Verplichte voorbeelden havo + kenmerkende aspecten

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 4599 woorden
  • 9 maart 2016
  • 16 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.8
  • 16 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
































































Prehistorie



1: tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.C.)



1a. de levenswijze van jagers-verzamelaars.



1b. het ontstaan van landbouw en landbouw samenlevingen.



1c. het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.





oudheid



2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.C. tot 500 n.C.)



2a. de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.



2b: de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.



2c. de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.



2d: de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa.



2e. de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten





Middel- eeuwen (vroeg)



3: de tijd van monniken en ridders. (500-1000)



3a. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.



3b. Het ontstaan en de verspreiding van de islam.



3c. de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur, georganiseerd via hof stelsel en horigheid.



3d. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.





Middel- eeuwen (hoog: 1000-1300. Late: 1300-1500)



4: tijd van steden en staten. (1000-1500)



4a. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.



4b. de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandig- heid van steden.



4c. het conflict in de christelijke wereld tussen de geestelijke en wereld- lijke macht over wie het primaat had.



4d. de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe



4e. het begin van staats- vorming en centralisatie.





De vroeg- moderne tijd



5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600)



5a. het begin van de Europese overzeese expansie.



5b. het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe weten- schappelijke belangstelling.



5c. de hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid.



5d. de protestantse Refor- matie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.



5E. het conflict in de Nederlanden dat resulteer- de in de stichting van een Nederlandse staat.



- Luther verschijnt voor de Rijksdag in Worms (1521) 5d



- Instelling van de drie Collaterale Raden (1531) 4e



- Instelling van de bloedplakkaten (1550) 6a



- Het ontzet van Leiden (1574) 5e







6: tijd van regenten en vorsten. (1600-1700)



6a. het streven van vorsten naar absolute macht.



6b. de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.



6c. wereldwijde handels- contacten, handels-



kapitalisme en het begin van een wereldeconomie.



6d. de wetenschappelijke revolutie.



- Alteratie van Amsterdam (1578) 5e



- Plakkaat van Verlatinge (1581) 5e



- Spaanse Armada wordt verslagen (1588) 5e



- Johan van Oldenbarnevelt onthoofd (1619) 6b



- Coen verplaatst bestuurscentrum van VOC naar Batavia (1619) 6c



- Bouw Portugese Synagoge in Amsterdam gebouwd (1639) 6b, 6c





7: tijd van pruiken en revoluties. (1700-1800)



7a. rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: gods- dienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.



7b.voortbestaan van het ancien régime.



7c. uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans- Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.



7d. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.





Moderne tijd



8: tijd van burgers en stoom- machines (1800-1900)



8a. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.



8b. Discussies over de ‘sociale kwestie’.



8c. de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie. (het zoeken naar grondstoffen)



8d. De opkomst van emancipatie bewegingen.



8e. Voortschrijdende demo- cratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.



8F: de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme en confessionalisme.



- Conferentie van Berlijn (1884-1885) 8c, 8f



- Vlootwet (1898)



8c, 8f, 9a





9. de tijd van de wereld- oorlogen. (1900-1950)



9a. De rol van moderne propaganda en communi- catie middelen en vormen van massaorganisatie.



9b. het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaal socialisme.



9c. de crisis van het wereldkapitalisme.



9d. het voeren van twee wereldoorlogen.



9e. racisme en discriminatie die leiden tot genocide, in het bijzonder op de joden.



9f. de Duitse bezetting van Nederland.



9g. Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigings- wapens en de betrokkenheid van burgers bij de oorlogvoering.



9H: vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.



- Slag bij Marne (1914) 9d, 9g



- Spartakus-opstand (1919) 9b



- Dawesplan (1924) 9c



- Rijksdagbrand (1933) 9a, 9b



- Ingebruikname concentratie kamp Dachau (1933) 9b, 9e



- Instelling rijk cultuur kamer (1933) 9a, 9b



- Neurenburger wetten (1935) 9b, 9e



- Conferentie van München (1938) 9d



- Wannsee-conferentie (1942) 9b



- Atoombom op Hiroshima (1945)



9d, 9g, 10a





10. tijd van televisie en computer (1950-heden)



10a. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.



10b. de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld.



