Geschiedenis van de parlementaire democratie (1581 – nu)
Par. 1.2 De democratische revolutie
Start democratische revolutie Ned. 1795 A´dam (steun Franse troepen) (patriotten aan de macht).
1795-1806: Bataafse Republiek (Willem 5 vlucht naar Engeland)
Rond 1775 ontstaan ideeën over volksoevereiniteit (volk beslist)
Oorsprong = verlichting = beweging 18e Eeuw meende dat een op rede gebaseerde samenleving moest worden opgebouwd incl. vrijheid + verdraagzaamheid + gelijke rechten voor iedereen
Oude visie op samenleving = God heeft gevestigde orde ingesteld en grijpt steeds in (oorlogen, ziekte etc.)





Verlichte visie = mij. (maatschappij) is maakbaar (mens maakt z’n eigen geluk) Ook: God wil geen ongelijkheid, mensen van nature vrij en gelijk.
Denken over volkssoevereiniteit
Locke Montesquieu Rousseau
Regering niet gebaseerd De scheiding der machten Meest democratisch.
op Gods wil, maar op een (wetgev., rechtspr., uitv.) In de ideale staat
contract met de samen- dat voorkomt onderdrukking sluiten mensen
leving. Basis = natuurlijke en onrecht. contract met elkaar
rechten v.d. mensen (leven, en dragen de macht
vrijheid en bezit). Regering over aan een
beschermt deze, zoniet dan gekozen volksver-
zijn de onderdanen vrij om gadering (moet
deze af te zetten. Algemene wil uit-
voeren)









Volkssoevereiniteit was slecht idee  echter Revolutie in Amerika was praktijkvoorbeeld. (onafhankelijkheidsverklaring in 1776) (1860 burgeroorlog)
In Nederland hiervoor veel bewonderaars
o.a. baron Derk v.d. Capellen tot den Pol  1781 oprichting gewapende burgermilities (eigen volksinvloed)
 deze patriotten tegen toegenomen invloed stadhouderschap Oranjes
1795: die keren net Franse leger terug + Willem 5 naar Engeland uitroepen Bataafse Republ.
 omwenteling naar Frans voorbeeld (bv. Rechten vd mens en burger)
 Nationale vergadering komt niet uit
 radicale democraten plegen staatsgreep met Fransen
- 1798: nieuwe grondwet
- O.a. eenheidsstaat (einde gewesten), algemeen mannen kiesrecht
 1801: coup (=staatsgreep) Napoleon: beperken macht parlement + censuskiesrecht (census = vorm van belasting)
 1805: Napoleon benoemt dictator
 1806: afschaffen Bataafse Republiek + broer Lodewijk koning
 1810: inlijving
 1813: bevrijding van Britse en Russische troepen
Par. 1.3 Het koninkrijk der Nederlanden
(1813-1848)
 1813: Stichting koninkrijk der Nederlanden (als buffer in het Noorden tegen het revolutionaire Frankrijk)
- Willem 1 eerste koning Nederland
Nederland wordt constitutionele monarchie (constitutie = grondwet)
- 1815: een grondwet + parlement
Maar: parlement had geen invloed 
1) leden 1e kamer (aanzienlijken / adel) benoemd door Willem + 2e kamer benoemd door Provinciale Staten (leden adel/edelen + regenten)
2) Willem ontslagen en stelde zelf ministers aan
3) Besliste zelf over koloniën, defensie, financieel en buitenlands beleid
Kortom: Willem 2 regeerde als een ‘vader over zijn huisgezin’
 het volk accepteerde dat. Waarom???
Het was de onrust van de Franse revolutie / Napoleontische oorlogen moe.
Vanaf 1840: economische recessie
 Rijke ontwikkelde middenklasse wil meer democratische vrijheden (liberalen)
- deze groep geïnspireerd door Franse Revolutie (gelijkheid en vrijheid hebben ze wat mee)
- economische + persoonlijke vrijheden (welke?)
