ADVERTENTIE
Raad jij de studie?

Waarschijnlijk heb je al wat studies op het oog. Maar heb je echt alle studies overwogen? Grote kans dat je wat toffe opleidingen over het hoofd ziet. In deze video gaan Lauren, Lin & Marit raden welke studie wij zoeken! Misschien is dit ook wel wat voor jou?


Meer info

Volkeren



§1

Europese expansie: algemene term waarmee wordt aangegeven; de uitbreiding van de invloed van de Europese staten in andere werelddelen. In Latijns-Amerika, Afrika en Azië zijn de gevolgen van de Europese expansie zelfs nu nog erg duidelijk. Westerse goederen zoals transistorradio’s, spijkerbroeken, hamburgers, coca-cola en popmuziek zijn in grote delen van de wereld bekend en gewaardeerd.

Multiculturele samenleving: een samenleving waarin verschillende bevolkingsgroepen leven en waarin culturele elementen van diverse immigranten groepen zijn te herkennen.



De expansie begon in de 15e eeuw toen de Portugezen stapsgewijs dus kust van Afrika verkenden.

1488: Bartholomeus Dias bereikt kaap de goede hoop. 10 jaar later bereikte Vasco da Gama de kust van India. Columbus slaagde erin om Spanje te ontdekken.

1492: Columbus neemt de Bahamas voor Spanje in bezit.



Waarom ondernamen de Portugezen en de Spanjaarden deze gevaarlijke ontdekkingstochten?

- nieuwsgierigheid naar onbekende werelddelen

- verspreiding van het christelijk geloof

- handel met Azië

De Aziatische handel was in de middeleeuwen via het Midden-Oosten gelopen. Arabische handelaren kenden de routes naar de tropische gebieden in Azië al heel lang en exploiteerden die met succes. Ze kochten er producten zoals specerijen. Na 1498 slaagden de Portugezen erin op veel plaatsen in India de Arabische handelaren te verjagen en zelf producten te kopen en om Afrika naar Lissabon te brengen. De Arabische tussenhandel leefde na 1540 weer op. Verspreiding van het christelijk geloof was een ander belangrijk punt voor de ontdekkingsreizen. In de 15e eeuw was religie heel belangrijk. Tot aan het eind van de 16e eeuw waren de Spanjaarden en Portugezen de belangrijkste( zij hadden de meeste mensen zegtmaar) op de nieuwe zeeroutes en in de nieuw ontdekte gebieden. Dit veranderde doordat Engelsen, fransen, en Nederlanders de Portugezen en Spanjaarden in Amerika en Azië gingen beconcurreren, in Azië lukte dit beter dan in Amerika, omdat de Spanjaarden daar een sterke positie hadden opgebouwd. Rond 1600 breide de koloniale activiteiten zich uit. Er ontstonden geheel nieuwe handelsnetwerken en communicatiekanalen, waarbij mensen en allerlei producten via Europese scheepvaartverbindingen van het ene naar het ander werelddeel werden overgebracht. Met name voedselgewassen, zoals suikerriet, tarwe en de aardappel. Hierdoor nam de verbouwing van deze producten erg toe. Tussen Europa, Afrika en Amerika ontstond een bloeiende driehoekshandel waarbij goederen en slaven van het ene continent naar het andere werden vervoerd.



§ 1.2

Er zijn drie vormen te onderscheiden van de wijze waarop West-Europeanen aanwezig waren in andere werelddelen:



- handelsposten, vestigingskolonies, en plantagekolonies.



Het vestigen van handelsposten vond met name plaats in gebieden die voor handel interessant waren. Handelsposten werden gesticht op de kusten van West-Afrika, het Midden-Oosten, India, Indonesië, Japan en China.

Imperialisme: het vergroten van de invloed in overzees gebied door middel van handel( met name in de 19e eeuw). Hierbij werd de inmenging aanvankelijk beperkt tot economisch invloed. Meestal werden aan de kust handelsposten opgericht, terwijl het binnenland onder inheems bestuur bleef. Aan het einde van de 19e eeuw werd de Europese invloed in bijvoorbeeld India en Indonesië uitgebreid tot overheersing van het lokale bestuur. Dit is nieuw-imperialisme.

De mate waarin Portugezen, Engelsen en Nederlanders invloed konden uitoefenen in de handelsposten en het omliggende gebied was afhankelijk van de verhouding tot de inlandse vorst die over het gebied heerste. De aanleiding waardoor in 1936 alle buitenlandse handelaren nog langer voet aan wal bleven zetten in Japan, kwam door de ijver waarmee Portugezen het katholieke geloof in Japan bekendheid gaven. Tot in de 19e eeuw was het alleen aan Nederlanders en Chinezen toegestaan om handel te drijven. Voor hen werd een eiland gereserveerd( Nagasaki), zodat ze niet op het vaste land hoefde te komen.



De letterlijke betekenis van kolonie is: volksplanting buiten het territorium van een land. Het gaat om migratie van grotere groepen mensen naar een ander gebied, met de bedoeling daar voor altijd of ten minste langere tijd te blijven. De Spanjaarden stichtten ook vestigingskolonies op aan het begin van de 16e eeuw, in Latijns-Amerika. In Noord-Amerika vestigden zich vooral Engelsen en Fransen. Andere plaatsen waar vestigingskolonies werden gesticht waren: Zuid-Afrika, en in de 18e eeuw Australië en Nieuw-Zeeland. De vestigingskolonies betaalden belasting aan het moederland( het hoogste bestuur bleef bij het moederland). Ondanks de banden met het moederland ontwikkelden de vestigingskolonies zich toch tot een geheel eigen wereld, omdat de mensen die daar kwamen, zich daar permanent vestigden en daar een thuis maakten. In Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland is de autochtone bevolking vrijwel geheel verdwenen ten gevolge van de intensieve kolonisatie. In Spaans-Amerika vond intergratie plaats tussen de oude en de nieuwe bewoners.



