Van kind tot burger

Beoordeling 5.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 7040 woorden
  • 1 juni 2007
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.7
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Examen Geschiedenis Mei 2007

Van Kind tot Burger, volksopvoeding via het onderwijs in Nederland (1780-1920)

Hoofdstuk 1: Van Statenbond tot eenheidsstaat

Hoe werd Nederland van een republiek een koninkrijk en wat betekende dit voor het bestuur?

1.1: De Republiek

Republiek was een Statenbond: een bondgenootschap van 7 soevereine provincies/gewesten. De gewesten waren bijna geheel zelfstandig, alleen over de buitenlandse politiek, defensie en het bestuur over de niet zelfstandige gebieden Brabant en Limburg besloten zij samen. Steden waren zelf ook weer erg zelfstandig.
Nationaal besef was niet erg groot. Dit kwam door de enorme reistijden. Hoogopgeleiden hadden meer gevoel voor nationale verbondenheid, mede door de taal. Iedereen in NL kon het geschreven Nederlands begrijpen als je kon lezen. Ook kwam de saamhorigheid voort uit de gezamenlijke strijd tegen Spanje. Men was trots op de 80 jarige oorlog. Ook de VOC was een trots voor de Nederlanders.


Stadhouder was de hoogste gewestelijke ambtenaar. Hij was bevelhebber van het leger en de vloot en mocht regenten benoemen. In de 18e eeuw werd de functie van stadhouder erfelijk. Het gewest Holland had het overwicht. Er woonde ongeveer 40% van alle inwoners van de Republiek. Holland was het meest verstedelijkte gebied van Europa. Republiek was Calvinistisch. Alleen leden van Gereformeerde/Hervormde kerk konden openbare ambten krijgen. Armenzorg was ook alleen voor hen. 40% was katholiek. Niet gereformeerden waren 2e rangs burgers maar werden wel geaccepteerd.

De Republiek was een standenmaatschappij. De burgerij domineerde. De bovenlaag in de steden werd gevormd door de gegoede burgerij: Advocaten, notarissen, dominees, hogere ambtenaren en officieren. De echte top werd gevormd door een klein groepje kooplieden etc. De kloof tussen hen en de rest van de bevolking werd steeds groter. Regenten probeerden de bestuursfuncties in de familie te houden.
Onder de grote burgerij stond de kleine burgerij: winkeliers, kleine kooplieden en zelfstandige ambachtslieden. De rest van de stedelijke bevolking viel onder de Volksklasse. Daaronder stonden de paupers: zwervers etc. Net daarboven had je nog de straathandelaren. Daarboven stonden de knechts, zeelieden en soldaten.
Verder werkte 40% van de bevolking in de landbouw. Veel kleine zelfstandige boeren. Het was een stabiele samenleving, tot 1780.

1.2: De patriotten en de Verlichting

In de 18e eeuw bleek dat NL niet meer op de eerste plaats in Europa stond. Tot 1780 ging de Republiek qua economie niet echt achteruit maar zo leek het wel door alle zichtbare problemen. Scheepsbouw etc raakten in verval. Steden raakten in verval en werkloosheid nam toe. Veel openbaar dronkenschap. Tegelijkertijd was er in de landbouw wel een bloei. Onder invloed van de Verlichting ontstonden discussies over de achteruitgang. Tot de 18e eeuw geloofde men dat alles in handen was van God. De verlichte ideeën hielden in dat de mens schepper was van zijn eigen geluk. De maatschappij was maakbaar en men moest uitgaan van het verstand. De verlichting in Nederland was niet antigodsdienstig. Het moest de aandacht alleen niet op het hiernamaals richten. Veel clubs etc werden opgericht om over de nieuwe ideeën te praten. In eerste instantie beperkte dit zich tot de gegoede burgerij, later ook tot de kleine burgerij. Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd opgericht in 1784. Het was het eerste genootschap waarbij geen regenten waren betrokken. Verlichte burgers vonden moreel verval de oorzaak van het verval van de Republiek. Men verweet de regenten eigenbelang, omdat zij ipv een deugdelijk en sober leven een decadent leven hadden (pruikentijd). De volksklasse en paupers werd verweten dat zij hun ellende aan zichzelf te danken hadden. Verlicht Burgerschapsideaal werd aangeprezen: ware burgers moesten het algemeen belang voorop stellen en waren deugdzaam.

NL raakte in een crisis door de nederlagen in de llll engelse zee oorlog. Burgers gaven de schuld aan stadhouder Willem de 5e en de regenten die hem steunden. Zij noemden zich patriotten. De Patriotten eisten democratisering. Nieuw was dat een deel van de patriotten uit de kleine burgerij kwam, die zich eerst altijd politiek afzijdig had gehouden. Ook de prins kreeg meer aanhang. Zij werden de Orangisten genoemd. De patriotten wilden dat kiesrecht beperkt bleef tot degenen die aan het verlicht burgerschapsideaal voldeden. Het burgerschapsideaal werd wel gepresenteerd als iets wat bereikbaar was voor iedereen.


1.3: De Franse tijd

Na 1780 waren er veel spanningen in de republiek. Er was patriottenrevolutie. De Koning van Pruisen kwam de stadhouder te hulp in 1787. Patriotten vluchtten naar Frankrijk en Willem 5e kwam weer aan de macht. 1989 Franse Revolutie. In Frankwijk kwamen nu de geestverwanten van de patriotten aan de macht. In 1795 kwamen de Fransen NL binnen. De Patriotten namen de macht weer over, het was een “fluwelen revolutie”. De Republiek werd vanaf nu de Bataafse Republiek genoemd. De standen werden afgeschaft. Rechten van de Mens en Burger werden uitgeroepen. (Naar Frans, Verlicht voorbeeld) Alle geloven werden gelijk, iedere burger volwaardig. Na ongeveer een jaar werd een grondwetgevende vergadering gehouden maar men kon het niet eens worden over de vorm van democratie en over wie kiesrecht moest krijgen. Of dat er een eenheidsstaat moest komen.

Uiteindelijk kwam er door een samenzwering tussen de Fransen en de voorstanders van een democratische eenheidsstaat voor een staatsgreep en zo kwam de Republiek in 1798 aan zijn eerste grondwet. De Burgerrechten werden vastgesteld en NL werd een democratische eenheidsstaat. Mannen kregen kiesrecht behalve bedeelden en tegenstanders van de eenheidsstaat en de regering kreeg de volledige macht. Het volk was teleurgesteld in de democratie, het bracht verdeeldheid en de handel en nijverheid kwijnden weg door de continue oorlogsstaat.

