ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Dit is een samenvatting van hoofdstuk 1, 2 (twee versies), 3, 4, 6 (twee versies), 7, 8, 9 en 10 van The Pursuit of History, geschreven door John Tosh. Derde editie, 2002.
Het boek is stof voor het college Historisch Ambacht, in het eerste jaar van onze studie geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.



Chapter One: Historical awareness (door Eefje, 800 woorden)

Inleiding (blz. 1-2):
Tosh stelt dat historisch bewustzijn o.a. een psychologisch verschijnsel is:
- ieder mens heeft een bewustzijn van een persoonlijk verleden nodig.
- alle samenlevingen hebben collectieve herinneringen (dat hebben we nodig voor een gevoel van richting en zingeving.
= social memory. Verschilt van de 'historical memory' van historici. Laatste alinea p. 2= korte uitleg doelen historici.

Paragraaf 1(p. 3-6): Social memory (collectief geheugen)
-alinea 2, p.3: definitie social memory (populaire 'kennis' vh verleden, ten koste van historische acuratesse):
* voor collectieve identiteitsgevoel (gedragsnormen bijv.)
* om het heden te rechtvaardigen of uit te leggen
Waar ontstaat social memory:
A) (p.3) vooral in kleinschalige en ongeletterde samenlevingen (prekoloniaal Afrika)
B) (p. 4) in alle samenlevingen, want social memory is een universele behoefte
- p. 4: doel social memory (=sociale cohesie) bereikt door:
* inclusie/consensus (nationalisme bijv.)
* exclusie
-laatse alinea p. 4 en p. 5: voorbeelden exclusie ( in nieuwe sociale bewegingen als de vrouwenbeweging (p. 5-6) merkt men dat men een gezamenlijke geschiedenis nodig heeft om als groep en om tegenover de rest om politiek sterk te staan.

Paragraaf 2 (6-12): Historical Awareness
- p. 6: Ontstaan historisme (=het echte historiche bewustzijn; 19e eeuw-Duitsland)
- p.6-7: Uitgangspunten historisme (1. autonomie verleden moet gerespecteerd worden. Onze tijd heeft andere normen en waarden en je moet elke tijd op zichzelf zien. 2. je moet proberen het verleden weer tot leven te brengen. 3. geschiedenis is de sleutel om het heden te begrijpen.)
-2e alinea p. 7- p. 8: verdere uitleg uitganspunten adh van namen:
(*
Historisme=deel Romantiek
*Leopold Ranke ('wie es eigentlich gewesen ist') verplaats je, kijk door hun ogen, maar oordeel niet,
onpartijdig en waarheidsstrevend (onderaan p. 8)
*ThomasCarlyle (doe dit voor alle perioden in het verleden)
- p. 9-12: nogmaals de 3 principes + voorbeelden:
1. verschil (p. 9-10) zoals al 100 keer gezegd: het heden is gescheiden van alle andere eeuwen.
Anachronismen zijn dan ook de ergste fout. Tweede deel p. 9 voorbeelden (verschil beleving
natuur). p. 10: Historische empathie (inleven dus)
2. context (p. 11) Om dat compleet andere verleden te begrijpen moet je het in haar comtext plaatsen.
(voorbeeld familie)
3. vooruitgang (2e helft p. 11- p.12) Het gat tussen 'nu' en 'toen' is een proces van vooruitgang
geweest=het 'grote verhaal'.

Vertekeningen van de geschiedenis door 'social memory'
Paragraaf 3 (p.12-16) 1. Traditie
- 1e alinea: inleiding
- 2e alinea p. 13: definitie traditie (dat wat in het verleden werd gedaan is autoriteit voorwat je in het heden ook moet doen) Traditie zorgt dat verleden= bijna zelfde als heden. Doet alsof er geen veranderingen zijn.
-p. 14-16: voorbeelden
* 2e alinea p. 14-p.15: nationalisme (men verdraait het verleden naar eigen inzicht, maakt een
continu verhaal (traditie) om de nationale identiteit te bevorderen)
* p.15: recent autonoom geworden naties: (vb. Onafhankelijkheidsoorlog Amerika)
* p.16: ook bijv. in politiek in tijden van crisis (Churchill: 'Landgenoten! We zijn niet veranderd,
we zijn nog net zo dapper als vroeger. Laat ons vechten!')

Paragraaf 4 (p.17-18) 2. Nostalgie
-p. 17: definitie (Nostalgie kijkt net als traditie terug, maar ontkent verandering niet. Ziet verandering echter ten slechte)
in samenlevingen onderhevig aan snelle veranderingen (bv. tijdens Romantiek en sinds de
Industriele Revolutie)
- p. 18: N= idealisatie van verleden, dus vertekening van gesch. Men wil er wegvluchten.
* historical awareness moet ons helpen inzicht te krijgen in het heden, maar Nostalgie maakt ons er alleen maar pessimistisch over.

Paragraaf 5 (p. 19-20) 3. Vooruitgangsgeloof
- p. 19: definitie (progress is de positieve vertekening van de gechiedenis; veranderingen in het verleden zijn positief en de verbetering gaar door in de toekomst)
* de moderniteit had vooruitgangsgeloof als kenmerk (verlichting, Voltaire, Hume); morele vooruitgang, in geschiedenis van barbarisme naar beschaving.
-p. 20: verschil progress en proces (verschil voorruitgang en voortgang)= 1e is een oordeel en partijdig (superioriteit heden over verleden), 2e neutraal. Progress vertekent geschiedenis dus.
-2e helft p. 20: samenvatting van vertekeningen van social memory (die drie zijn niet gebaseerd op onderzoek maar op geloof)

Paragraaf 6 (p. 21-23) Historisme vs social memory
-p 21: Historici (bv Butterfield) benadrukken het grote verschil tussen s.m. en hun aanpak.
-2e alinea p. 21: Taak historici is het bevragen van misinterpretaties van het verleden uit sociale motivaties.
* maar social memory laat zich niet snel wegjagen. Vb p. 21-22: vertekeningen in geschiedenis geschreven door politiek links of rechts (verschil sociale historicus zijn, en een socialist en historicus zijn.)
-2e alinea p. 22: s.m. en historisme zijn niet zulke extreme uitersten als ze lijken:
A)* postmodernisme: er is geen verschil tussen s.m. em historisme, elke poging tot het beschrijven van het verleden is een illusie.
-p. 23: B)* veel geschiedenis wordt geschreven vanuit een bepaalde politieke stroming
-2e alinea p. 23: conclusie: histocal awareness moet de voorkeur krijgen over social need.



Chapter Two: The Uses of History (door Tom, 900 woorden)

I

Er is een groot verschil van mening over de vraag wat we kunnen leren van de geschiedenis. Mensen hebben hierover zeer tegengestelde meningen. Aan de ene kant is er de opvatting dat geschiedenis ons verteld wat we moeten weten over de toekomst. Door middel van bestudering van de geschiedenis kun je dus inzicht krijgen in de toekomst. Dit vereist een zeer schematische interpretatie van de oorzaak van de menselijke ontwikkeling (=metahistory). Deze gedachte was vooral in de Middeleeuwen populair. Aan de andere kant is er de opvatting dat niets kan worden geleerd van geschiedenis. Geschiedenis kan op geen enkele manier als gids voor het leven dienen. Redenen voor deze opvatting waren een tegtengaan van het totalitarisme en de gedachte waarom je je zorgen zou maken over het verleden; je leeft nu immers in het heden. Beide tegenstellingen hebben veel aanhang gekregen onder historici.


II

Eén van de drie principes van het historisme is historisch verschil (difference). Dit houdt in dat je je kunt inleven in een andere tijd. Er is een verschil in tijd waarin wij nu leven en de historische gebeurtenis. Om wetenschappelijk op een goede manier geschiedenis te beoefenen moet je je realiseren dat er meestal meerdere manieren zijn om iets te interpreteren. Sommige dingen zijn anders dan ze op het eerste gezicht lijken. Vaak zijn er alternatieven. Het is belangrijk om op die alternatieven alert te zijn. Om op een goede maner de geschiedenis te beschrijven moet je niet met een half oog naar de huidige situatie in de huidige tijd kijken. Je moet je verplaatsen naar die tijd. Het principe van de difference is belangrijk om een goed beeld te krijgen van de geschiedenis. Tosh noemt het voorbeeld van een natie die zijn verleden niet onder ogen kan zien, die zal gehandicapt zijn in de toekomst. Door zo objectief mogelijk naar het verleden te kijken zien we het bewijs van de vergankelijkheid van onze tijd. Bovendien herinnert dit ons aan de vreemd elementen in onze huidige tijd.