De derde vorm van aanwezigheid van Europeanen was de plantagekolonies. Ook in de plantagekolonies vestigden zich Europeanen, maar in kleinere groepen dan in de vestigingskolonies. Een groot verschik met de vestigingskolonies was, dat de vestigingskolonies zichzelf in goed in stand konden houden( economies, qua geld enzo), en de plantagekolonies waren sterk afhankelijk van de handel en scheepvaart met Europa. De plantagekolonies werden gesticht om op grote schaal (sub) tropische landbouwgewassen te verbouwen: met name suikerriet, koffie en katoen. De productie was geheel gericht op export naar Europa, Plantages waren met name te vinden in het noordoosten van Zuid-Amerika, het Caribische gebied en het zuidoosten van Noord-Amerika, waar de bodemgesteldheid en het klimaat gunstig waren voor deze vorm van landbouw. Europeanen waren niet bereid om het zware werk op de plantages te doen, indianen werden gedwongen dit werk te doen, vele stierven. Een oplossing voor het tekort aan arbeidskrachten werd gevonden door het overbrengen van zwarte Afrikanen. Vooral in de 17e en de 18e eeuw brachten de Nederlandse West-Indische Compagnie( WIC), de Britse Royal African Company en de Portugezen miljoenen slaven van de westkust van Afrika, over de Atlantische Oceaan naar Amerika om ze daar te verkopen op slavenmarkten.



Paragraaf 2

Eerst grootschalige voorbeeld van Europese expansie is eigenlijk een vergissing. In 1492 ontdekte Christoffel Columbus Amerika, tijdens zijn zoektocht naar het land ten oosten van Afrika: Indië. Columbus dacht India bereikt te hebben en noemde de mensen daar Indianen. Columbus ging trots terug naar Spanje en bracht een aantal indianen mee als bewijs voor de Spaanse koning. Pas later werd duidelijk dat er een vergissing was gemaakt, het was een ontmoeting van mensen die niets van elkaars bestaan afwisten. Columbus heeft nooit van zijn vergissing geweten, en is de geschiedenis in gegaan als de ontdekker van ‘’de nieuwe wereld’’. De ontdekkingsreizigers na Columbus besefte dat de flora en fauna die ze aantroffen wel erg veel verschilde met wat ze verwacht hadden van indië. Amerigo Vespucci gaf de doorslag er was een nieuw land ontdekt.De indianen die de Spanjaarden in 1492 het eerst ontmoeten leefden heel eenvoudig in kleine groepjes aan de kust van het vaste land. Toen de expedities zich uitbreide naar het binnenland, bleken er in Amerika 100den verschillende bevolkingsgroepen te wonen met zeer uiteenlopende culturen. Spanjes grootste concurrent bij de veroveringen van een nieuw gebied was het buurtland Portugal. 2 Jaar na Columbus ontdekking bemiddelde de paus tussen beide staten om het nieuwe land te verdelen. Dit werd het verdrag van Tordesillas genoemd. Er werd een denkbeeldige scheidingslijn getrokken van noord naar zuid. Spanje kreeg al het land ten westen van de scheidingslijn en Portugal alles aan de oostkant. Beetje bij beetje brachten de ontdekkingsreizigers midden en zuid Amerika in kaart. Achtereenvolgens werden het huidige Panama, Peru, Ecuador, Columbia en Chili ontdekt. Vanaf 1517 maakte men tochten naar Midden-Amerika. Één van de vele avonturiers was Hernán Cortés, een verarmde Spaanse edelman, hij hoopte net als vele andere een fortuin te maken in Amerika. Hij vertrok met een groep van nog geen 600 man van Cuba naar het vasteland van Midden-Amerika om als eerste het beginland te verkennen en te veroveren. Hij ontmoette 2 tolken, die hem hielpen contact te leggen me de bevolkinggroepen. Het bleek dat de indianen onderhorig waren aan de machtige Azteken. De Azteken waren goed georganiseerd en hadden een lange militaire traditie, het waren erg goede krijgslieden. De Azteken beschouwden hun buren als onderworpenen, de Azteken brachten hun onder hun gezag en eisten belasting. Cortés wist hier gebruik van te maken en bood een manier om onder de Azteken uit te komen. Geleid door Indiaanse gidsen bereikte Cortés en zijn manschappen de hoofdstad van het Azteekse rijk:Tenochtitlán-Mexico. Deze stad met grote gebouwen, kanalen en rechte kanen was een indrukkend toonbeeld voor de Azteekse beschaving. Het was het centrum van het bestuur en de religie van de azteken en de zetel van de koning: Motecuhzoma. Er woonden heel veel mensen en het was 1 van de grootste steden ter wereld. Deze mooie stad was een grote verrassing voor de Spanjaarden. Ondanks een kleine troepenmacht van Cortés pakte de ontmoeting met de azteken in het voordeel van Cortés uit dit was het gevolg van 4 uiteenlopende zaken.