10c. De eenwording van Europa.



10d. de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 1960 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.



10e. de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.



- Marshallplan (1947) 10a, 10c



- redevoering senator McCarthy over communisten in de VS (1950) 9a, 10a



- Bestorming van de Felix Meritis in Amsterdam (1956) 9a, 10a.



- ‘Ich bin ein Berliner’ toespraak van president Kennedy in Berlijn (1963) 9a, 10a



- Praagse Lente (1968) 9b, 10a, 10d



- Salt I ondertekend (1981) 10a



- Demonstratie tegen kernwapens in Amsterdam (1972) 9a, 10a, 10 d.






Beschrijvingen verplichte voorbeelden.



1. Luther verschijnt voor de Rijksdag in Worms. (1521) Om geloofseenheid in zijn rijk te redden riep Karel V in 1521 de belangrijkste vorsten en edelen bijeen voor een vergadering in Worms. De keizer vroeg daar of Luther of hij vasthield aan zijn opvattingen. Luther antwoordde dat zijn opvattingen gebaseerd waren op de Bijbel. Luthers toespraak leidde tot een definitieve scheuring van de kerk. Karel V veroordeelde hem als ketter.



Kenmerkende aspect: de protestantse Reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.





2.Instelling van de drie Collaterale Raden (1531).  Karel V was lange tijd maar weinig in de Nederlanden. Toen hij in 1531 terugkeerde aan het hof in Brussel hij het centrale bestuur in de Nederlanden te versterken. Hij stelde drie centrale raden in die hem moesten adviseren en helpen met het bestuur. De Raad van State had het meeste aanzien, de belangrijkste Nederlandse edelen zaten erin. Deze gaf advies over de belangrijkste zaken. De Geheime Raad, die bestond uit rechtsgeleerden, stelde wetten op en hield toezicht op de gewestelijke en plaatselijke besturen. De Raad van Financiën ging over geldzaken.



Kenmerkend aspect: het begin van staatsvorming en centralisatie.





3. Instelling bloedplakkaten (1550). De inquisitie maakte in de Nederlanden honderden slachtoffers, maar het protestantisme werd er niet door uitgeroeid. Daarom kwam Karel V met steeds strengere wetten. In 1550 stelde hij een wet in die vanwege zijn extreme strengheid het bloedplakkaat werd genoemd. Volgens deze wet moesten alle ketters worden gedood. Ook het bezit van ketterse boeken of onderdak bieden aan ketters kreeg de doodstraf. Alle bezittingen werden afgenomen, zodat ook nabestaanden het moeilijk hadden. Ze werden echter niet lang uitgevoerd.



Kenmerkend aspect: het streven van vorsten naar absolute macht.





4. Het ontzet van Leiden. (1574) In oktober 1573 omsingelde Alva’s leger Leiden. Alva wilde de stad uithongeren en zo tot overgave dwingen. Maar in de stad was voedsel, dus hielden ze stand. Nadat Lodewijk was verslagen, belegerden de Spanjaarden Leiden opnieuw. Nu ontstond wel honger. Het calvinistische stadsbestuur wou niet overgeven. Om Leiden te ontzetten staken geuzen de rivierdijken door. Een zware storm joeg het zeewater de riviermondingen in, waardoor het door de gaten in de dijken stroomde. In nacht van 2 op 3 oktober sloegen de Spanjaarden op de vlucht. De geuzen voeren daarna de stad binnen met voedsel. De laatste poging van Spanje om een Hollandse stad in te nemen was mislukt.



Kenmerkend aspect: het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.





5. Alteratie van Amsterdam. (1578) Pas na de pacificatie van Gent kon Oranje alle Hollandse en Zeeuwse steden aan zijn kant brengen. In 1578 sloot Amsterdam zich als laatste bij de opstandige Hollandse staten aan. De stad kreeg nu zijn vrije handel en scheepvaart terug. Volgens het verdrag dat de bestuurders met Oranje sloten, bleef de katholieke kerk in Amsterdam bevoorrecht. Maar de afspraak hield niet lang stand. Gevluchte calvinisten keerden terug naar Amsterdam en zette met behulp van de schutterij en geuzen de katholieke regenten af. Tijdens deze alteratie van Amsterdam werden regenten uit hun huis gehaald en op een schip de stad uit gevaren, en vrijgelaten buiten de stadspoorten. Vooraanstaande calvinistische ballingen vormden een nieuw bestuur en gaven alle kerkgebouwen aan de calvinisten.



