VWO eindexamenstof

Beoordeling 8.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 8142 woorden
  • 19 mei 2015
  • 33 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.1
  • 33 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Samenvatting Geschiedenis 6VWO eindexamenstof

-tijdvak 1 tot en met 10

-speciale focus op Republiek, Verlichting en Franse revolutie en Duitsland

-details over koude oorlog ontbreken



Hoofdstuk 1: De tijd van jagers en boeren

landbouwrevolutie > waardoor mensen gingen leven in een landbouwsamenleving

Ze gingen graan verbouwen en geiten, schapen, varkens en runderen houden. Ze trokken niet langer rond, maar leefden op een vaste plaats. Rond 3000 voor Christus leefden de meeste Europeanen in een landbouwsamenleving. De prehistorische boeren hebben de hunebedden nagelaten, die vanaf 3500 voor Christus in Drenthe en omgeving werden gebouwd. Hunebedden waren grafkamers van belangrijke doden. Deze prehistorische boeren hadden dus een cultuur met voorouderverering en geloof in een hiernamaals. De doden werden met voorwerpen begraven om status af te beelden of voor het hiernamaals.

Leven in kleine groepjes: Als er op 1 plek niet meer genoeg voedsel was, vertrokken de jagers en verzamelaars.

De jagers en verzamelaars hebben waarschijnlijk heel veel afgeweten van de natuur, ze wisten bijvoorbeeld op welke plek en in welk seizoen het meeste voedsel te vinden was.

Ötzi werd in 1991 gevonden in de Ötztaler Alpen. Zijn lichaam had al die tijd in het ijs gelegen en was zo bewaard gebleven. Het stuk brood (einkorn) dat in zijn darmen gevonden werd, wijst erop dat Ötzi contact had met landbouwers.

Door de landbouwrevolutie kon de bevolking groeien en de nederzettingen namen in omvang toe.



1.2 Het ontstaan van de landbouw

Rond 10.000 v.C veranderde de leefwijze van de mensen. De jagers en verzamelaars trokken niet meer rond. Het werden boeren. Dit was zo’n grote overgang dat we spreken van een landbouwrevolutie.

De landbouwsamenleving verschilde helemaal met de samenleving van de jagers en verzamelaars. Boeren trokken niet meer rond, maar woonden in dorpen bij hun akkers. De landbouw stimuleerde uitvindingen en ontdekkingen, waardoor de productie geleidelijk toenam. Ze vonden het wiel en de ploeg uit. Ze kwamen erachter dat je klei kon bakken en zo konden ze potten van aardewerk maken waarin ze hun voorraden konden bewaren. Ze volgden de bewegingen van de zon en de maan, en op basis daarvan maakten ze de eerste kalenders. Hierdoor wisten ze wanneer het de beste tijd was om te zaaien en te oogsten.



1.3 De eerste steden

Op een gegeven moment gingen de boeren meer produceren,  dan dat ze voor eigen gebruik nodig hadden.

Twee belangrijke gevolgen hiervan waren:

- Andere boeren konden zich specialiseren op ander gebied, zoals het maken van gereedschap en kleding

- Handeldrijven met de overschotten

Hierdoor ontstonden sociale verschillen. Meer bezittingen à sociale ongelijkheid/hierarchie.

Door de toename van de landbouwproductie konden ook steeds meer mensen in een klein gebied wonen. Sommige dorpen groeiden uit tot steden.

In Egypte: door eenheid van taal, geloof, cultuur en bestuur groeide de saamhorigheid











Hoofdstuk 2: De tijd van Grieken en Romeinen

Ontwikkeling van landbouwsamenlevingen zich tot landbouw stedelijke (agrarisch-urbane) samenlevingen.

-Er ontstonden stadsstaten, bestuurd door vorsten, vaak met zowel politieke als religieuze macht. ---Kenmerkend voor deze culturen waren de sociale hiërarchie, de polytheïstische godsdiensten (godsdiensten met meerdere goden) en het gebruik van het schrift.

-Verdwijning van de meeste stedelijke centra door volksverhuizingen.

-Na de verovering van het Perzische rijk onder leiding van Alexander de Grote, ontstond een Grieks – Perzische cultuur (hellenisme) > verspreiding van de Griekse cultuur.

-Groei Romeins imperium: er kwamen steden met een landbouw-stedelijke samenlevingen en een geldeconomie.



Er kwamen volksverhuizingen op gang en veel Germaanse volken trokken naar het Romeinse rijk, waardoor het westen in verval raakte. Daarom benoemde keizer Constantijn het Griekse Byzantium tot de hoofdstad Constantinopel (rijk van Constantijn). In 395 splitste het Romeinse rijk in een Oostelijk gedeelte en in een Westelijk gedeelte. Constantijn bekeerde zich tot het christendom, dat de officiële godsdienst van het rijk werd.



2.1 Wetenschap en politieke in de Griekse stadsstaat

Alle stadsstaten hadden een eigen leger, eigen munten en een onafhankelijk bestuur. Er waren veel verschillende regeringsvormen, zoals een monarchie (een koning), een tirannie, een aristocratie (regering van de besten, families), oligarchie (een paar mannen) of een democratie (volk).

> stemrecht van alle vrije Atheense mannen en iedere burger kon voortaan deelnemen aan de volksvergadering en meebeslissen.  



2.2 Het Romeinse Imperium

Rome werd gesticht in 754 voor Christus. De Romeinen gingen vanaf de 5de eeuw v.C steeds meer gebieden veroveren, zo werd het Romeinse rijk groter. Rome was nog een republiek, maar steeds meer krijgsheren trokken de macht naar zich toe. De meest succesvolle was Julias Caesar. Ceasar greep in 48 voor Christus de alleenheerschappij.

In 509vc werd de laatste koning verjaagd en werd Rome een republiek om te voorkomen dat 1 persoon te veel macht zou krijgen. Het Romeinse imperialisme leidde uiteindelijk tot de ondergang van de Romeinse Republiek. Caesar had bijna onbeperkte macht en men vreesde dat hij de republiek af wilde schaffen en werd daarom vermoord.

Binnen het Imperium Romanum heersten welvaart, rust en vrede: de pax romana.

De Romeinen hadden een paar dingen waar ze echt in uitblonken, zoals hardheid, taaiheid, discipline en organisatie.

Er ontstond een samensmelting van 2 culturen, een Grieks-Romeinse mengcultuur, waarin Romeinse hardheid en Griekse fijnzinnigheid waren gecombineerd. De Romeinen gingen alles nabootsen van de Grieken..



2.3 De Griekse – Romeinse cultuur

Klassieke vormentaal en klassieke oudheid, klassieke cultuur.

Op een gegeven moment ontwikkelden de Romeinen een eigen stijl. De Griekse beeldhouwers gingen voor een ideaal, maar de Romeinse beeldhouwers gingen realistische portretten beeldhouwen.

De Romeinen leverden ook knappe prestaties op het gebied van de bouwkunst.

In bijna iedere Nederlandse stad is wel een gebouw te vinden met een klassiek uiterlijk.

2.4 Romeinen en Germanen

Botsing Romeinse en Germaanse cultuur door volksverhoudingen.

Romeinen keken op de Germanen neer, maar hadden ontzag voor hun onverschrokkenheid. Toen de grens zo in verval raakte trokken de Germaanse krijgsheren en hun volgelingen het rijk binnen. Zij stichtten daar eigen koninkrijken en gingen de oorspronkelijke bevolking overheersen. De Germanen bewonderden de Romeinen, en wilden hun cultuur niet vernietigen, maar overnemen; ze namen de Romaanse talen en gewoonten over.