- nieuwe grondwet nodig waarin stond dat iedereen gelijk was = gelijkheid + vrijheid van meningsuiting
Par. 1.4 De grondwet van 1848
Maker van de grondwet van 1848 = Johan Rudolf Thorbecke
 zijn vader rijke burger die door regentenkliek gepasseerd werd voor overheidsbaan
 dus zoon moest het gaan maken
 hoogleraar juridische wetenschap in Gent (was deel van Koninkrijk der Nederlanden)
Tegenstellingen Noordelijke + Zuidelijke (België) Nederlanden
1) Zuiden al geïndustrialiseerd, dus is er sterke liberale burgerij + die moet niets hebben van autoritaire bewind Willem 1
2) Verzet Belgische katholieken tegen machtsinvloed Willem 1 (Noorden vooral protestants
Ideeën van Thorbecke
1830: afscheiding + stichting Belgische staat
Waarom werd Thorbecke liberaal?
1) voortbestaan Nederland stond op het spel (handel + nijverheid in een dip)
2) In een Europese politiek was Nederland niet langer hoofdrolspeler (zoals tijden van de Gouden Eeuw) maar speelbal
Oorzaak: ‘vaderlijke’ bewind Willem 1  door alles zelf te regelen worden burgers passief en gemakszuchtig
(denk aan: werken bij de overheid lukt alleen door vriendjespolitiek + familiare contacten)
Echter: capaciteiten burger moeten de ruimte krijgen = goed voor het land
Hoe?  burgers moesten 2e kamer kiezen + regering moet verantwoording afleggen aan de 2e kamer
 ook: minister moeten zelfstandig en los van de koning regeren
 open discussies
Dit alles leidde dan tot het beste bestuur
Thorbecke kreeg weinig steun voor zijn ideeën:
 conservatieven (adel, regenten en koning) noemen hem een revolutionair (angst voor het gepeupel / burgeroorlog
De tijd helpt Thorbecke:
1845-1848: aardappelziekte + graanmisoogsten leidt tot honger in Europa
Daarbij: strenge winters + malaria en cholera epidemieën
 1848: overal in Europa opstanden ‘revolutiespook’ en grote angst bij gevestigde macht
Gevolg in Nederland: Willem 2 geeft Thorbecke opdracht een moderne grondwet te schrijven
De grondwet van 1848:
 2e kamer direct gekozen door burgers
 1e kamer door Provinciale Staten
 alle burgers krijgen klassieke grondrechten (vrijheid godsdienst, meningsuiting, drukpers, vereniging + vergadering)
Macht lag nu bij de 2e kamer, hoe??
• via ministeriële verantwoordelijkheid  ministers zijn aan parlement verantwoording schuldig (i.p.v. tegenover koning en koning is onschendbaar  doet de koning iets fout dan ministers hierop aanspreken en zo: ministers houden koning beter onder controle)
Nederland kreeg dus wel parlementair stelsel, maar geen parlementaire democratie
 er kwam geen algemeen kiesrecht, alleen censuskiesrecht: stemrecht alleen bij bezit (dan zelfstandig) - belasting
 slechts 10% volwassen mannen (2.5% bevolking kreeg kiesrecht)
Nog heftige botsingen met Willem 3 die macht terug wilde van parlement  lukte niet

H2 Politieke stromingen (1848-1919)
Hoe ontwikkelde het Nederlandse bestuur zich in de periode 1848-1919? (+/- 70 jaar)
Par. 2.1 Het liberale tijdperk
+/- 1860: 2e kamer = deftige herensociëteit van 68 leden die rustig debatteren

1922: politiek is nu zaak van de massa (algemeen kiesrecht immers)
De politieke stromingen:
- liberalen
- socialisten
- antirevolutionairen
- katholieken
Na 1848 = politiek een leerschool
Kenmerken:
1) politieke debat op basis van rationele argumenten en niet op basis van emotie
2) algemeen (lands)belang stond voorop en niet een groepsbelang (dus geen invloed van kiezers)
het zogenaamde besturen ‘zonder last of ruggespraak’
3) er waren dus ook geen politieke partijen (wel losse groepjes kamerleden die hetzelfde dachten)
4) er was een districtenstelsel (per district werd één kamerlid gekozen)
5) door het censuskiesrecht was politiek alleen een zaal van de rijke burgerij (1 op 8 mannen had kiesrecht)
6) liberalen hadden overwicht in de kamer
Vanaf 1860 steeds meer onvrede met deze bestaande machtsverhoudingen
m.a.w.: steeds meer mensen vonden niet dat liberalen het algemeen belang vertegenwoordigden
Redenen:
1) door opkomst industriële samenleving werd de rol van de ‘gewone man’ (de arbeider) steeds belangrijker als producent + consument
 deze mensen ook invloed?
