Totalitaire dictatuur of democratie

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1647 woorden
  • 22 november 2003
  • 14 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Fix onze energie!

Studeer energie & techniek. Iedereen staat te springen om jou! We hebben namelijk veel technische toppers nodig die de energie van morgen fixen. Met een opleiding in energie & techniek ben je onmisbaar voor de toekomst. Check Power Up The Planet en ontdek welke opleiding het beste bij je past! 

Check Power Up The Planet!

Rusland: • 1914 raakte Rusland als onderontwikkeld land betrokken bij de 1ste wereldoorlog.In 1917 kwam er een volkoproer, doordat het Russische leger veel nederlagen had. Tsaar Nicolaar 2de treed af en Lenin word leider van de communistische revolutionairen. Oktober 24, 1917 neemt deze partij de macht. • Bolsjewieken kregen maar 25%. Lenin liet vergadering ontzetten en stond geen democratische verkiezingen meer toe. Tussen 1918-1920 vond er een burgeroorlog plaats tussen de aanhangers van Lenin(roden) en Lenins tegenstanders(de witten). De roden wonnen. Lenin sloot in 1918 de vrede Van Brest Litowsk en stond grote delen grondgebied af. Vele landen in Europa waren bang voor infectie van het Marxisme. • In 1921 vond er een hongersnood plaats. Lenin nam een pauze en stelde de NEP in. Hierin hadden de burgers wat meer vrijheid. Lenin stierf in 1924. Stalin won de strijd in 1928 en werd de nieuwe leider van de Bolsjewieken. Stalin wou een communistisch bolwerk maken. Hiervoor was industralisatie nodig en de hulp van boeren voor goedkoop voedsel ? lage lonen ? veel opbrengsten van export. De staat stelde het Planeconomie in. Zware industrie kreeg hierbij de voorrang. Hele industriecomplexen werden uit de grond gestampt. De boeren gaven niet vrijwillig land weg en Stalin schafte de NEP af en dwong boeren tot collectivisatie. Boerenbedrijven werden nu bedreen in Kolchozen en Sovchozen. De collectivisatie ging gepaard met terreur. Gezinen werden in concentratiekampen gedeporteerd. Om deze deportaties te rechtvaardigen zei Stalin dat het om Koelakken ging. De strijd tegen de Koelakken koste miljoenen levens. • Stalin zag voortdurend samenzweringen tegen hem. Vanaf 1934 waren het de jaren van De Grote Terreur. Veel slachtoffers werden veroordeeld in schijnprocessen of werden gewoon vermoord. De plannen voor een mooie samenleving waren allemaal voor niks geweest. De Sovjetunie was bedoeld als een paradijs op aarde, maar het werd de hel. De communistische partij bestond alleen maar uit onderdrukking. Burgers hadden helemaal geen vrijheid en werden gehersenspoeld door propagenda. • In 1941 viel Duitsland de Sovjetunie aan. Stalin wierp zich op als de grote held die het land van de ondergang moest redden. De Sovjetunie won. Stalin wou de macht in Oost-MiddenEuropa niet kwijt en maakte deze ook communistisch. Stalin stierf in 1953. Zijn opvolger Chroesjtsjov verweet Stalin op zijn fouten, miljoenen politieke tegenstanders werden vrijgelaten, schildenaars mochten doen wat ze wilden. Maar deze Destalinisati bleef halverwege steken. Brezjnev wilde zoveel mogelijk bij het oude laten, waardoor de Sovjetunie nog meer achterbleef. Brezjnev stierf in 1984. De industrie was hopeloos verouderd, de landbouw was slecht en het milieu erg vervuild. Gorbatsjov veranderde veel. Hij wou democratie en wou dat de economie ingrijpend hervormd werd. Hij redde het niet in 1991 werd de Sovjetunie officieel ontbonden en ontstonden er zelfstandige republieken.