2.5 Jodendom en Christendom

Ontstaan van eerste monotheistische godsdiensten. De christenen werden als zondebok gezien voor alle invallen van buitenaf. Ze vormden een bedreiging voor de Romeinse machthebbers omdat de christenen goed georganiseerd waren, elkaar hielpen en zeker van hun zaak waren > trok veel mensen.



 





 





Hoofdstuk 3: De tijd van monniken en ridders



3.1 De opkomst van de islam

De islam was een universele godsdienst. Dat betekent dat zij zich richtte tot de hele mensheid. De moslims waren verplicht om de islam te verbreiden.

De passie waarmee de islam streed werd bevorderd door de beloning die hen wachtte: wie in de heilige oorlog (jihad) sneuvelde, ging rechtstreeks naar het paradijs.

De moslims stonden het heidendom niet toe, maar waren tegenover christenen en joden erg tolerant.



3.2 Hofstelsel en horigheid

De landbouwsamenleving was grotendeels autarkisch, dat betekent dat mensen leefden van de opbrengst van het eigen land en consumeerden het grootste deel zelf > onder hofstelsel.

De horigheid ontstond in de nadagen van het Romeinse Rijk. In de 4e eeuw daalde de agrarische productie dramatisch. Om een verdere daling te voorkomen werd het boeren verboden hun grond te verlaten. Boeren voelden zich gedwongen om zich onder bescherming te stellen van grootgrondbezitters. In ruil voor die bescherming gingen ze allerlei verplichtingen aan. Zo ontstond ook het hofstelsel.

> Wegvallen Romeinse Rijk + wegvallen centrale bestuur: boeren hunkeren naar bescherming in onzekere tijden. Vrijheid opgeven voor veiligheid.



3.3 Het feodale stelsel

In de plaats van de verdwenen Romeinse overheid kwam een nieuw bestuurssysteem, namelijk: het feodale stelsel.

Omdat er geen goede wegen meer waren, konden heersers alleen in een beperkt gebied hun gezag doen gelden. Ze verloren de controle over hun gebied. Koningen waren afhankelijk van lagere heren. Door al deze persoonlijke banden ontstond het feodalisme. Dit kwam erop neer dat een heer een stuk grond of een ambt in leen gaf aan een dienaar, de vazal of leenman. In ruil zwoer de vazal dat hij zijn leenheer zijn leven lang trouw met raad en daad zou dienen.



Karel verdeelde zijn rijk in een paar honderd districten (gouwen), die elk een graaf/hertog aan het hoofd kregen. Ze moesten namens hem in hun gebied recht spreken, besturen, etc. In ruil kregen ze hun ambt in leen met daarbij bijbehorende burcht, belastingrechten en domeinen.

De vazallen gingen hun leen zien als erfelijk bezit en probeerden het aan hun kinderen door te geven. Dit betekende geen controle meer voor de koning, maar hij wilde niet in conflict komen. Hierdoor verminderde steeds meer het idee van gezag. Het gevolg van dit alles was dat rond het jaar 1000 in grote delen van Europa de feitelijke macht in handen was van kleinere kasteelheren.



3.4 Christendom in Europa

De veroveringen van Karel de Grote bevorderden ook de verbreiding van het christendom. De christenen zagen de bekering van de heidenen als plicht van naastenliefde. Toch kwam het christendom in de verdrukking, onder andere door de Germaanse invasies. Een keerpunt was de bekering van Clovis.

Tegelijk begon de paus vanuit Rome de kerstening (bekering tot het christendom) te bevorderen. Karel de Grote drong het christendom met geweld op. De bisschop van Rome, de paus, was uitgegroeid tot leider van de kerk. Toen de paus eiste dat hij ook Byzantium werd gehoorzaamd, kwam het in 1054 tot een breuk, die nooit meer is geheeld.



Hoofdstuk 4: De tijd van steden en staten

De tijd van steden en staten was de tijd van 1000 tot 1500. Vanaf de 11e eeuw kwam de landbouwstedelijke (agrarisch-urbane) samenleving opnieuw tot ontwikkeling.



4.1 De opkomst van steden

Na het jaar 1000 hielden in Europa de invallen op van agressieve volken, zoals de Hunnen en Vikingen. Dat zorgde voor rust. Grote landbouwontginningen zorgden voor stijging in voedselproductie en bevolking.

De groeiende bevolking kon worden gevoed doordat de landbouw werd uitgebreid en verbeterd. In een jaar was er genoeg oogstoverschot om te verhandelen> ontstaan handel. Boeren verkochten hun producten (ook wijn en vlees), op de markten die ontstonden waar wegen elkaar kruisten, of bij kloosters en kastelen. Op deze plaatsen groeiden nieuwe steden. Steden werden nog meer afhankelijk van de boeren uit de omgeving.



4.2 De stedelijke burgerij

De eerste stadsbewoners beleefden een unieke vrijheid. Ze hadden van de graaf of hertog toestemming gekregen om een aparte gemeenschap te vormen, met een eigen bestuur en eigen rechtspraak> privileges steden. In ruil betaalden de stadsbewoners belasting en voorzag ze de koning van een leger. De heer liet wel iemand in de stad toezicht houden, de schout of baljuw. De heren werden minder afhankelijk van de opbrengst van hun eigen land en hadden ook de horigen niet meer nodig. De invloed van de adel nam hierdoor wel af.

Van het geld van de belasting werden muren, pleinen en bruggen gebouwd om vijandige volken buiten te houden. Ambachtslieden vormden per beroepsgroep een gilde (samenwerkingsverband van ambachtslieden).



4.3 Staatsvorming en centralisatie

Waar voorheen de koningen van het ene hof naar het andere reisde om hun macht te bevestigen, kozen vorsten nu een stad als centrale plaats en probeerden van daaruit steeds meer macht te krijgen in hun koninkrijk. Dit noemen we centralisatie.

Het begin van staatsvorming bestond uit:

Koningen hieven belasting, met het geld konden ze de trouw van hun leenmannen ‘kopen’, en legers en ambtenaren betalen, met behulp van de ambtenaren probeereden koningen regels in te voeren die voor alle inwoners van hun rijk golden en ze traden op als hoogste rechter.



Maar de koning had door de centralisatie wel steeds meer geld nodig, en daarvoor was hij onder andere afhankelijk van de adel. Om daarover afspraken te maken ontstonden de parlementen (volksvertegenwoordiging) of Staten-Generaal. Dit waren vergaderingen van de drie standen: adel, geestelijkheid en burgers. De vorst deed het parlement beloftes in ruil voor geld en andere steun.



4.4 Kerk en staat

De Duitse keizer en de paus zagen zichzelf in de middeleeuwen allebei als de opvolger en erfgenaam van de Romeinse keizers. Dit leidde in de 11e eeuw tot een hevig conflict. Wie kreeg de macht: kerk of staat? Zo gaf hij de bisschoppen in zijn rijk bij hun benoeming de bijbehorende staf en ring. Met deze overhandiging (investituur) van de symbolen van hun geestelijke macht, had hij hun benoeming in de hand. De bisschoppen waren steunpilaren van de macht van de keizer, omdat hij ze wereldlijke macht gaf als hertog of graaf.





4.5 Verspreiding christendom in heel Europa

Paus riep de mensen op tot een heilige oorlog tegen de islam. Het was het begin van de kruistochten.

Er ontstonden handelsposten en plantages, dit werd later een economisch succes en legden de basis voor de latere Europese expansie (uitbreiding) over de hele wereld.