 opkomst socialisme
2) Protestanten + katholieken komen nu ook op voor de ‘gewone man’ uit hun achterban
Par. 2.2 De confessionelen (confessie = geloof)
Hoe ontstonden de confessionele politieke stromingen? (gereformeerden ARP en katholieken)
ARP (antirevolutionaire partij) opgericht in 1879 (1e politiek partij)
 leider = Abraham Kuijper alias: ‘Abraham de Geweldige’
 felle strijder voor oude (orthodoxe) calvinisme =
- mens is ondergeschikt aan God en
- Bijbel is richtsnoer voor al het handelen
Dus: fel tegen ideeën van de Franse Revolutie en de Verlichting (hierin is immers de mens centraal)
De grote kwestie uit die tijd = de schoolstrijd
 liberalen willen openbaar onderwijs = kinderen opleiden tot zelfstandige, verlichte burgers (en niet beïnvloed door het geloof)
1878: de schoolwet van de liberalen die kwaliteit scholen regelt + extra geld vrij maakt voor openbaar onderwijs
Kuijpers wil dit geld ook voor bijzonder onderwijs  lukt niet via de 2e kamer
Dus: hij mobiliseert de massa (= geen succes)
Wel succes: protestanten moeten buiten parlement een eigen machtsbezit opbouwen = ‘in het isolement ligt onze kracht’
Hoe? Stichten eigen scholen, vakbonden, kerken, maar ook een eigen krant, Universiteit (UvA) + politiek partij
Ideologie ARP:
Taak van de staat: staat krijgt gezag van God maar haar macht is wel beperkt  staat mag zich niet te veel bemoeien met allerlei kringen in de maatschappij (gezin, bedrijfsleven, onderwijs etc.)
= ‘soevereiniteit in eigen kring’ (ook hier weer het gezag door God gegeven)
ARP was 1e politiek partij in Nederland = er was een achterban die bij politiek werd betrokken + kamerleden moesten partijlijn volgen
Par. 2.2 De katholieken (vervolg)
In de 19e Eeuw nog steeds tegenstelling protestanten <-> katholieken vanwege 80-jarige oorlog (16e + 17e Eeuw)
 katholieken telden in bestuur niet echt mee en voelde zich achtergesteld
 werkten samen met liberalen, immers: die verdedigden o.a. vrijheid van godsdienst (dus ook voor de katholieken)
1870 = breuk want liberalen worden antigodsdienstiger + zelfs socialistischer (invoering van sociale wetten??)
Bovendien: in schoolstrijd hadden protestanten + katholieken gedeelde belangen
Priester Herman Schaepman wordt leider en wil via politiek de katholieken emanciperen
Ook: vanaf 1890 kreeg Schaepman wind in de rug door de Paus met zijn publicatie
Rerum Novarum (=’Van nieuwe dingen’)
 Paus waarschuwt hierin tegen liberalisme (ongeloof) en socialisme (rode gevaar)
 Katholieken moeten zich ook gaan organiseren (vakbonden, scholen etc.)