- De Azteken hechten grote waarden aan hun krijgskunst: daar hadden ze immers hun grote rijk mee weten te stichten. Als militairen maakte de Spanjaarden daarom grote indruk op de Azteken.

- De komst van de Spanjaarden viel samen met een tijd van religieuze ontreddering onder de azteken. Volgens de Azteken konden er een terugkeer verwacht worden van 1 van de belangrijkste goden. Wie weet waren de Spanjaarden de verwachte goden, vandaar dat de Spanjaarden gastvrij ontvangen werden.

-Spanjaarden kregen steun van enkele van de door de Azteken onderworpen volken. Deze adviseerden de Spanjaarden en leverden ook troepen.

- De onderwerping van de Azteken werd zeer vergemakkelijkt door een onbedoeld effect van de ontmoeting tussen de inwoners van 2 continenten. De Spanjaarden namen allerlei ziektekiemen mee die in Amerika onbekend waren en daardoor dodelijk. De griep, waterpokken en pest maakten veel meer slachtoffers dan de Spanjaarden zelf ooit hadden kunnen doen met militair geweld.



De Azteekse heerser verwelkomde Cortés en zijn manschappen met enig ontzag. Cortés beantwoorden dit door en Azteken meteen aan het Spaanse gezag te onderwerpen. In het begin ging dit heel vreedzaam maar na een jaar gingen ze elkaar alsnog te lijf met wapens. De Spanjaarden maakte met de hulp van de vijanden van de Azteken hun gezag definitief.De stad werd met de grond gelijk gemaakt en op de ruïnes werd, met gebruikmaking van azteekse gebouwen, het centrum van de Spaanse koloniale macht in Noord-Amerika gebouwd: Nieuw Spanje.

Vanuit Mexico werd de Spaanse heerschappij verder uitgebreid naar Midden-Amerika. Het 2e Bastion van de Spaanse macht werd in het Incarijk in Peru gevestigd. De laatste expeditie van de Spanjaarden voerden hen naar het zuidelijkste puntje van het Continent: Vuurland.



Al was het Amerikaanse continent voor de Spanjaarden nieuw land, dat was het uiteraard niet voor de bevolkingsgroepen die daar woonden. Een aantal van deze bevolkingsgroepen had zicht tot machtige rijken ontwikkeld, die gedurende korte of lange tijd de hen omringende volken overheersten. Vervolgend ging zo’n rijk ten onder en nam een andere groep of heerschappij het over. Hier zijn nog altijd sporen van te zien in de ruïnes. Het oudste en bekende centrum is gebouwd in 1500 voor Christus. In deze centra woonden de leden van de elite en hun dienaren. De bevolking in het omringende land zorgde voor de voedselvoorziening. Ondanks de van Europa afwijkende culturen hadden de machtige rijken over het geheel genomen een vergelijkbaar bestuursmodel. Het bestuur van zo’n stadstaat was gecentreerd in een nederzetting, waar een Indiaanse edele zetelde. Machtige staatjes konden proberen minder sterke buren aan zich te onderwerpen. Soms groeide daar een heel rijk uit, zoals in het geval van de Azteken. De azteken waren 1 van de belangrijkste culturen naast de maya’s en de Inca’s in Latijns-Amerika. Zowel de Inca’s als de Azteken hadden grote rijken gesticht met een bloeiende en hoogstaande cultuur. Beiden rijken waren ongeveer 100 jaar oud en er waren veel verschillende culturen in opgenomen. Beiden trachten hun buurtlanden aan zich te onderwerpen. De inca’s vooral door bondgenootschappen aan te gaan, de azteken door middel van militair machtsoverwicht. De Mayacultuur kende een heel andere ontwikkeling. Ze had een bloeiperiode rond 500-900 na Christus daarna raakte de mayacultuur in verval. De belangrijkste steden waren verlaten en verwoest, het is nog steeds een raadsel hoe dit is gebeurd.



In 1500 werd de Azteekse staat gekenmerkt door een sterk Hiërarchische (militaire) structuur, met aan de top machtige religieuze en militaire leiders. Binnen die Hiërarchie vormden zij een klasse van adel met onderlinge verschillen in status. Edelen hadden ook zeggenschap in grote en kleine stadstaten, die onderhorig waren aan de Azteekse koning. De gewone bevolking van deze stadstaatjes betaalde tribuut(belasting) aan hun heren in ruil voor bescherming. De heren van de stadstaten betaalden op hun beurt tribuut aan de Azteekse top in de Hoofdstad. Op het hoogtepunt van het Azteekse rijk reikte de Azteekse overheersing van de Atlantische tot de stille oceaan en tor aan de grenzen van het huidige Guatemala.Het grootse deel van de onderworpen bevolking hield zich bezig met landbouw. Er waren ook ambachtslieden die zeer bedreven waren in het weven en verven van stoffen, goud- en koperbewerking en aardewerk. Lastdrager verzorgden een uitgebreid handelsnetwerk, waarin waardevolle cacaobonen werden gebruikt als betaalmiddel.