Duitsland: • Duitsland hing ook in een revolutionaire sfeer. Maar Duitsland was een geindustrialiseerd land en had een parlementair systeem, maar Duitsland faalde ook en werd als grote schuldige aangewezen van de 1ste wereldoorlog. Door de Vrede van Versailles moest Duitsland alle kolonieen afstaan, mocht geen leger hebben en moest een schadeloosstelling betalen. De republiek van Weimar probeerde aan de eisen te voldoen en dat lukte. In 1926 werden ze toegelaten aan de Volkenbond. Maar in 1929 brak er in de VS en in Europa een economische crisis uit. Het aantal werklozen in Duitsland verdriedubbelde. Het vertrouwen in de republiek nam af, doordat de Republiek van Weimar de crisis niet kon bestrijden. Maar toen kwam Adolf Hitler die het volk weer vertrouwen gaf. Hitler was de leider van de NSDAP. • In 1933 werd Hitler regeringsleider. Op 27 februari 1933 werd het parlementsgebouw in vlammen gezet door de communistische nederlander Marinus van der Lubbe. De nationaal-socialisten beschuldigen ze van een communistisch complot en Hitler haalde de president over om de grondwet buiten werking te stellen. Veel communisten werden gearresteerd en de bevolking werd bang gemaakt. Op 5 maart stemde bijna iedereen op de NSDAP. Ze hadden nog niet alle stemmen, maar andere partijen waren doodsbang voor Hitler en zo kon Hitler toch een wetsvoorstel doordrijven, waarbij de regering bijna alle macht kreeg de komende 4 jaar. De NSDAP maakte, zoals beloofd, een einde aan de werkloosheid en in 1938 waren nog maar 200.000 mensen werkloos. Ze werkten vooral aan herbewapening en autowegen. Duitsland kreeg een grondstof tekort en bedacht andere oplossingen die veel duurder werden. De staatsschuld werd te hoog, maar Hitler had een oplossing: oorlog. • Tegenstanders werden opgespoord en door de Gestapo naar concentratiekampen vervoerd. Een aparte ministerie van media beheerste alle media. De Reichkulturkammer hield toezicht op de kunstenaars. Ook het onderwijs werd volgestopt met de nationaal-socialistische leer. Voor de jeugd waren er de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Madel die verplicht waren en jongens klaarmaakten voor militaire dienst en meisjes werden klaargemaakt voor huisvrouw en moeder. De Fuhrer sloot een concordaat met de paus en wist mede daardoor de Duitse bisschopen aan zich te binden. • Hitler was erg voor het Antisemitisme. Bij de Neurenbergerwetten van 1935 werd hen de burgerrechten ontnomen en werden huwelijken of seksueel contact tussen joden en niet-joden verboden. Na aanleiding van een aanslag op een lid van de Duitse ambassade door een jood kwam de Kristalnacht. Eigendommen van de joden werden in de fik gestoken en de joden moesten ook nog een boete van 1miljoen mark betalen. Hitler stuurde ook veel joden naar concentratiekampen. Het Arische ras stond bovenaan. Om Duitsland raszuiver te maken moesten alle andere burgers weggeruimd worden zoals: zigeuners, homoseksuelen en vooral joden.