III

Historische gebeurtenissen moeten altijd in hun historische context geplaatst worden. Belangrijk bij het uitgangspunt van de context is dat geschiedenis zichzelf nooit herhaalt. Het is goed als mensen proberen te leren van hun fouten en successen, hetzelfde geld voor samenlevingen. Je moet echter oppassen om geschiedenis als gids te gaan gebruiken. Mensen (politici!) hebben nog wel eens de neiging om niet te leren van morele voorbeelden, maar praktische lessen te trekken. Lange tijd werd er zo gedacht, vooral in de renaissance was de gedachte dat je praktische lessen kon trekken uit de geschiedenis, populair. In de recente geschiedenis is de gedachte opgekomen dat context belangrijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiedenis. Zoals gezegd: de geschiedenis herhaalt zichzelf nooit. Als een gebeurtenis heeft plaatsgevonden is dat het resultaat van een unieke combinatie van omstandigheden en onze strategie moet dan ook vooral gericht zijn op die omstandigheden en dus niet op hoe het in het verleden eens een keer is gegaan.


IV

Het derde principe van het historisme behelst de process. Belangrijk om in gedachten te houden is dat voorgang in de tijd nog geen vooruitgang is. Process helpt ons alleen om onze wereld te verklaren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘sequential’ (=opeenvolgende) voorspellingen en ‘repetitive’ of ‘recurrent’ (zich herhalende) voorspellingen. Bij de eerste worden conclusies over historisch proces gebaseerd op voorzichtig onderzoek, dan kunnen er nuttige voorspellingen gedaan worden. De tweede term gaat ervan uit dat historical process in het licht van vandaag moet worden gesteld.
Historisch perspectief vereist dat wij afstand doen van het idee dat landen organisch zijn. Landen zijn gevormd door mensen en zijn zgn. bedachte samenlevingen.


V

Concluderend uit bovenstaande paragrafen kun je zeggen dat mensen verschillend denken over de relevantie van geschiedenis. Vraag blijft dan natuurlijk hoe dit de manier waarop historici werken hebben beïnvloed, oftewel hoe denken historici zelf over hun vak? In de 19e eeuw vond een professionalisering plaats van de geschiedwetenschap. Sommige historici kwamen tot de conclusie dat je niet moet kijken naar praktische voordelen, maar geschiedenis moet je bestuderen ‘for its own sake’. De vraag blijft natuurlijk of je überhaupt dan wel iets kan leren van geschiedenis. Tosh vindt dat een geschiedenisopleiding je naast een intellectuele training geeft, ook een persoonlijk streven naar zelfbesef vertegenwoordigd. Het gevolg is dat zoveel mogelijk een reconstructie van het verleden wordt gemaakt. Hoewel sommige historici vinden dat je d.m.v. geschiedenis het verleden als het ware moet laten leven, zijn de meeste historici het erover eens dat geschiedenis gaat om het verklaren van het verleden door het identificeren van trends en het analyseren van oorzaken en gevolgen. Historici hebben de taak om te zorgen voor een goed historisch perspectief en te voorkomen dat vernietigende effecten of mythevorming optreed. Ze moeten er voor zorgen dat dit perspectief kan leiden tot debat en niet tot individuele ideologieën.


VI

De historicus is een bewaker van ons cultureel erfgoed. Om dit goed te kunnen bestuderen is een groot zelf bewustzijn en inlevingsvermogen noodzakelijk. Geschiedenis verschilt sterk van de sociale wetenschappen als het gaat om wat je ervan kan leren. Geschiedenis is niet bedoeld van praktische gids voor het leven. Dit betekent niet dat het niet meer is dan puur historische feiten verzamelen. Historici hebben ook een meer praktische rol. Historische hebben oom de taak studenten te onderwijzen, maar ook het grote publiek. D.m.v. geschiedenis kunnen problemen die spelen in de huidige tijd in perspectief gezien worden, wat een eenzijdige benadering voorkomt.



Chapter Two: The Uses of History (door Alwin, 500 woorden, "hier is mijn poging, er moet wel bij gezegd worden dat hij erg incompleet is en dat ik grote delen van de tekst niet begreep, misschien is dit handig om ook in de tekst te vermelden, ik heb in elk geval mijn best gedaan")

Hierover zijn twee extreme meningen
-De metahistorie, gaat er van uit dat de toekomst kan worden voorspeld door het verleden te begrijpen. Een voorbeeld hiervan is het marxisme dat het verleden ziet als een proces dat uiteindelijk op het socialisme zal uitkomen.
-Aan de andere kant is er de mening dat geschiedenis alleen “for it’s own sake”, moet worden bestudeerd. Dus voor de verrijking van onze kennis van het verleden. Deze informatie mag in geen geval worden gebruikt om beslissingen te maken voor de toekomst, omdat de context van elk moment in de tijd zo verschillend is dat een oplossing uit het verleden, niet meer van toepassing is voor het heden.
Voor deze laatste visie zijn 2 verschillende redenen:
-Om te voorkomen dat een staat het verleden verkeerd interpreteert en totalitair wordt.
-Omdat het negeren van de geschiedenis vrijheid geeft aan de voorstelling. Door niet naar het verleden te kijken kan je de context van onze tijd beter bekijken en van daar uit je beslissingen maken.

Het verschil tussen deze twee groepen is filosofisch gezien die van determinisme vs. het idee van de vrije wil. Het determinisme gaat er van uit dat alles vast staat, dus door alle facetten van het verleden te bestuderen kan je de toekomst bepalen. Mensen die geloven in de vrije wil zijn van mening dat de toekomst nooit bepaald kan worden omdat de menselijke geest niet voorspelbaar is. Hierdoor wordt het dus gevaarlijk om lessen uit het verleden te gebruiken omdat mensen in deze tijd anders zullen reageren dan vroeger.

Het idee dat het verleden kan worden gebruikt voor het maken van beslissingen wordt ondersteund door een aantal mensen, voorbeelden hiervan,
Tayney zegt geschiedenis is een instrument om het heden mee te regelen.
In het post-communistische Rusland werd door Gorbajov de glasnost ingevoerd omdat hij begreep dat een gebrek aan kennis van het verleden een handicap is voor de toekomst.

Het gebruik van de geschiedenis wordt bekeken aan de hand van de drie punten van historical awareness; difference, context en process:
-Difference: geeft aan hoe verschillend het verleden is van onze tijd.
-Context: vaak wordt er bij het onderzoeken van het verleden alleen gekeken in een bepaalde richting/vakgebied, dit is fout, er dient altijd naar de volledige context te worden gekeken omdat gebeurtenissen vaak zijn te verklaren vanuit een ander vakgebied dan waarin eerste estantie aan wordt gedacht.
-Process: Het kijken naar het proces helpt bij het uitleggen van de geschiedenis.

Voor betere uitleg van de deze drie punten zie hoofdstuk 1.

Geschiedenis heeft 2 hoofddoelen:
-Recreation, het proberen om het verleden opnieuw levend te maken voor een beter begrip van de geschiedenis. History for it’s own sake.
-Explanation, Voor het geven van perspectief aan de problemen van onze tijd, dus praktisch gericht, om anderen datgene te laten leren en te informeren wat werkelijk gebeurt is. Dit is om te voorkomen dat er mythe vorming ontstaat en mensen beslissingen gaan maken waarbij ze zich laten lijden door onjuiste ideeën over het verleden. Het is belangrijk dat het verleden door professionals in kaart wordt gebracht om te voorkomen dat er een onjuist of onvolledig beeld van het verleden wordt gereconstrueerd.



Chapter Three: The Raw Materials (door Ilse Raaijmakers, 700 woorden)

Om gegrond onderzoek te verrichten heb je historische bronnen nodig. Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste soorten bronnenmateriaal, laat zien hoe ze ontstonden, hoe ze bewaard bleven en in welke vorm ze beschikbaar zijn voor de geleerde.

1.
‘Historical sources encompass every kind of evidence that human beings have left of their activities’.
Er zijn zoveel bronnen dat de bestudering van bronnen aparte specialisaties zijn geworden; archeologie, kunstgeschiedenis etc. Een historicus betrekt al deze vakgebieden bij zijn onderzoek. Een probleem is echter dat de nadruk van het onderzoek bijna altijd exclusief op het geschreven woord ligt. Archieven en bibliotheken zijn vakgebieden voor historici. De reden hiervoor is dat geschreven bronnen in grotere getale zijn overgeleverd dan welke andere bron ook. Geschreven bronnen onthullen gedachten en advies van mensen zoals geen andere bron dat kan.
Het gebruik van geschreven bronnen als de voornaamste historische bron is wel ingewikkeld dankzij het feit dat historici onderling via hetzelfde medium communiceren over hun bevindingen. Daarom moeten we een historisch werk op de eerste plaats controleren op het consequente gebruik van alle beschikbare bronnen. Er zijn twee soorten bronnen:
Primaire; de originele bronnen, contemporaine bronnen
Secundaire; alles wat historici en hun voorgangers geschreven hebben over het verleden
Deze indeling is echter niet zo scherp omlijnd.
1. In hoeverre is iets contemporain?
2. Een bron kan zowel primair als secundair zijn.

