Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
Open Dag = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Dag dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel je vragen. Én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo? 

Meld je dan nu aan!

§1

In Groot-Brittannië begon de industriële revoluties in 1811/1812 met het aanvallen van fabrieken door gemaskerde mannen uit woede over de verdwijning van hun traditionele handwerk. Er kwam een technologische vooruitgang (machines aangedreven door stoom, gas en elektriciteit) waarbij de productie werd gemechaniseerd. Vroeger kwam energie uit spierkracht van mensen en trekdieren. De industrialisatie begon in de 18e eeuw in GB, maar drong pas in de 20e eeuw overal in Europa door en is nog steeds gaande, toch een revolutie.

In GB eerst houten apparaten, rond 1800 ijzeren aangedreven door stoom. Deze stoommachines werden vooral toegepast in de textielindustrie, hierdoor kwamen ook de machine-industrie, de ijzerindustrie en de steenkoolwinning tot bloei. Er kon sneller, grootschaliger en goedkoper worden geproduceerd.

De industriële revolutie kwam op gang doordat er in GB kapitaalkrachtige ondernemers waren die winst wilden maken. Ze staken daarvoor geld in machines en namen arbeiders in loondienst. Ook door concurrentie wilden ze zo goed en goedkoop mogelijk produceren. Ook de agrarische revolutie en de transportrevolutie maakten de industriële revolutie mogelijk. Door verbeterde landbouwmethodes konden meer mensen worden gevoed en de bevolking groeide minder arbeid nodig en leger aan goedkope arbeidskrachten voor de industrie. Ook zorgde de bevolkingsgroei voor een stijgende vraag naar voedsel en kleding. Door de transportrevolutie kwam er een dicht netwerk van onderling verbonden vaarwegen, die naast fabrieken werden gebouwd. Hierdoor konden producten makkelijk aan- en afgevoerd worden. In 1830 kwam de eerste spoorlijn (stoomlocomotief was mogelijk door stoommachine.)

Tegen het eind van de 19e eeuw kwamen staal, chemie en elektrotechniek op. Daardoor veranderde zoveel dat er gesproken wordt van een tweede industriële revolutie. Er kwamen nu laboratoria waar mensen gingen werken aan nieuwe en betere producten i.p.v. dat het het werk was van knutselaars en praktijkmensen zoals James Watt. 1903=eerste vliegtuigvlucht.

Door de industriële samenleving groeiden steden als kool en werkten bijna alle mensen in de industrie- of dienstensector i.p.v. in de landbouwsector. Bij Watts stoommachine werd stroomdruk gebruikt om wielen in beweging te zetten d.m.v. een krukas. Terwijl de oude, al bestaande stoommachines alleen een op-en-neergaande beweging konden maken.

§2

Nadat Napoleon was verslagen werden er afspraken gemaakt die ervoor zorgden dat de gevolgen van de democratische revoluties zo veel mogelijk ongedaan gemaakt werden. De Duitse staten en stadjes werden ondergebracht in de Duitse bond, een los verband van vier stadstaten en 35 monarchieën door congres van Wenen. Daartoe behoorden twee mogendheden. Pruisen in het noorden en het Habsburgse keizerrijk in het zuiden. Pruisen kreeg er in het westen gebieden bij, de Zuidelijke Nederlanden werden bij Nederland gevoegd en Oostenrijk kreeg grote gebieden in Noord-Italië om ervoor te zorgen dat er een machtsevenwicht ontstond en dat niet Frankrijk opnieuw de rest kon bedreigen. Adel en kerk kregen hun voorrechten terug.

Er kwamen politieke stromingen die zich verzetten tegen de autoritaire orde. De eerste was het liberalisme, ze wilden een grondwet die de macht van de koning beperkte en de burgerrechten garandeerde. Ook het nationalisme keerde zich tegen de bestaande orde. Het nationalisme was ontstaan tijdens de democratische revoluties, hiervoor waren mensen veelal gericht op hun eigen stad of regio.