In 1799 kwam napoleon aan de macht in frankrijk en beëindigde in NL de democratie, hij hief de Bataafse Republiek op en stichtte het koninkrijk Holland met zijn broer Lodewijk als Koning. In 1810 werd NL ingelijfd bij Frankrijk. Toch werd er nu wel begonnen met natievorming. Er werd een Nederlandse taal vastgelegd. De eenheidsstaat kreeg een nationaal ambtenarenapparaat. Er kwam een nationaal belastingsstelsel. Er kwamen nationale wetsboeken en een nationaal rechtssysteem. Ook kwam de Gulden.

1.4: Het Nederland van Koning Willem 1e

In 1815 werden door het Congres van Wenen de grenzen in Europa vastgelegd. Nederland en België werden samengevoegd tot het Koninkrijk de Nederlanden. De zoon van de laatste stadhouder werd Koning Willem 1e. NL was een constitutionele Monarchie. Willem behield de eenheidsstaat. Er kwam wel een parlement maar die had nauwelijks macht. Willem moest Noord en Zuid versmelten maar er waren veel verschillen in geloof en taal etc. In 1830 kwam het Zuiden in opstand en riep de staat België uit. Dit alles stimuleerde in Noord het nationalisme. Vaderland was een belangrijk begrip. Van de burgers werd verwacht dat zij voor hun gezin zorgden en vooral rust en orde hielden. Willem de 1e wilde van NL een welvarend industrieland maken. Hij investeerde enorme bedragen. Toch bleef de industrialisatie afhankelijk van overheidssteun. Toen die na het aftreden van Willem de 1e werd stopgezet viel de industriële ontwikkeling lange tijd stil. In 1845-1849 raakte de landbouw ook in crisis door een schimmel. Massale ondervoeding. Veel epidemieën. Het gezinsloonmodel was standaard. Iedereen in het gezin moest werken om het hoofd boven water te houden. Er heerste een armoedecyclus, eenmaal in de cyclus kwam je er je hele leven niet meer uit.

Hoofdstuk 2: De school van Brave Hendrik

Hoe ontwikkelde het lager onderwijs zich in de jaren 1780-1848 en wat waren de drijvende krachten achter die ontwikkeling?

2.1: Het oude onderwijs onder vuur

Door het groot aantal scholen in de 17e eeuw was er in NL weinig analfabetisme. School was belangrijk door de handelseconomie, het was belangrijk dat veel mensen konden lezen en rekenen. Ook kwam het door de Rooms-katholieke kerk die verwachtte dat men de bijbel kon lezen. Lezen was dan ook het belangrijkste en rekenen kwam minder vaak aan de orde. Hiervoor moest men vaak bijbetalen. Niveau van onderwijs liep erg uiteen in de verschillende steden en gewesten en ook de onderwijzers hadden niet allemaal hetzelfde niveau. Ze hoefden geen speciale opleiding te hebben. Ze waren een soort eenmansbedrijfjes die leefden van het schoolgeld dat ze aan de ouders vroegen. Het onderwijs weerspiegelde de standenmaatschappij. Voor de rijken was er thuisonderwijs of particulier onderwijs. De rest van de scholen (dorpsscholen en stadsscholen) vielen onder de overheid. De overheid betaalde alleen een klein basissalaris, de rest van het schoolgeld moesten de leraren aan de ouders vragen. Arme kinderen konden gratis naar school, dat werd betaald door de kerk. Er waren ook speciale stedelijke en kerkelijke armenscholen. Ook voor het openbaar onderwijs was de kerk verantwoordelijk, de dominees beslisten mee in de benoeming van onderwijzers en zaten in de toezichtcommissie. Onderwijzers moesten Gereformeerd zijn. Op particuliere scholen werd er niet zo streng gecontroleerd. Sommige stadsbesturen stonden katholieke particuliere scholen wel toe tegen betaling. Zelfs in het openbare onderwijs werd met deze regel geknoeid. Katholieke kinderen hoefden de psalmen van de gereformeerden niet uit hun hoofd te leren. Er werd hoofdelijk onderwijs gegeven. Ieder leerde voor zichzelf en in zijn eigen tempo. Alle leeftijden en niveaus zaten bij elkaar. Het was een grote zooi. Het was een lawaai, want iedereen leerde hardop in zichzelf. Er werd met lijfstraffen en te schande zetten hard opgetreden. Dit was het sombere beeld van het calvinisme (mens was van nature zondig en het kwaad kon alleen met straffe hand worden beteugeld). In de 2e helft van de 18e eeuw groeide kritiek onder invloed van de Verlichting. Zij vonden dat een kind een tabula rasa was, een onbeschreven blad. Met goed onderwijs en in een goede omgeving moesten de kinderen gevormd worden. Onderwijs moest niet alleen kennis geven, maar ook zelfstandigheid en een goed karakter kweken. “Kennis was deugd”.

2.2: De schoolwet van 1806

In 1780 schreef Hieronymus van Alphen het eerste kinderboek (Kleine gedigten voor kinderen). Hierin werd voor kinderen duidelijk wat voor deugden er van hen verlangt werden. Aagje Wolff en Betje Deken deden hetzelfde voor volwassenen. Hendrik Wester leidde als eerste een school waarin klassikaal onderwijs werd gegeven. Verlichte genootschappen zagen hervorming van het lager onderwijs als zaak van nationaal belang. De burgerij maakte zich zorgen over de volksklasse. Ze waren dom en arm en hadden geen zelfbeheersing, en dat was niet goed voor de volksverlichting. Goed onderwijs zo moreel verval tegen gaan, christelijke deugdzaamheid stimuleren en burgerschap en vaderlandsliefde bevorderen. Vooral t Nut zette zich in voor volksonderwijs. Het Nut werd opgericht in 1784 en had nu een enorme aanhang, vooral patriotten. Toch was de organisatie politiek neutraal. Na de Bataafse Revolutie kon het Nut haar plannen ook echt in uitwerking brengen. In opdracht van het Bataafse bestuur moest het Nut een onderwijsplan maken. Dit zou de basis worden van een wet die een halve eeuw lang het lager onderwijs regelde. De onderwijsvernieuwing liep na een enthousiaste start vast. Minister van Nationale Opvoeding Van der Palm bracht twee school wetten tot stand maar door politieke onrust hielden deze het niet lang uit. Na de opheffing van de democratie kon er een blijvende onderwijswet komen, namelijk de schoolwet van 1806.