Bij primaire bronnen maken we weer onderscheid tussen de gepubliceerde en de ongepubliceerde bronnen. Vooral laatstgenoemde willen historici voor hun onderzoek gebruiken; de meest onthullende bron is degene die geschreven is zonder daarbij aan het nageslacht te denken.

2.
Voordeel gepubliceerde primaire bronnen;
· hebben vaak literaire kwaliteit
· bevatten een klaargemaakte chronologie
· bevatten een samenhangende selectie van gebeurtenissen
· hebben een sterk gevoel voor de sfeer van hun tijdperk
Nadeel primaire bronnen;
· bevatten alleen maar informatie die waardevol geacht werd in die tijd

Soorten:
- Autobiografie, kroniek, memoires; onthullend over waarden en mentaliteit maar nauwkeurig en selectief in de beschrijving van gebeurtenissen
Meeste publicaties zijn geschreven om te informeren, beïnvloeden misleiden of het vermaken van tijdgenoten.
Meest belangrijke gepubliceerde primaire bron voor historici is de pers, om drie redenen;
1. Ze geven de politieke en sociale denkbeelden/ standpunten weer die de meeste invloed op die tijd hadden
2. Kranten verschaffen een day-to-day verslag van de gebeurtenissen
3. Sommige kranten tonen de resultaten van grondig onderzoek over kwesties die buiten het gebied van de standaardverslaggeving liggen

3.
Het probleem met alle kranten en parlementaire bronnen is dat ze gemaakt zijn voor publieke consumptie; ze hebben een doel waardoor de bronnen vertekend kunnen zijn. Om deze reden gaat de voorkeur van historici ook uit naar brieven, memoranda, dagboeken, de zogeheten privé-bronnen. De meeste ongepubliceerde bronnen zijn in het bezit van de overheid en het meeste historisch onderzoek vindt dan ook plaats in overheidsarchieven. Tot de centrale overheidsarchieven behoren ook kerkarchieven en archieven van plaatselijke overheden (local gouvernment). Kerk en staatsarchieven zijn de oudste archieven maar vanaf de 15e eeuw komen daar ook anderen bij zoals bedrijfsarchieven, universiteitsarchieven, archieven van handelsverenigingen etc.


4.
In het algemeen laten georganiseerde bezigheden de meeste bronnen achter. Mensen schreven immers het meeste voor professionele en officiële verplichtingen. Toch zijn er ook veel privé-geschriften bewaard gebleven van individuele personen. Deze bronnen brengen ons dichter bij het gezinsleven en sociale relaties uit het verleden. Deze bronnen zijn.
1. brieven
2. dagboeken
De meeste dagboeken en brieven zijn geschreven zonder gedachten voor een groter lectoraat (de lezers). Ze zijn het meest spontaan en “onopgesmukt” van alle soorten bronnen.

5.
Verschillende factoren hebben ertoe bijgedragen dat zoveel documenten uit het verleden bewaard zijn gebleven. Niet alleen praktische motieven zoals handigheid van geordende gegevens, maar bronnen zijn ook kwetsbaar en is het dus van belang dat ze goed bewaard worden. Het is ook van belang dat bronnen voor iedereen toegankelijk zijn maar bij ongepubliceerde, privé-bronnen is dit een probleem. Zelfs publieke bronnen zijn nergens helemaal toegankelijk voor historici. Toch zijn overheidsarchieven gecentraliseerd en toegankelijk, in tegenstelling tot privé-bronnen, die door het hele land verspreid kunnen liggen.



Chapter Four: Using the Sources (door Simon, 300 woorden)

Inleiding: hoe werk je met bronnen? Hoe selecteer je ze en interpreteer je ze?

I: twee manieren: source-oriented (je springt in een onderwerp en ziet wat je tegenkomt) en problem-oriented approach (je hebt een specifieke vraag en gaat direct op je doel af). De gulden middenweg: heb een doel, maar sta open voor bijzondere vindingen. Wees flexibel. Om daarbij bronnen te beoordelen moet je de context kennen en sceptisch tegenover het geschrevene staan.

II: "External criticism". Vervalsing van toen, of tegenwoordig gemaakte vervalsing van document van toen? Argwaan? Dan: 1. kan de oorsprong van het document geplaatst worden? 2. Klopt het met bekende feiten? 3. Is de vorm logisch (taalgebruik etc.)? 4. Zijn de materialen uit die tijd? Vervalsingen niet vaak.

III: "Internal criticism". Interpretatie. Kennis van taal en context. Was de schrijver in een positie om hier goed over te schrijven (bronnenkritiek)? Had de schrijver bepaalde intenties of vooroordelen? Waren er bepaalde cultuurgebonden assumpties en stereotypen? Zo ja, dan kan de bron nog steeds waardevol zijn. Lastig: de verduistering van documenten en het met een bedoeling in de spotlight zetten van documenten.

IV: "Zoveel mogelijk gevarieerde bronnen + Hoe anders bewijs te halen uit de bronnen dan dat de schrijver ze bedoelde". Het is belangrijk liefst alle bronnen te onderzoeken, die alle perspectieven verwoorden. Insiders en outsiders. Je kan bronnen ook gebruiken om onderzoek te doen naar dingen waarvoor de bronnen in hun tijd niet gecreëerd zijn.

V: "Conclusie". Bij het in handen nemen van de bronnen is de historicus alles behalve een passieve observant. Het is niet zozeer een methode die je moet hanteren, als wel een bepaalde instelling. Het gezonde verstand toepassen op een systematischere en sceptischere manier dan in het dagelijks leven.



Chapter Six: Writing and Interpretation (door Machiel, 200 woorden)

I
Geschiedschrijving is essentieel voor historisch begrijpen, en degene die terugdeinzen om dit te doen zijn minder dan historici.
II
Geschiedschrijving bestaat uit drie basistechnieken: beschrijvend, verhalend en analyserend, die op veel verschillende manieren gecombineerd kunnen worden om zo een beeld van het verleden te creëren.
III
De verhalende techniek kent twee problemen: het kan de lezer op een dood spoor zetten, omdat het plaatsen van gebeurtenissen in chronologische volgorde niet de relatie tussen die gebeurtenissen regelt en het veronderstelt een drastische simplificatie van het behandelen van de oorzaak. Door deze problemen wordt de verhalende methode minder gebruikt, wat de geschiedschrijving meer analytisch maakt.
IV
Meer gebruikt voor geschiedschrijving is de monografie, maar monografieën zijn zeer technisch en alleen voor specialisten te begrijpen. Ook het feit dat de monografie gebaseerd is op primaire bronnen in plaats van secundaire, maakt zijn gebied veel beperkter.
V
De vaardigheden van een goed historicus bestaan uit: het beheersen van primaire bronnen en ze kunnen bekritiseren, de relatie tussen gebeurtenissen en de patronen van oorzaak en gevolg kunnen zien en voorstellingsvermogen om zo te kunnen zien wat er gebeurd had kunnen zijn.



Chapter Six: Writing and Interpretation

- Sommige historici zijn van mening dat het schrijven van historisch werk niet de moeite waard is en dat het alleen belangrijk is om primaire bronnen te bestuderen. Tosh bestempelt zulke historici als slechte historici en vindt dat het schrijven van historisch werk heel belangrijk is.
- Historisch werk kan worden verdeeld in drie basistechnieken:
1. description, geeft de lezers het gevoel dat ze het zelf meemaken. Deze
techniek vergt enige mate van inleving.
2. narrative, dat is de meest gebruikte techniek. Dit zijn de onderdelen die een
goede historical narrative volgens Tosh moeten hebben: “exact chronology,
the role of chance and contingency, the play of irony, and perhaps most of
all the true complexity of events in whicj the participants so often
foundered.
3. analysis, het beste voorbeeld hiervan is een monograaf.
- Volgens Tosh zijn de vragen: “waarom gebeurde er iets en wat waren daarvan de resultaten?” belangrijker dan de vragen: “wat gebeurde er en onder welke omstandigheden gebeurde het?”. Daarom moet de historicus op de hoogte zijn van de context en snel hints kunnen opsporen over de context.
- Als je in je historische werk uitgaat van oorzaak en gevolg dan vergt dat andere vaardigheden dan bij beschrijving van het verleden. Er is enige analytische complexiteit vereist. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen achtergrondoorzaken en directe oorzaken. Deze analytische complexiteit betekent dat narrative eigenlijk niet de beste manier is om een historische uitleg te geven. Narrative leidt tot een versimpeling van de behandeling van de oorzaak en het kan de lezer de verkeerde kant opsturen, want omdat B na A komt betekent dat niet, dat B veroorzaakt is door A.
- Het resultaat is dat historisch werk tegenwoordig veel analytischer is dan vroeger. Dat betekent niet dat narrative helemaal niet werkt, want analysis heeft ook zo zijn problemen. Tosh: “what it gaines in intellectual clarity, it loses in historical immediacy”. In de praktijk worden narrative en analysis daarom vaak gecombineerd.
- Dan bestaan er ook nog de surveys. Die kun je beschrijven als een tertiaire bron omdat ze gebaseerd zijn op louter secundaire bronnen. Veel geleerden vinden surveys geen werk voor “real scholars” maar surveys hebben wel degelijk een nuttige functies. Ten eerste zijn ze namelijk een bron van nieuwe vragen en ten tweede is het de manier waarop historici hun verplichtingen aan het grote publiek vervullen.
- Volgens Tosh moet een goede historicus over de volgende kwaliteiten beschikken:
1. hij moet de primaire bronnen kunnen analyseren en verwerken;
2. hij moet patronen kunnen ontdekken in de grote massa van historisch werk;
3. hij moet beschikken over verbeelding;
4. verder moet een historicus zijn verhaal zowel schriftelijk als verbaal kunnen overbrengen.