 





Hoofdstuk 5: De tijd van ontdekkers en hervormers

De tijd van ontdekkers en hervormers vond plaats van 1500 tot 1600. Een andere naam voor de 16e eeuw is de renaissancetijd.



5.1 De renaissance

De renaissance ontstond in de 15e eeuw. Rijke handelaren en bankiers kregen meer oog voor de goede kanten van het leven en waren minder bezig met God en het hiernamaals.

Leven ging gepaard met belangstelling voor de klassieke oudheid.

De humanisten wilden begrijpen wat de klassieke schrijvers echt hadden bedoeld, los van het christendom.

Op een gegeven moment behoorde het lezen van klassieke teksten bij de opleiding van elke burger. Verandering mensbeeld: nu zelfstandig individu nieuw opvoedingsideaal à reformatie

Veranderde wereldbeelden door wetenschappelijk onderzoek.



5.2 De Europese expansie (uitbreiding)

Amerigo Vespucci ontdekte Amerika. Ook gingen ze de goud- en zilvervoorraden gebruiken. Ze vernietigden de indiaanse samenlevingen en dwongen de bevolking voor hen te werken. Ze stierven massaal door ziektes waar ze geen weerstand tegen hadden. Eind 16e eeuw ontstond een nieuwe golf van ontdekkingsreizen.

>Verbetering scheepvaart, specerijen zelf halen

>Handelskapitalisme en kolonialisme



EXAMENONDERWERP 1: DE REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE NEDERLANDEN 1515-1648



5.3 De kerkhervorming

Erasmus voorloper kerkhervorming (nooit zijn bedoeling): fouten in bijbel tijdens vertalen ontdekt. Reformatie /kerkhervorming: afscheiding protestanten van katholieke kerk. Erasmus zelf bleef ondanks zijn kritiek op de kerk wel katholiek, om kerkscheuring te voorkomen.



Luther: 1517: 95 stellingen op de deur van de Slotkerk in Wittenberg. Deze stellingen gaan voornamelijk over de aflaathandel. Zijn reformatie scheurde het christendom in West-Europa uiteen in twee vijandige kampen.

Protestanten: vereren de paus niet meer

De kern van Luthers leer was dat de zondige mens de genade van God niet kon verdienen met ‘goede werken’, maar dat alleen het geloof hem kon redden. Hij verwierp de verering van heiligen en relikwieën, aflatenhandel en claimde dat alleen Bijbelstudie en bidden je dichter bij god bracht. Geloof kan de mens redden. Je mag niet in opstand komen tegen de koning> hij is door god aangewezen. 

- In 1555 werd de strijd pas beëindigd met de Godsdienstvrede van Augsburg. Elke vorst mocht voortaan de godsdienst in zijn gebied bepalen.



Johannes Calvijn: vanaf het begin van de tijd was voorbestemd wie verdoemd waren tot de hel, en wie uitverkozen voor de hemel.

Geen vorst en geen overheid wat over de kerk te zeggen mocht hebben. Je mag tegen de koning in opstand komen.



5.4 De Nederlandse Opstand

17 afzonderlijke gewesten. Bestuur: adel en steden met privileges. Overleg in gewestelijke staten en stagen-generaal. Enorm economisch belang.

Centralisatie: algemeen geldende regels.

De Raad van State, Geheime Raad, Raad van Financiën (collaterale raden van adel en burgers) opgericht onder Karel V. Adel vervangen door goed geschoolden.

Stadhouders waren in de steden de plaatsvervanger van de koning.

Karel V wilde geen protestanten omdat hij 1. Zelf katholiek was en 2. Geen onrust wilde.

Hij scheidde de 17 gewesten in kleinere bisdommen > centralisatie. Dit veroorzaakte onrust want de adel en steden raakten privileges kwijt. Ook voelde de adel zich door de raden gepasseerd.

Onder Karel V werden meer dan 2000 protestante Nederlanders op de brandstapel verbrand om hun geloof.

Invoering Bloedplakkaten> protestanten op brandstapel.



Filips aan de macht. Toen Filips de Nederlanden moest verlaten stelde hij zijn halfzus aan als landvoogdes. Het volk kwam in opstand tegen de regering en vroeg om afschaffing van de inquisitie. Filips halfzus beloofde matiging van de inquisitie. Hierdoor voelden de calvinisten zich weer vrijer en brak er een Beeldenstorm uit.

Beeldenstorm directe aanleiding opstand (1566). Als reactie van Filips II stuurt hij de hertog van Alva. Hij richt de raad van Beroerte op, voerde 10e penning in (belasting) en Bloedraad>executie Egmond en Hoorne.



Begin 80 jarige oorlog

1568: Willem van Oranje tegen Alva.

Inname van Den Briel, ontzet Leiden (dijken doorgestoken).

1576: Spaanse Kroon gaan failliet + Pacificatie van Gent: ieder gewest bepaalt godsdienst zelf, particularisme en gewetensvrijheid

1578: Alteratie van Amsterdam: van Oranje blokkeerde Amsterdam. Hij hief de blokkade op als de Calvinisten niet meer vervolgd zouden worden. Daarna Werd het katholieke stadsbestuur gedwongen af te treden.

1579: Pacificatie van Gent valt uit elkaar

1579: Unie van Atrecht: onder Farnesse verenigde de Zuidelijke gewesten zich met Filips II.

1579: Unie van Utrecht: onder van Oranje verenigde de Noordelijke gewesten zich met elkaar met als hoofddoel zelfstandig te blijven en zich te verdedigen. (privileges houden, tegen SP, gvrijheid)

1581: Akte van Verlatinghe: afzweren van Philips als landsheer

1588: Spaanse Armada naar Engeland om het land te veroveren, ten onder door storm.

Uiteindelijk: Engeland was niet veroverd, de katholieken in Frankrijk waren niet aan de macht gekomen en de opstandelingen in de Nederlandse gewesten waren niet verslagen.



Op 1 april 1572 werd Den Briel ingenomen onder leiding van Willem van oranje. Den Briel werd toen verlost van Alva, die door Filips gestuurd was om orde op zaken te brengen. Dit alles leidde tot de Nederlandse Opstand (de opstand van de Nederlandse gewesten tegen hun landsheer, de Spaanse koning Filips 2, die uiteindelijk leidde tot een splitsing van de Nederlanden in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het noorden).



Willem van Oranje richtte de Unie van Utrecht op. De opstand kwam in een diepe crisis toen een katholieke fanaticus Willem van Oranje vermoordde. Onder de zoon van Willem van Oranje (Maurits van Oranje), kreeg de Republiek na 1588 het hele noorden in handen.



Overzeese handel: VOC, Republiek had een monopoly omdat zij de enige aanbieder was.

-Botsing Maurits en van Oldenbarnevelt: religie + moet strijd tegen Spanje hervat worden?

à onthoofding van Oldenbarnevelt.

-Door religieuze vrijheden en goede economie: veel Joden.

-Strijd tegen Spanje eindigde uiteindelijk in 1648 met het Verdrag van Münster: De Republiek wordt internationaal erkend, is echt onafhankelijk maar wordt ook benijd!

 





 



Hoofdstuk 6: De tijd van regenten en vorsten



De tijd van regenten en vorsten is de tijd van 1600 tot 1700. In Nederland wordt deze eeuw de Gouden Eeuw genoemd, omdat het een bloeiperiode was van de Nederlandse economie en cultuur.



6.1 Een wereldeconomie

snel ontstond tussen de Nederlanders een moordende concurrentie, zodat de winsten schrikbarend daalden.

Continuiteit:

-overzeese expansie à uitbouw handelskapitalisme, kolonialisatie en wereldeconomie.