Inmiddels betekende “verlicht burgerschap” vooral: gehoorzaamheid aan wetten en gezag. Gedachten over democratie en het doorbreken van standverschillen werden verworpen. Je moest tevreden zijn met je plaats in de maatschappij. Zoveel mogelijk kinderen moesten naar school, maar er kwam geen leerplicht en geen gratis onderwijs. Volgens de wet was er ook bijzonder onderwijs: scholen die particulier waren en financieel zelfstandig. Openbaar onderwijs waren de scholen die werden betaald uit de publieke kas (lokale overheid of kerk). Het aanbod voor onderwijs bleef hetzelfde, maar de inhoud en de methodes veranderden. Dat gold voor alle scholen, want nu werden ze gecontroleerd door een nationale inspectie.

Er kwam een algehele modernisering. Er werden nationale eisen gesteld aan de schoolgebouwen, leerstof, leermiddelen en de bekwaamheid en inkomen van de onderwijzer. Er moest klassikaal les worden gegeven, leerlingen moesten in groepen op niveau worden ingedeeld. Lijfstraffen werden afgeschaft. Onderwijs moest vanaf nu verlicht en algemeen christelijk zijn.

2.3: Opzieners en Onderwijzers

De definitieve versie van de schoolwet werd na vertrek van Van der Palm gemaakt door zijn rechterhand Adriaan van den Ende. Hij had veel ervaring in het onderwijs en wist daarmee het onderwijs dan ook echt daadwerkelijk te veranderen. Er was veel verzet tegen de veranderingen want men was een beetje bang voor de vernieuwingen. Ook de lokale bestuurders werkten niet altijd mee. Zij konden de rekeningen van het onderwijs lang niet altijd betalen. Ook wilden ze hun zelfstandigheid niet opgeven. Pas na 1813 nam het verzet af toen bleek dat Oranje de vernieuwingen ook steunde.

Provincies werden verdeeld in districten en die kregen allemaal hun eigen schoolopziener. Zij moesten elke school 2x per jaar bezoeken. Veel schoolopzieners waren landelijk bekend als schoolvernieuwer. De meeste waren ook verlichte dominees. Dat was de oorzaak voor het feit dat het onderwijs toch niet zo algeheel christelijk werd als gepland. Het was wel verlicht, maar ook duidelijk protestants.
Er werd erop toegezien dat de gebouwen goed waren, er werd een les bijgewoond en de boeken werden gecontroleerd. De opzieners wilden dat de gemeenten de onderwijzers goed zouden betalen. Anders lieten de onderwijzers zich onder druk zetten door ouders die niets van de vernieuwingen wilden weten. Ook deden onderwijzers er nog wel eens een tweede baan bij, en dat ging ten koste van het onderwijs. Op een gegeven moment werd dat ook verboden.
Er waren 4 rangen onderwijzers, voor elke rang moesten zij een examen afleggen. Om massaal ontslag te verkomen waren de eisen van de 4e rang niet zo hoog.

Onderwijzers leerden het vak vaak in de praktijk, daardoor werden er door de opzieners studieclubjes georganiseerd om bij te spijkeren. Hierin werd ook vooral geleerd dat onderwijzers de taak hadden om het volk het goede voorbeeld te geven. Ook het Nut bleef belangrijk bij de vernieuwingen. Het Nut zette zich ook in voor een betere onderwijzersstand en hogere salarissen, maar zette zich ook in voor kweekscholen om de onderwijzers een opleiding te geven. Ook stichtten zij modelscholen, die een voorbeeld waren voor de rest van het onderwijs. Ook maakte het Nut schoolboeken en lesmethodes.

2.4: Van kind tot brave burger

Halverwege de 19e eeuw ging het goed met de onderwijzers en het onderwijs. Leerlingen werden nu verdeeld over 3 klassen en konden dmv een examen doorstromen naar de volgende klas. Dit schiep systematiek en rust. Door tegenwerking van sommigen bleef hoofdelijk onderwijs nog wel een tijd op sommige plekken. In het klassikaal onderwijs kwamen in het midden van de 19e eeuw pas klaslokalen. Door geldgebrek of onwil was er te weinig geld voor genoeg ruimte, waardoor in 1850 een onderwijzer gemiddeld 76 leerlingen in de klas had.
De inhoud van het onderwijs was gebonden aan nationale richtlijnen. Vaderlandsliefde was erg belangrijk, er werden veel nationalistische liederen gezongen en vaderlandse geschiedenis verteld. Het belangrijkste was nog steeds lezen. Er werd een nationale spellingsnorm ingevoerd en in de klassen moest ABN worden gesproken. Dit zou goed zijn voor het nationalistisch gevoel en zou de communicatie tussen verschillende regio’s en standen vergroten. Alleen spraken zelfs niet alle onderwijzers ABN. Het onderwijs was erg moralistisch. Het ging niet om kennis maar meer om de deugden. Vooral voor kinderen uit de lagere standen. Het onderwijs moest een beetje christelijk zijn, maar was eigenlijk meer protestants. Jezus werd voorgesteld als het voorbeeld van deugdzaamheid.

Zelfs na 1850 gingen nog lang niet alle kinderen naar school. Vooral bij de armere gezinnen was dat het geval, aangezien de ouders toch niet inzagen wat hun kinderen nou aan die school hadden, ze zouden toch wel arm blijven. De overheid probeerde schoolbezoek te bevorderen door het voor armen gratis te maken en bedeelden te verplichten hun kinderen naar school te sturen. In afgelegen plattelandsgebieden kwam absoluut schoolverzuim voor. Op het platteland kwam ook relatief schoolverzuim voor: kinderen gingen naar school, behalve op de momenten dat er op het land moest worden gewerkt (zomers).

Hoofdstuk 3: Kinderarbeid in het liberale tijdperk

Hoe veranderde na 1850 het denken over onderwijs en kinderarbeid?