Chapter Seven: The Limits of Historical Knowledge (door Maurits, 750 woorden)

De vorige hoofdstukken van Tosh zijn vooral beschrijvend. Ze lieten zien hoe historici te werk zouden moeten gaan. Nu is het tijd voor een paar fundamentele vragen:
Hoe feitelijk is onze kennis van het verleden, kunnen we alles bewijzen? Kunnen we de geschiedenis nemen zoals hij is, zoals hij wordt aangereikt? Kan geschiedenis wel objectief zijn? On historici heerst verdeeldheid daarover.

1 Verschillende visies
Deze discussie is op gang gekomen sinds de Renaissance. De centrale vraag is of we de mensheid op de zelfde manier moeten bestuderen als andere natuurlijke fenomenen. Twee stromingen:
Positivism= traditioneel
Eerst feitelijke informatie vinden van het verleden dmv. de kritische methode. Door middel hiervan het verleden interpreteren. Historicus sluit zichzelf uit.
Idealism= recent
Menselijk handelen zorgvuldig scheiden van natuurlijke dingen. Historicus heeft zelf meer te zeggen door intuitie, dus subjectief.

2 Vergelijking natuurwetenschappen en geschiedenis
Geschiedenis was in de 19e eeuw gebaseerd op technieken die waren geperfectioneerd voor kritiek op primaire bronnen. Dit gaf toch problemen:
1 De primaire bronnen zijn incompleet, we hebben maar een gedeelte van alles wat er ooit is geweest.
2 De bronnen zijn niet fris meer door al het onderzoek, je kan ze niet meer objectief lezen.
3 Wat in de bronnen beschreven wordt kan incompleet zijn en maar een beperkt plaatje geven
Wat is dus objectief? Feiten, ook al zijn ze waar vertegenwoordigen maar een gedeelte, een selectie, niet het geheel. Het is dus belangrijk om te weten hoe ze geselecteerd zijn.
Veel van de objectiviteit hangt af van de vragen die een historicus stelt. Maar al zijn er geen specifieke vragen gesteld, ons denken is toch subjectief. We kijken altijd met een bril naar de bronnen.
Dit is niet alleen bij geschiedenis, maar bij alle wetenschappen. Niets ligt vast, alles is gebaseerd op een model. Alles is ook selectief.
Bij Geschiedenis gaat het wel verder dan bij natuurwetenschappen:
1 We moeten ons veel meer inleven in een situatie
2 De uitleg is veel meer inferieur dan bij natuurwetenschappen.
De complexiteit ligt in het feit dat elke gebeurtenis anders is, niets is hetzelfde. Geschiedenis verschilt dus van natuurwetenschappen.

3
De vergelijking laat zien dat wat we weten over het verleden vrijelijk afhangt van de selectie van de historici. Daarom kan historische kennis niet objectief zijn.
Onderzoek is erg persoonlijk, geen twee historici hebben hetzelfde of komen tot precies de zelfde conclusies. Interpretatie hangt af van sociale en individuele kenmerken van een persoon. Dat verschilt per generatie, iedere generatie beleeft iets anders. Maar het is maar een gedeelte van de waarheid om te zeggen dat geschiedenis elke generatie herschreven wordt.
Interpretatie hangt af van twee dingen:
1 De relatie tot het onderwerp
2 Het doel van het onderzoek

4 Taal
Het postmodernisme heeft een paar gezichtspunten opgeleverd met de betrekking van taal tot geschiedenis. We moeten taal begrijpen zoals het toen bedoelt is. Taal is een complex geheel. We moeten teksten niet geisoleerd lezen, omdat teksten zo ook niet geschreven zijn.
Historische bronnen zijn een literaire productie, ze moeten zo dus ook worden gezien. Het heeft bepaalde kenmerken. Bronnen zijn ideologisch getint, we kunnen niet altijd achterhalen hoe bronnen nu precies bedoeld zijn, wat ze echt over willen brengen. Daarom weten we nooit wat de bronnen echt willen zeggen en krijgen we nooit harde feiten boven tafel.

5
Hoe moeten we omgaan met deze denkbeelden? Zet de postmodernisten zelf in een historische context. Het is een culturele beweging. Voor hun had geschiedenis geen functie.
Postmodernisten zijn niet de eersten die vraagtekens zetten bij historisch onderzoek. Er zijn critici sinds er geschiedenis geschreven wordt.
Delen van de denkbeelden zijn waar, daarom is het goed om er over na te denken.

6
Er is een grens tot waar historici meegaan met de postmodernisten. Taal veranderd, we moeten er veel kennis van hebben. Maar er blijven ook veel elementen hetzelfde. We kunnen er wel dingen uit opmaken. Ook door bijvoorbeeld naar de context te kijken. Misschien kunnen we niet alle elementen uit een bron halen, maar wel veel.

7
Drie dingen waar je op moet letten als je echt wilt onderzoeken:
1 Je moet je eigen denkbeelden loslaten, je daar niet door laten vangen
2 Je moet zelf proberen je hypotheses onderuit te halen, het gaat om de waarheid, niet om wat jij graag wil horen
3 Zie je onderzoek in de historische context.
Respect voor deze drie regels zorgt voor een veel kleinere kans op subjectief onderzoek. Het zorgt niet voor een eind aan de discussie. Er zijn altijd verschillende interpretaties. Dit zorgt voor debat, en is essentieel voor goed onderzoek.