Kenmerkend aspect: het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.





6. Plakkaat van Verlatinge (1581). Op 22 juli 1581 zetten de Staten-Generaal van de opstandige Nederlandse gewesten Filips II officieel af. Ze deden dat door het plakkaat van Verlatinge goed te keuren, die wordt gezien als Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring. In het stuk stelden de Staten-Generaal dat een vorst aangesteld is door God, maar mag worden afgezet als hij zijn onderdanen onderdrukt. Verder stond er in dat het portret van Filips niet langer op de munten zou staan en dat zijn vlag en wapenschild van de overheidsgebouwen afgehaald werden. Bestuurders en schutters moesten een nieuwe eed afleggen en zweren de koning van Spanje niet te gehoorzamen, maar hem zullen bestrijden.



Kenmerkend aspect: het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.





7. de Spaanse Armada wordt verslagen (1588). Filips II besloot voor de Nederlanden eerst Engeland aan te vallen. Het doel was om met een invasieleger Londen te bezetten en de ketterse koningin Elisabeth van de troon te stoten. Hij rustte daarvoor de ‘onoverwinnelijke Armada’ uit. Parma kreeg opdracht met 30000 man aan de Vlaamse kust klaar te staan. Op 30 mei 1588 vertrok de vloot uit Lissabon. Op 29 juli bereikten ze Engeland, maar ze moesten eerst Parma oppikken. Dat mislukte door aanvallen van Engelsen en Nederlandse opstandelingen. Op 8 augustus vond een zeeslag plaats tussen Engelse vloot en de Armada, waarbij de Engelsen de Armada uit het Kanaal wegjoegen. De Armada werd daarna naar het noorden geblazen. De vloot voer om Schotland heen en kwam daarna op de Atlantische oceaan ten westen van Ierland.



Kenmerkend aspect: Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.





8. Johan van Oldenbarnevelt wordt onthoofd (1619). Tijdens het Twaalfjarig bestand liep de strijd tussen Maurits en Oldenbarnevelt zo hoog op dat een burgeroorlog dreigde uit te breken. Oldenbarnevelt had de steun van de Hollandse Staten. Op zijn voorstel vormden zij een eigen leger in 1617. Ook kregen de Hollandse Staten toestemming troepen te werven die niet mochten gehoorzamen aan het Staatse leger van Maurits. In reactie daarop liet Maurits Oldenbarnevelt en zijn belangrijkste medestanders arresteren. Oldenbarnevelt werd beschuldig van hoogverraad, omdat hij de rust had verstoord, en van landverraad omdat hij zou hebben samengezworen met Spanje. Op 13 mei 1619 werd hij onthoofd.



Kenmerkend aspect: de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.





9. Coen verplaatst het bestuurscentrum van de VOC (verenigd Oost-Indische compagnie) naar Batavia (1619). De VOC werd het grootste bedrijf ter wereld. De leiding in Azië lag eerst bij rondvarende vloten, maar in 1619 verplaatste gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen het bestuurscentrum naar Java. Coen bouwde in de stad Jakarta een fort. Coen veroverde Jakarta, waarna hij de stad vernietigde. Rond het fort stichtte hij een stad met de naam Batavia, die het hoofdkwartier van de VOC werd. Het werd het aankomst –en vertrekpunt van alle schepen die tussen Europa en Azië voeren.



Kenmerkend aspect: wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.





10. Bouw van Portugese synagoge in Amsterdam (1639). Tot de faciliteiten van migranten behoorden ook religieuze vrijheden. Zo kregen joden in Amsterdam meer vrijheid dan waar dan ook in Europa. In Spanje en Portugal waren ze niet veilig. Portugees-joodse kooplieden kwamen terecht in Antwerpen, waaruit ze na 1585 vluchtten naar Amsterdam. In 1639 bouwden Portugese joden in Amsterdam de eerste synagoge die zichtbaar was vanaf de straat.



Kenmerkend aspecten: 1. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek. 2. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.