-Centralisatie à absolutisme (droit devin)

- Start wetenschapppelijke belangstelling à wetenschappelijke revolutie

Verandering:

-de Republiek der 7 verenigde Nederlanden à burgerlijk particularisme

-Franse revolutie maakt einde aan standenmaatschappij



6.2 De Gouden Eeuw van Nederland

-De economie bloeide en kunst en wetenschap bereikten een verbluffend niveau.

-Het bestuur was in handen van regenten (hoge bestuurders in Nederlandse steden, gewesten en op het platteland, die de bovenlaag van de maatschappij vormden).

-Amsterdam was de belangrijkste stapelmarkt (plaats waar goederen in pakhuizen worden opgeslagen en vandaar verder worden verhandeld) van Europa.  Je kon het echt de Gouden Eeuw  (economische en culturele bloeiperiode) noemen.

-De godsdienststrengheid werd niet meer zo nauw genomen, zelfs katholieken konden hun geloof houden, als ze het maar niet al te zichtbaar maakten.



6.3 Het absolutisme

Overal in Europa veroorzaakten godsdienstige tegenstellingen en vorstelijke centralisatiepolitiek opstanden en oorlogen. Lodewijk XIV werd de langst regerende vorst uit de Europese geschiedenis. Onder hem bereikte het absolutisme (regeringssysteem waarbij de macht van de koning niet wordt beperkt door een grondwet of door rechten van andere organen) een hoogtepunt.



Lodewijk XIV beperkte de macht van de adel en de steden, hij besliste alleen, zonder om toestemming te vragen, de Staten-Generaal riep hij niet meer bijeen. In de provincies stelde hij intendanten aan, deze hoge ambtenaren inden belastingen, rekruteerden soldaten en bemoeiden zich met de rechtspraak, de landbouw en nog veel meer zaken.

Ook maakte hij een eind aan de godsdienstvrijheid en begon de hugenoten (franse calvinisten) te vervolgen. Om het uitgebreide bestuur en leger te financieren, was wel veel geld nodig. Daarom voerde Lodewijks minister van financiën, Jean Baptiste Colbert, een krachtige politiek van mercantilisme (economisch systeem in de 17e en 18e eeuw waarbij de overheid de nationale economie versterkte door bevordering van productie en export, het afremmen van import en ander ingrijpen in de economie), er werden bijvoorbeeld wegen gebouwd en de interne tollen werden afgeschaft.



6.4 De wetenschappelijke revolutie

De wetenschappelijke revolutie (doorbraak van een wetschappelijke manier van denken in de 17e eeuw in Europa, waarbij het systematisch verwerven van kennis door eigen observaties, experimenten en logisch redeneren centraal staan), bereikte een hoogtepunt. Er lag een mechanisme aan ten grondslag: de zwaartekracht.

Door de wetenschappelijke revolutie kwamen de exacte wetenschappen tot bloei. Er ontstond een nieuw wereldbeeld, waarin alles logisch en via vaste wetten kon worden verklaard. De telescoop en de microscoop werden uitgevonden. De wetenschappelijke revolutie leidde tot optimisme. Zo leidde de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw tot de verlichting van de 18e eeuw.





Hoofdstuk 7: De tijd van pruiken en revoluties



EXAMENONDERWERP 2: VERLICHTINGSIDEEEN EN DEMOCRATISCHE REVOLUTIES 1650-1848

Op 14 juli 1789 vond de bestorming van de Bastille plaats in Parijs. Dit was een van de grootste gebeurtenissen in de Franse Revolutie. De tijd van pruiken en revoluties is de tijd van 1700 tot 1800.



7.1 De verlichting

Encyclopedie = een typisch product van de verlichting: beweging die meende dat met de rede alles kan worden verklaard en dat een op de rede gebaseerde samenleving opgebouwd moet worden, met rationalisme (gebruik van gezond verstand), vrijheid, gelijke rechten voor alle mensen en verdraagzaamheid zou er meer licht komen in het leven). De verlichting kwam voort uit de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw.



7.2 Het ancien regime (de oude orde in samenlevingen, voorafgaand aan democratische revoluties)

Adel en geestelijken hoefden geen belasting meer te betalen. De gewone burgers en boeren gingen hier opnieuw onder lijden. Intussen kwam de overheid van de belastingen niet rond. Er werd op een bepaalde manier geregeerd, namelijk door een verlicht absolutisme (systeem waarbij een verlichte vorst de absolute macht heeft en verlichte hervormingen van bovenaf probeert in te voeren).

De gebreken van het Ancien Regime werden vergroot door oorlogen die de staatsschuld deden groeien.



7.3 De democratische revoluties

De onthoofding van Lodewijk XVI was een hoogtepunt in de Franse revolutie die in 1789 was begonnen. En die revolutie was onderdeel van een reeks democratische revoluties (ingrijpende politieke verandering, waarbij een democratische grondwet word ingevoerd). De Amerikanen wilden geen belasting aan Brittannië betalen, zolang ze niet waren vertegenwoordigd in het Britse parlement. Om hun verzet kracht bij te zetten, vormden de dertien koloniën een gezamenlijk Congres. Hierdoor brak in 1775 de Amerikaanse vrijheidsoorlog uit. 8 jaar later erkende Groot-Brittannië de Amerikaanse onafhankelijkheid, waarna de Verenigde Staten een grondwet (wet waarin staat hoe er geregeerd moet worden en wat de rechten en plichten van de burgers zijn) aannamen.

Bij de grondwet hoorden grondrechten (basisrechten voor alle burgers die zijn vastgelegd in de grondwet).



De Amerikaanse revolutie maakte diepe indruk in Europa, zeker in Frankrijk. Hier was het bewijs dat verlichte ideeën werkten. Uiteindelijk ging zag koning Lodewijk XVI nog maar een uitweg uit de financiële crisis: de Staten-Generaal bijeenroepen 1789. Dat was een breuk met het absolutisme. De burgervertegenwoordigers zouden pas toegeven als er een grondwet was. Lodewijk leek eerst toe te geven, maar spaarde een leger op rond Parijs. Dit bracht de bevolking van Parijs op een hoogtepunt bij de bestorming van de Bastille > hongerige Parijzenaren tegen de symbolen van koninklijke macht. Uitgangspunten: Equalite, liberte et fraternite.

Uiteindelijk kregen alleen welgestelden het volledige staatsburgerschap (persoon met de politieke rechten van een burger in een staat) met kiesrecht.



De revolutie werd teruggedrongen en de grootste erfenis van de revolutie was dat de democratische idealen overal wortel schoten. Frankrijk werd een constitutionele monarchie waarbij de voorrechten van de adel en geestelijkheid werden afgeschaft. Frankrijk werd later een republiek en de Jacobijnen kregen de macht in handen > radicalisering onder Robespierre. Dit kwam in 1795 ten val en de girondijnen namen de macht over. In 1799 maakte Napoleon Bonaparte een eind aan het Directoire. Met de Code Napoleon zorgde hij voor eenheid in de rechtspraak op basis van de gelijkheid die in de grondwet was vastgelegd.

Napoleon werd bij Leipzig verslagen. Het tijdperk van restauratie brak aan.

In 1815 werd tijdens het Congres van Wenen een stabiele orde gevormd door de situatie van voor de Franse revolutie zoveel mogelijk te herstellen en een machtsevenwicht tussen de Europese staten te creëren.

De vier overwinnaars Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen sloten de Quadrupel Alliantie om een herhaling van de Franse revolutie en nieuwe Franse expansie tegen te gaan.

Heilige Alliantie: Vorsten Rusland, Oostenrijk en Pruisen om orde en vrede te bewaren.