Chapter Eight: History and Social Theory (door Judith, 900 woorden)
Historische hypothesen leiden tot de toepassing van theorie. Theorie is voor de historici een raamwerk van interpretatie dat een onderzoek aanmoedigd en de uitkomst ervan beinvloedt. Niet alle historici hechten waarde aan theorie.
Het beoefenen van Geschiedenis is beinvloedt door 2 typen theotie, namelijk theorie waar het probleem van betekenis onderzocht wordt (denk aan bronnenkritiek) en sociale theorie. Sociale theorie komt voort uit 3 aspecten van historische interpretatie (blz 206/207);
· Het probleem om de verbanden te zien tussen iedere menselijke dimensie op ieder gegeven moment
· Historische verandering
· Theorieën die niet alleen willen verklaren hoe iets verandert, maar ook in welke richting alle veranderingen gaan.
Deze 3 soorten theorie hebben gemeen dat ze overgaan van een detail naar het geheel om zo het probleem beter te kunnen analyseren.
Historici die tegen het werken met theorieën zijn zeggen het volgende (blz. 207-211);
· Er kunnen wel patronen en regelmatigheden zijn in de geschiedenis, maar die zijn niet toegankelijk voor gerichte en kritische vragen.
· Bijna iedere theorie kan bewezen worden, omdat er gezocht wordt naar bronnen die de theorie bewijzen.
· Het maken van theorieën ontkent de essentie van het vak. De mens kan alleen begrepen worden op vastgetelde plaatsen en momenten, niet in zijn geheel.
· Historici die van theorieën uitgaan gebruiken geen geshciedkundige theorieën, maar theorieën van andere wetenschappen als sociologie, psychologie en cult. antropologie.
· Theorieën ontkennen niet alleen het unieke van een gebeurtenis, maar ook de waardigheid van de mens.
Tosh zegt hierover dat Historici nooit schriven alsof iets uniek is omdat dat niet mogelijk is. Het is een belangrijk deel van het vak om vergelijkingen te maken. Het feit dat historici mensen vaak in groepen indelen is omdat wat een groep doet veel meer impact op de geschiedenis heeft dan wat een individu doet en daardoor een bepaalde richting van verandering makkelijker te verklaren is. Theorieën kan je niet negeren, maar er moeten wel hogere eisen komen aan het testen van die theorieën. De historicus moet zich los kunnen maken van zijn theorie zodat er een degelijk onderzoek kan ontstaan.
Theorie van Marx (blz. 216-222); Er bestonden verschillende klassen door de geschiedenis heen. Iedere periode in de geschiedenis waren er twee klassen in beeld. De ene overheerste de andere, waardoor de onderdrukte groep in opstand zou komen en in de volgende periode de heersende klasse zou worden. Dit zou eindeloos door gaan was het niet dat in de tijd van Marx een werledrevolutie uit zou breken waarbij het proletariaat de macht over zouden nemen en er een permanente communistische samenleving ontstaat. Het is niet helemaal het vastgestelde harde systeem waar wij meteen aan denken;
· Ten eerste de kracht van produktie is niet beperkt tot produktie middelen en arbeiders
· Ten tweede hoewel Marx vond dat politiek en ideologie alleen vanit een econimisch punt begrepen kon worden, was er wel ruimte voor andere invloeden.
· Ten derde Max vond niet dat alle niet-economische zaken verkeerd waren. Religie en kunst kregen ook een plaats.
Tosh vindt dat de vedeling van geschiedenis in periodes een goed aspect van de Marx theorie is. Marx dahct over zijn theorie als een gids voor een onderzoek niet als vervanging van een onderzoek.Volgens Marx was objectieve geschiedenis te verkrijgen door onderzoek naar vroegere economische structuren zonder verwijzing naar specifieke personen.Toch heeft Marx nooit een historische methode ontwikkeld en historici die volgens zijn richtlijnen willen werken moet zelf veel interpretatie werk doen. Marxisme was zeker een stimulans voor de opkomst van economische geschiedenis. De reden dat Marxisme zo aansprak bij historici is dat het voldoet aan het gebruik van theorie. Deze historici geloven dat alle maatschappijen stabilizerende en verstorende elementen bevatten en historische verandering paats vindt als de vestorende elementen uit het sociale raamwerk barsten om een nieuwe basis te leggen. tegenstanders zeggen dat deze manier van werken ons vermogen om het verleden te berijpen verstoord omdat we teveel kijken naar bewegingen die vooruitgang prediken.
Er zijn 2 redenen waarom Marxisme niet gauw afgeschreven zal worden;
· Historici die met deze theorie werkten waren niet zo bezig met de effecten van hun onderzoek op de politiek, maar ze probeerden de theorie van Marx zoveel mogelijk gescheiden te houden van revolutionaire politieke ideeën.
· De theorie van Marx heeft een enorme invloed gehad, ook op moderne historici en zolang en theorie nodig is zal worden terug gegrepen op Marx.
Marxisme heeft de neiging om theorieën in een nieuwe richting te duwen. Dit is zeker duidelijk in de geschiedenis van de emancipatie van vrouwen. Vrouwengeschiedenis is nu algemeen geaccepteerd, maar het maakt ook op 3 manieren de weg vrij voor historische theorieën;
· Ten eerste worden vrouwen niet meer gezien als een op zichzelf staande sociale categorie. Historici maken liever algemene groepen als bijv. een groep vrouwen
· Ten tweede net zoals de categorie vrouwen bijeen geraapt is, zo ook de notie van een constante onderdrukking door mannen.
· Vrouwengeschiedenis betrekt steeds meer ook “mannengeschiedenis” in de studie.
De geschiedenis van de strijd tussen vrouw en man tonen overeenkomsten met de strijd van de klassen in het algemeen.
Het is een algemeen aanvaarde opvatting bij niet-theoretische historici dat vroegere resultaten het nieuwe process onderbreken, maar Tosh zegt dat voor alle historici theorie veel stimulerende hypothesen voortgebracht heeft. Theorie is niet alleen om een oplossing te vinden, maar ook om interessante vragen en bronmateriaal op te roepen. Hoe algemener het onderzoek, hoe groter de vraag naar een theorie. Het vak van historici is om theorie toe te passen, het bij te schaven en nieuwe theorieën te ontwikkelen.



Chapter Nine: History by Numbers (door Wendy, 3000 woorden)

De sociale theorie is slechts een van de manieren waarop geschiedenis door de sociale wetenschappen beïnvloed is in de afegelopen jaren.
Belangrijkst is de quantitatieve geschiedenis. Er zijn twee redenen voor een ontwikkeling vooral in economische en sociale geschiedenis:
1. vroeg in de vorige eeuw veranderde de nadruk van het individuele naar de massa, dit had quantitatieve gevolgen. Vragen naar aantal en hoeveelheid werden belangrijk toen men zich bezig ging houden met economische groei, sociale verandering en hele gemeenschappen.
Geschiedkundigen gingen zich dus bezig houden met de vragen van economen en sociologen, dus werden hun methoden ook overgenomen.
2. technologische redenen: de computer zorgt dat er een heel scala vanm onderzoeken gedaan kan worden die tot dan toe te moeizaam waren.

Dit hoofdstuk gaat dus over wat quantitatieve geschiedenis is en hoe het de methodologie van historisch onderzoek heeft veranderd.

I. blz. 245
Quantitatieve geschiedenis is gebaseerd op de overtuiging dat in het maken van quantitatieve uitspraken historici moeten tellen en niet moeten schatten. Twee voorbeelden van dit verschil zijn:
1. veronderstelling - de laatste 200 jaar is de gemiddelde lengte van de Engelsman toegnomen. Na statistisch onderzoek blijkt echter dat er een reuze verschil is tussen de aristocratie en de armen.
2. slavenhandel - verondersteld was dat er tussen de 15de en de 19de eeuw zo'n 15-20 miljoen slaven uit Afrika verscheept waren (= schatting). In de studie The Atlantic Slave Trade uit 1969 laat Philip Custin door optellen evalueren zien dat het ongeveer tussen de 8 en de 10,5 miljoen geweest moeten zijn.

Historici maken vaker quantitatieve uitspraken dan veronderstellingen (bv.: vrouwen trouwden laat in het vroeg-moderne Engeland). Alleen een quantitatie analyse toont de hoeveelheid en frequentie van de leeftijden waarop vrouwen écht trouwden.

Quantitatieve geschiedenis - zo wordt dus niet alleen getoond de belangrijkste trends (het historisch proces), maar ook variaties, uitzonderingen van een groep, of plaats, of ervaring door het meten en vergelijken van relevante factoren.
Gedurende de afgelopen 40 jaar is er intensief wetenschappelijk onderzoek gedaan wat betreft quantitatief onderzoek met toenemende verbeterde statische technieken.

II. blz. 248
A>
De monografische geschiedenis houdt in:
- de grootte van een groep uit het verleden uitwerken, waarbij belangrijker is de onderverdeling in leeftijd, inkomen, gezinsgrootte. Dit geeft belangrijke aanwijzingen voor de sociale geschiedkundige.
- vaststellen van oorzaken van populatieverandering door de tijd heen. Dit houdt in de reconstructie van geboortedata, trouw- en sterfdata. Allemaal beïnvloed door verschillende factoren. Dit soort onderzoek legt patronen bloot die met de hele gemeenschap te maken hebben. Veel meer dan uit literaire bronnen die slechts een deel belichten

De monografische geschiedenis steunt op 2 typen bronnen:
1. lijsten van levende onderdanen van een land (volkstellingen, uitgevonden in Skandinavië, midden 18de eeuw). Sinds 1801 worden elke 10 jaar in Engelenad volkstellingen gehouden, sinds 1841 op naam (en dus gegevens over belastingen, teruggaven, politieke loyaliteit.
2. het vaststellen van het vervolg van belangrijke elementen op een gegeven plaats. In de Engelse geschiedenis is de belangrijkste bron het kerkregister, bijgehouden door de anglikaanse geestelijken. Vanaf 1538 moesten allerlei zaken vastgelegd worden: dopen, huwelijken en begrafenissen. Dit systeem duurde tot de civiele registratie in 1837.
Door gebruik te maken van deze registers konden Wrigley en R. S. Schofield onderzoek verrichten (aggregatieve analyses) voor bv. door de uitleg van totalen (naar variatie in groei, invloed door veranderingen in aantallen huwelijken enz).
De afname van families (family reconstitution) is een voorbeeld van nominatieve analyse - een analyse door namen. En minder door aantallen. Dit is een tijdvretend onderzoek maar geeft wel de oorzakelijke verbanden van patronen in sociale en economische context.