In de Cultuur van de Azteken, de Inca’s en de Maya’s speelde astronomie een belangrijke rol.voor het dagelijks leven was de kringloop van zaaien en oogsten van levensbelang.In tegenstelling tot de eerste volken die de Spanjaarden in Amerika ontmoetten, kenden de Maya’s, Inca’s en de Azteken het schrift.Dit betekende dat de Azteken een Historisch bewustzijn hadden. Zij hadden een beeld van het verleden en, dankzij hun kalenders ook van de toekomst. De Spanjaarden zagen in het ontwikkelde wereldbeeld van de Azteken voornamelijk een bedreiging.

het glorierijke verleden van de Azteken en de Inca’s zou hen hinderen in de ondergeschikte rol die ze voortaan moeten spelen. Koloniale bestuurders wilden daarom de herinnering aan de voormalige indiaanse leiders zo snel mogelijk uitwissen.met de bestuursambtenaren kwamen ook de missionarissen, die in het voetspoor van de veroveraars naar de Nieuwe Wereld trokken om de Indianen te bekeren. Onderwerping en bekering gingen hand in hand.De missionarissen streven er ook naar om de Azteekse cultuur te vernietigen. Op tempels werden kerken gebouwd, documenten en beelden werden verwoest. Doordat zei de documenten vernietigd hadden ontbrak hun een stukje kennis van het indiaanse geloof. Dat bemoeilijkte uiteindelijk juist de bestrijding van de Indiaanse Religie



§3

3.1



Na voltooiing van de verovering begon in Latijns-Amerika in 1500 een periode van 300 jaar Spaanse macht. De inrichting van de koloniale staat en de samenleving betekende een samengaan van Spaanse en Indiaanse invloeden op het gebied van bestuur, cultuur, religie, economie en maatschappij.



De belangrijkste mensen die Amerika hadden veroverd waren de conquistadores. Dat waren Spaanse veroveraars, die net als Hernán Cortés hun fortuin wilde maken. De conquistadores kregen van de Kroon( de koning) het recht om zich in Amerika te vestigen en tribuut en arbeid te eisen van de indiaanse bewoners. Het recht op arbeid en tribuut gold binnen een tijd en werd encomienda genoemd. Een voorwaarde was wel dat zij de Kroon lieten delen in hun winsten en indien nodig de streek waar zij zich hadden gevestigd voor de kroon zouden verdedigen. De Spaanse kroon realiseerde zich al snel, dat zij haar zeggenschap dreigde te verliezen, en het encomienda systeem leidde tot ernstige misverstanden: de indiaanse bevolking werd op zeer hardhandige wijze onderworpen en uitgebuit en dat riep veel protesten op. Halverwege de 16e eeuw riep de maakte de Spaanse kroon een nieuw bestuursysteem om de macht van de eerste kolonisten in te perken en de economie en samenleving beter te kunnen controleren. Aan het einde van deze eeuw bleek de opdeling in twee enorme bestuurgebieden niet goed te werken en werd de kolonie in 5 onderkoningrijken opgesplitst. De onderkoningen werden bijgestaan door raden van adviseurs, die tegelijkertijd ook een controlerende functie hadden. Er werden ook vaak controleurs gestuurd vanuit Spanje. De onderkoningrijken werden opgedeeld in provincies, waar de regionale ambtenaren het bestuur leidden. Het was de bedoeling dat de provinciale ambtenaren in de loop van der tijd het encomienda systeem gingen veranderen. Doordat Spanjaarden binnen provincies steden stichtten, kreeg de Spaanse gemeenteraad het bestuur in handen. Haciënda: landbouwbedrijf dat in omvang kan variëren, meestal grootschalig van karakter.



3.2

De indiaanse nederzettingen werden door de Spanjaarden ‘’pueblos de indios’’ genoemd en opgenomen in de bestuursstructuur van de Spaanse staat. Zij vormden de onderste bestuurslaag van de staat. ( 1821-> onafhankelijk Mexico). De indiaanse dorpen vielen onder de verantwoordelijkheid van de provinciale ambtenaren. De indiaanse hielden daarbij hun eigen bestuur. Het dorpsbestuur was in handen van de nazaten van de indiaanse adel die voor de komt van Spanjaarden in de nederzettingen heerste. De nazaten werden door de Spanjaarden ‘’caciques genoemd’’. De caques hadden ook het meeste land tot hun beschikking. De Indiaanse burgemeester werd bijgestaan door een gemeenteraad. De Indiaanse burgemeester had niet alleen bestuurlijke taken ook hij had ook een rechtelijke taak. de indiaanse dorpen moesten tribuut bestalen aan de Spaanse Kroon. De burgemeester was hiervoor verantwoordelijk en als er een tekort was, moest hij dat uit zijn eigen zak betalen. De Spaanse provinciale ambtenaar moest er op zijn buurt voor zorgen dat het tribuut werd afgedragen aan de kroon. Iedere indiaan die tribuut betaalde had het recht om een stuk van de grond van het dorp te bewerken. Dat was een wet. De provinciale ambtenaren namen de wetten alleen niet altijd even serieus, wat een nadeel was voor de indianen.