3.1: Het liberale tijdperk

Tot 1848 had de koning alleenheerschappij en deed niemand daar moeilijk over. Pas aan het einde van het bewind van Willem de 1e ontstond er een liberale oppositie. Zij wilden een parlementair stelsel waarin een door de burgerij gekozen volksvertegenwoordiging de macht had. De vrijheid van het individu stond centraal. Dit alles kwam op gang toen bekend werd dat Willem de 1e allemaal ongecontroleerde staatsuitgaven had gedaan en het land bijna bankroet was. Opvolger Willem 2e wilde zijn macht niet laten inperken. De liberalen hadden te weinig kracht om dat te doen. Tot 1848.. In veel Europese steden braken revoluties uit omdat de burgers meer zeggenschap wilden. Meteen liet Willem 2e liberaal leider Johan Rudolf Thorbecke komen om de grondwet radicaal te veranderen. Deze grondwet was gebaseerd op liberale principes. De grondwet van 1848 garandeerde vrijheid van drukpers en van vereniging en vergadering en maakte van NL een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De echte macht lag nu bij de Tweede Kamer, die door de burgers werd gekozen. De koning werd onschendbaar en de ministers verantwoordelijk. Het censuskiesrecht bepaalde dat een kiezer een bepaalde belastingssom betaald moest hebben. Zo voorkwam men dat armoedzaaiers ook inspraak hadden. Slecht 5 tot 6% van de mannen kreeg kiesrecht. Dit was ook alleen in de gegoede burgerij, waardoor de liberalen nu de politiek beheersten. De liberalen vonden het vrije debat geweldig. Politici moesten naar eigen inzicht het nationaal belang voorop stellen. De kiezers begrepen dat en ze vertrouwden het landsbestuur graag toe aan zulke respectabele heren.

De liberalen wilden de taak van de overheid zeer beperkt houden. Bemoei en regelzucht hadden het volk lui gemaakt. De burgers moesten een vrije ontwikkeling hebben. De liberale nachtwakersstaat gaf de burger de ruimte en zorgde voor de veiligheid, dat was alles. Gezin stond centraal. Liberalen verwachtten dat ooit iedereen kiesrecht zou krijgen, dankzij de vooruitgang zouden steeds meer mensen zich ontwikkelen in de richting van het liberale burgerschapideaal. Wie zich als burger gedroeg, kon kiezer worden.

3.2: De liberale schoolwetten

Volgens de schoolwet van 1806 was het onderwijs algemeen christelijk, maar in 1798 was al besloten dat er in NL godsdienstvrijheid was. Voor de Joden, die helemaal niet christelijk waren werd er een uitzondering gemaakt. Vanaf 1817 mochten zij hun eigen scholen hebben. Orthodoxe protestanten en katholieken mochten dat niet, terwijl zij ook moeite hadden met het algemeen christelijke. Gereformeerden kregen een hekel aan de Hervormde Kerk, zoals de grote protestantse kerk sinds 1813 heette. De verlichte dominees waren te vrijzinnig. Hierdoor scheidden groepen gelovigen zich af en stichtten hun eigen kerkgenootschappen en zelfs scholen. In de 1830’s stuurden de autoriteiten de politie en het leger erop af en werden velen boetes en gevangenisstraffen opgelegd. Liberalen werden een soort bondgenoot van de gereformeerden en de katholieken want zij wilden ook onderwijsvrijheid. Zij vonden dat de overheid neutraal moest zijn. Er moest vrijheid van onderwijs zijn. Toen Thorbecke dat in de grondwet op wilde nemen kwam er protest van de onderwijzersbond, de Hervormde kerk en het Nut. Liberalen waren ook verdeeld, iedereen moest eigen onderwijs kunnen kiezen maar het moest niet helemaal particulier worden. De overheid moest voor goed openbaar onderwijs zorgen, dit kwam in de grondwet. Voorlopig gold de schoolwet van 1803 nog in de praktijk. Pas na 9 jaar politieke strijd kwam de schoolwet van 1857 waarin vaststond dat oprichting van scholen met een geloof toegestaan was. Deze scholen konden geen subsidie krijgen dus was het voor veel ouders te duur. Openbaar onderwijs werd goedkoper. Gemeenten moesten onderwijs alleen betalen en moesten zoveel mogelijk kinderen naar school laten gaan. Veel van de schoolwet van 1806 bleef gelijk. Er werd alleen minder nadruk gelegd op moraliteit en meer op kennis. Er kwamen meer verplichte vakken. Onderwijzers werkten niet meer in rangen maar moesten hetzelfde niveau hebben. Volksonderwijs moest volgens de liberalen stimuleren om hogerop te komen. Onderwijs werd het belangrijkste middel om de maatschappij vooruit te brengen. Liberaal regeringsleider Kappeyne van de Koppello bracht in 1878 een nieuwe onderwijswet tot stand. De schoolwet van 1878 stelde hogere eisen aan onderwijzers, schoolgebouwen, salarissen verhoogt, klassen werden kleiner (40 max), nieuw schoolvak nuttige handwerken om meisjes naar school te laten gaan. Rijksoverheid nam 30% van de kosten voor haar rekening als het onderwijs godsdienstig neutraal was.

3.3: Kinderarbeid

Pas vanaf de 18e eeuw werd de kindertijd meer en meer gezien als een tijd om te spelen en te leren. Toch was dit in de praktijk niet altijd het geval. In de 19e eeuw moesten kinderen uit de volksklasse al vanaf hun 9e werken, soms zelfs jonger. Eerst kwamen ze als hulpje van hun ouders mee, later werden ze zelf loonarbeider. Gezinnen werden vaak in z’n geheel ingehuurd. In de 1830’s werden kinderen ook in de eerste stoomfabrieken ingezet. Werkdagen waren erg lang, 10 tot 12 uur voor kinderen was gemiddeld. Op de landbouw en in de thuisnijverheid kon het nog redelijk worden gecombineerd met school. In de fabrieken niet. Kinderen waren bijvoorbeeld in touwslagerijen nodig voor het productieproces. Kinderarbeid wordt vaak geweten aan de industrialisatie. In de textielindustrie nam de kinderarbeid inderdaad toe, doordat kinderen goedkope werkkrachten waren. Inde andere sectoren nam kinderarbeid juist af, doordat kinderen niet met de moderne machines om konden gaan. Vooruitstrevende ondernemers wilden liever geschoolde en goed uitgeruste arbeiders, want dat zou het productieproces bevorderen.
Onder Willem 1e was kinderarbeid een zegen, vooral als je paupers en wezen in dienst nam was je een held, het hield de kinderen van straat en ze mochten zelfs een uurtje naar school. Met de komst vans stoommachines kwam ook het protest tegen kinderarbeid. Medici, onderwijzers en ook ondernemers wezen op de gevaren van fabriekswerk. En het hield de kinderen van school. De textielindustrie richtte fabrieksscholen op en veel fabrikanten namen geen kinderen meer aan als ze niet eerst een paar jaar naar school waren geweest.