B>
Het tweede gebied waarin quantitatieve methode belangrijk is, is de geschiedenis van sociale structuren.
Er is een hecht verband tussen de geschiedenis van sociale structuur en de demografische geschiedenis, omdat de bronnen elkaar overlappen.
Een bron met lijsten van de gehele bevolking geeft ook de mogelijkheid tot classificatie in sociale groepen. Dit is makkerlijk met groepen van leeftijd en soort.
Historici vinden echter ook andere aspecten van sociale struktuur uit de demografische gegevens, bv. veranderende grootte en structuur van de huishoudens.
Door duidelijkheid van lijsten (voor de volkstelling) en family reconstitution is het idee verworpen dat de pre-industriële gemeenschap in West-Europa grote complexe huishoudens had
Vanaf midden 19de eeuw (vragen in de volkstelling) is er meer quantitatieve analyse.
New Urban History uit de USA is gebaseerd op de idee dat de veranderende struktuur van de stad weer in kaart gebracht kan worden door analyse van de USA volkstelling, samen met andere gegevens (bv. geboorteregisters, belasting verslagen, stadsrechten, geboorte/dood/huwelijk).

C>
Het derde gebied van quantitatieve methode is de politieke geschiedenis.
Traditioneel is de politieke geschiedenis bezig met unieke gebeurtenissen en met motieven en acties van individuele staatsburger.
Maar door breder gebied van onderzoek waarbij het politieke systeem als geheel wordt genomen is er sprake van quantitatieve geschiedenis:

blz. 251

1. Dit zien we duidelijk in het kiesgedrag. De zg. psephologie (= studie van huideige verkiezingen) is voornamelijk een kwestie van getallen. Zo is ook de studie van verkiezingen van vroeger een roep om een quantitatieve benadering.
Voor de Ballot Act uit 1872 waren de parlementaire verkiezingen in Engeland in het openbaar en werden de stemmen individueel geteld en opgeschreven (= een voordeel voor historici).
Die stemregisters kunnen geanalyseerd worden i.v.m. gegevens (aantallen ervan), met inkomensm status of godsdienst. Er kunnen conclusies over bv. partijen getrokken worden, over ledenwerving in het 19de eeuwse Engeland.
2. quantitatieve technieken waren ook nuttig voor een andere gerichtheid van de politieke historici - nl. de studie van de politieke elite.
Dit kan makkelijk door case-studies. Bij meer gedefinieerde elite (zoals House of Commens) moeten de biografische gegevens van het hele ledenaantal verzameld worden (Namier). Deellijsten gaan terug tot 1836, deze in combinatie met resultaten van collectieve biografieën geeft basis voor verheldering van steun en oppositie van bepaalde politieke partijen.
In de USA heten dergelijke studies Nieuw Politieke Geschiedenis.

3. (blz. 252) Quantitatieve methode had invloed op de economische geschiedenis. Economie is een zeer quantitatieve wetenschapstak. De prijzen, inkomens, produktie investering, marktkrediet en dergelijke zijn goed meetbaar.
De economische geschiedenis (laat 19de eeuw) verzamelde vanaf het begin quantitatieve economische gegevens. Gedurende de laatse 40 jaar hebben historici een probleem aangepakt dat bestaat uit statistische gevolgtrekkingen uit vaak slechte bronnen die economische trends zouden moeten verduidelijken.
Abstract of Britisch Historical Statistics 1962, B. R. Mitchell, Phyllis Dean - UK).
In Frankrijk heet dit lhistoire serielle.
Franse quantitatieve historici hebben deze benadering 't verst doorgevoerd en zo een model van Franse ontwikkeling gedurende de vroeg-moderne periode opgesteld en zo ook van Europa.

III. blz. 253
Toepassing van quantitatieve methoden vraagt om een nieuw soort onderzoeker. Statistische kennis kan alleen effectief zijn als het gebruikt wordt als extra bij het 'gereedschap' dat de historicus al gebruikt en aande normale controle onderhevig is van historische methode.
Cijfers > testen op betrouwbaarheid > verificatie > integratie en toepassing > oplossing van historische probleem.
Het is als hisotoricus dus handig op een kant en klare stratistiek te vinden van bv. volkstellingen , maar toch mag de betrouwbaarheid nooit zo maar als 'goed' worden aangenomen.
We moeten weten hoe de cijfers vergaard zijn en samengevoed.
Er kunnen fouten insluipen door incompetentie, fraude, vooroodelen enz. Dit gebeurde bv. in statistieken van de administratie van het Brits koloniaal Afrika. Het was gemaakt door slecht opgeleide chefs. Je moet oppassen voor elders overgnomen cijfers, verkeerde vragenlijsten, dubbel getelde cijfers enz.
Blz. 254 Dit vraagt om onderzoek naar omstandigheden van het geheel met behulp van conventionele vaardigheden van de historicus.
De cijfers en schema's moeten op betrouwbaarheid getoetst woorden door hun vergelijkbaarheid.
Historici willen trends ontdekken door cijfers in opeenvolgend vervolg in de tijd of plaats te kunnen zetten. De cijfers kunnen juist zijn, maar moeten in de tijd vergelijkbaar zijn - statistisch gezien moet dezelfde variabele gemeten kunnen worden.
Bv. er zijn sinds 1696 handelsstatistieken van Engeland toen de post van inspecteur-generaal voor im/export werd gecreëerd.
De officiële waardetabellen werden tot het eind van de 18de eeuw gebruikt. In die tijd stegen en daalden de prijzen en daarom kunnen de cijfers niet gebruikt worden om de veranderde balans van handel te berekenen. Ook moderne statistische tabellen voldoen soms niet aan de test van vergelijkbaarheid (door veranderde patronen die niet meegewogen worden in het onderzoek, bv. het koopgedrag door veranderde consumptiepatronen).

De meest quantitatieve geschiedenis is niet gebaseerd op kant en klare statistieken.
De uitgandspunten van betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid zullen vaak naar voren komen bij onderzoek uit versrpreide bronnengegevens.
De taak van de historicus is nu de classificatie van gegevens in tabel-vorm en de criteria waaraan die classificatie moet voldoen zijn voornamelijk van historisch oordeel meer dan van statistische methodiek.
Een zeer aantrekkelijke kant van de quantitatieve benadering is de mogelijkheid om uitspraken te doen over niet alleen maar kleine elites, maar over hele klassen of gemeenschappen over langere perioden van tijd.

Blz. 256
Moderne statitistici maken gebruik van random sample, dit is steekproeven nemen uit het geheel op zo'n manier (alleen steekproef met gelijke kans) dat ze representatief zijn voor het geheel en de historicus moet waken dat elke variabele voldoende representatief in de steekproef is.
Op deze manier heeft men nu een 2% steekproef genomen uit de totale populatie van elke 15 tellingsdistricten (= 945 bij elkaar) van de volkstelling van 1851.
Alle tellingensinformatie van 415.000 mensen is in de computer gestopt. Historici hebben nu een beter beeld van variaties in opvoeding, land, kleding enz. in de verschillende zaakjes, handeltjes enz.
Voor historici van perioden vóór de 19de eeuw is het probleem van selectie min of meer opgelost door schade die de tijd aanbracht. Dat wat overgebleven is, is nog een steekproef uit de originele verslaggevingen, maar vaak geen random steekproef en dus niet representatief - sommige eigenaars hadden daar extra belang bij of betere mogelijkheden daartoe. Er zijn dus nog al wat bias aan te geven (= fouten).
Zo is het onderzoek van Laurence Stone naar de aristocratie tussen 1558 en 1641 in feite getrokken uit een niet representatieve steekproef, omdat maar 1/3 deel van de privé papieren van de adel het heeft overleeft en dan vooral die van de rijkeren.

IV. blz. 257
De cijfers moeten dus zijn betrouwbaar + vergelijkbaar + representatief en dan kan de historicus aan het werk.
De gegevens presenteren in tabel/histogram/grafiek.
Zo heb je descriptieve statistieken in de handel, maar historici die de quantitatieve methode toepassen hebben ingezien dat het niet zomaar om de betekenis van de cijfers gaat, maar om de gevolgtrekkingen die ze eruit opmaken en waarmee statische gewerkt kan worden.
Bv. uit exportstatistieken zijn gevolgtrekkingen te maken over trends van groei en afname, onregelmatige fluctuaties veroorzaakt door oorlog, tegenslagen enz.
Belangrijk voor de historicus is bij statistische toepassing de mate (coefficiënt) van correlaties (=verbanden) en het laten zien van verbanden tussen variabelen. Met de computer in enkele minuten te doen.
Natuurlijk moet je de significantie van een statistisch bewezen correlatie niet overdrijven. Het kan altijd mogelijk zijn van toevallige verbanden of onderhevig zijn aan derde (=onbekende) variabelen. Historici moeten dus altijd hun gezond verstand en hun kennis gebruiken.
Statistische manipulaties hergroeperen louter de werkelijkheid en geven geen antwoord op algemene vragen en de draagwijdte van de resultaten op de grotere problemen van interpretatie waarin historici geïnteresseerd zijn, is een kwestie niet van rekenkunde maar van logica en doordenken.
Zo zijn er vaak andere factoren die de cijfers beïnvloeden en zo was de toepassing van demografische gegevens op family history een mijnenveld.