Waarom vond de Paus dit?
 eind 19e Eeuw industrialisatie en dus ook trek van platteland naar stad (= weg van de dorpspastoor naar de grote stadsmassa)
 en in aanraking met socialisten
Staatsopvatting = (sinds Middeleeuwen) kerk: geestelijke macht + staat: wereldwijde macht en samenleving moet zoveel mogelijk zelf regelen, staat helpt alleen waar nodig =
Subsidiariteitsbeginsel (subsidium = aanvulling)
Par. 2.3 De socialisten
Hoe ontstond de socialistische politiek stroming?
Socialisme kwam op in de 2e helft van de 19e Eeuw, waarom?
1) de liberalen hadden de macht in de politiek. Dus: overheid had volgens hen niet de taak arbeiders + armen te beschermen (vrijheid werkgevers in gevaar + arbeiders dan lui)
Vanaf 1870 komt dit beleid verzet: de sociale kwestie (= probleem v.d. armoede v.d. arbeiders en hoe dit op te lossen?) wordt maatschappelijke discussie
2) Industrialisatie komt pas 2e helft 19e Eeuw op gang in Nederland (bijv. Engeland: ± 1750) Maar het leidt wel tot grote tegenstelling arm – rijk
De theorie van Karl Marx ook in Nederland bekend onder de geschoolde arbeiders
 kapitalisme buit arbeiders uit
 door klassenstrijd konden zij hun lot verbeteren (eindoverwinning staat vast, immers kleine groep bezitloze proletariërs (= arbeiders) wordt steeds groter, ook kleine zelfstandigen worden slachtoffer)
 na revolutie ontstond klassenloze maatschappij
Ferdinand Domela Nieuwenhuizen = ex-dominee die socialist wordt (want hun zagen de armoede onder de arbeiders)
- 1881: richt de SDB op
- Veel op tournee door Nederland vooral in arme Groningen + Friesland
- Roept op tot organisatie en verzet + krijgt bijnaam:
- ‘Ûs Verlosser’ (= onze verlosser)
Domela in 1888 in 2e kamer gekozen, maar geen succes:
- wordt genegeerd en krijgt niets gedaan
- is teleurgesteld en verdwijnt ook nog in de gevangenis
Met andere woorden: SDB wordt steeds radicaler (extremer)
 bijv. niet meer deelnemen aan parlement maar bijv. grote stakingen organiseren
 achtervolgd door de overheid (spionage, arrestaties, ontslagen)
Gematigden binnen de SDB splitsen zich af onder leiding van Troelstra
- 1894: oprichten SDAP (voorloper van PvdA)
- Doel = geleidelijke verbeteringen voor arbeiders via het parlement
- Heten reformisten: geloven in een uiteindelijke overwinning in de klassenstrijd, maar in de tussentijd werken aan verbeteringen voor arbeiders (via sociale wetgeving)
Kritiek Domela: via geleidelijke weg + parlement kun je bestaande maatschappij niet veranderen (het is alleen een schijnoplossing)
Macht en bezit blijven immers in handen van de kapitalisten.
Weliswaar krijger arbeiders het een beetje beter, maar echt vrij zijn ze nog steeds niet.
Par. 2.4 Naar het algemeen kiesrecht
Hoe kwam het algemeen kiesrecht tot stand?