Tijdens het Congres van Verona, dat gericht was tegen een liberale revolutie in Spanje, bleek dat de belangen van de Europese mogendheden zo divers waren dat de Quadrupel Alliantie haar werking verloor 1822 > Engeland niet meewerken want ongunstig voor hen i.v.m. koloniale race met Spanje.

Nadenken volkssoevereiniteit: eenheid onder de burgers. Nationalisme werd een handig instrument voor machthebbers om eensgezindheid onder het volk te stimuleren.



7.4 Kolonialisme en slavernij

Na 1500 brachten de Spanjaarden en Portugezen de trans-Atlantische slavenhandel (handel in zwarte Afrikaanse slaven tussen Afrika en Amerika) op gang. De sterke Afrikanen waren geschikt voor het zware werk op de plantages en in de mijnen. Vanaf de 17e eeuw deden ook Nederlanders, Britten en Fransen aan de slavenhandel mee. Dit alles was onderdeel van een driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika. Deze driehoekshandel werd beheerst door bijvoorbeeld de WIC. De slaven werden behandeld als beesten.

Maar in 1787 richtten Britse abolitionisten (beweging voor de afschaffing van slavenhandel en slavernij) een beweging op tegen slavernij en slavenhandel > door verlicht denken.





Hoofdstuk 8: De tijd van burgers en stoommachines

De tijd van burgers en stoommachines is de tijd van 1800 tot 1900. Met deze eeuw begint de moderne tijd en de contemporaine (eigentijdse) geschiedenis. Deze tijd word ook wel de industrialisatietijd genoemd.



8.1 De industriële revolutie

De industriële revolutie betekende voor de mensheid de grootste verandering sinds de komst van de landbouw. Er ontstond een nieuw type maatschappij. Na vele eeuwen ging de landbouw stedelijke samenleving over in de industriële samenleving.

Met de industriële revolutie (omwenteling in productiemethoden, waarbij handarbeid wordt vervangen door machines) maakten handwerktuigen en trekdieren plaats voor machines, aangedreven door stoom en later gas of elektriciteit.



Het begon met behoorlijk simpele uitvindingen zoals ijzeren spinmachines en de stoompomp. 



De industriële revolutie maakte deel uit van een groot aantal veranderingen, die elkaar versterkten. Een daarvan was de agrarische revolutie (verbetering van landbouwmethodes waardoor de agrarische productie steeg, de bevolking groeide en de boerenbevolking afnam). Een andere onmisbare verandering was de transportrevolutie (radicale verbetering van vervoersmogelijkheden). De stoommachine maakte de stoomlocomotief mogelijk. Via kanalen en spoorlijnen konden goederen vervoerd worden. Er ontstond een nationale markteconomie en Groot-Brittannië werd het middelpunt van de wereldeconomie. De stedelijke arbeidersklasse en burgerij groeiden, het aandeel van de plattelandsbevolking nam snel af.





8.2 Politiek-maatschappelijke stromingen

De industrialisatie leidde tot een sterke groei van burgerij en de arbeidersklasse. Maar de Europese regeringen wilden aan het begin van de 19e eeuw de macht van monarchie en de adel handhaven. Er ontstonden drie grote politieke stromingen die zich daartegen verzetten: het liberalisme, het nationalisme en het socialisme à verzette zich tegen de autoritaire orde.

-De liberalen wilden de vrijheden en rechten van het individu centraal stellen. Maar deze stroming kwam geleidelijk in het gedrang door de opkomst van het socialisme (politiek-maatschappelijke stroming en emancipatiebeweging van de arbeidersklasse die streeft naar meer gelijkheid en gelijkwaardigheid), en een nieuw, agressief nationalisme (voorliefde voor het eigen volk, streven naar nationale zelfstandigheid in een eigen natiestaat).

-Aan het eind van deze eeuw kwamen nog twee politiek-maatschappelijke stromingen op: het confessionalisme en het feminisme.

Er ontstond in Duitsland een Duitse eenheid, onder leiding van de Pruisische kanselier (regeringsleider) Bismarck.



8.3 Democratisering en emancipatiebewegingen

In Nederland: Willem I op de troon, liet het land bijna bankroet gaan en liet de liberaal Thorbecke een grondwet schrijven in 1848 à macht parlement.

Aletta Jacobs vocht voor gelijke rechten man/vrouw.



8.5 De sociale kwestie

De industrialisatie leidde tot het ontstaan van een sociale kwestie: een debat over de slechte arbeids- en leefomstandigheden van de arbeiders. In Nederland kwam dat debat  pas na 1870 op gang. Socialisme in opkomst.



8.6 Het moderne imperialisme

Er ontstonden nieuwe industrieën, zoals de elektronische, de chemische, de staal- en de olie-industrie. Er ontstond een wereldwijde arbeidsverdeling. Ook de ontwikkeling van de transportsector versterkte de koloniale expansie (opening Suezkanaal).



Hoofdstuk 9: De tijd van de wereldoorlogen

De tijd van de wereldoorlogen is de tijd van 1900 tot 1950. 



9.1 De Eerste Wereldoorlog

Op 4 augustus 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. En steeds duidelijker stonden twee blokken tegenover elkaar: Duitsland en Oostenrijk-Hongarije (de centralen) aan de ene kant, Rusland, Frankrijk en Engeland (de geallieerden) aan de andere kant.



Dit brak uit in een oorlog, maar zonder doorbraak. Eind 1914 waren er al meer doden gevallen dan in alle oorlogen daarvoor bij elkaar. Met nieuwe wapens probeerden men elkaar te doden, zoals gifgas en gevechtsvliegtuigen. Op 11 november 1918 zwegen de wapens, er waren enorm veel doden gevallen, maar er was weinig bereikt.



EXAMENONDERWERP 3: DUITSLAND



Na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 werd in Versailles het Duitse keizerrijk uitgeroepen en de koning van Pruisen tot keizer Wilhelm I gekroond. Duitse Rijk geboren uit oorlog met Frankrijk + nationalistische gevoelens in Duitsland door Franse bezettingen.

Cultureel nationalisme werd politiek nationalisme.

Otto von Bismarck: rijkskanselier Duitsland. Duitsland was omgeven door sterke mogendheden. Het buitenlandse beleid was daarom gericht op handhaving van het bestaande machtsevenwicht door alliantiepolitiek.

Wilhelm II in 1888 wilde wel een plek op wereldtoneel > weltpolitik. Op de conferentie van Berlijn, bijeengeroepen door Duitsland Bismarck, maakten de Europese mogendheden afspraken over de koloniale opdeling van Afrika.

Bismarck wilde Vredespolitiek: afzien van iedere Duitse gebiedsuitbreiding en strikte distantie ten opzichte van de overzeese koloniale politiek van de andere Europese mogendheden à voorkomen oorlog tussen Europese mogendheden.

Bismarck liet zien dat Duitsland een vredig land is die geen ruzie met andere landen eromheen wilde door de ongunstige ligging van Duitsland.



Oorzaken Eerste Wereldoorlog

- Wilhelm II wil een plekje onder de zon (ook kolonies, uitbreiding leger en vloot à reactie andere landen: wapenwedloop)

-Frankrijk wil wraak voor de oorlog van 1870-1871 (WOI gebaseerd op de korte duur van deze oorlog, Duitsland dacht dat ook deze oorlog zo gewonnen zou zijn)

- Vrienden zoeken: Triple Entente vs. Triple Alliance

Duitsland wordt omsingeld à gevaar kettingreactie



Directe aanleiding: Moordaanslag Sarajevo

àkettingreactie

Von Schlieffen plan: Duitsland valt Frankrijk aan via België, daarna Rusland.