Het socialisme was een beweging van arbeiders, ze kwamen op voor de onderdrukten en bestreden de verschillen in macht en inkomen. De conservatieven vonden het beter voor iedereen dat de kerk, adel, monarchie en het leger de leiding hadden. En vrijheid en gelijkheid was gevaarlijk, dat was wel gebleken tijdens de Franse revolutie. De orde die op het Congres van Wenen was hersteld hield niet lang stand. In 1830 bracht een opstand in Parijs een ander koningshuis aan de macht, dat meer rekening hield met de burgerij, hierdoor ook opstanden in Brussel en Luik en de Zuidelijke Nederlanden maakten zich los van Nederland. Vanaf 1848 kwamen er bloederige volksopstanden die een eind (wilde) maken aan de monarchieën. De orde werd echter meestal herstelt. Toch konden de wensen van de economisch steeds sterker wordende burgerij niet blijvend worden genegeerd. Zo kwam er in Italië bijvoorbeeld een liberale grondwet. De conservatieve Pruisische kanselier Bismarck gebruikte het nationalisme voor een verenigd Duitsland o.l.v. Pruisen. Daarvoor lokte hij oorlogen uit met FA, DE, OS. Op 18 jan 1871 erkenden Duitse vorsten Bismarck als de keizer van het nieuwe Duitse rijk.

Na 1871 ontstond er in bijna alle Europese landen een agressief nationalisme. Er kwamen bijv. standbeelden etc. waarmee gebeurtenissen of helden uit het verleden werden verheerlijkt.                                                                                                                                                           Vanaf 1870 ontwikkelde het socialisme zich tot een massabeweging, dat kwam omdat er op het continent een grote industriële arbeidersklasse ontstond. De marxisten wilden het kapitalisme omwerpen en de bedrijven in staatseigendom brengen zodat er niet meer geproduceerd zou worden voor winst. De internationale arbeiderssolidariteit stond hoog in het vaandel, Marx zei dat zij geen vaderland hadden. dus nationalisme grootste vijand.

Binnen het socialisme dus reformisme: verbeterd lot van arbeiders zónder revolutie. 1919 dus definitieve breuk: sociaaldemocratie en revolutionair communisme.

§3

Nederland werd geleidelijk een democratie. Voor 1848 had de koning nog veel macht en het parlement maar weinig. Maar omdat koning Willem 2 vreesde voor zijn positie liet hij Thorbecke een grondwet schrijven en Nederland werd parlementair stelsel. Er was nog wel censuskiesrecht. In 1917 algemeen kiesrecht voor mannen. In 1919 ook kiesrecht voor vrouwen. Vanaf dit moment was Nederland een parlementaire democratie met algemeen kiesrecht.

Het parlement in GB bestond uit het Hogerhuis met adel etc. en het Lagerhuis met  gekozen vertegenwoordigers via het districtenstelsel. Tories = conservatieven en Whigs =  liberalen.

Sinds de Glorious Revolution van 1688 had de koning niet meer geprobeerd het parlement uit te schakelen en kon de koning bijna niks zonder goedkeuring van het parlement. Hij benoemde en ontsloeg nog wel naar eigen inzicht ministers, maar dit veranderde onder koningin Victoria (1837). De partij die de verkiezingen won bepaalde de ministers. Victoria werd het nationale symbool door haar preutsheid en ijver. Negentiende eeuw wordt daarom ook wel het Victoriaanse tijdperk genoemd.

Sinds de middeleeuwen waren de kiesdistricten nauwelijks aangepast waardoor het platteland in het Lagerhuis zwaar oververtegenwoordigd was. Daardoor werkte het kiesstelsel in het voordeel van de conservatieve adel en in het nadeel van de liberale burgerij en de arbeiders. Vanaf 1830 werd hier massaal tegen gedemonstreerd. In 1832 kwamen nieuwe stedelijke kiesdistricten, tientallen plattelandsdistricten werden opgeheven en het kiesrecht werd uitgebreid tot de rijkste 15% van alle mannen. Het was een overwinning voor de rijke burgerij, maar de arbeiders schoten er niks mee op.

