Staatsinrichting Geschiedenis VMBO GL Examen

Beoordeling 7.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vmbo | 1536 woorden
  • 28 april 2016
  • 32 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.2
  • 32 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Geschiedenis, Staatsinrichting



Het Koninkrijk der Nederlanden kreeg in 1815 een grondwet. Volgens deze wet had de koning de meeste macht. Ieder voorstel moest door de koning worden goedgekeurd. Het parlement, de eerste en tweede kamer hadden weinig te zeggen. De leden uit de eerste kamer werden gekozen door de koning. De hoge bestuurders van de provincies wat ook vaak vrienden waren van de koning kozen de tweede kamer. Het volk had geen inspraak.

In verschillende Europese landen waren er revoluties en eiste het volk democratie en vrijheid.  Koning Willem II was bang dat de revolutie ook naar Nederland oversloeg. Om dit te voorkomen kreeg Thorbecke (De leider van een groep parlementsleden die opkwam voor de vrijheid van burgers) de opdracht om een meer democratische grondwet te maken.



De nieuwe grondwet van 1848:

- Iedereen kreeg dezelfde grondrechten. Vrije meningsuiting, vrijheid van onderwijs.

- Elke vier jaar kwamen er rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer. De eerste kamer werd indirect gekozen.

- De ministers moesten verantwoording afleggen aan het parlement en niet meer aan de koning( Ministeriële verantwoordelijkheid)



Tussen 1850-1900 vooral liberalen in het parlement. Dat kwam omdat alleen de rijkere mensen mochten stemmen. De liberalen wilden dat de overheid zich zo min mogelijk bemoeid met de economie.



Tegenover de liberalen stonden de socialisten. Zij kwamen vooral op voor de zwakkeren in de samenleving zoals de arbeiders. Ferdinand Domela Nieuwenhuis richtte in 1881 de Sociaal- Democratische Bond (SDB) op. Hij was de eerste socialist in de Tweede Kamer. Omdat Nieuwenhuis verloor het vertrouwen in de democratie en ging weg. In 1894 werd de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) opgericht onder leiding van Pieter Jelles Troelstra. Zij streden voor kiesrecht voor de arbeiders en een kortere werkdag.



Confessionelen: Zij doen vanuit een geloofsovertuiging aan politiek. De protestanten richtte in 1878 de eerste politieke partij op: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op met als leider predikant Abraham Kuyper. De partij wilde kiesrecht voor het mannelijke hoofd van het gezin.



Priester Herman Schaepman richtte in 1926 de Rooms-Katholieke Staatspartij (PKSP) op.



Vanaf 1848 lag de macht in Nederland vooral bij het parlement en niet meer bij de koning. Nederland was een parlementaire democratie geworden: de burgers kozen samen het parlement. Toch was Nederland geen echte democratie omdat alleen de rijke mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden, mochten stemmen. Dat beperkte kiesrecht heet censuskiesrecht. Omdat veel rijke mensen vooral op de liberalen stemden, was die groep het grootste.  Nederland was verdeeld in honderd kiesdistricten. Elk district(gebied) mocht een kamerlid kiezen. Dat was de persoon met de meeste stemmen. Door het districtenstelsel krijgen kleine en nieuwere partijen nauwelijks kans op een zetel.



De socialisten en de confessionelen voelden zich achtergesteld op de liberalen en wilden graag dezelfde rechten als andere burgers. Dit streven naar gelijke rechten noem je emancipatie. De arbeiders, protestanten en katholieken richtten behalve eigen partijen ook vakbonden, kranten en verenigingen op. Zo konden zij nog beter opkomen voor hun belangen. Het gevolg was dat de bevolking verdeeld raakte in groepen. Dit leidde tot de verzuiling. Door de verzuiling hadden mensen uit verschillende groepen bijna geen contact met elkaar.



Aan het eind van de 19e eeuw ontstond er een groot conflict tussen de zuilen over het onderwijs. Mensen in de liberale zuil vonden dat school niet bedoeld was voor godsdienstige opvoeding. Gelovige ouders vonden onderwijs en opvoeding volgens de regels van de eigen godsdienst wel belangrijk en stuurden hun kinderen naar gelovige scholen. Dat soort scholen noem je bijzondere scholen. Ze moesten die scholen wel zelf betalen, want de staat betaalde alleen het openbaar onderwijs. De confessionelen waren daar niet mee eens. Dit conflict staat bekend als de schoolstrijd. Wie moesten de kosten van de bijzondere scholen betalen: de ouders of de staat?



De socialisten en de confessionelen hadden voor een wet wijziging een meerderheid in de Tweede en Eerste kamer hebben. Om dat te bereiken moesten zij samenwerken om hun doel te bereiken. De confessionelen wilden dat bijzondere scholen geld kregen van de overheid. De socialisten kiesrecht voor alle mannen. Door voor elkaars wensen te stemmen, hadden zij inderdaad de meerderheid gehaald. Deze oplossing heet de Pacificatie van 1917. Pacificatie betekent het sluiten van vrede. Deze pacificatie leidde tot drie belangrijke veranderingen in de grondwet.

1. Er kwam algemeen kiesrecht voor mannen. Alle mannen ouder dan 23.

2. De overheid betaalde voortaan het onderwijs op de bijzondere scholen. De financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs werd ingevoerd.