3.3

Kerstening: bekering tot het christelijk geloof. De eerste missionarissen wilden dat de indianen zich zo spoedig mogelijk hun oude goden zouden vergeten en overgingen op het christelijk geloof. Alleen ze zouden de zielen van de indianen kunnen worden gered zeiden de zendelingen. De kerstening werd met enthousiasme aangepakt. Rond 1650 was het merendeel van de oorspronkelijke bevolking bekeerd.( zij waren gedoopt en officieel tot de kerk gestreden). Maar in de praktijk bleek dat de oude rituelen en geloofsovertuigingen niet zo makkelijk waren te vergeten. De vernietiging van religieuze gebouwen, beelden en documenten was niet voldoende. Zo ontstond eigenlijk een nieuw soort christendom, met kenmerken van beidde religies. Dit wordt het syncretisme genoemd. Er is veel aandacht voor de heiligen. De missionarissen zorgden niet alleen voor verandering in de geloofswereld van de indianen, ook in het dagelijkse leven was hun invloed merkbaar. In veel indiaanse dorpen woonden een priester, die soms als enige Spanjaard het Spaanse gezag vertegenwoordigden. De priester doopte bijvoorbeeld de pageborende, zegende huwelijken in, en deed de mis. De priesters kwamen vaak uit verschillende oorden, dus ze hadden vaak verschillende opvattingen over indianen. Sommigen beschermden de indianen, en andere beschouwden de indianen als slaven. Bartolomeus de las Casas, was een voorbeeld van een beschermer van de indianen en hun cultuur. In 1502 scheepte Las Casas zich in Sevilla in voor de oversteek naar het Nieuwe Land. Las Casas was een avonturier. Las Casas richtte zich vooral sterk tegen het encomienda systeem op, dat veel werd misbruikt door veroveraars die hun recht op tribuut en arbeid als een vrijbrief zagen om zichzelf te verrijken. De aanklachten van Las Casas zijn nog altijd heel bepalend voor het beeld dat wij ebben van de Spaanse Koloniën. Op basis van zijn verslag werd de ‘’zwarte legende’’ gebouwd. Zwarte legende: traditionele visie op de verovering van Latijns-Amerika. Volgens deze visie werden de indianen massaal uitgemoord en de overlevenden overal en op alle fronten onderdrukt en uitgebuit. Modern historisch onderzoek baseert zich op bronnen die door de aanhangers van de zwarte legende niet werden gebruikt. Deze nieuwe bronnen zorgden voor een sterke bijstelling van de traditionele visie. Het onderzoek van nieuwe bronnen heeft aangetoond, dat indianen geen weerloze slachtoffers waren. De indiaanse bevolking had namelijk nog ander middelen tot haar beschikking dan openlijke opstand en geweldpleging.

Het recht op onvervreemdbare dorpsgrond werd na de onafhankelijkheid van Latijns-Amerika in de loop van de 19de eeuw afgeschaft. Dat leidde er toen alsnog toe, dat veel indiaanse dorpen hun grond kwijtraakten.



Paragraaf 4

Een aantal van de Indiaanse beschavingen die de Spanjaarden in Amerika aantroffen, hadden bedreven handelslieden. Ze waren bijzonder vaardig in het bewerken van goud,zilver en andere kostbare grondstoffen. De eerste conquistadores(veroveraars) kregen prachtige sieraden en gebruiksvoorwerpen aangeboden door de azteekse keizer Motecuhzoma en dit maakte diepe indruk op de veroveraars. Veel rijkdommen gingen richting het moederland Spanje.De verscheping van het zilver naar Spanje werd gemonopoliseerd dor een onderneming van de Kroon. Die onderneming moest er voor zorgen dat de koninklijke schatkist ten minste een vijfde deel van de zilveropbrengst kreeg, naast inkomen uit allerlei belastingen. Zilver was niet het enige exportproduct van Latijns-Amerika. Van groot belang was bijvoorbeeld ook de Cochinella, een bruine verfstof die gemaakt werd van op cactussen gekweekte insecten. Deze verf was zeer kostbaar en vormde in sommige streken een belangrijke basis van de economie. Verder werden landbouwproducten naar Europa gebracht, zoals aardappelen, tomaten, maïs en cacao. Afgezien van de cacao bleken de overige producten goed in het Europese klimaat te gedijen en ze verrijkte op die manier de Europese economie. De cacao bleef onderdeel van de Amerikaanse export, totdat het ook op plantages in Afrika verbouwd ging worden. Via de handelsroutes kwamen ook allerlei producten uit Azië en Afrika in Amerika terecht.vanuit Europa werd Tarwe naar Latijns Amerika gebracht.De tarwe werd een belangrijk onderdeel van de Amerikaanse landbouw naast de maïs die voor de Indianen altijd het onbetwiste hoofdbestanddeel van hun voedsel is geweest. Zo vond via de handelsroutes niet alleen handel plaats maar ook een uitwisseling van gewassen. Die raakte zo over de hele wereld verspreid. Deze uitwisseling werd Columbian Exchange genoemd naar Columbus. (Columbiaanse uitwisseling)

De Amerikaanse economie werd bovendien verder uitgebreid door de introductie van vee: paarden, koeien, ossen, varkens,pluimvee, geiten en schapen. Voor de komst van de Spanjaarden waren trek en lastdieren bij de indianen onbekend en evenmin werden dieren gefokt voor de slacht. De veehouderij werd vooral in Argentinië belangrijk.De geïntroduceerde producten en dieren verrijkten de reeds bestaande landbouwproductie van maïs, aardappelen, bonen en cassave.. Van groot belang voor zowel de akkerbouw als het vervoer van handelsproducten binnen de kolonie was de introductie van het wiel, gecombineerd met de import van lastdieren. Hierdoor werd het ploegen van akkers vergemakkelijkt en konden grote hoeveelheden goederen worden vervoerd dan het geval was toen het vervoer nog geheel door indiaanse lastdragers werd verzorgd. De introductie van muildieren was van nog groter belang voor het vervoer, omdat wagens in veel streken niet bruikbaar waren.Door de muildieren verbeterden de handelscontacten tussen verschillende streken. De stortvloed van edelmetaal die via Spanje in Europa terechtkwam was van groot belang voor de Europese economie.