De interpretatie van de statistiek en het belang dat we aan de statistiek hechten is een zaak van uitgebalanceerde historisch oordeel.

V. blz. 260
Eén quantitatieve benadering van geschiedenis heeft veel tegenstrijdigheid opgeroepen, nl. de cliometric (1960, USA). Cliometrics nemen aan dat enkele gebieden van menselijk gedrag het best begrepen kunnen worden als een systeem waarin zowel de variabelen en hun onderlinge relatie gequantificeerd kunnen worden, als een variabele verandert kan het effect op het geheel berekend worden.
Dit wordt vooral in de economie toegepast, of wel in de New Economic History.`Dit begrip komt uit de econometrie (= statistici die huidige economie analyseren om toekomstige ontwikkelingen te voorspellen).
De economische theorie wordt in wiskundige termen uitgedrukt (= model). Modellen worden gebruikt door econometristen.

De historici die getraind zijn in statistisch zien graag de aantrekkingskracht van economische methoden met het vooruitzicht om de leegtes van onze historische kennis in te vullen of te zeggen wat gebeurd had kunnen zijn als (dat doen cliometrici).

Railroads and Economic Growth - R. W. Fogel, 1964 gaat over de hypothese wat economische gevolg geweest zou zijn als de 19de eeuwse Amerikaanse spoorweg in 1890 niet zou zijn gebouwd. Het bleek dat het economische effect minder groot geweest zou zijn als men altijd aangenomen had.

Blz. 261
Vertrekpunt van cliometrici is altijd een helder gedefinieerd probleem in theoretische termen opgesteld en dat wordt niet gewaardeerd door historici die uitgaan van een reeks primaire bronnen.
Voordeel van cliometrics is het geven van nieuwe perspectieven.
Het gevaar is dat een theorie die niet zou kloppen ook foute resultaten geeft.

Blz. 262
Enkele abjecties:
1. bv. in de New Economic History zijn 3 economische theorieën te kiezen -
neo-classical
marxistische
keynesiaanse.

Ze starten allemaal vanuit de veronderstelling dat mensen hun materiële behoeften willen bevredigen en geleid worden door motieven van rationele profijt-vergroting., terwijl dat vaak iets is wat gedemonstreerd moet worden en niet aangenomen (bv. het koopgedrag kan beïnvloed worden door sicoaal-culturele factoren waarmee de economische theorie geen rekening houd (= tunnelvisie).
2. het is menselijk onmogelijk een model te maken die met elke variabele rekening houdt. Modellen zijn juist bruikbaar omdat ze de werkelijkheid simplificeren.
Redelijkerwijs kan alleen gevraagd worden dat een model rekening houdt met elke significante variabele.
Maar dat is moeilijk, bv. bij de nationale economie. Men zou dan variabelen moeten selecteren en dat maakt het cruciaal.
Zoals bv. in Fogels onderzoek naar de spoorweg: de kritiek is dat hij geen rekening hield met bepaalde variabelen die gevolg waren van de bouw van de spoorwegen (zoals technische vooruitgang in andere sectoren van de economie en die weer allerlei veranderingen direct en indirect veroorzaakt zou hebben en andere variabelen.
Het is echter de vraag of Fogel de meest significante heeft gemeten.
3. de derde abjectie tegen de cliometric is dat het te veel berust op niet te verifiëren inferenties (=gevolgtrekkingen).
Statistiek in in wezen niets anders dan gevolgtrekkingen maken uit quantitatieve gegevens - zoals correlatiecoëfficiëntie en tijd-serie-analyse.
Bij cliometrici zijn de gevolgtrekkingen echter vaak niet van dit soort - ze zijn alleen maar valide als het model waar het op gebaseerd is ook valide is.
Het gevaar is dus dat een historicus i.p.v. een theorie uit te testen t.o.v. de gegevens om te zien of 'het werkt' de theorie voor juist aanneemt en daarop weer nieuwe meetbare gegevens construeert.
Dit is het duidelijkst bij Fogels hypothetische Amerikaanse economie (1890).
4. de vierde abjectie is dat cliometrische modellen er naar neigen niet bedoelde fouten te introduceren bij de selectie van bronnen, d.w.z. ze maken alleen gebruik van numerieke data (=gegevens) en niet van niet-quantificeerbare variabelen.
Blz. 264 Ze negeren dus de qualitatieve vaak irrationeel genoemde factoren (sociale en culturele).
Vb. is het boek Time on the Cross, R. W. Fogel en S. L. Cugerman - naar statistische gegevens van volkstelling-schema's en plantage vermeldingen concluderen zij dat de blanke planters in Zuid-Amerika (midden 19de eeuw) humaan en rationeel waren en de slaven goed betaalden.
Ze negeerden de qualitatieve overduidelijkheid en persoonlijke correspondenties, enz.
Dit boek laat het gevaar van foute gevolgtrekking fouten in keuze van bronnen zien. Toch heeft cliometrie begrip gebracht van een aantal technische problemen in de economische geschiedenis en vooral antwoord gegeven op significante vragen van formele aard.

VI. blz. 264
In 1960 was de quantitatieve geschiedenis hoog aangeslagen. De wetenschappelijke status van geschiedenis was hoog en men voorspelde dat binnen 20 jaar er algemene wetten van menselijk gedrag ontdekt zouden zijn door historici. Ook aan de cliometristen werd dergelijke lof toegedicht. Aan de andere kant (die van de traditionalisten) schoot men ook door.
1963: de president van de USA roept de Historical Association op om de afgod van quantificatie uite te bannen. Nu, 40 jaar later is er meer ontspanning tussen deze uitersten.

quantitatieve historici is het zeker gelukt om de precisie van feitelijke beweringen over het verleden vergroot te hebben (over mensen en massa) ---- dat is louter winst.
Ook bij het kunnen verzamelen van grote hoeveelheden quantitatieve data merkt men dat historici meer betrouwbaar zijn in hun discriptieve generalisaties, bovendien zijn sommige generalisaties omver geworpen (zoals de 17de en 18de eeuw: Engelse huishoudens waren géén uitgebreide families en de slavernij in Zuid-Amerika hield niet op profijt te brengen aan de landeigenaren - tot aan het begin van de burgeroorlog.

Blz. 266
Bezwaren:
1. Een bezwaar is dat er soms beweerd wordt dat het bezig zijn met trends door factoren in massa-gedrag te benadrukken ten koste van het individuele gaat en dat dat een ontmenselijkend effect op geschiedenis heeft.
Bv. Elton ontdekte in New Political History dat een veronderstelling dat het stemgedrag een geconditioneerde reflex vastgelegd is door economische en sociale condities. Verder worden vragen naar motieven voorspeld door een correlatie aan te tonen tussen bv. zakeninteressen van MP's en hun weergave in deel-lobbies.
2. quantitatieve geschiedenis vertroebelt onze blik op het verleden door de aandacht te richten op die bronnen die snel aan statistische analyse beantwoorden - ten koste van die die dat niet doen. (dus > niet te quantificeren factoren zijn zeker zo significant!)

voordelen:
1. goed historisch onderzoek heeft te maken met die gebieden die door een quantitatieve benadering verhelderd worden. De bijdrage van quantitatieve geschiedenis aan historische uitleg is marginaal en tijdelijk. De generalisaties gemaakt door analyse van numerieke gegevens zijn vooral beschrijvend en geven vrijwel géén uitleg.
2. het vooruitzicht voor historici ligt dus in een samengaan, waarin de statistische interferentie gebombineerd wordt met de zienswijze van de traditionele kwalitatieve geschiedenis.



Chapter Ten: Theories of Meaning (door Maartje, 1300 woorden)

Pag. 271-272
De theorie (interpretatie) van betekenis is gebouwd op primaire bronnen
Klassieke historici: overtuiging dat techniek de betekenis van vroegere teksten geeft en helpt bij het overbruggen van de tijdskloof. o.a. Ranke; bronnen staan centraal individueel
Hedendaagse historici: de nadruk ligt op de reconstructie van menselijk handelen in collectieve zin (Cultuur). Er is een debat tussen historici welke theorieën hiervoor relevant zijn.
1. psychologie
2. tekstuele theorie
3. culturele antropologie

I Pag.272-274 Ideeëngeschiedenis
Geschiedenis van ideeën /intellectuele geschiedenis is gebaseerd op politieke, economische en sociale gedachten, theologie, wetenschappelijk denken en waarden en normen in geschiedenis zelf ( historiografie).

2 richtingen 20e eeuw
- Freud's onderbewustzijnstheorie en de popularisatie van de psycho-analyse.
- Marx's materialistische interpretatie van de geschiedenis is een aanval op de autonomie van de intellectuele geschiedenis. Ideologieën zijn een expressie van de spanningen gelijkwaardig aan die binnen klasse samenlevingen.