In twee rondes in 1867 en 1884 werd het kiesrecht uitgebreid tot ongeveer 2/3 v/d mannen. In 1900 richtten vakbonden de sociaaldemocratische Labour Party op. In 1911 verloor het Hogerhuis het recht om besluiten van het Lagerhuis onbeperkt tegen te houden. Hiermee raakte de adel zijn politieke macht kwijt. Direct na WO1 kwam er algemeen mannenkiesrecht en kregen ook de meeste vrouwen kiesrecht. Voortaan gingen de verkiezing vooral tussen de conservatieven en de sociaaldemocraten. De Labour Party werd bij de eerstvolgende verkiezingen groter dan de liberale partij. In 1928 = GB volledig kiesrecht.

In Duitsland was vooral Pruisen belangrijk. Pruisen had tot 1848 geen grondwet en de macht van de koning werd door niets beperkt. Maar in 1848 veranderde dit plotseling door de gevechten in heel Europa. De koning schrok zo dat hij meteen toegaf aan de liberalen, beter dan een ‘rode’ revolutie. Hij benoemde liberale ministers en liet een parlement bijeenkomen in Berlijn. Met zijn steun werd ook een nationaal parlement gekozen die een grondwet zou gaan maken voor heel Duitsland. Een jaar later ging de koning m.b.v. een leger echter hiertegen al in de aanval. Het nationale parlement in Frankfurt vergaderde door en wilde de koning van Pruisen kiezen als keizer der Duitsers. Maar deze weigerde de kroon aan te nemen omdat de kroon een halsband zou zijn waarmee ze hem wilden ketenen.

In 1861 kregen de liberalen de meerderheid in Duitsland. De koning wilde meer geld voor het leger, maar de liberalen wilden daar alleen mee instemmen als ze ook wat over het leger te zeggen kregen, dit vond de koning onacceptabel. Hierop schreef hij nieuwe verkiezingen uit maar dat leidde alleen maar tot een nog grotere liberale meerderheid. De koning benoemde daarop de conservatief Bismarck als kanselier. Deze zette de legeruitbreiding gewoon door zonder goedkeuring van het parlement en lokte oorlogen uit met OS en DE, hierna was hij zo populair dat de conservatieven bij de volgende verkiezingen alsnog de meerderheid kregen. Na het uitroepen van het Duitse rijk in 1871 steunden ook de meeste liberalen Bismarck. Hierdoor drukte hij een grondwet door die de keizer grote macht gaf.

De rijksdag (volksvertegenwoordiging) werd opgericht en gekozen met algemeen mannenkiesrecht. Dit was bedoeld om de liberalen dwars te zitten omdat Duitsland nog een grote plattelandsbevolking had die eerder conservatief dan liberaal stemde. Bovendien kreeg de Rijksdag weinig bevoegdheden. Ze kreeg het budgetrecht (recht van het parlement om uitgaven van de regering goed of af te keuren) en kon wetsvoorstellen afkeuren. Maar ze kon de regering niet ter verantwoording roepen. Na 1871 nam de invloed van de burgerij in de maatschappij toe. De industriële arbeidersklasse groeide sterk. In de Rijksdag kregen de democratische partijen de meerderheid. Maar de politieke macht bleef in handen van de keizer en zijn adelijke kliek.