De exporteconomie ontstond in gebieden die dunbevolkt waren: in het caraïbisch gebied en in de tropische kustzones. Hier werden de plantages gesticht, die met behulp van Afrikaanse slaven werden gerund. De meeste Indiaanse dorpsgemeenschappen bleven hier voortbestaan en de meeste mensen bleven hun eigen land bewerken. Er was veel land in overvloed ten gevolge van de tragische sterfte van de Europese ziektekiemen. Pas toen aan het einde van de 18e eeuw de bevolking sterk groeide, ontstonden er tekorten aan land. Uit deze tijd stammen de meeste landconflicten tussen indiaanse dorpen en Spaanse landeigenaren.In de dichtbevolkte gebieden, waar de Spanjaarden zich in eerste instantie vestigden, ontstond in de loop van de 16e eeuw een nieuwe samenleving. Binnen deze samenleving moesten indianen en Spanjaarden naar elkaar leven. In staatkundig opzicht werden de indianen de onderdanen van de Spaanse koning, aan wie zij trouw en tribuut verschuldigd waren.Het gezag van de koning was in de ogen van de Spanjaarden door god gegeven. De ontdekking van Amerika en van de indianen werd eveneens gezien als door god gegeven en verplichte de koning ertoe te waken over het geestelijke heil van de Indianen.Net zoals veel van de eerste missionarissen beschouwde de koning de heidense indianen als onschuldige kinderen. Zij moesten worden opgevoed tot goede gelovigen en als onmondige kinderen worden beschermd.Om over hun heil te waken kregen de indianen van Mexico, Guatemala en Peru de juridische status van’’Kinderen van de Koning’’. Deze status zetten hen volledig apart van de Spaanse inwoners van Latijns-Amerika. Er ontstond een standenmaatschappij. De Amerikaanse standen werden de Indiaanse en Spaanse republieken genoemd. De indiaanse dorpen waren de plaatsen waar de leden van de Indiaanse republiek woonden. Als leden van de indiaanse republiek konden de dorpelingen zich beroepen op een aantal wettelijke rechten, zoals het recht op grond en bescherming. Daar stond de plicht om tribuut te betalen tegenover. Zowel de rechten als plichten waren direct verbonden met iemands woonplaats en stand: iemand was indiaan wanner hij als inwoner van een indiaans dorp belasting betaalde. Wanner zo iemand bijvoorbeeld in de stad ging wonen was zijn status onduidelijk. Hij kon dan worden aangeduid als Mesties, iemand met een Spaanse en indiaanse ouder, ook al was hij biologisch gezien indiaans.De indiaanse en de Spaanse standen waren geen homogene groepen, waarbij iedereen een gelijke sociale status en economische positie had. Binnen de indiaanse stand bestond een groot verschil in aanzien en rijkdom tussen de indiaanse edelen en indianen van gewone afkomst. Wat betreft hun kleding, gebruiken stonden de indiaanse edelen dichter bij de Spanjaarden dan bij de indianen van gewoon komaf.zij spraken ook vaak Spaans wat de gewonen indianen niet deden. De meeste Spanjaarden waren middenstanders; slechts een klein aantal behoorde tot de elite, die de economische en bestuurlijke touwtjes in handen had. Tot aan het einde van de koloniale bewind bestond deze elite uit mensen die direct afkomstig waren uit Spanje. Voor de Nakomelingen van de Spaanse Migranten, de Creolen, waren de mogelijkheden om een hoge ambtelijke post te verweven klein. Ook binnen de klasse van Spaanse grondeigenaren bestonden grote verschillen: er waren rijke grootgrondbezitters maar ook boeren met een heel bescheiden bedrijfje.



De indiaanse culturen van Latijns-Amerika zijn niet verdwenen na de komst van de Spanjaarden. Dat betekende niet dat de Latijns-Amerikaanse samenlevingen onveranderd bleven: de vestigingen van het koloniale bewind zorgde voor veel veranderingen en aanpassingen.Er stierven miljoenen indianen en de centrale bestuurlijke top van de Indianen werd vervangen door Spaanse ambtenaren. Ook op andere terreinen, bijvoorbeeld de landbouw en godsdienst, was de invloed van de Europeanen merkbaar.De invloed van de Spanjaarden was het sterkst in de steden, daar woonden de meeste Spanjaarden. In de loop van de 17e eeuw vestigden Spanjaarden zich zelfs binnen de indiaanse dorpen, ook als was dit formeel verboden.In de dorpen waar zich veel Spanjaarden vestigden, raakten de Indiaanse en Spaanse cultuur nauw verweven.. in de meer afgelegen dorpen wad de Spaanse invloed echter geringer en bleef de indiaanse cultuur sterker behouden. Binnen de koloniale samenleving waren naast de indiaanse en Spaanse cultuur ook nog culturele invloeden van andere Europeanen de Afrikaanse slaven merkbaar.Ook bij de slaven was er sprake van statusverschillen.Uit de ontmoeting tussen de verschillende culturen in Latijns-Amerika ontstond een nieuw, koloniale cultuur, die de synthese was van de Indiaanse, Spaanse en in mindere maten de Afrikaanse culturen: deze culturen smolten als het ware samen tot een nieuwe cultuur. Deze koloniale cultuur kreeg een geheel eigen karakter. Het proces van culturele synthese word mestizering genoemd en de koloniale cultuur een mestiezen-cultuur.In kleding, voedsel, landbouw kwam vrij gemakkelijk een synthese tot stand. Dit gebeurde ook op het gebied van de religie, al was dit zeker niet de bedoeling van de ijverige missionarissen.Verdere cultuurvermenging vond plaats door huwelijken tussen leden van verschillende standen en culturen.De kinderen die uit gemengde huwelijken voortkwamen konden op hun beurt ook weer trouwens met iemand van een andere afkomst. Op plaatsen waar de indiaanse en Spaanse stand alle twee samenleefden, nam het aantal mensen van gemengde afkomst toe.Nu was het in de Spaanse standenmaatschappij van groot belang om iedereen binnen een stand onder te brengen: dit was onlosmakelijk verbonden met de ordening van de samenleving. De oorspronkelijke tweedeling tussen de Spanjaarden en de Indianen werd verbreed tot een Hiërarchie van 4 hoofdstanden:

- Europese Spanjaarden

- Amerikaanse Spanjaarden

- Castas (kinderen van gemengde huwelijken)

- Indianen

Formeel gezien bestond e groep van de Castas uit alle nakomelingen uit een gemengd huwelijk, nakomelingen van Afrikaanse slaven en van Aziaten. De belangrijkste groep Castas werd gevormd door kinderen van een indiaanse en Spaanse ouder, de mestiezen=castas. Het probleem van de standen was echter dat iemands stand in de praktijk vaak niet gebaseerd was op afstamming, ook al verwezen de categorieën hiernaar. Meestal werden indianen die zich buiten de indiaanse dorpen en dus buiten de indiaanse republiek plaatsten Ladinos genoemd. Zij waren natuurlijk nog steeds precies dezelfde mensen, maar zonder de rechten en plichten van een indiaan. In het algemeen hing iemands stand veel meer af van zijn sociale status en economische positie dan van zijn afkomst. Paradoxaal genoeg bleef het standenonderscheid echter van groot belang: dit was niet weg te denken uit de koloniale samenleving.



§5

Aan het begin van de 19e eeuw ontstonden in het gehele continent onafhankelijkheidsbewegingen, die voor toenemende rust zorgden. Argentinië was het eerste land dat zich afkeerde van het moederland Spanje. In 1810 werd daar de onafhankelijkheid uitgroepen. Tussen 1810 en 1826 slaagden verschillende rebellegers erin om in geheel Zuid- en Midden Amerika de onafhankelijkheid uit te roepen. De verschillende oorzaken voor het uitbreken van opstanden tegen het Spaanse bewind moeten worden onderzocht in ontwikkelingen op de korte en lange termijn. De ontwikkelingen op lange termijn hadden zich vanaf 1750 voltrokken op diverse terreinen: de economie, de politiek, de cultuur en de sociale verhoudingen tussen Spanjaarden uit het moederland en de koloniën. Vanaf 1750 was de bevolking in de koloniën sterk toegenomen en dat veroorzaakte een sterkere behoefte aan grond. De grond was al in bezit van de haciënda- eigenaren, zodat niet de behoefte aan grond voor de rest van de bevolking kon worden gezien. Dit veroorzaakte problemen onder de boeren bevolking, die te weinig grond had om in haar onderhoud te voorzien. Bovendien werden haciënda-arbeiders geconfronteerd met lagere lonen op de haciënda’s, omdat het aanbod van de arbeiders meegroeide met de bevolkingsstijging. De andere ontwikkelingen hadden betrekking op de verhoudingen binnen de Spaanse bevolking. Aan het einde van de 18e eeuw waren een aantal bestuurlijke en economische maatregelen genomen die een deel van de Spaanse bevolking bevoordeelde, terwijl het andere deel er juist nadelen in vond. De Europese Spanjaarden werden er beter van, zij kregen een steeds sterkere politieke, economische en sociale positie. Zij hadden altijd de elite gevormd, en dit werd versterkt(aan het einde van de 18e eeuw), door maatregelen die er werden genomen. De bedoeling van deze maatregelen was om de kroon op de gang van zaken in de koloniën te veranderen. Dit leidde allemaal tot frustraties. Deze frustraties werden des te sterker gevoeld omdat er in ongeveer de 18de eeuw een duidelijk cultureel bewustzijn was ontstaan: langzaamaan waren de creolen opgehouden zich kolonisten te voelen. De creolen vonden de Europese Spanjaarden maar arrogant. Het waren deze creolen die leiding gaven aan de verschillende rebelbewegingen.



Na 1800 vonden enkele economische crises plaats. Deze waren het gevolg van periodes van aanhoudende droogte, die oogsten deden mislukken en zo voor voedseltekorten zorgden. Spanje had in 1800 ook nog een oorlog gehad met napoleon. Om de oorlog te financierden hief de Kroon extra belastingen in de koloniën. Zowel de crises als de extra belastingheffingen raakte de creoolse Spanjaarden veel harder dan de uit Spanje afkomstige elite. Toen in 1808 de Spaanse koningin werd door Napoleon werd afgezet en vervangen door Napoleons broer kwam deze onvrede tot een uitbarsting: de politieke ontwikkelingen in Europa gaven uiteindelijk de doorslag voor het streven naar onafhankelijkheid.