Nederland: • In 1918 liet Troelstra, de leider van de SDAP, zich meeslepen door wat er in Duitsland gebeurde. Op 11 november 1918 eiste Troelstra de macht, maar deze mislukte. Zijn eigen partij steunde hem al niet. De SDAP werd tot 1939 buiten de regering gehouden. Op 1919 werd de achturige werkdag in gezet door Aalberse, ook kwamen er een ouderdomswet en invaliditeitswet. • Tussen de wereldoorlogen in raakte Nederland erg verzuild. Als je bij een bepaalde zuil hoorde, ging je naar zo’n bepaalde school, sportclub, winkel en ziekenhuis. Er kwamen diepe kloven tussen bepaalde zuilen. Alleen elites van zuilen hadden contact, maar dat moest omdat er geregeerd moest worden en geen enkele partij de meerderheid had. Er waren 3 partijen: • RKSP: Roomskatolieke staatspartij. De leiding bestond uit adellijke personen of leden van de gegoede burgerij. De aanhangers bestonden vooral uit Noord-Brabantse en Limburgse burgers. • ARP: Anti Revolutionaire Parij: Heeft 1 leider en de aanhangers bestonden vooral uit winkeliers, boeren en arbeiders. • CHU: Communistische Partij Nederland: Was overwegend Nederlands Hervormd en bestond uit mensen uit de betere kringen. • In 1931 ontstond de NSB(Nationaal-Socialistische Beweging). Anton Mussert richte de NSB op. De NSB was fascistisch en had een groot aantal aanhangers. De NSB stond voor een krachtige regering die slechts adviezen kreeg van het parlement. • Tijdens de 1ste wereldoorlog bemoeide de regering zich veel met de economie. Het bonnenstelsel werd ingevoerd om de voorraden zo eerlijk mogelijk te verdelen. Na 1918 schakelde Nederland snel terug op het Economisch Liberalisme. Maar na 1920 zakte de economie in. Dit leidde tot vele stakingen, maar in 1923 klom de economie weer op. Maar in 1930 kwam er weer een crisis. De werkloosheid steeg enorm en de prijzen van producten ook. Als je onder de 21 of boven de 60 was kreeg je geen uitkering. Als je wel in aanmerking kwam moesten zich elke dag op een stempellokaal melden. Wie nog spaarcenten had, kreeg minder uitkering. Mensen werden gecontroleerd. Als je b.v nieuwe schoenen had gekocht moest je dat bewijzen dat je dat had betaald door bij elkaar gespaarde uitkeringen, anders ging de steun omlaag. De SDAP stelde voor om de economie 200 miljoen gulden te geven. Om dit plan van de arbeid te realiseren kreeg de staat enorme schulden en moesten ze een sluitende begroting nastreven. Maar de crisis werd verergerd door zich vast te houden aan de gave gulden. Andere landen verlaagden hun waarde van de munt. Zo verkocht Nederland nog minder aan het buitenland, omdat de gulden te duur was. Pas in 1936 liet Nederland de waarde zakken, waardoor de werkloosheid direct daalde. Maar een nieuwe terugslag in 1937 in Amerika bedierf alles. • In 1935 kreeg de NSB maar 8 procent van de stemmen. Hierdoor ontstonden allerlei rechtse als linkse anti-fascistische organisaties. In 1936 verbood de regering de NSB de Terreur bende en ook het openbaar dragen van een NSB uniform. Het stemmenaantal halveerde. De nederlander bleef veelal trouw aan zijn partij. De drie confessionele partijen deelden met behulp van de liberalen de lakens uit. Nederland behield zijn parlementaire democratie in de jaren waarin Rusland en Duitsland totalitaire dictaturen werden.