3. Het districtenstelsel werd vervangen door evenredige vertegenwoordiging.



Tegenwoordig heeft de Tweede Kamer 150 leden die via evenredige vertegenwoordiging gekozen worden. Alle stemmen worden bij elkaar op geteld. De zetels worden naar verhouding van het aantal gekregen stemmen over de partijen verdeeld. Heb je een kwart van de stemmen, krijg je ook een kwart van de zetels. Door deze verandering kregen ook kleine en nieuwe partijen de kans om in de Tweede kamer te komen. Behalve de tweede kamer word ook de gemeenteraad en Provinciale staten rechtstreeks gekozen door de burgers 18+. De eerste kamer wordt gekozen door de leden van provinciale staten.



Rond 1870 begon in Nederland de eerste feministische golf. De opkomst van het feminisme viel samen met de industrialisatie.  Feministen wilden vrouwen bewustmaken van hun achterstelling. Zij wilden dezelfde rechten als mannen. In 1894 richtten Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs de vereeniging voor vrouwenkiesrecht op (VVV). Zij voerden acties voor vrouwen kiesrecht.  Politieke partijen dachten verschillend over vrouwenemancipatie. De socialisten wilden dat het loon van arbeiders omhoogging zodat vrouwen niet hoefden te werken. Zij waren wel voor vrouwenkiesrecht. De confessionelen vonden dat de vrouw alleen in huis een rol had namelijk voor haar man en kinderen zorgen en het huishouden. De confessionelen vonden dat vrouwen niks in de politiek te zoeken had. De liberalen waren verdeeld. Het grootste deel vond dat vrouwen wel moesten kunnen stemmen.

Bij de grondwetswijziging in 1917 kregen vrouwen alleen passief kiesrecht: Het recht om gekozen te worden. In 1919 kregen zij actief kiesrecht en in 1922 konden zij voor de eerste keer naar de stembus om te stemmen.



Sinds 1971 mogen alle Nederlanders vanaf achttien en ouder stemmen.

Leden van de Tweede Kamer hebben het recht van initiatief. Dat betekent dat ze voorstellen voor wetten mogen indienen maar meestal doen ministers met hun ambtenaren dat. Ze hebben dus wetgevende bevoegdheden. De leden van de Tweede Kamer kunnen wetsvoorstellen goedkeuren, afkeuren of wijzigingen. Het recht om wetsvoorstellen te wijzigen wordt het recht van amendement genoemd.

De leden van de Eerste Kamer hebben niet het recht van initiatief of amendement. Zij mogen alleen maar een wetsvoorstel afwijzen of goedkeuren. Als de Eerste Kamer een wet heeft goedgekeurd, dan moet de koning nog een handtekening zetten. Als de wet dan gepubliceerd wordt, is de wet ook echt een wet geworden.



Controlerende bevoegdheden:

Alle parlementsleden hebben het recht van interpellatie. Dit betekend dat alle leden van de Eerste en Tweede kamer het recht hebben om een minister ter verantwoording te roepen over een besluit of uitspraak. Bij de controlerende bevoegdheden hoort ook het recht van enquête. Dan wordt een zaak tot de bodem uitgezocht door een onderzoek in te stellen of mensen te ondervragen. Het doel hiervan is om te leren van het verleden en maatregelen voor de toekomst te treffen. De Eerste en Tweede kamer hebben ook het budgetrecht. Dat is het recht de staatsuitgaven en inkomsten te beoordelen.

 

De minister en zijn ambtenaren voeren de wetten in de praktijk ut. De bevoegdheid om te regeren/ besturen hoort bij de uitvoerende bevoegdheden

Bij een referendum kan de bevolking haar mening geven over een besluit van de overheid.



Klassieke grondrechten: 1848, ze zorgen ervoor dat de Nederlandse bevolking in vrijheid en in een democratie kunnen leven. Ze beschermen de burgers tegen een machtige overheid.



Sociale grondrechten: 1983, De overheid moet burgers beschermen tegen slechte leefomstandigheden.



Ons land is een rechtstaat dat betekend dat de burgers zo veel mogelijk beschermd worden tegen onrechtmatig optreden van de overheid en van andere burgers.

De rechters hebben rechtelijke macht: Zij bepalen of iemand de wet heeft overtreden en welke straf er moet worden gegeven.



Een rechtstaat heeft een aantal kernmerken.

- Alle burgers zijn voor de wet gelijk. Iedereen krijgt bij dezelfde overtreding dezelfde straf.

- Er zijn onafhankelijke rechters. Rechters zijn onafhankelijk van de overheid.

- Je kunt alleen straf krijgen als er ook bewijs is.

- Ook rechters en bestuurders moeten zich aan de wetten houden.



Lichte overtredingen komen niet voor de rechter. Daarvoor krijg je een bekeuring. Bij zwaardere gevallen zoals moord, diefstal wordt het wetboek van strafrecht gebruikt.  Iedereen heeft het recht op een advocaat. Als je het niet eens bent met de beslissing van de rechter kun je in hoger beroep gaan. TBS, terbeschikkingstelling van de regering. Dat krijg je als je een psychiatrische stoornis hebt die gevaarlijk kan zijn voor de samenleving. Burgers die klachten hebben over de overheid kunnen schrijven naar de nationale ombudsman.



Vrouw Justitia:

- Weegschaal: De zwaarte van de straf moet in evenwicht zijn met de misdaad.

- De gesloten ogen:  Iedereen is voor de wet gelijk.

- Het zwaard: Als iemand schuldig is, moet er een straf worden gegeven.



Portretten van staatsinrichting die je moet kennen:

- Johan Rudolf Thorbecke:  Schreef grondwet van 1848, liberaal

- Abraham Kuyper: ARP opgericht protestant

- Pieter Jelles Troelstra: SDAP opgericht. Socialisten


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.