Geschiedkundigen zijn tegenwoordig niet enkel geïnteresseerd in de sociale impact van ideeën binnen de geschiedenis, maar meer over wat deze ideeën ons vertellen over samenlevingen, die ze van belang achten.
Het resultaat van deze veranderingen in het intellectuele klimaat is dat de bedoelingen van hedendaagse ideeëngeschiedkundigen meer bescheiden zijn dan hun voorgangers en ze eisen niet dezelfde autonomie voor hun veld. Hun werk is van belang ondanks dat sociale en materiele condities de ideeën beperken, ze bepalen zeker niet de exacte vorm van deze ideeën.

II pag. 275-279 Pschylog. geschiedkunde
Verspreiding van de geschiedenis van ideeën, welke inzichten biedt in de wereld van de hoger opgeleiden en de sociale geschiedenis zijn niet voldoende voor de historische bestudering van menselijke cultuur. Vragen als; hoe mensen in het verleden hun dagelijks leven ervoeren? Wat was hun houding ten opzichte van tijd en ruimte, de natuur, pijn en dood, familie relaties en religieuze observatie? Wat waren hun gemeenschappelijke waarden?
De eerste geschiedkundigen, welke deze vragen probeerden te beantwoorden waren de geschiedkundigen van de Annales School (pag.121). Een onderdeel van deze school is de interesse in structuren (demografisch, economisch en sociaal). Binnen deze school was een roep voor geschiedenis van mentaliteiten. Een belangrijke valkuil hierbij was volgens Febvre dat veel mensen de geschiedenis interpreteren als hun eigen ervaring maar dan vroeger. Mensen ervoeren bepaalde gebeurtenissen vanuit een andere context, vanuit andere waarden en normen. Psychologische geschiedkunde is volgens hem belangrijk. (belangrijk in US)
De geschiedenis van de mentaliteit houdt zich bezig met het emotionele, instinctieve en het impliciete (denkprocessen zonder explicitering/ expressie). Volgens Tosh is de psycho- geschiedkunde op zijn best een waardevol element voor de historische biografie. De complexiteit en inconsistentie van het menselijke gedrag komen hierin tot uitdrukking. Mensen gevangen in conflicten, ambivalent in hun emoties en niet bewust van waarom ze voelen en handelen zoals ze doen. Volgens de culturele historici heeft psychoanalyse bijgedragen de aandacht te richten op culturele patronen in ouderschap, opvoeding en identificatie en het spel van het onbewuste in de collectieve mentaliteit.
Meeste aandacht psycho-geschiedkunde buiten historici om 2 redenen:
1. Het probleem van bewijs
2. Zelfs wanneer de ideeën uit de psychoanalyse voor waar worden aangenomen is er geen reden om aan te nemen dat ze geldig zijn voor voorgaande jaren. Freud's ideeën waren cultuur en tijdgebonden.
De psychoanalyse is volgens Tosh een belangrijk gereedschap met veel potentieel om de menselijke geest te analyseren, maar geschiedkundigen die het gebruiken moeten voorzichtig zijn en hun interpretaties te temperen met respect voor de geschiedkundige context.

III pag. 279- 282 Tekstuele geschiedenis
Het tweede theoretisch lichaam dat zich bezighoudt met culturele geschiedenis is afkomstig van literaire studies. Ook wel met deconstructie theorie aangeduid. De tekst moet gezien worden als open tot verschillende interpretaties in welke de verschillende lezers verschillende betekenis aan geven. Door middel van tekst is het mogelijk geworden om een culturele reconstructie van het verleden te maken. Primaire bronnen zijn cultureel bewijs. Literaire theorie geeft de geschiedkundige het vertrouwen om door de tekst heen te kijken.
Taal is macht! Door middel hiervan herdefiniëren geschiedkundigen hun begrip van politiek denken. Ze laten zien hoe politici hiervan gebruik maken om hun macht te verkrijgen/ behouden/ vergroten. Het nationalisme heeft hier vaak gebruik van gemaakt ( bepaalde zaken uitlichten en anderen verdoezelen). Historici kunnen een tekst in een bepaalde genre, waarin de tekst geschreven is, plaatsen

IV pag. 282-286 Culturele antropologie
Voor de huidige historici is de belangrijkste bron van ideeën op het gebied van de collectieve mentaliteit de culturele antropologie. De bevindingen uit de antropologie laten iets zien over de verschillende variatie in mentaliteiten bij mensen die bloot staan aan ziekte en klimaatverandering zonder de wetenschappelijke van hun milieu binnen hun eigen leefgewoonten. Voor historici is de antropologie niet alleen een belangrijke bron maar ook een methode en theorie.
Belangrijk is de vraag: "Hoe krijgen antropologen greep op het wereldbeeld van hun onderwerpen?" Zij leidden hun onderzoek door het combineren van rollen van participant en observant. Antropologen falen vrijwel nooit om verschillende mentale veronderstellingen, welke gebruikt worden in niet literaire technologische samenlevingen vast te stallen. Mentaliteit en het concept cultuur is essentieel voor de antropologie. Ze hebben veel aandacht voor symbolisch gedrag en laten een complexe reeks van culturele waarden zien. Beschrijvingen van symbolisch gedrag is een belangrijk bewijs voor pre-literaire samenlevingen uit het verleden. De waarde van de antropologische zienswijze ligt zowel in zijn algemene oriëntatie als in details. Ook laat de antropologie zien dat de nadruk die geschiedkundigen leggen op het verkrijgen van in zicht van respect voor de cultuur van mensen uit het verleden en de wil om de wereld door hun ogen te zien.
Door het verschuiven van nadruk van individuele uitlatingen naar collectief gedrag in de context van culturele belangrijkheid.

V pag. 286-290 Cultuurgeschiedenis 'gender'
De impact van de culturele zienswijze kan gemeten worden in een aantal gebieden; cultuur, religie, gebruik en houding ten opzichte van de natuurlijke wereld. Door middel van geschiedenis van de gender wordt het belang van culturele geschiedenis verder uitgewerkt
Sexe verschillen (Gender) is tegenwoordig iets dat uitgelegd moet worden, in plaats van een gemaakte uitleg voor al het andere. Deze verschuiving betekent in de praktijk de volgende twee dingen.
Ten eerste wanneer het verschil in gender verschil niet alleen een zaak van natuur of instinct (lijkt individueel maar is cultureel doorgegeven door kennis).
Tweede dimensie van culturele zienswijze op gender gebruikt 'verschil'/ sociale uitsluiting (wat we niet zijn wordt beschreven door wat we zijn )
Niet alleen op het gebied van gender, maar ook identiteit worden geuit door verschillen in gender etniciteit en leeftijd o.a. Postmodernisme en deconstructie zienswijze

VI pag.290-293 conclusie
Verschuiving in de oriëntatie van gender geschiedenis naar een bredere verandering in theoretische spinnenwebben van theoretisch schrijven. Twintig jaar geleden werd de meeste sociale en politieke geschiedenis geschreven in eenduidige groepen van klasse en natie, o.a. Marx ('70). Vanuit Annalas school ('80) en uit de tekstuele theorie ('90) waren ze het hier niet mee eens. Annalistes vonden namelijk dat mentaliteit, het fundamentele niveau van geschiedkundige ervaring en cultuur zijn uitdrukking . Een kleine stap van het verwerpen van oorspronkelijke betekenis in tekst naar breekbare sociale identiteiten, wat hangt identiteit er geen gedeelde taal en symbolen bestaan. Cultuur werd nu gezien meer een reconstructie dan een reflectie van de realiteit.
Culturele geschiedenis , met name de taalkundige richting zouden de traditionele agenda van geschiedkundigen ondermijnen. Het idee dat representatie het enige echte veld van historische studie '(Joyce') serieus nemen verschilt.
De meeste geschiedkundigen erkennen de positieve wegen, waarin tekstuele theorie het onderwerp heeft verrijkt.
De nadruk ligt bij historici die industriële relaties analyseren op grond van rituele binding anders dan historici, die zich richten op het klasse conflict.
Theoretisch verschil; Bij de eerste groep van historici gaat het om een sociale vertelling, welke wordt geïnterpreteerd met behulp van een dynamische theorie van sociale verandering (Marx). De tweede groep is met name geïnteresseerd in contextualisering.
Theorieën van het denken, tekst, of cultuur zelf geven een basis en helpen begrijpen van de context. Weer zien we de historische spanning de uitleggende stijl en de re- creative . Sociale theorie vervolgd de agenda gemaakt tijdens de Verlichting om de richting van de menselijke geschiedenis te begrijpen. Gebeurtenissen en processen zijn van belang door de plaats die ze in het grotere verhaal innemen. Culturele theorie legt de nadruk van geschiedkundigen op de vreemdheid van het verleden en de vraag van intellectuele effort om zijn bedoeling te begrijpen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.