De Europese Spanjaarden bleven trouw aan de Kroon, ook al was hij nu in handen van napoleon. De Latijns-Amerikaanse revoluties van 1810-1825 werden dus geleid door creoolse Spanjaarden en waren gericht tegen het overgewicht van de Europese Spanjaarden. Van grondhervormingen kwam in de praktijk niets terecht. De meeste veranderingen vonden plaats aan de top van de samenleving, waar de Europese Spaanse elite werd vervangen door de creoolse top.



Paragraaf 6

De nieuwe Latijns-Amerikanen staten hadden in de 19e eeuw te kampen met grote problemen. Om te beginnen waren de verbindingen binnen de straten door de onafhankelijkheid slechter dan ooit.Dat betekenden dat de verschillende regio’s binnen de staten moeilijk tot een eenheid waren te smeden: daarvoor was goed transport en communicatie nodig. Al gevolg van de onafhankelijkheidsstrijd waren bovendien de Spaanse bestuurders vertrokken. Zodat de staten stuurloos werden achtergelaten.

Investeerders waren huiverig geworden vanwege de strijd en ordeloosheid en trokken hun kaptaal terug. Ook veel arbeidskrachten vluchten om aan het geweld en de onzekerheid te ontkomen. Een volgend probleem was de sociale ongelijkheid. De ongelijkheid was al groot geweest en in de loop van de 19e eeuw namen de verschillen sterk toe.1 van de belangrijkste oorzaken hiervan was de afschaffing van de indiaanse gemeenschappelijke dorpsgrond.Deze afschaffing was bedoeld om ervoor te zorgen dat de indianen vollediger aan de economie zouden gaan deelnemen. Het was ook de bedoeling om hen de status van gelijkwaardige burgers te geven.Met de afschaffing van de gemeenschapsgrond kreeg iedereen een kans om een eigen stukje grond te kopen.De haciënda’s groeiden, terwijl de dorpen hun land verloren en de dorpelingen op de haciënda’s moesten gaan werken. In 1910 had 95% van de Mexicaanse plattelandsbevolking geen eigen stukje grond meer om te bewerken. Na het bereiken van de onafhankelijkheid ontbrak het de rebellenleiders aan een gemeenschappelijk doel. Ook had men geen goed antwoord op de vele problemen in de maatschappij. Er ontstonden heftige politieke conflicten tussen de rebellenleiders: sommige ruzies gingen voer de te volgen politieke koers, andere gingen simpel om de macht. Er was geen leidinggevend kader meer en geen nationaal leger. In deze situatie van ordeloosheid poogden veel rebellenleiders de macht naar zich toe te trekken. Deze leiders worden Caudillos genoemd. Caudillos waren lokale militaire machthebbers, die in hun thuisbasis veel macht en aanhang hebben. In de ordeloosheid na de onafhankelijkheid verenigden zij steeds meer macht in hun persoon: niet alleen waren zij militaire leiders. Ze hadden ook economische belangen in de regio’s waar ze de scepter zwaaiden. Bovendien kregen ze ook veel politieke invloed.tussen de Caudillo en zijn aanhangers bestond een sterke persoonlijke band. De aanhangers volgden hem onvoorwaardelijk in de strijd. In ruil daarvoor zorgden de caudillo als een vader voor hen en leenden hen allerlei persoonlijke gunsten. Ook beloofde hij aan hen veel. Kwam een Caudillo deze beloftes na dan kon hij rekenen op blijvende steun,liet hij ze in de steek dan gingen zij op zoek naar een nieuw leider.Door aanhangers en familieleden op belangrijke posten te benoemen kon een caudillo een heel politiek netwerk opzetten. Zijn vrienden konden zich tot caudillo’s ontwikkelen, die ook weer een aanhang aan zich bonden doormiddel van persoonlijke gunsten. Zo kon en piramideachtige structuur ontstaan met een oppermachtige caudillo aan de top. De centrale macht bleef steeds afhankelijk van andere, bevriende caudillos en werd bedreigd door concurrerende machtigen.De militaire basis van de Caudillos verdween door vorming van nationale legers. Toch heeft ook de 20e-eeuwse politiek van Latijns-Amerikaan caudillo-achtige trekjes. Dat wil zeggen dat de persoonlijke band tussen en leider en zijn volgelingen bleef bestaan. De staten van zuid en midden Amerika hadden in de 19e als in de 10e eeuw te kampen met corruptie, bedrog en machtsmisbruik. De presidenten volgden elkaar in rap tempo op. Er werden in Latijns-Amerika 237 grondwetten aangenomen, 270 staatsgrepen gepleegd, er kwamen 911 presidenten langs een illegale weg aan de macht. Alles staten hebben sinds 1800 korte of lange periodes van dictatuur gekend, waarin één machtige de andere wist uit te schakelen en centrale macht naar zich toetrok. De dictaturen stuurden weliswaar voor politieke en economische stabiliteit, maar ook voor een grote mate van onvrijheid. De stabiliteit bracht bovendien steevast slechts voordeel voor een kleine bevoorrechte groep.Terwijl de elite er beter van werd, werd de rest van de bevolking met grote armoede en onderdrukking geconfronteerd.De problemen waar de regimes mee te kampen hadden, bleven ook na 1980 feitelijk onveranderd. Latijns-Amerika bleef gekenmerkt door economische instabiliteit met soms gigantische inflaties en een grote sociale ongelijkheid.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.