§4 De opkomst van emancipatiebewegingen: feminisme en confessionalisme

Emmeline Pankhurst was de bekendste feministe ter wereld, ze liet zich soms graag arresteren om publiciteit te verwerven. Het socialisme streefde naar een betere positie van arbeiders, het feminisme naar gelijke berechtiging van vrouwen en het confessionalisme naar een volwaardige positie in de samenleving voor streng gelovige christenen. In de 19e eeuw kregen katholieken gelijke rechten. Liberalen waren wel voor godsdienstvrijheid, maar beschouwden het katholicisme als een achterlijk geloof dat de vooruitgang in de weg stond. In Duitsland begon Bismarck in 1871 een felle antikatholieke campagne (katholieken waren volgens hem niet loyaal aan het Duitse rijk omdat ze hun eigen leider, de paus, hadden): antikatholieke wetten, katholieke onderwijzers op openbare scholen ontslagen en duizenden geestelijken werden verbannen of vastgezet. De voormalige vijanden (protestanten en katholieken) verenigden zich in de strijd tegen ongeloof. Abraham Kuyper richtte in 1879 de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) op tegen de liberale kabinetten. Vooral vrouwen uit de hoge burgerij voelden zich verbonden met het feminisme, ze mochten niet zonder begeleiding de deur uit, hadden geen recht op eigen vermogen en mochten geen rechtszaak beginnen. Vanaf 1880 kreeg het feminisme meer aanhang. Om kiesrecht te bereiken werden feministen (o.l.v. Pankhurst) steeds radicaler (bijv. hongerstakingen) In 1919 = vrouwen in GB kiesrecht. Wilhelmina Drucker was ook een feminist, ze zette zich o.a. in voor economische onafhankelijkheid van vrouwen.

§5 Discussies over de sociale kwestie

De werkomstandigheden van arbeiders waren altijd al erbarmelijk geweest, maar na de industriële revolutie viel dit nog meer op doordat ze dicht opeengepakt in uitgestrekte, grauwe arbeiderswijken woonden. Voor de IR hadden arbeiders zelf hun arbeidstijden kunnen indelen en even kunnen rusten als ze moe waren, na de IR bepaalden machines het werktempo en zagen opzichters er op toe dat de arbeiders op tijd kwamen, doorwerkten en niet te vroeg weggingen. Bovendien hadden in de traditionele bedrijfjes de patroons meegewerkt en zich met hun arbeiders verbonden gevoeld, in moderne fabrieken was hiervan geen sprake. Sociale kwestie = vraagstuk van de armoede en de slechte leef- en woonomstandigheden van de arbeiders in de 19e eeuw. Sociale veranderingen die hieruit voortkwamen: inkomensverschillen en klassentegenstellingen (rijke burgerij/arme arbeiders) en arbeiders werden verbitterd en opstandig, dus minder respect voor hun ‘meerderen’. Er kwamen sociale romans die pleitten voor een humanere behandeling van mensen die het slecht hadden. Veel liberalen dachten dat de sociale kwestie vanzelf opgelost zou worden (en dat armoede eigen schuld was) alleen een nachtwakersstaat was nodig, waarin de overheid voor orde en rust zorgde en zich verder niet met de maatschappij bemoeide. Kinderen moesten wel beschermd worden. Ook mocht de staat ingrijpen op het gebied van volksgezondheid. Er kwamen vakbonden die successen behaalden op het gebied van hoger loon, kortere werkdagen, betere voeding en huisvesting en d.m.v. contributies konen bonden hun leden verzekeren tegen ziekte, ongevallen en werkeloosheid. Na 1870 = sociale kwestie ook actueel in Europa doordat landarbeiders in de stad in grauwe volkswijken werden gestampt. Ook kwamen er voortdurend opstootjes, hongermarsen en stakingen. Armoede was volgens de arbeiders het gevolg van het kapitalisme, door concurrentie werden de lonen laag gehouden. Marx vond dat alleen het kapitalisme verbetering kon brengen en dat de arbeider door het fabriekswerk werd vernederd. Volgens de Paus mesten arbeiders en werkgevers organisaties vormen en door samenwerking de sociale kwestie oplossen. Conservatieven = Kapitalisme beperken. (DU:1889 AOW.) Rechte liberalen = volwassenen waren verantwoordelijk voor hun eigen lot. Linkse liberalen = staat moet sociale misstanden bestrijden. In Nederland 1900 eerste sociale wetten (ongevallenwet en woningwet.) Dickens stelde de hardheid waarmee armen behandeld werden aan de kaak. Mede dankzij zijn boeken werd de behandeling van kinderen humaner.

