Revolutie

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 838 woorden
  • 19 februari 2004
  • 15 keer beoordeeld
Cijfer 5.4
15 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Stap in jouw toekomst

Kom naar de Open Avond van Inholland op woensdagavond 29 maart van 17:00 - 20:00 uur. Proef de sfeer en ontdek onze opleidingen.

Meld je aan!

1.1.1 De landbouw. De mensen in gb werkten rond 1750 in de landbouw. Maar de productiviteit was laag. - Slechte grond  heuvels, moerrassen en een slecht klimaat. - Weinig kennis en werktuigen. - Kleine bedrijven. Kleine stukken grond. Er was te weinig eten voor de grote gezinnen. De bevolking groeide langzaam. Sterftecijfer was hoog. Door epidemieën of misoogsten.

1.1.2 bevolking Meeste mensen woonden op het platteland. De steden waren klein. (ferm touns 5-10 kleine boerderijtjes bij elkaar) Openfieldsysteem= de akkers waren niet afgescheiden. Common lands= gemeenschappelijk stuk grond voor het vee van de boeren.

1.1.3 Nijverheid is het bewerken van grondstoffen tot gebruiksvoorwerpen. Dit gebeurde vaak thuis vandaar huisnijverheid. Putting out systeem= de productie uitbesteden en opkopen.

1.1.4 Communicatie was moeilijk. - slechte wegen - analfabetisme
turnpike trust= elk stukje weg werd van een aantal mensen die zelf verantwoordelijk waren voor de gesteldheid van de weg.

1.2 de landbouw productie moet worden verhoogt. -> de pacht ging omhoog. Dus er moest meer verdient worden. - Wissellandbouw niet elk jaar hetzelfde land verbouwen. - Nieuwe landbouw werktuigen. (moderner) - Middelen voor extra vruchtbaarheid gebruiken. - Dieren fokken op bepaalde eigenschappen. - Grenzen maken op het land. De grootgrondbezitters bedachten de nieuwe werktuigen en voerde ze als eersten in improvers. Door de hogere productie ging ook de bevolking groeien. Deze snelle groei werd ook wel de agrarische revolutie genoemd.

2.1 industriële revolutie= snelle opkomst van industrieën. Agrarische revolutie zorgde voor - groei bevolking - voldoende voedsel - improvers verdiende veel geld - koopkracht steeg. Dit maakte industrialisatie mogelijk. Vraag steeg. +er waren genoeg arbeiders en geld. Stijging vraag textiel kwam door: - welvaart steeg - prijs katoen daalde - katoen was makkelijk te onderhouden - katoen was een goed alternatief voor wol of linnen
eerst was het een goede tijd voor de huisnijverheid. Tot het te veel werd en er machines nodig waren.

2.2 de machines waren te groot voor in huis er ontstonden werkplaatsen. Fabriekssysteem. De productie vond plaats in een fabriek door middel van machines. Arkwright stigde de eerste fabriek. Hij was de eigenaar en de arbeider werd loonarbeider.

2.3 stoom machines zorgde voor snel werk. Steenkool dreef de machines aan en was dan ook heel belangrijk. Mijnen moesten dieper gaan waardoor het mijn werk steeds gevaarlijker werd.

2.4 er werden spoorwegen aangelegd om alles te vervoeren. Er begon een railwayboom. In korte tijd werden er veel spoorlijnen aangelegd.

2.5 door de industriële revolutie werkte er steeds minder mensen in de landbouw. Kenmerken industriële samenleving - meer in de industrie werkzaam dan in de landbouw - bevolking groeide en bleef groeien. - Communicatie mogelijkheden groeiden.

3.1 pessimisten vinden dat het door de industrialisatie slechter is geworden. (zien het van de slechte kant.) optimisten vinden dat het beter is geworden (zien het van de zonnige kant) mensen moesten veel en hard werken. Ook was het werk eenzijdig+ gevaarlijk en ongezond.

3.2 de bevolking groeide rond de fabrieken. -> urbanisatie. Veel mensen woonde in de steden. Maar door lage lonen woonde gezinnen vaak in een 1 kamer appartement. De arbeiders buurten kregen dan ook de naam slum -> sloppenwijk. Arbeiders hadden het slecht.

3.3 arbeiders zorgden voor gezamenlijke acties -> arbeidersbeweging. Maar hadden vaak geen succes - eerste acties waren emotioneel en gewelddadig. Werklozen arbeiders (wevers) vernielden machines die hun werk hadden ingenomen. - Minder gewelddadige acties hadden ook geen zin. Wel werden er vakbonden gevormd. Zij moesten opkomen voor de arbeiders, maar konden in het begin weinig voor ze betekenen. - Ook waren er coöperatieve verenigingen zij kochten levensmiddelen die leden goedkoop in de winkels konden krijgen. Ook kwamen er fondsen waar je kleine bijdragen aan moest geven bij ziekte of overlijden was er dan een uitkering.

Dit wil je ook lezen:

3.4 kinderen moesten werken voor de extra inkomsten. Tot er mensen opkwamen voor hen en er een wet werd opgesteld. Kids onder 9 mochten niet werken. + maximum uren ingesteld en geen nachtwerk. Vrouwen werkten in de mijnen. (wel waren daar twijfels over)

Extra Robert Owen opende een grote fabriek waar de arbeiders woonde onder goede omstandigheden , de lonen waren hoger en er was goed en voldoende eten. De kinderen konden naar school de leeftijdsgrens werd verhoogd naar 10 jaar. En er werden fondsen opgericht voor zieke werknemers.

4.1 er waren 2 verklaringen voor de armoede
1 luiheid of onwil. 2 omstandigheden waar je zelf geen invloed op had. Armoede hoorde bij arbeiders. Poor law -> een uitkering niet voor armen daar zouden ze luier van worden.

4.2 laisser fair = ze gang laten gaan. Geen staatsbemoeienis. Liberealisme = iedereen is gelijk. Vrij zijn in alles wat je doet. Communisten en socialisten wilden juist veel macht aan de staat geven.

4.3 er was in gb geen kiesrecht. De mensen uit het parlement werden gekozen door een kleinen groep van de bevolking. De leden van het hogerhuis hadden hun plaats geërfd. In 1832 werden de regel veranderd. Er mochten meer mensen stemmen. (vrouwen niet) chartist movement strijden voor meer kiesrecht. De groep kreeg veel aan hang. Maar pas 30 jaar later werd het kiesrecht uitgebreid.

5 de transformatie in de samenleving tussen 1750-1850 is de industriële revolutie. Gb was de eerste maar vele landen volgde.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.