3.4: Het Kinderwetje van Van Houten

Fabrikanten wilden maatregelen tegen kinderarbeid. Zij waarschuwden voor de gevaren en hadden ook gezonde en geschoolde werkkrachten nodig aangezien ze moderne apparatuur hadden. Fabrikanten voelden zich door de concurrentie gedwongen kinderen aan te nemen. Sommige fabrikanten wilden ook geen verbod want ze zouden de kinderen nodig hebben in de fabrieken en de ouders zouden het geld niet kunnen missen. Ook was men bang voor staatsbemoeienis. De liberalen waren niet voor regels voor arbeidstijden en lonen, maar wel voor kinderen want die konden niet voor zichzelf opkomen. Geneeskundigen waren ook tegen kinderarbeid. Ook onderwijzers, het Nut en het NL schoolverbond. Ze vroegen om een arbeidsverbod in fabrieken en werkplaatsen voor kinderen tot 12 jaar.

Een commissie adviseerde de overheid na een onderzoek om geen beperkingen aan kinderarbeid op te leggen. De gezondheid van arbeiders was slecht, maar niet bewezen door kinderarbeid. Ook zouden de armen zich niet aan het verbod houden want zij hebben het geld nodig en men was bang dat de kinderen gingen bedelen. Alleen leerplicht zou helpen, maar dat was onhaalbaar. Pas in 1871 kwam Samuel van Houten die zei dat de staat moest ingrijpen. Hij moest een initiatiefwetsvoorstel maken. In 1873 was het klaar: een algeheel verbod om kinderen onder de 12 in dienst te nemen. Gemeenten konden kinderen van 8-12 leerplicht opleggen. Van Houten kreeg weinig steun. Overheid zou niet in privé leven mogen ingrijpen en veldwerk zou buiten de regeling moeten vallen omdat de landbouw niet zonder kinderarbeid kon en het was niet zo slecht. De Kinderwet van Van Houten (1874) verbood uiteindelijk alleen het in dienst nemen van kinderen onder de 12 jaar in fabrieken en werkplaatsen. De wet veranderde niet veel. In de landbouw, de huisnijverheid en traditionele bedrijven bleven gewoon kinderen inzetten. Er was ook te weinig controle. Kinderen mochten ook nog steeds als hulpje mee naar de fabriek. In 1886 kwam er een parlementaire enquête. Hieruit bleek dat de kinderarbeid nauwelijks was afgenomen en het schoolbezoek nauwelijks was toegenomen. Vrouwen en oudere kinderen deden nu het werk dat de kinderen eerst deden. Zij maakten nu werkdagen van 16 uur. In 1889 kwam als gevolg van de enquête de Arbeidswet die nachtarbeid verbood voor vrouwen en kinderen tussen de 12-16 en die de werkdag beperkte tot 11 uur. Er kwam een landelijke inspectie, maar nog werd er niets gedaan aan de kinderarbeid in de landbouw en huisnijverheid.

Hoofdstuk 4: Nederland verandert

Hoe veranderde de Nederlandse samenleving in de jaren 1870-1920 en welke nieuwe problemen deden zich daarbij voor?

4.1: Economische expansie

1865-1914 was er een enorme economische groei. In alle sectoren kwamen namen stoommachines de boel over. De modernisering kreeg een nieuwe impuls toen in de 1890’s nieuwe sectoren als de elektrotechnische en chemische industrie ontstonden. Vanaf 1900 werden alle stoommachines al vervangen door elektromotoren. Er kwam veel industriële grootbedrijven en de markt werd overspoeld door massaproducten. Er kwam nu ook een sterke uitbreiding van transportmogelijkheden. Er kwam een dicht spoorwegennet, het Noordzeekanaal werd aangelegd, en de Nieuwe Waterweg werd gebouwd. Dat gaf de Rotterdamse en de Amsterdamse havens groeimogelijkheden. De dienstensector en industrie haalden de landbouw in als belangrijkste bron van werkgelegenheid. In 1880’s werden de Noordelijke provincies getroffen door een landbouwcrisis doordat door de nieuwe transportmogelijkheden veel graan en vlees uit Amerika werd geïmporteerd. Na 1895 kwam de landbouw weer tot bloei door gebruik van nieuwe technieken. De werkgelegenheid in de landbouw bleef toch achter.
Na 1870 was er een enorme bevolkingsgroei. De oorzaak was de snel verbeterde gezondheidstoestand. Weinig honger en meer hygiëne (waterleidingen, riolering). Op een gegeven moment zwakte de bevolkingsgroei een beetje af doordat de burgerij en later ook de arbeidersklasse aan geboortebeperking ging doen. Katholieken en orthodox protestanten deden hier niet aan mee.
Steden groeiden enorm na 1870, vooral tijdens de landbouwcrisis toen de landarbeiders massaal werk gingen zoeken in de steden. In deze geürbaniseerde samenleving vervaagden de standverschillen en groeide de sociale mobiliteit. De kleine burgerij kromp maar er ontstond een snel groeiende nieuwe middenklasse van kantoorbedienden, boekhouders, ambtenaren, onderwijzers etc. de gegoede burgerij groeide door een toenemend aantal academici. Ook de stedelijke arbeidersklasse groeide. Er was een daling van de werkloosheid en een stijging van de levensstandaard. Het reële inkomen groeide soms wel met 150%. Arbeiders raakten na 1890 steeds meer bevrijd uit de armoedecyclus. Het gezinsloonmodel maakte plaats voor het kostwinnersmodel waarin de vrouw zich richtte op het huishouden en de kinderen steeds vaker de lagere school afmaakten.