§6 Het moderne imperialisme en de industrialisatie

Vóór 1870 waren slechts enkele kustplaatsen veroverd, na 1870 het gehele binnenland van Afrika. In 18847 = conferentie van Berlijn (Afrika werd verdeeld in invloedssferen(gebied dat door een buitenlandse mogendheid wordt overheerst.

België

Congo

Frankrijk

Delen van Noord- en West-Afrika

Groot-Brittannië

Nigeria en gebied tussen Kaapstad en Caïro

Duitsland

Gebied in Oost-Afrika en Namibië en kleine delen van West-Afrika

Italië

Libië en Somalië

Portugal

Angola en Mozambique

Ook in Azië waren er kolonies: Brits-Indië en Nederlands-Indië. Tot 1870 konden inheemse vorsten hun gang gaan zolang de Nederland belangen niet geschaad werden. De interesse lag vooral bij de Javaanse koffie en suiker (1830: cultuurstelsel = inheemse vorsten zorgden ervoor dat boeren de afgesproken hoeveelheden verbouwden en de overheid kon deze tegen vaste prijzen kopen.) Na 1870 werd het cultuurstelsel afgeschaft en kregen Europese ondernemers alle ruimte. Nederlands-Indië kreeg een prominente positie op de wereldmarkt van o.a. aardolie, gewonnen door de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij. Ook werd het Nederlandse bestuur uitgebreid, vorsten die meewerkten mochten blijven, maar wel volgens Nederlands beleid. Op Noord-Sumatra= guerrillaoorlog=oorlog waarbij een militair zwakkere tegenstander zich verschuilt onder de bevolking en de sterkere vijand met kleine aanslagen en aanvallen probeert te verzwakken. Indochina werd onderworpen door Frankrijk, China bleef zelfstandig maar stelde haar handel open voor Europa, kreeg Europese wijken in havensteden en vloot- en legerbases waar ze zelf niks over te zeggen had. Japan bleef zelfstandig, industrialiseerde snel en werd een grootmacht. De oorzaken van het modern imperialisme zijn: het sterke nationalisme in Europa en de concurrentie tussen Europese mogendheden, het blanke superioriteitsgevoel (the white man’s burden=de taak van de hogere rassen om de lagere rassen op te voeden), grondstoffen en het afzetgebied en geloofsuitbreiding. De transportrevolutie bevorderde de koloniale expansie. Voorbeelden hiervoor: opening van het Suezkanaal zorgde voor een kortere reistijd naar Azië, de uitvinding van het stoomschip en de aanleg van spoorwegen zorgden ook voor een kortere reistijd. De industrialisatie droeg bij aan het Europese militaire overwicht= betere wapens en betere transportmogelijkheden, waardoor snelle troepenverplaatsingen mogelijk waren. De ontwikkeling van medicijnen bevorderde het militair overwicht van de Europeanen omdat ze daardoor immuun waren voor sommige ziektes. Europeanen konden met maar weinig eigen mensen de inheemse bevolking van hun koloniën overheersen. De verklaringen hiervoor zijn: door superieure wapens, door samen te werken met lokale vorsten of stamhoofden, doordat de inheemse bevolking vaak opkeek tegen de Europeanen en doordat de Inheemse bevolking onderling verdeeld was. De Belgische koning Leopold 2 had eerst Congo tot zijn beschikking, maar verwaarloosde de bevolking zo dat dit in 1908 van hem werd afgenomen.

 

 

 

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.