11. Conferentie van Berlijn (1884-1885). Om te voorkomen dat er oorlog ontstond, probeerde Bismarck bij verschillende conflicten tussen Europese landen te bemiddelen. Op de conferentie van Berlijn (1885-1885) werd afgesproken dat de koning van België in het hart van Afrika een grote kolonie mocht stichten. Hij moest de monding van Congo wel delen met Frankrijk en Groot-Brittannië mocht de monding van de Niger hebben. Bismarck zelf had geen belangstelling voor koloniaal bezit, maar volgens veel Duitse nationalisten was het voor Duitsland belangrijk om kolonies te hebben. Bismarck ging daarom in 1884 akkoord met de stichting van kolonies in Afrika.



Kenmerkende aspecten: 1. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie. 2. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme en confessionalisme.



12. Vlootwet (1898). De grote man achter de Duitse vlootbouw was admiraal von Tirpitz. Hij begreep dat landen met de sterkste wapenindustrie oorlogen zouden gaan winnen. Ook meende hij dat landen met een sterke zeemacht superieur waren aan landen met een sterk landleger. Daarom wilde hij dat Duitsland een sterke oorlogsvloot kreeg met de modernste, grootste en zwaarst bewapende slagschepen. Met steun van de keizer maakte hij hiervoor een wet, die in 1898 door het Duitse parlement werd aangenomen. Duitsland schoot er echter niks mee op, want de Britten gingen ook steeds grotere slagschepen bouwen. Zij wonnen deze wapenwedloop op zee: in 1914 had Groot-Brittannië nog altijd de sterkste en grootste vloot.



Kenmerkende aspecten: 1. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie. 2. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme. 3. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisaties.





13. Slag bij Marne (1914). Toen de Eerste Wereldoorlog begon, had de Duitse legertop al tien jaar een geheim oorlogsplan liggen. Het was gemaakt door de inmiddels overleden generaal von Schlieffen. Vanuit België zou bijna het voltallige leger over de zwak verdedigde Franse noordgrens trekken. Na zes weken zou het Parijs veroveren. De geallieerden Franse en Britse troepen zetten echter een tegenaanval in. Het leidde tot de Slag bij Marne. De geallieerden wisten het Duitse offensief te stoppen. Het Schlieffenplan mislukte ook doordat Rusland sneller mobiliseerde dan verwacht. Daardoor moesten er direct meer Duitsers naar het oosten. Zo kreeg Duitsland de tweefronten oorlog die hij probeerde te vermijden.



Kenmerkende aspecten: 1. Het voeren van twee wereldoorlogen. 2. Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.





14. Spartakus-opstand (1919). Op 4 januari 1919, twee weken voor de eerste verkiezingen in de Weimar-Republiek, brak in Berlijn een communistische opstand uit. De opstandelingen noemden zichzelf Sparta kisten, naar de ontsnapte slaaf Spartakus. Zij eisten dat de macht net als in Rusland in handen kwam van raden van arbeiders en soldaten. De democratische regering stuurde er een leger op af. Op 15 januari 1919 werden de communistische leider Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht door een vrijkorps gearresteerd, gemarteld en vermoord. De moorden leidden in Duitsland tot rellen. Er vielen in de maanden daarna duizenden doden.



Kenmerkend aspect: Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.





15. Dawesplan (1924). Na de roercrisis zagen Groot-Brittannië, Frankrijk en de VS in dat het in hun belang was dat Duitsland er economisch bovenop kwam na de Eerste Wereldoorlog. Alleen dan kon Duitsland zijn herstelbetalingen verrichten. Onder leiding van de Amerikaanse bankier Dawes werd hiervoor een plan opgesteld. De herstelbetalingen werden verlaagd. Amerikaanse banken en bedrijven leenden Duitsland geld, waarmee het zijn economie op de been kon helpen en tegelijk de herstelbetalingen aan Groot-Brittannië en Frankrijk voldoen. De twee landen konden met dat geld weer de leningen terugbetalen die zij in de oorlog van de Amerikanen hadden gekregen voor hun oorlogvoering. Het Dawesplan werd in 1924 door de geallieerden en Duitsland aanvaard. Een paar jaar later werkte het goed. Er ontstond weer welvaart en dus nam de hoop op blijvende vrede in Europa toe.