4.2: De sociale kwestie

Rond 1870 was de liberale nachtwakersstaat zo goed als voltooid. In die tijd kreeg NL te maken met 3 kwesties die de politiek voor een halve eeuw bezig zouden houden. De schoolstrijd (In hoeverre moet de overheid het onderwijs betalen en moet er leerplicht komen?), de kiesrechtkwestie (Wie mogen er stemmen?) en de sociale kwestie (wat te doen met de armoede en de slechte werk/leefomstandigheden van de arbeiders?) de 3 kwesties liepen erg in elkaar over. (b.v. kiesrechtuitbreiding is alleen verantwoordelijk voor hen die school hebben genoten etc.). De liberalen leken verdeeld en er ontstond een links liberale stroming in de 1870’s die pleitte voor overheidsingrijpen. Zij werden de progressief liberalen genoemd. Zij waren voor leerplicht, sociale wetgeving en snelle uitbreiding van het kiesrecht. De conservatief liberalen hielden vast aan het “herenliberalisme”.
De sociale kwestie ontstond door de economische groei, daarvoor werd armoede als vanzelfsprekend gezien. Nu kon men er iets aan doen. De eerste vakbonden en het socialisme ontstonden. De eerste vakbonden werden opgericht voor de traditionele bedrijven die het lastig kregen tijdens de industrialisatie. Ook waren de vakbonden er voor de arbeiders tijdens de conjunctuurschommelingen, wanneer er plotseling massale werkloosheid kon ontstaan. Vooral de 1880’s waren lastig met de landbouwcrisis waardoor veel mensen naar de steden kwamen en onder erbarmelijke omstandigheden moesten leven. Door de dalende sterftecijfers nam de gezinsgrootte toe en voelde de armoedecyclus nog scherper aan. Veel sociale onrust. In 1886 braken rellen uit, er vielen 26 doden (palingoproer). Na het palingoproer werd op verzoek van liberaal leider Goeman Borgesius een parlementaire enquête ingesteld naar de toestanden in de fabrieken. De resultaten waren schokkend. Dit leidde tot de Arbeiderswet in 1889 en de sociale wetten van het kabinet Pierson-Goeman Borgesius (1897-1901). Sociale wetten: Ongevallenwet (uitkering bij arbeidsongeschiktheid), de Woningwet (kwaliteitseisen voor woningen), de Leerplichtwet en de Kinderwetten (beschermden kinderen tegen verwaarlozing en mishandeling). Deze wetten waren het hoogtepunt van het burgerlijk beschavingsoffensief: bemoeienis van de burgerij met de arbeiders over opvoeding en leefgedrag etc. Het beschavingsoffensief richtte zich vooral op paupers en ongeschoolde arbeiders. Liefdadigheidsverenigingen gaven armen steun als zij zich goed gedroegen. Burgerdames bezochten deze gezinnen met adviezen. Dronkenschap, schoolverzuim etc konden leiden tot inhouding van de steun of uithuisplaatsing van de kinderen.

4.3: De kiesrechtkwestie

Met de grondwet van 1848 werd het censuskiesrecht ingevoerd, de liberalen vonden dat alleen zelfstandig denken burgers het kiesrecht moesten hebben. Dat werd afgemeten aan prestaties en dus inkomen. Tot 1887 had maar 12% van de mannen kiesrecht. Dat zou toenemen naarmate de welvaart groeide en de algemene ontwikkeling zou toenemen. Samuel van Houten stelde als 1 van de eersten het censuskiesrecht ter discussie. Hij wilde dat het kiesrecht werd uitgebreid tot iedereen die een productieve bijdrage leverde aan de gemeenschap en zichzelf en zijn gezin onderhield. Ook geschoolde arbeiders met werk moesten kiesrecht krijgen. Hij kreeg steun van het ANWV, de grootste vakvereniging op dat moment. Alleen van het parlement geen steun. Andere liberalen zagen niet zoveel in verruimd kiesrecht. De crisis van 1880’s veranderde de kijk van een aantal liberalen. Maar omdat ze zo verdeeld waren werd kiesrecht uitbreiding onmogelijk. Uiteindelijk werd men het eens over een grondwetswijziging die het censusrecht losliet, maar algemeen kiesrecht uitsloot. In 1887 was de belastingaanslag niet langer het criterium, in plaats daarvan kwam het caoutchoucartikel wat kiesrecht gaf aan alle volwassen mannen met voldoende kentekenen van maatschappelijke welstand en geschiktheid. Dat was een rekbare formule, als caoutchouc oftewel rubber. Er moest nog wel een nieuwe kieswet komen die die kentekenen bepaalden en tot die tijd bleef belastingaanslag het belangrijkste criterium. In 1887 mocht 24% van de mannen stemmen. De gemeenten bepaalden wie er mocht stemmen.
De liberalen waren nog steeds verdeeld. De links-liberalen zagen algemeen kiesrecht als een manier om de maatschappij bij elkaar te houden. Als het niet snel gebeurde zouden de lagere arbeidersgroepen overlopen naar de socialisten. Het kiesrecht zou ook een opvoedende werking hebben en de links-liberalen vonden kiesrechtuitbreiding ook nodig voor een beter beleid, want de gegoede burgerij waren niet helemaal rationeel meer door groepsegoïsme. De conservatief liberalen waren tegen dit alles. Zij vonden het gevaarlijk om mensen die geen belasting betaalden mee te laten beslissen over de besteding ervan. Ze verwachtten dat alleen de confessionelen en de socialisten zouden profiteren, en dat als de menigte kiesrecht kreeg dat de haat tegen de rijken op zou komen.
Tot dan toe hadden de progressieve en de conservatieven liberalen elkaar verdragen in de in 1885 opgerichte Liberale Unie maar nu stapten de conservatieven eruit. De verkiezingen van 1894 gingen alleen maar over het kiesrecht en de oude Van Houten werd minister en loodste een kieswet door het parlement waardoor het percentage kiezers opnieuw verdubbelde. In 1901 leidde de verdeeldheid onder de liberalen opnieuw tot een afscheiding van de Liberale Unie en dat betekende het einde van een halve eeuw liberale overheersing. Door de stijgende welvaart nam het aantal kiezers toe. Bij de verkiezingen in 1913 had 65% van de mannen kiesrecht. In 1917 kwam het algemeen mannenkiesrecht en in 1919 het algemeen vrouwenkiesrecht.