In de politiek rond 1900 was veel veranderd:
1) er waren 4 duidelijke verschillende politieke stromingen (aparte blokken)
2) lidmaatschap 2e kamer ging alleen via politieke partij
 je moest dus achter partijprogramma staan (i.p.v. ‘zonder last en ruggespraak’ van daarvoor)
3) leiders waren nu volksleiders (ze verpersoonlijkten hun beweging)
 politieke bijeenkomsten nu massabijeenkomsten
Probleem van liberalen en confessionelen met algemeen kiesrecht:
1) ongeletterd volk moet niet mee doen aan verkiezingen dan chaos en ellende (Franse Revolutie) (viel mee in de praktijk)
2) partijvorming ging ten koste van nationale eenheid + algemeen landsbelang
Praktijk: deelname van meer groepen aan politiek versterkt juist de eenheid (immers ook invloed
Al met al: algemeen kiesrecht is onvermijdelijk, want in een land met meerdere minderheden moet je toch samen zaken doen (‘poldermodel’ = samen ergens uitkomen)
1917: pacificatie (rust + vrede herstellen)
• grondwetswijziging:  bijzonder + openbaar onderwijs financieel gelijkgesteld
• confessionelen gaan in ruil hiervoor akkoord met algemeen kiesrecht (vooral liberalen + socialisten)
1922: 1e verkiezingen met algemeen kiesrecht (ook vrouwen)
H3 Democratie in de 20e Eeuw
Par. 3.1 Verzuiling en crisis
Hoe hebben rechtsstaat en parlementaire democratie zich ontwikkeld tussen 1920 en 1945?
Door grondwetswijziging 1917 veranderde de politiek:
1) onafhankelijke politicus verdwijnt: partijleiding bepaalt kandidatenlijst = komst trouwe partijsoldaat
2) toename aantal partijen en ook allerlei afsplitsingen
 vooral: centrale rol liberalen (1848) voorbij
 de politiek en de samenleving zijn nu verzuild
Metafoor = tempel met 4 verschillende zuilen, maar die vormen wel 1 gebouw
Politieke stroming % Kiezers Clubs en kerken
Liberalen 15% neutraal (avro)
Sociaal democraten 25% eigen omroep, clubs
Protestanten 25% } eigen kerken, sportclubs,
Katholieken 30% } omroepen etc.
Christelijke meerderheid, dus tot 1939 altijd in de regering, soms met liberalen
 nooit met socialisten: oproep Troelstra 1918 tot revolutie (naar voorbeeld Russische revolutie)
Politiek tijdens het Interbellum (= periode tussen WO 1 en WO 2)
1) vooral christelijke kabinetten
2) crisis van de democratie op komst  totalitaire bewegingen:
a. communisten Rusland vanaf 1917
b. fascisten Italië vanaf 1922
c. nationaal socialisten in Duitsland vanaf 1933
Jaren ’30 economische wereldcrisis dus overal in Europa kritiek op democratie en groei aanhang totalitaire bewegingen.
In Nederland bijv. communistische partij (CPN en Nationaalsocialistische Beweging (NSB) )
Toch blijft in Nederland het democratische bestaan (tot 1940  inval Duitsers)
↓→ reden = verzuiling
 iedereen voelt zich thuis bij zijn eigen zuil, dus geen behoefte aan radicale partijen
Bovendien: Christelijke politieke leiders zijn strenge (autoritaire) leiders die boel in de hand weten te houden
Par. 3.2 Naoorlogse zekerheid
Hoe hebben rechtsstaat en de parlementaire democratie zich ontwikkeld tussen 1945-1965?
- Één van de lessen van de WO 2: rechtsstaat en parlementaire democratie waren waardevol maar ook kwetsbaar
- Nog een les: oorlog had gezorgd voor eensgezindheid, dus na oorlog brede samenwerking mogelijk? Einde van de verzuiling?
