn dan de hoeveelheid noten van de melodie. Herhaling zorgde voor meer structuur.

 

Dans raakte ook steeds meer gebonden aan regels. Passen werden gecompliceerd. Er kwamen dansmeesters. Minstrelen en troubadours werden dansmeesters.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.