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Nederland: • In 1918 liet Troelstra, de leider van de SDAP, zich meeslepen door wat er in Duitsland gebeurde. Op 11 november 1918 eiste Troelstra de macht, maar deze mislukte. Zijn eigen partij steunde hem al niet. De SDAP werd tot 1939 buiten de regering gehouden. Op 1919 werd de achturige werkdag in gezet door Aalberse, ook kwamen er een ouderdomswet en invaliditeitswet. • Tussen de wereldoorlogen in raakte Nederland erg verzuild. Als je bij een bepaalde zuil hoorde, ging je naar zo’n bepaalde school, sportclub, winkel en ziekenhuis. Er kwamen diepe kloven tussen bepaalde zuilen. Alleen elites van zuilen hadden contact, maar dat moest omdat er geregeerd moest worden en geen enkele partij de meerderheid had. Er waren 3 partijen: • RKSP: Roomskatolieke staatspartij. De leiding bestond uit adellijke personen of leden van de gegoede burgerij. De aanhangers bestonden vooral uit Noord-Brabantse en Limburgse burgers. • ARP: Anti Revolutionaire Parij: Heeft 1 leider en de aanhangers bestonden vooral uit winkeliers, boeren en arbeiders. • CHU: Communistische Partij Nederland: Was overwegend Nederlands Hervormd en bestond uit mensen uit de betere kringen. • In 1931 ontstond de NSB(Nationaal-Socialistische Beweging). Anton Mussert richte de NSB op. De NSB was fascistisch en had een groot aantal aanhangers. De NSB stond voor een krachtige regering die slechts adviezen kreeg van het parlement. • Tijdens de 1ste wereldoorlog bemoeide de regering zich veel met de economie. Het bonnenstelsel werd ingevoerd om de voorraden zo eerlijk mogelijk te verdelen. Na 1918 schakelde Nederland snel terug op het Economisch Liberalisme. Maar na 1920 zakte de economie in. Dit leidde tot vele stakingen, maar in 1923 klom de economie weer op. Maar in 1930 kwam er weer een crisis. De werkloosheid steeg enorm en de prijzen van producten ook. Als je onder de 21 of boven de 60 was kreeg je geen uitkering. Als je wel in aanmerking kwam moesten zich elke dag op een stempellokaal melden. Wie nog spaarcenten had, kreeg minder uitkering. Mensen werden gecontroleerd. Als je b.v nieuwe schoenen had gekocht moest je dat bewijzen dat je dat had betaald door bij elkaar gespaarde uitkeringen, anders ging de steun omlaag. De SDAP stelde voor om de economie 200 miljoen gulden te geven. Om dit plan van de arbeid te realiseren kreeg de staat enorme schulden en moesten ze een sluitende begroting nastreven. Maar de crisis werd verergerd door zich vast te houden aan de gave gulden. Andere landen verlaagden hun waarde van de munt. Zo verkocht Nederland nog minder aan het buitenland, omdat de gulden te duur was. Pas in 1936 liet Nederland de waarde zakken, waardoor de werkloosheid direct daalde. Maar een nieuwe terugslag in 1937 in Amerika bedierf alles. • In 1935 kreeg de NSB maar 8 procent van de stemmen. Hierdoor ontstonden allerlei rechtse als linkse anti-fascistische organisaties. In 1936 verbood de regering de NSB de Terreur bende en ook het openbaar dragen van een NSB uniform. Het stemmenaantal halveerde. De nederlander bleef veelal trouw aan zijn partij. De drie confessionele partijen deelden met behulp van de liberalen de lakens uit. Nederland behield zijn parlementaire democratie in de jaren waarin Rusland en Duitsland totalitaire dictaturen werden.

Communisme/socialisme/marxisme: Leer gebaseerd op de ideeen van Karl Marx. Deze wilde het kapitalisme vernietigen en de productiemiddelen tot gemeenschappelijk bezit maken. De overname van de macht zou geschieden door een revolutie van de klasse van fabrieksarbeiders. Na de revolutie zou er eerst een overgansperiode komen - het socialistische stadium – met nog een belangrijke taak voor de staat, waarna ten slotte het communistische stadium zou worden bereikt. Dan zou de staat ophouden te bestaan en zouden alle klassentegenstellingen zijn verdwenen. In het westen werd de Sovjetunie communistisch genoemd, terwijl het socialistisch was.

Dit wil je ook lezen:

Fascisme: Alle fascistische partijen vonden 1 sterke leider erg belangrijk, vonden democratie een hinderpaal op weg naar een sterke en eensgezinde natie, wilden het induviduele belang volkomen ondergeschikt maken aan het staatsbelang, waren sterk nationalistisch ingesteld en hadden een grondige hekel aan communisten.

Nationaal socialisme: Duitse variant van het Fascisme. Duitsland voegde er racisme aan toe. De Duitse Nationaal-Socialisten gingen uit van een rassenleer waarbij het Arische ras of Germaanse ras superieur was aan alle andere rassen.

Kapitalisme: Economisch stelsel waarbij de productiemiddelen overwegend van particulieren zijn en waarbij de vrijheid van de economie als hoogste goed wordt beschouwd.

Leninisme: Door Lenin bedachte variant op het marxisme waarbij niet de grote meerderheid van het proletariaat de revolutie begint, maar een vastberaden minderheid de revolutie start en doorzet. Van de dragers der revolutie wordt een ijzeren discipline geeist. Terreur is geoorloofd.

Liberalisme: Politiek en economisch stelsel waarbij de vrijheid en de rechten van het individu voorop staan. Liberalen pleiten voor een terughoudende rol van de overheid. Voor liberalen is het kapitalisme het beste economische stelsel.

Nationalisme: De eigen natie ging boven alles.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.