 1945: oprichting Nederlandse Volksbeweging (NVB)  deelnemers uit alle politieke stromingen
Echter geen succes, want:
1) CPN (communisten) na oorlog succesvol en zij wilden nog steeds omverwerping burgerlijke samenleving (bedenk: na WO 2 start direct Koude Oorlog)
2) Angst confessionele leiders dat ze grip verliezen op eigen achterban. Dus: oproepen zich in eigen kring te blijven verenigen + oprichting KVP + ARP (Kuijper) + CHU
3) SDAP wordt opgevolgd door PvdA (gematigde socialistische partij)
4) Oprichting VVD als nieuwe liberale partij
Stemmenverdeling na WO 2:
KVP 33% } Zij vormen na oorlog een langdurige roomrode coalitie
PvdA 33% }
ARP } 20%
CHU }
VVD 10%
Deze coalitie start aan basis moderne verzorgingsstaat (staat verzorgt mensen hun hele leven)
Vóór WO 2: rol van de staat is alleen orde en veiligheid (zogenaamde ‘nachtwakersstaat’)
Ná WO 2: staat moet ingrijpen in economie en moet armoede bestrijden met sociale wetten
Waarom? : dit bevordert (samen met welvaartstijging) de tevredenheid over de bestaande democratie  burgers willen meer invloed
Immers: onbeperkt kapitalisme leidt tot crisis, werkloosheid en sociale onrechtvaardigheid en dat is gevaarlijk voor democratie
En tegenwoordig??? (voorzieningen worden afgebroken, nu bijv. alleen bijstand als student als je kan bewijzen dat je op school zit)
Par. 3.3 Ontzuiling en verdere democratisering
Hoe ontwikkelden de rechtsstaat en de Parlementaire democratie zich tussen 1965-1980?
Nederland tot begin jaren ’60 een tevreden natie:
 stijgende welvaart (goede lonen + genoeg consumptieartikelen
 politieke verhoudingen liggen vast = confessionelen aan de macht, soms met liberalen, soms met socialisten
 alle partijen omarmen verzorgingsstaat
Midden jaren ’60 neemt maatschappelijke onrust toe:
1) jongeren (vooral studenten) komen in opstand tegen oude generatie  het is vooral een culturele revolutie
- tegen autoritaire gezag ouders
- tegen politieke kliek die de macht heeft. Het zijn de jaren van de hippies, provo’s en sex, drugs en rock and roll
- kortom: jongeren eisen grote individuele vrijheid, maar zijn tegelijker tijd politiek en maatschappelijk actief
↓ ↓
Oprichten bijv. nieuwe → Veel protestacties op straat of
partij D66, maar ook: bezetten van universiteiten met
oppositie voeren binnen de eis tot meer inspraak.
bestaande politieke
partijen.
Kortom: er vindt een democratiseringgolf op meerdere terreinen plaats waarbij al het gezag ten discussie wordt gesteld.
Gevolgen:
1) de verzuiling wordt verder afgebroken (vooral ontkerkelijking neemt hand over hand toe)
2) op politiek niveau vindt aardverschuiving plaats = confessionelen raken hun kamermeerderheid kwijt. Hun oplossing: samengaan in CDA (1977)
3) (met grote regelmaat en soms zelfs voor langere tijd belandden zij in de oppositie) (overigens hebben we nu al weer het 3e kabinet Balkenende CDA (!!) )
De ‘sixties’ hebben dus gezorgd voor meer kansen op individuele vrijheid (i.p.v. binnen een zuil / groep) en kansen op een actiever burgerschap (via allerlei belangengroepen e.a.)
Toch leven we nog steeds in het huis van Thorbecke (1848):
1) politieke besluiten worden nog steeds genomen in de Tweede Kamer en gemeenteraden (en niet op straat)
2) de oude politieke stromingen bestaan nog steeds (ook D66 is een normale partij geworden en verliest de laatste jaren zelfs verkiezing op verkiezing)
Kortom: de maatschappij is wel steeds veranderd en voor de meeste mensen, steeds vrijer geworden. Maar de manier waarop we in Nederland politieke besluiten nemen is sinds de invoering van het algemeen kiesrecht niet echt veranderd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

SUPER BEDANKT MAN
echt mijn held

12 jaar geleden

R.

R.

Dankjewel, heel chill enzo.
MAAR.
Vanaf de 13e regel snap ik dat hele stukje niet. Je hebt de zinnen een beetje verwisseld. Maar dit is een samenvatting, geen puzzel. -dat dacht ik ten minste-
Dus de vraag wat je ermee bedoelt...

10 jaar geleden