4.4: Het liberalisme uitgedaagd

De arbeidersorganisaties richtten zich in eerste instantie op de links-liberalen. Pas in de bittere 1880’s richtten een belangrijk deel van het plattelandsproletariaat en de industriële arbeidersklasse zich op de sociaal-democraten. Het socialisme werd geleid door dominee Domela Nieuwenhuis. Hij preekte haar tegen de rijken en wilde de maatschappij zoals die was desnoods met geweld omverwerpen, maar wilde ook algemeen kiesrecht. Dat zou het volk aan de macht brengen. Domela werd na 1887 de eerste socialist in de Tweede Kamer. Pas na de kiesrechtuitbreiding van 1896 ging het socialisme wat betekenen. Toen kwam de SDAP met 3 zetels in de Kamer. In 1913 hadden ze 18 zetels. Ook zij wilden algemeen kiesrecht. Ze wilden de arbeiders voor zich winnen maar waren bang dat dat niet lukte doordat de ongeschoolde arbeiders politiek onverschillig waren en de gelovige arbeiders erg naar de confessionelen toe trokken. Dat bleek te kloppen, de confessionelen hadden de meerderheid voor meer dan een halve eeuw.
Er waren 2 soorten confessionelen: orthodox protestantse en katholieken. Ze waren vijanden maar door de schoolstrijd wisten ze met elkaar op te trekken. Ze voelden zich namelijk altijd achtergesteld door de openbare scholen. Ook vonden de orthodoxen de hervormde kerk te vrijzinnig. Dat laatste leidde er in 1886 toe dat veel rechtzinnige protestanten onder leiding van Abraham Kuyper een aparte Gereformeerde Kerk stichtte. Hij besloot zich in te zetten voor de door de liberalen gehate “kleine luyden”. Hij richtte veel dingen op, zoals dagbladen en de Vrije Universiteit en de ASWV (tegen de bevoordeling van openbaar onderwijs) en de Antirevolutionaire Partij. Er waren al eerder antirevolutionairen maar die hadden tot de 1870’s geen vaste vorm. De ARP werd de eerste landelijke organisatie. De aanhang zat in de lagere middenklasse, dus de ARP haalde voordeel uit de kiesrechtuitbreidingen. Na de verkiezingen in 1888 wisten ze samen met de katholieken de liberalen uit de regering te verdrijven. In 1901 lukte dat voor de 2e keer en werd Kuyper minister-president. Kuyper stond aan de basis van de verzuiling. Hij formuleerde in 1880 de leer van de soevereiniteit in eigen kring. Het leven bestond uit kringen naast elkaar en de ene kring mocht zich niet aan de regels van de andere kring vergrijpen. In alle kringen had God het gezag. Er werd met behulp van deze leer een netwerk opgebouwd van protestants-christelijke organisaties. Zo ontstond een stelsel wat zich erg richtte op de eigen gereformeerde kring en een nationale identiteit en een groepsidentiteit ontwikkelde. Dit gebeurde ook bij de katholieken en de socialisten. Er ontstonden zo aparte “zuilen”.

Hoofdstuk 5: De lagere school en de schoolstrijd

Hoe verdeelde de schoolstrijd van 1848 tot 1920 de samenleving en hoe ontwikkelde het lager onderwijs zich in de praktijk?

5.1: De schoolstrijd

Antirevolutionair leider Groen van Prinsterer had met de scholen totaal iets anders in gedachten. Hij wilde openbare gezindtescholen. 3 soorten openbaar onderwijs, katholieke, protestantse en joodse. De Tweede Kamer was het hier niet mee eens, het onderwijs moest juist eenheid bevorderen en de gezindten samenbrengen. Daarom kreeg het gelovig onderwijs, wat dus onder bijzonder onderwijs viel geen subsidie. Na 1857 konden de particuliere scholen de concurrentie met de openbare scholen bijna niet meer aan, maar toch kwamen er steeds meer confessionele scholen die veel mensen bezochten. De liberalen waren fel tegen het bijzonder onderwijs omdat het niet echt rationeel was en een instrument was van kerkelijke dwingelandij. Zij vonden dat de confessionelen geen kiesrecht mochten hebben. De antirevolutionairen vochten in 1872 fel terug. Kuyper verkondigde dat de liberalen geen aanspraak mochten maken op het algemeen christelijke omdat zij Jezus niet als hun verlosser zagen. Hij wilde subsidie voor bijzonder onderwijs omdat door de bijzondere scholen de overheid minder geld kwijt was aan het openbaar onderwijs. Dat geld zou aan het bijzonder onderwijs gegeven moeten worden. Ook was het balchelijk dat christenen via de belastingen betaalden voor onderwijs dat ze niet eens wilden. Katholieken keerden zich ook tegen openbaar onderwijs omdat op scholen kinderen godsdienstige vorming moesten krijgen.
De verkiezingen van 1875 draaiden alleen om de schoolstrijd, de liberalen gaven het openbaar onderwijs op als oplossing voor de sociale kwestie. Goed onderwijs was voor arbeiders de enige manier om hogerop te komen. Dit leidde tot de schoolwet van 1878. Deze wet wakkerde het confessionele verzet nog meer aan. Het antirevolutionaire Anti Schoolwet Verbond haalde 300 duizend handtekeningen op en de katholieken ook nog eens 160 duizend. De wet zorgde er niet voor dat de groei van de confessionele scholen stopte. In 1888 ging bijna 1/3 van de kinderen naar een katholieke of protestants-christelijke school.
In 1887 stemden de liberalen in principe in met subsidiering van bijzonder onderwijs. Ze hadden de confessionelen nodig voor de kiesrechtuitbreiding wat een grondwetswijziging inhield waarvoor 2/3 het eens moest zijn. De confessionelen wilden dat alleen doen als de liberalen erkenden dat de grondwet subsidiering van het bijzonder onderwijs niet verbood. De liberalen waren boos over deze chantage, maar gingen akkoord. Met het verruimde kiesrecht kwamen de confessionelen aan de macht en dit leverde in 1889 een nieuwe schoolwet op, die openbare scholen verplichtte schoolgeld te vragen en bijzondere scholen subsidie toekenden. De openbare scholen hielden daarmee hun voorsprong want behalve de 30% van de overheid betaalde de gemeente de rest. Gelijkstelling was onhaalbaar. De schoolstrijd werd nu minder en het verbond tussen de antirevolutionairen en de katholieken viel uiteen. In 1901 kwamen ze weer aan de macht en kreeg bijzonder onderwijs nog meer subsidiering. 40% bezocht nu een bijzondere school dus de liberalen kregen door dat zij de schoolstrijd zouden winnen. De socialisten gingen akkoord met een financiële gelijkstelling als alle scholen aan dezelfde eisen voldeden. In 1917 sloten de sociaal democraten, de confessionelen en de liberalen een compromis waarmee ze de kiesrechtkwestie en de schoolstrijd oplosten. De confessionelen hielden het algemeen kiesrecht aan een 2/3 meerderheid in ruil voor de financiële gelijkstelling. Zo werd de onderwijspacificatie gekoppeld aan de invoering van het algemeen mannenkiesrecht. Nu was er sprake van een parlementaire democratie.