Kenmerkend aspect: de crisis van het wereldkapitalisme.





16. Rijksdagbrand (1933). Een van de oorzaken waardoor Hitler snel de macht naar zich toe kon trekken, was de Rijksdagbrand. Op 5 maart 1933 waren er verkiezingen. Zes dagen eerder, 27 februari, stak een Nederlandse communist, Marinus van der Lubbe, het rijksgebouw in brand. Hitler geloofde dat het een sein was voor een communistische revolutie. Hitler liet Hindenburg een nood verordening afkondigen. Daarmee werden alle grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, opgeschort. Communisten en sociaaldemocraten werden opgepakt en hun kranten werden verboden. De NSDAP kreeg 43,9 % van de stemmen. Hitler liet de Weimar-grondwet afschaffen. Dit gebeurde via de machtigingswet, die hem recht gaf geheel buiten het parlement om te regeren. Op 23 maart keurde de Rijksdag dit goed.



Kenmerkende aspecten: 1. De rol van moderne propaganda –en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie. 2. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën: communisme, fascisme/nationaalsocialisme.





17. Ingebruikname van het concentratiekamp Dachau. (1933) In maart 1933 werd in Dachau bij München het eerste grote Duitse concentratiekamp in gebruik genomen. De gevangenen werden met dwangarbeid uitgeput. Het kamp stond onder leiding van de SS, die later alle concentratiekampen zou beheren. Het was de bedoeling tegenstanders bang te maken. In Nazi-Duitsland was mede hierdoor nauwelijks politiek verzet.



Kenmerkende aspecten: 1. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën: communisme en fascisme/nationaalsocialisme. 2. Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden.





18. Instelling van de Rijkscultuurkamer (1933). In september 1933 stelde Goebbels de Rijkscultuurkamer in. Er waren zeven afdelingen. Iedereen die op een van de zeven gebieden wilde werken, moest lid zijn van zo’n cultuurkamer. Ze kregen richtlijnen voor hun werk. Joden konden er geen lid van worden. Vanaf 1935 werkten alleen nog maar nazi’s en meelopers in de Duitse media. Hierdoor was het voor de bevolking moeilijk te achterhalen wat er werkelijk aan de hand was in Duitsland.



Kenmerkende aspecten: 1. De rol van moderne propaganda –en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisaties. 2. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën: communisme, fascisme/nationaalsocialisme.





19. Neurenberger wetten (1935). In 1935 kondigde Hitler in Neurenberg op de jaarlijkse Rijkspartijdag twee anti-Joodse wetten aan. De eerste bepaalde dat Joden geen Duitse staatsburgers waren, maar alleen onderdanen. De tweede verbood huwelijken tussen Joden en Germanen en stelde seks tussen hun strafbaar. Het Duitse bloed moest zuiver blijven.



Kenmerkende aspecten: 1. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën: communisme en fascisme/nationaalsocialisme. 2. Racisme en discriminatie die leidde tot genocide, in het bijzonder op de joden.





20. Conferentie van München (1938). Toen Hitler in 1938 Oostenrijk inlijfde, deden de andere mogendheden niks. Het hoogtepunt van de appeasement politiek werd bereikt op de conferentie van München. Na de Anschluss dreigde Hitler met een invasie in Tsjecho-Slowakije als Duitsland de Duitstalige minderheid daar niet mocht beschermen. De naziminister van de luchtmacht, Hermann Göring, nodigde Mussolini, Chamberlain en Franse premier Daladier uit voor een vredesconferentie. Duitsland mocht het Sudetenland hebben.



Kenmerkend aspect: het voeren van twee wereldoorlogen.





21. Wannsee-conferentie (1942). Op 20 januari 1942 kwamen vijftien hoge Duitse ambtenaren bijeen aan de Wannsee, een meer in Berlijn. Ze hadden het over de uitroeiing van de joden. De bouw van de vernietigingskwampen was al begonnen. Op de conferentie bracht de tweede man van de SS, Heydrich, de ministeries op de hoogte. Ze stelden een lijst op met het aantallen joden per land en bespraken het tempo waarin de joden naar vernietigingskampen werden getransporteerd en hoe de verschillende instanties daarbij zouden samenwerken. Twee maanden hierna kwamen de eerste treinen met joden aan in Auschwitz en andere vernietigingskampen. In mei 1945 waren er zes miljoen joden vermoord of op andere manier omgekomen.