Loopgraven oorlog en totale oorlog: iedereen moet meedoen

Propaganda om te motiveren

Industriële revolutie belangrijk voor equipment

-tweefrontenoorlog

-Italië verandert van partij

-Blokkade Duitsland



Op 4 augustus 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. En steeds duidelijker stonden twee blokken tegenover elkaar: Duitsland en Oostenrijk-Hongarije (de centralen) aan de ene kant, Rusland, Frankrijk en Engeland (de geallieerden) aan de andere kant.



Dit brak uit in een oorlog, maar zonder doorbraak. Eind 1914 waren er al meer doden gevallen dan in alle oorlogen daarvoor bij elkaar. Met nieuwe wapens probeerden men elkaar te doden, zoals gifgas en gevechtsvliegtuigen. Op 11 november 1918 zwegen de wapens, er waren enorm veel doden gevallen, maar er was weinig bereikt.



1917/1918

Onderzeese oorlog

Duitsers raken Amerikaanse boot à enter USA

USA doet mee (voor handel) om ideaal > to make the world safe for democracy

Rusland valt weg door Russische (communistische) revolutie, einde tweefrontenoorlog

-Duitse langzame terugtocht



September 1918: machtsverschuiving: van conservatief naar sociaaldemocratie (aftreden keizer).

Duitse bevolking uitgehongerd: opstanden communisten (Spartakusopstand tijdens Russische Revolutie).

-Verdrag van Versailles: Duitsland mocht niks meebeslissen (in tegenstelling tot Frankrijk in Congres van Wenen) en werd hard gestraft

- Nieuwe grondwet opgesteld in Weimar door onrust in Duitsland

want keizer afgetreden net voor de oorlog om niet de schuld te krijgen van het verlies.

Economische crisis en problemen zorgden ervoor dat extreem rechts geloofwaardig werd.

Hitler aan macht: angst voorlinks was vele malen groter

Linkse opstanden veel harder gestraft dat rechts, want regering was nog steeds rechts-conservatief.

-Bierhall Putsch 1923: eerste poging Hitler om aan de macht te komen (met geweld) mislukte

-Duitsland betaalde niet us Frankrijk ging eht halen en bezette het Ruhrgebied

-Veel geld drukken à hyperinflatie

-Frankrijk en Engeland moesten ook geld terugbetalen aan USA

USA gaat geld uitlenen aan Duitsland (Duitsland E+Fr terugbetalen > E+FR USA terugbetalen)

Dawesplan 1924 van USA om eigen economie te stimuleren.



Veranderingstactiek: macht grijpen op democratische wijze via partij NSDAP (niet geheel eerlijk)

Hitler: hypernationalisme, tegen Versailles, lebensraum, anticommunisme, antisemitisme, ledenbeginsel, geen koloniën maar expansie naar het oosten. (à geen communisme omdat dat ging over een wereldrevolutie dus niet nationaal), geld pompen in economie (autobahnen).



1929 Beurskrach: begin wereldcrisis, NSDAP wordt populair.

Einde Weimar: rijksdagbrand

Hitler wordt Rijkspresident en Rijkskanselier

Grondwet buiten werking zetten à onbeperkte macht

Obstakel: kerk is wantrouwend tegenover hitler (kerk is opkomen zwakkeren, hitler is afmaken zwakkeren)

Hij durft kerken niet te sluiten omdat hij bang is voor reactie volk

-Propaganda

-Begin Jodenvervolging: Neurenbergerwetten.



Duitse dienstplicht en herbewapening

Reactie Engeland à appeasement! Om vrede te bewaren

- ze wilden geen nieuwe oorlog, waren niet klaar voor nog een oorlog, ze vonden dat ze de Duitsers te hard gestraft hadden, ze hadden Hitler nodig tegen communisten/stalin.



-Anschluß 1938

-Conferentie van München: Hitler kreeg toestemming om een deel van Tsjecho-Slowakije in te lijven.

-einde appeasement bij inval Polen gedekt door Sovjet Unie

-Molotov-Ribbentroppact: Duitsland en Rusland elkaar niet aanvallen

- Wannseeconferentie: wat doen met de Joden?

- Ommekeer Slag bij Stalingrad

-



9.2 De economische wereldcrisis

In 1929 begon een economische wereldcrisis, die vele jaren zou duren. De crisis bracht overal verarming, werkloosheid en wanhoop. De crisis (ernstige verslechtering) kwam des te harder aan omdat er geen rekening mee was gehouden, omdat er al tientallen jaren geen crisis meer was geweest door de technologische veranderingen.



Op 24 oktober 1929, Zwarte Donderdag, brak op de effectenbeurs van New York paniek uit. De fors gestegen aandelenkoersen daalden ineens pijlsnel en zouden tot 1932 blijven dalen. Het spaargeld van miljoenen Amerikanen verdampte. De landbouw en industrie konden hun producten niet meer kwijt, de ene na de andere fabriek moest sluiten. Miljoenen wanhopige werklozen hadden nauwelijks te eten. Over heel de wereld ging het zo. Het wereldkapitalisme leek ten dode opgeschreven. De liberale economische politiek werkte niet meer.



Er kwam pas herstel toen de nieuwe Amerikaanse president Roosevelt in 1933 zijn nieuwe plan begon uit te voeren. Dit kwam erop neer dat de overheid op grote schaal ingreep in de economie. Er kwamen sociale uitkeringen. Toch ging de crisis niet echt over. Het enige land zonder werkloosheid was de Sovjet-Unie.



Dit alles maakte dat de overheid na de oorlog de greep op de economie vergrootte en er een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid kwam.



9.3 De totalitaire systemen

De Eerste Wereldoorlog bracht een antidemocratisch monster voort: het totalitarisme. Kort na elkaar ontstonden na 1917 drie totalitaire ideologieën (een geheel van opvattingen over de maatschappij): het communisme (radicale politieke stroming die het particuliere bezit van de productiemiddelen wil afschaffen), het fascisme (verzamelnaam voor extreemnationalistische ideologieën en stromingen, die geweld verheerlijken, antidemocratisch en anticommunistisch zijn en de nadruk leggen op krachtig leiderschap) en het nationaalsocialisme (ook wel nazisme, variant van het fascisme, het stelt alleen niet de staatsmacht voorop, maar de rassenleer). In Rusland greep Lenin de macht als communist. In Italië greep Mussolini de macht als fascist. Adolf Hitler greep de macht als nationaalsocialist in Duitsland. Volgens de rassenleer voerde de Duitsers een strijd op leven en dood met minderwaardige rassen, zoals slaven en joden. In de communistische ideologie deden ras en natie er niet toe, maar ging het er om dat wereldwijd de arbeidersklasse aan de macht kwam. Communisme en fascisme hadden ook belangrijke overeenkomsten, waardoor ze beiden gerekend kunnen worden tot het totalitarisme (politiek systeem dat een totale controle van de maatschappij nastreeft, ook het denken en voelen van alle mensen).



Het symbool van de nazi’s was het hakenkruis, en het symbool van de communisten was een hamer en een sikkel. Er werd meedogenloos geheerst en werden veel mensen vermoord die tegen het regime ingingen.