5.2: De lange weg naar leerplicht

het praktische bezwaar tegen leerplicht was dat ouders het inkomen van de kinderen niet zouden kunnen missen en het principiële bezwaar was dat de leerplicht afbreuk zou doen aan het vaderlijk gezag. Thorbecke vond het een inbreuk op de vrijheid van opvoeding. Links-liberalen vonden in de 1870’s dat het belang van goede opleiding zwaarder woog dan de rechten van de ouders. Er was een groeiende vraag naar geschoold personeel. Het droeg ook bij aan het liberaal burgerschapsideaal. Het praktische bezwaar woog nog wel mee en daarom was er in de schoolwet van 1878 alleen leerplicht voor kinderen van bedeelden. In 1880 waren het de confessionelen die zich bleven verzetten. Voor hen was het onbespreekbaar zolang de bijzondere en de openbare scholen niet financieel gelijk waren. Zo zouden anders sommigen gedwongen worden voor openbaar onderwijs te kiezen. Ook zou leerplicht ingaan tegen het door God gegeven gezag van de ouders. Ook sociaal democraten waren tegen door het opnieuw ingevoerde verplichte schoolgeld want dat maakte het onderwijs te duur. Ook zou hun inkomen door de schoolgaande kinderen achteruit gaan. In 1900 nam de Tweede Kamer de wet op leerplicht aan met 50 tegen 49 stemmen. Kinderen van 6+ moesten naar school, onafgebroken. Overtreders werden gestraft. In oogsttijd gold een landbouwverlof voor boerenkinderen.

De schoolstrijd was onder andere goed voor het schoolverzuim. Confessionele voormannen stimuleerden het bezoek aan scholen van het eigen geloof. Voorstanders van het openbaar onderwijs bevorderden het bezoek aan hún scholen. De gemeenten, het Nut en onderwijsorganisaties stimuleerden het ook en het burgerlijk beschavingsoffensief droeg ook bij aan het afnemend schoolverzuim. Door de leerplicht daalde het absoluut schoolverzuim dan ook weinig omdat het al vrij laag was. Na invoering van de leerplicht namen de aanmeldingen bij het vervolgonderwijs af omdat de oudere kinderen nu het werk van de jongere kinderen moesten overnemen.

5.3: Van eindstation tot voorportaal

2e helft van de 19e eeuw nam het schoolbezoek toe maar door de steeds hernieuwde schoolwetten werden de klassen ook steeds kleiner, wat betekende dat de scholen het amper aankonden door tekort aan ruimte en onderwijzers. Gevolg: er ontstonden wachtlijsten. Na 1878 werden veel nieuwe scholen gebouwd. Ook werd het aantal kweekscholen vermeerderd. Ook groeide het aantal rijksnormaalopleidingen waarbij men overdag hulponderwijzer was en dus in de praktijk leerde en ’s avonds theorie kreeg. Hierdoor nam het aantal onderwijzers fors toe. Het vak Nuttige Handwerken zorgde voor een vaste plaats voor de vrouw in het onderwijs. Het aandeel van onderwijzeressen steeg ook enorm doordat zij ook steeds vaker de lagere klassen onder handen namen. Onderwijs verbeterde enorm en lager onderwijs ging steeds meer een voorportaal naar hoger onderwijs worden ipv een eindstation. Thorbecke’s wet voor middelbaar onderwijs zorgde ervoor dat nu niet alleen de elite middelbaar onderwijs kon volgen. Hiervoor werd de HBS in leven geroepen. In tegenstelling tot het gymnasium draaide de HBS op voor nuttige vakken zoals handelswetenschappen en staatsinrichting. HBS werd een groot succes. Voor de volksklasse was de lagere school wel het eindstation. Na 1874 verlieten veel armen op 12 jarige leeftijd de school omdat ze dan moesten werken. Na 1880 was er in de schoolboekjes weinig moraliserends meer te vinden. Kennis was meer het doel. Lezen was niet langer het einddoel maar de methode om weer andere dingen te leren.
Het aanschouwelijk onderwijs (leren met je zintuigen dus door voelen, ruiken, horen etc) werd als de beste leermethode gezien. Toen er na 1878 meer geld voor schoolmateriaal was kwamen er steeds meer prenten en wandplaten. Er kwamen leesplankjes en letterdoosjes. Er kwamen naast de lei en de griffel schriftjes en inktpennen. Rond 1900 was het analfabetisme dan ook zo goed als verdwenen.

5.4: De lespraktijk ter discussie

De onderwijzers waren streng en wilden orde. Slaan werd in 1901 verboden. Het aanschouwelijk onderwijs werd beperkt hierdoor en er werd nog veel uit het hoofd geleerd. Rond de eeuwwisselingen keerden mensen zich tegen de onderwijspraktijken. Jan Ligthart zette zich af tegen het knellende schoolsysteem. Het saaie en zinloze werk wat de kinderen leerden beknopte hun eigen nieuwsgierigheid. Hij vond dat een onderwijzer niet als commandant moest zijn maar als oudere vriend die moest uitgaan van de behoeften van een kind. Kinderen zouden meer leren door zelf te doen dan door abstracte kennis uit het hoofd te leren.
Het zou ook goed zijn meer met de kinderen te doen zoals een uitje naar een fabriek of door het bos. Ligthart had zelf dan ook een schooltuintje en een duivenhok. Velen vonden Ligthart te ver gaan maar hij had ook veel aanhangers. De inspectie steunde hem en Koningin Wilhelmina bezocht zijn beroemde armenschool incognito. Zij vroeg hem ook het onderwijs van prinses Juliana op zich te nemen. Hij hielp leesmethodes ontwikkelen bijvoorbeeld Ot en Sien en het leesplankje van Hoogeveen.
Over de inhoud van de lessen geschiedenis was een hevige discussie. De geschiedenisboeken stonden vol van de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. De protestanten en liberalen waren de dappere geuzen en de tiran Philips de 2e was katholiek. Katholieken werden neergezet als Spaansgezind of verraders van de goede zaak. Op 1 april 1872 gingen katholieken en protestanten met elkaar op de vuist toen werd herdacht dat Den Briel 300 jaar geleden was ingenomen. Ook bij het vak zingen waren problemen. Op openbare en protestantse scholen werden liederen gezongen over de oorlog met Spanje. Vanuit die bundel kreeg het Wilhelmus grote populariteit en dat verstootte in 1932 “Wien Neêrlands Bloed in dáders vloeit” van de troon als volkslied. De katholieken accepteerden het maar en voelden zich meer en meer volwaardige vaderlanders. Ze schaarden zich dan ook achter het Huis van Oranje. Dat was nu een symbool van nationale eenheid. De liberalen sloten zich ook aan want die wilden eenheid. Prinses Wilhelmina werd een symbool van eenheid en haar verjaardag werd een grote feestdag. Veel socialisten hadden hier moeite mee maar ook zij kregen door dat tegen de populariteit van de Oranjes weinig te doen was.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.