Kenmerkende aspecten: 1. Het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën: communisme en fascisme/nationaalsocialisme. 2. Racisme en discriminatie die leidde tot genocide, in het bijzonder op de joden. 3. Het voeren van twee wereldoorlogen.





22. Atoombom op Hiroshima. (1945) Na de Duitse capitulatie ging de wereldoorlog door in Azië. Om te voorkomen dat er nog veel Amerikanen zouden sneuvelen door de Japanners, besloot Truman de atoombom in te zetten. Op 6 augustus 1945 steeg de bommenwerpen Enola Gay op met ‘Little Boy’ (de atoombom). Ze uur later liet hij de bom op Hiroshima vallen. Na een tweede atoombom op Nagasaki gaf Japan zich op 15 augustus 1945 over. Stalin had beloofd mee te vechten tegen Japan, maar de bom maakte het overbodig. Toch viel hij twee dagen na Hiroshima Japan aan. Volgens Truman was dit opnieuw bewijs dat Stalin het communisme overal wilde verbreiden. Stalin geloofde dat de VS de bom eigenlijk hadden gegooid om te voorkomen dat Stalin zijn macht in Azië zou uitbreiden.



Kenmerkende aspecten: 1. Het voeren van twee wereldoorlogen. 2. Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van burgers bij de oorlogvoering. 3. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.





23. Het Marshallplan (1947). Na de Tweede Wereldoorlog heerste er in Europa grote armoede. In 1947 was nog geen verbetering zichtbaar. De Amerikanen maakten zich zorgen. Door de armoede voelden veel Europeanen zich namelijk aangetrokken tot het communisme. De VS beschouwden dit als gevaar, omdat communistische partijen overal trouw waren aan Stalin. In juni 1947 presenteerde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken daarom het naar hem genoemde Marshallplan. De VS boden Europese landen enorme hoeveelheden geld en goederen aan. Ze moesten daarvoor met elkaar samenwerken (een worden) en Amerikaans toezicht accepteren. Stalin verbood Oost-Europese landen de hulp aan te nemen. In West-Europa werd de hulp een groot succes. De hulp bracht de Europese eenwording op gang en zorgde voor welvaartsgroei. Echter versterkte het ook de blokvorming.



Kenmerkende aspecten: 1. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog. 2. De eenwording van Europa.





24. De redevoering door senator McCarthy over communisten in de VS. (1950) Op 9 februari 1950 hield de Amerikaanse senator Joseph McCarthy een toespraak voor een Republikeinse damesclub. Tijdens de redevoering toonde hij namen van tientallen communisten die op het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken werkten. Deze communistische infiltranten hadden volgens hem veel invloed. Ze waren de oorzaak dat de VS slap op trad tegen het communisme. Na deze speech kreeg hij veel media aandacht. Het waren verzinsels, maar ze leken toch geloofwaardig. Dat kwam doordat veel Amerikanen toen doodsbang waren voor het communisme, maar ook omdat er in die tijd veel Amerikanen werden opgepakt die echt voor de sovjets hadden gespioneerd. Voor veel Amerikanen had de redevoering nare gevolgen. Het leidde tot een heksenjacht op mensen die werden verdacht van communistische sympathieën.



Kenmerkende aspecten: 1. De rol van moderne  propaganda –en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie. 2. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.





25. Bestorming van Felix Meritis in Amsterdam (1956). In Nederland waren op 4 november 1956 de hele dag radioverslagen te horen van de strijd in Boedapest. De anticommunistische gevoelens liepen hierdoor hoog op. In Amsterdam verzamelden die middag zich tientallen studenten en ‘nozems’ bij Felix Meritis, het hoofdkwartier van de communistische partij CPN. De massa buiten én binnen groeide. De CPN vroeg om politiebescherming, maar de burgemeester zei dat hij er weinig aan kon doen. De massa buiten bekogelde het gebouw. Pas na urenlange gevechten herstelde de politie rond middernacht de orde. De communisten maakten daarna alsnog hun krant. Daarin stond dat de Hongaarse Opstand het werk was van een stelletje  fascisten die hun verdiende loon kregen.