9.4 Propaganda en communicatie

De totalitaire regimes drukten niet alleen alle verzet de kop in, ze wilden ook dat iedereen zich met hart en ziel voor hen inzette. Om enthousiasme te wekken, voerden ze propaganda (het verspreiden van ideeën en het beïnvloeden van meningen). Ze gebruikten vlaggen, vaandels en andere symbolen, verspreidden posters, verheerlijkten de eigen leiders en maakten die van hun tegenstanders zwart, en schilderden de eigen ideologie zo positief mogelijk af en die van de tegenstanders zo negatief mogelijk. De Eerste Wereldoorlog betekende een impuls voor de staatspropaganda. De propaganda werkte beter dan ooit doordat hij werd gecombineerd met onderdrukking. Het effect van de propaganda werd verder vergroot door het gebruik van nieuwe communicatiemiddelen (alle middelen waarmee informatie word overgebracht). De Joden werden op een wrede manier zwart gemaakt op films en radio. In de Sovjet-Unie werd Stalin verheerlijkt, in Duitsland werd Hitler verheerlijkt.



Belangrijk voor de totalitaire regimes waren ook de massaorganisaties (organisatie waarbij grote massa’s mensen aangesloten zijn). Mensen en kinderen werden overal geïndoctrineerd.



9.5 Verzet tegen het imperialisme

Tussen de wereldoorlogen groeide in de koloniën het verzet tegen het Europese imperialisme. De Nederlandse regering was niet van plan hieraan toe te geven. De koloniale overheersing sprak niet overal meer vanzelf na de Eerste Wereldoorlog. Mahatma Ghandi was bijvoorbeeld de leider van het Indiase verzet. Hij streefde naar de vestiging van een nationale staat, met gelijke rechten voor iedereen. Hij keerde zich tegen de industrialisatie. India kreeg van de Britten een grote mate van zelfbestuur. Ook in Nederlands-Indie ontstonden opstanden onder invloed van de communistische partij. Dit werd later weer de kop in gedrukt.



9.6 De Tweede Wereldoorlog

Volgens Hitler moest de Eerste Wereldoorlog worden overgedaan, maar nu zou Duitsland overwinnen en heel Europa in zijn macht krijgen. De Tweede Wereldoorlog begon met spectaculaire Duitse successen. De Duitsers liepen Polen onder de voeten vielen in het voorjaar van 1940 Nederland, België en Frankrijk aan.

Tegen deze blitzkrieg waren de Fransen en Britten niet opgewassen. Na de uitschakeling van Frankrijk wilden de Duitsers het Britse luchtruim veroveren. Boven Zuid-Engeland ontbrandde een luchtoorlog, die Groot-Brittannië op het nippertje overleefde. Duitsland ging nog wel maanden door met het bombarderen van Londen en andere Engelse steden. Er velen enorm veel doden en miljoenen mensen vluchtten naar het platteland. De Duitsers veroverde de Balkan en trokken daarna de Sovjet-Unie binnen. Ze veroverden ontzettend veel maar bij Moskou werden ze teruggeslagen. Hitler verklaarde de oorlog aan de VS, maar hiermee tekende hij zijn doodvonnis. Maar de Sovjetsoldaten sloegen de Duitsers steeds verder terug en Duitsland onderging een verschrikkelijke nederlaag. De westelijke geallieerden landden in 1944 in Normandie. Toch viel Berlijn pas op 2 mei 1945. Hitler had zelfmoord gepleegd. Een week later gaf Duitsland zich over.  Het dodental van de Tweede Wereldoorlog was zes keer zo hoog als dat van de Eerste Wereldoorlog. Alle partijen pasten in de Tweede Wereldoorlog op ongekende schaal geweld toe tegen de burgerbevolking. Ook van de Sovjetzijde werd de oorlog met grote wreedheid gevoerd. Ook de westelijke geallieerden terroriseerde de Duitse burgerbevolking. Grote Duitse steden werden gebombardeerd door de Britten en de Amerikanen. Uiteindelijk koste dat een miljoen burgers het leven. Na de Duitse capitulatie (overgave) moesten de VS nog afrekenen met Japan. Die boden fanatiek verzet. De Amerikanen bombardeerde alle Japanse steden. Toen dat niet hielp zetten ze hun nieuwste massavernietigingswapen in, de atoombom. Het effect was zo ontzagwekkend en afschuwelijk dat Japan een week later capituleerde.



9.7 Genocide

Het was de eerste kennismaking van het westen met de genocide (volkerenmoord) op de joden. De Holocaust herinnert eraan waartoe racisme en discriminatie kunnen leiden. Verbittering en frustratie bleken wel degelijk een voedingsbodem voor antisemitisme (vijandigheid tegen joden). Het anti-joodse geweld wat allang zichtbaar was, barste los in de kristalnacht, in de nacht van 9 op 10 november 1938. Honderden joden werden vermoord en winkels en huizen werden geplunderd. Hitler gaf het uitmoorden van de joden in handen van de SS. De Endlösung (eindoplossing) van Hitler was dat het continent zou worden uitgekamd en alle joden vergast zouden worden in de daarvoor bestemde gaskamers in de vernietigingskampen. Eind 1942 waren er al vier miljoen joden vermoord.





9.8 De bezetting

10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Nederland was verbijsterd, want ze hadden gehoopt weer neutraal te blijven. Nederland capituleerde al op de vijfde dag. De regering, inclusief koningin Wilhelmina, vluchtte naar Londen. Hitler benoemde de nazi Seyss-Inquart tot rijkscommissaris, ofwel hoogste machtshebber in Nederland.  De bezetting (toestand waarin een legermacht een gebied is binnengetrokken en dat onder bedwang houdt) was begonnen. Via de Unie hoopten Duitsers de Nederlanders tot het nationaalsocialisme te bekeren, maar dat bleek een illusie. De onderdrukking en terreur namen toe. De joden werden weggevoerd. De bezetting werd onaangenaam. Auto’s en fietsen werden in beslag genomen, radio’s moesten worden ingeleverd. Velen doken onder om aan de dwangarbeid te ontkomen en er kwamen tekorten aan alledaagse artikelen, zoals textiel, schoenen en zeep. De Duitsers gedroegen zich steeds barser.

In september 1944 bevrijdden de geallieerden het zuiden, maar ze bleven steken bij de grote rivieren. In Holland en Utrecht volgde een Hongerwinter die duizenden mensenlevens kostte. Alles was grauw en treurig. Er was op straat geen verkeer meer, treinen reden niet meer, overal lag puin, vuilnis werd niet opgehaald, scholen bleven dicht, er was geen stroom meer en nog maar een heel klein beetje water. Toen in mei 1945 de bevrijding kwam, was Nederland geruïneerd. De bezetting was zo’n nachtmerrie geworden dat voortaan de geschiedenis werd opgedeeld in ‘voor en na de oorlog’.



Hoofdstuk 10: De tijd van televisie en computer

De tijd van televisie en computer is de tijd van 1950 tot nu. Televisies en computers staan symbool voor de welvaartsgroei in de westerse wereld.



10.1 Dekolonisatie

In 1945 begreep de Britse regering dat de dagen van het koloniale rijk geteld waren. Ze hadden ook hun handen vol aan de wederopbouw in hun eigen land. De nieuwe socialistische regering besloot daarom India zo snel mogelijk te verlaten. Deze aftocht leidde tot drama’s. De haat tussen moslims en hindoes kreeg alle ruimte en er vielen honderdduizenden doden. Brits-Indie viel uiteen in twee staten: India en Pakistan, hindoes in India, moslims in Pakistan. In Palestina liep het joods-Palestijnse geweld uit de hand, de joden riepen de staat Israel uit. De oorlog eindigde negen maanden later met de verdrijving van driekwart van de Palestijnen. Op 17 augustus 1945 riep Soekarno in Indonesië de onafhankelijkheid uit. Ho Chi Minh deed hetzelfde in Vietnam.