Kenmerkende aspecten: 1. De rol van moderne propaganda –en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie. 2. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging op atoomoorlog.





26. ‘Ich bin ein Berliner’- toespraak van president Kennedy in Berlijn. Kennedy tolereerde de Berlijnse Muur, waardoor veel West-Duitsers vreesden dat hij hen in de steek zou laten. In juni 1963 reisde Kennedy naar West-Berlijn om duidelijk te maken dat dat niet zou gebeuren. Bij de Muur hield hij een toespraak. Hij zei dat ‘ich bin ein Berliner’ de meest trotse uitspraak was. Kennedy erkende dat vrijheid niet makkelijk is en democratie niet perfect, maar dat hij tenminste geen muur hoefde te bouwen om zijn mensen binnen te houden. Hij eindigde met dat alle vrije mensen, waar ze ook woonden, burgers van Berlijn zijn. Zijn rede maakte indruk en bezorgde hem in Duitsland enorme populariteit.



Kenmerkende aspecten: 1. De rol van moderne propaganda en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie. 2. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken, in de greep van een wapenwedloop die voortvloeide in dreiging tot een atoomoorlog.





27. Praagse Lente (1968). In januari 1968 kwam in Tsjecho-Slowakije een nieuwe generatie communisten aan de macht onder leiding van Alexander Dubcek. Ze presenteerden een plan voor democratisch communisme, met vrijheid van meningsuiting en vrije verkiezingen. Dat werd het begin van de Praagse Lente, een korte periode van hervormingen en optimisme. In juni werd de censuur volledig afgeschaft. De leiders van andere Oostblok landen waren bang dat de Praagse Lente zou overslaan naar hun land. Ze vroegen Breznjev om militair in te grijpen. Op 21 augustus 1968 vielen een half miljoen militairen Tsjecho-Slowakije binnen. Het neerslaan van deze opstand resulteerde niet in executies. De totalitaire dictatuur werd hersteld.



Kenmerkende aspecten: 1. Het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme. 2. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging op een atoomoorlog. 3. De toenemende Westerse welvaart die vanaf de jaren 1960 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.





28. Salt I ondertekend. (1972) Sinds 1955 hadden de VS en de Sovjet-Unie intercontinentale raketten, waarmee ze binnen een half uur elk doel op elkaars grondgebied met een atoombom konden vernietigen. Tijdens de Cubacrisis hadden de VS al 500 van deze raketten, de Sovjet 75. In 1969, toen beide grootmachten ongeveer gelijk lagen, begonnen ze met onderhandelingen. Na tientallen gesprekken leidden deze Strategic Arms Limitation Talks tot een verdrag: SALT I. Er stond in dat ze niet nog meer intercontinentale raketten zouden bouwen en dat ze ook niet verder zouden bouwen aan lucht verdediging systemen. Ze behielden beide ongeveer 1000 raketten. Het verdrag werd in 1972 getekend door Nixon en Sovjetleider Breznjev. Ze ondertekenden ook nog een verklaring waarin ze elkaar beloofden dat ze niet proberen voordeel te halen ten koste van de ander.



Kenmerkend aspect: de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging op een atoomoorlog.





29. Demonstratie tegen kernwapens in Amsterdam (1981). Door de sociaal-culturele veranderingen sinds de jaren 1960 hadden veel mensen maar weinig vertrouwen in hun regeringsleiders. De afkeer voor de nieuwe kernwapens leidde tot demonstraties. Op 21 november 1981 was er een demonstratie in Amsterdam. De protestgeneratie was grotendeels anti-Amerikaans. Ze hadden de Amerikanen niet meegemaakt als bevrijders, waardoor ze alleen de negatieve kanten van de VS zagen. Zo’n grote betoging was in Nederland nog nooit gehouden. Ze kregen van de regering niet hun zin. De regering en de Tweede Kamer wilden niet dat Nederland zich als enige tegen de kernwapens verzette.



Kenmerkende aspecten: 1. De rol van moderne propaganda –en communicatiemiddelen en vorming van massaorganisatie. 2. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog. 3. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 1960 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.