Twee nieuwe supermachten maakten de dienst uit: de VS en de Sovjet-Unie. Nederland stuurde soldaten naar Indonesië, maar het mocht niet baten, er kwamen er velen van om. Uiteindelijk dwongen de VS Nederland om Indonesië op te geven. Ook Frankrijk moest de Vietnam en Algerije opgeven en Nederland gaf vrijwillige Suriname de onafhankelijkheid. In Europa had de trots op de koloniale imperia (koninkrijk) plaatsgemaakt voor schaamte over het koloniale verleden.







10.2 De Koude Oorlog

De Tweede Wereldoorlog was nauwelijks voorbij toen een nieuw wereldwijd conflict ontstond: de Koude Oorlog (toestand van permanente vijandschap tussen de VS en de Sovjet-Unie, die van 1945 tot het einde van de jaren 1980 de wereldpolitiek beheerste. Er kwam een machtsverdeling in Europa en de gebieden werden verdeeld. De wereld raakte verdeeld in twee blokken. Midden in Europa kwam een ondoordringbaar ‘ijzeren gordijn’. Om te voorkomen dat Stalin ook andere landen in zijn macht kreeg, beloofde de Amerikaanse president Truman economische en militaire steun aan landen die door het communisme werden bedreigd. Met deze containmentpolitiek (indamming) wilde hij het communisme ‘indammen’. In de westerse bezettingszones kregen de Duitsers in 1949 weer een eigen staat: de Bondsrepubliek Duitsland. In de sovjetzone stichtten de communisten de Duitse Democratische Republiek (DDR). Daarmee was in Europa de blokvorming (tijdens de Koude Oorlog vormden de VS en de Sovjet-Unie twee vijandige. Ideologisch tegengestelde blokken) voltooid.



De Korea-oorlog veroorzaakte paniek in Europa. Met de atoombom leek Stalin gevaarlijker dan ooit. Miljoenen mensen sloegen al voedselvoorraden in, maar er gebeurde niets -> vandaar dat het de koude oorlog heet. In 1961 bouwde de DDR de Berlijnse Muur.



De zwaarste atoombommen werden getest, maar niet gebruikt, omdat ze zo’n ontzagwekkend vernielende kracht hadden. Toch ontstond er een bizarre wapenwedloop (race om het sterkste wapenarsenaal te krijgen). Ze bouweden kernraketten. Hierna sloten ze een wapenbeheersingsakkoord.

Men geloofde in de oude Romeinse overtuiging dat wie vrede wil, zich moet voorbereiden op oorlog. De kernwapens moesten de vijand afschrikken. Zo bleef de dreiging van een allesvernietigende atoomoorlog (oorlog gevoerd met kernwapens) bestaan. De angst voor een nucleaire Holocaust leidde in West-Europa tot massale protesten.



De Sovjet-Unie werd geregeerd door bejaarden, die de economische problemen twintig jaar lang hadden laten voortwoekeren. Hierna kwam Gorbatsjov aan de macht, en stopte de wapenwedloop. Na 1985 werd de Koude Oorlog verrassend snel beëindigd. Nadat Gorbatsjov had laten blijken dat hij het communistische blok niet meer met dwang bijeen zou houden, viel het in 1989 uiteen. De problemen in de Sovjet-Unie namen alleen maar toe. De Sovjeteconomie stortte in en in 1991 scheidde de ene na de andere Sovjetstaat zich af. De overgebleven staten hieven de Sovjet-Unie met Kerstmis 1991 op. De Koude Oorlog was definitief voorbij.





 





 





10.3 Welvaart en cultuur

Rond 1948 begon in de westerse wereld een lange periode van ongekende economische groei, die tot 1973 zou duren. Door de welvaart in deze ‘gouden jaren’ veranderde het dagelijks leven in Europa grondig en voorgoed, ook in Nederland. De regering gaf ruim baan aan de industrie en begon met de opbouw van de sociale zekerheid. Al in 1947 regelde Drees dat iedere 65-plusser een uitkering kreeg; later werd dat de AOW. In 1970 was het autobezit algemeen en stond er in bijna elke Nederlandse huiskamer een tv-toestel. De Nederlanders veranderen van een zuinig, sober volk in een natie van gretige consumenten.



In 1973 kwam abrupt een eind aan deze gouden jaren. Voor het eerst sinds de crisisjaren ontstond massawerkloosheid. Vooral in de industrie, werd veel geautomatiseerd, waardoor veel werkloosheid ontstond. Toch begon de welvaart na 1985 weer te stijgen. Vooral toen na 1995 de informatiemaatschappij (postindustriële samenleving -> samenleving waarin mensen in werk en vrije tijd veel gebruikmaken van informatie- en communicatietechnologie, zoals computers en mobiele telefoons) tot volle ontplooiing kwam.



De toenemende welvaart en bestaanszekerheid gaven een gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid. Dat leidde tot grote sociaal-culturele veranderingen (veranderingen in de relaties tussen groepen in de samenleving, zoals mannen en vrouwen). Voorheen werkten mannen, vrouwen zorgden, kinderen gehoorzaamden hun ouders zonder vragen, over seks werd niet gesproken en de meeste Nederlanders gingen naar de kerk. Vanaf 1960 veranderde dat helemaal.



Het gezin bleef de meest voorkomende samenlevingsvorm, maar binnen het gezin veranderde veel. Thuiszitten voor de vrouw werd saai, dat was een van de oorzaken van de ‘tweede feministische golf’. De vrouwenemancipatie was onderdeel van een bredere ontwikkeling: de individualisering. Het individu met zijn behoeften stond centraal.







10.4 De Europese eenwording

De welvaartsgroei hielp de vijandschap in Europa te overwinnen. Na 1945 vochten de Europese landen hun meningsverschillen niet meer uit op het slagveld, maar aan de onderhandelingstafel. Europa werd een eenheid.



Schuman stelde voor de Franse en Duitse staal- en steenkoolsector onder gemeenschappelijk bestuur te brengen, dit om een revanche van de Duitsers te voorkomen. Het plan van Schuman leidde in 1952 tot de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Ze had zes leden: Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, België en Luxemburg.



De Duitse hereniging werd voor Europa het uur van de waarheid. Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur. Duitsland wilde zich herenigen met Oost-Duitsland.

Er werd voorgesteld om de goede samenwerking te houden. Als symbool voor de eenheid werd de gemeenschap omgedoopt in Europese Unie (samenwerkingsverband van Europese staten). Er zou een gemeenschappelijke munt komen, en de euro kwam op 1 januari 2002.







10.5 Pluriforme en multiculturele samenlevingen

Veel Nederlands-Indiers hadden zich in Nederland gevestigd, maar in het begin vormden dit problemen. Na verloop van tijd gingen deze problemen over en vonden de Indo’s werk en gingen op in de samenleving. Met de Molukkers waren meer problemen. Ook dit veranderde na een tijd. Op een gegeven moment kwamen er grote groepen Turken en Marokkanen naar Nederland als ‘gastarbeiders’. Waar in het begin ook problemen waren met de Surinamers, werden zij op een gegeven moment een kleurrijke aanwinst van de multiculturele samenleving (een samenleving waarin verschillende culturen naast elkaar en door elkaar leven). Tegelijk groeide de onvrede over de asielzoekers en illegalen (mensen die niet legaal in een land verblijven).  Marokkaanse jongen werden steeds vaker in verband gebracht met overlast en criminaliteit. Veel Nederlanders voelden zich niet meer thuis in Nederland. De aanwezigheid van allochtonen en moslims had Nederland veranderd. Nederland was een pluriforme samenleving (veelvormig) geworden.



Bron:



http://www.scholieren.com/werkstukken/42035


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.