NL en Indonesie

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 3971 woorden
  • 18 mei 2002
  • 58 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 58 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
NEDERLAND EN INDONESIE

HISTORISCH KADER, Indonesië, de mensen en hun omgeving.

Naam nu (na 1945): Indonesië
Naam tot 1945: Nederlands-Indie
Naam VOC: Oost-Indie

Indonesië telt 13.000 eilanden.
De belangrijkste godsdienst is de Islam.
De Portugezen bleven een eeuw de enige Europeanen in dit gebied, pas in 1596 verschenen de eerste Nederlanders.

HOOFDSTUK :1 ‘VAN 1596 TOT 1800 RONDOM DE VOC’

Er bestond altijd al een levendige handel in Azië. Specerijen waren schaars en duur. Omdat het zo duur was om ze via handelaren te kopen besloten veel volkeren ze zelf te gaan halen. De Portugezen slaagden erin om factorijen op te richten en verstevigde handelsposten. Daarna kwamen de Spanjaarden en later ook de Britten, de Fransen en de Nederlanders. De handel was lucratief want relatief kleine hoeveelheden brachten veel op.

Verschillende Nederlanderse zeevaarders probeerden routes, maar pas in 1596 kwamen de eerste vier Nederlandse schepen aan. Zij hadden ruim een jaar daarvoor besloten uit Amsterdam te vertrekken en via de Portugese route te volgen. Cornelis Houtman en Pieter Dirksz de Keyser hadden de Nederlandse zeeweg verkend.


DE DIRECTE GEVOLGEN VAN DE 1e TOCHT NAAR OOST-INDIE:
- Verschillende voorcompagnieën vertrokken. In 4 jaar tijd vertrokken 61 schepen.
- Door de grote concurrentie tussen de verschillende voorcompagnieën stegen de inkoopprijzen en daalden de winsten.

Om aan de onderlinge concurrentie een einde te maken werd in 1602 de VOC opgericht.
DE VOC KREEG GROTE BEVOEGDHEDEN VAN DE STATEN GENERAAL:
- Handelsoctrooi op Oost.
- Zelfstandig verdragen sluiten met Inheemse vorsten.
- Zelfstandig oorlog voeren in Azië.
- In Azië forten bouwen.

De VOC kreeg deze bevoegdheden omdat de Republiek Nederland oorlog had met Spanje. Ook Portugal was doelwit omdat zij sinds 1580 verenigd waren met Spanje.

VOC VERWIERF GOEDE ECONOMISCHE RESULTATEN:
- In 1625 was de VOC de grootste handelsonderneming ter wereld (de eerste multinational)
- Tussen 1621 en 1670 verwierf de VOC wereldmonopolie op de handel in specerijen



DEZE RESULTATEN WERDEN VERKREGEN, DOORDAT:
- Toegang te verwerven tot de specerijengebieden in de Molukken en in Bantam en Atjeh.
- De Britten en de Portugezen te verdrijven.

Het hoofdkwartier van de VOC werd in 1619 van Ambon naar Java verplaatst, vanwege de meer centrale ligging van de handelsroutes. Jacatra kreeg de nieuwe naam Batavia. Er was veel verzet van de inheemse vorst aldaar, de Britten en de Bantammers maar Jan Pieter zoon Coen kwam als winnaar uit de strijd.

DE VOC BREID HAAR MACHT UIT:
- Verschillende nieuwe handelsposten (factorijen) worden geplaatst in andere delen van de archipel.
- Inter-Aziatische handel wordt ook belangrijk voor de VOC. Textiel bleek winstgevend en goed voor de ruilhandel.

De aandacht verschoof dus van de Molukken naar Java omdat suiker en koffie nieuwe belangrijke handel werd, maar niet te verbouwen viel op de Molukken. Op de Molukken had de VOC wel een monopolie op de handel in nootmuskaat en foelie doordat:
- Deze specerijen alleen op de Molukken voorkwamen.
- De Molukken een kleine eilanden groep was die makkelijk te controleren viel.

IN DE LOOP VAN DE 18e EEUW TRAD VERVAL OP IN DE ORGANISATIE VAN DE VOC, DOOR:
- Toenemende concurrentie van Engeland.
- Toenemende concurrentie binnen de VOC.
- Gebrek aan kapitaal (door verliezen)
- Ook de handelsverdragen die de VOC sloot met de inheemse vorsten,omdat er een verschil van waarde door de twee partijen aan werd vast geknoopt:
- De inheemse vorsten zagen de verdragen als tijdelijke verdragen.
- De VOC zag het als bindende verdragen omdat zij een monopolie wilden verwerven.

Er was in deze periode niet echt sprake van een kolonie maar van een handelsrelatie tussen twee landen. Er waren weinig contacten tussen de Indonesische bevolking en de VOC.
OORZAKEN HIERVAN WAREN:
- De VOC nam niet het bestuur van de Indonesische vorsten over, maar sloot verdragen.
- Op Java verliepen de leveringen van rijst, hout, suiker en na 1725 koffie aan de VOC via de vorsten.

HOOFDSTUK :2 ‘DE TIJD VAN HET CULTUURSTELSEL’ (1830-1870)

DE NEDERLANDSE REGERING SLAAGDE ER NIET IN DE INDSICHE KOLONIE WINSTGEVEND TE MAKEN:
- Tijdens de Napoleontische periode de handel in Britse handen was gevallen.
- Nederland niet tegen Engeland kon concurrenen omdat zij met Britse goederen uit de textielindustrie heen kon varen en Nederland er met lege schepen heen moest.
- De Nederlandse staat ook nog eens de schulden van de VOC had moeten overnemen.



Om de kolonie toch winstgevend te maken besloot de Gouveneur generaal Johannes van den Bosch het cultuurstelsel in te voeren.
Het doel daarvan was de Nederlandse schatkist te spekken. Het cultuurstelsel hield het volgende in:
- Boeren moesten 1/5 deel van hun grond opstellen voor ‘cultures’ gewassen (gewassen die voor de handel aantrekkelijk waren)
- De boeren moesten de opbrengsten afstaan aan het Gouvernement in ruil voor plantloon.
- Om de regenten, bestuursambtenaren en dorpshoofden aan te zetten hun bevolking meer te laten produceren kregen zij een percentage van de opbrengstàcultuurprocenten.
- De producten werden in samenwerking met de NHM (de Nederlandse Handels Maatschappij) vervoerd en in Nederland verkocht.

HET CULTUURSTELSEL HIELD VOOR DE BOEREN NOG MEER IN:
- Javaanse dorpen moesten verplicht herendiensten verrichten. (helpen bij het aanleggen van infrastructuur etc)
- Het systeem van de landrente bleef gehandhaafd.

DOORDAT HET CULTUURSSTELSEL TE ZWAAR BLEEK WERD HET HERVORMD:
- De indigocultuur werd afgeschaft.
- Andere cultures werden afgeschaft omdat zij een te grote last waren.
- De controle werd verbeterd zodat misbruik werd tegengegaan.
- Nieuwe landbouw en waterregulering methodes werden geïntroduceerd.

POSITIEVE GEVOLGEN VAN HET CULTUURSTELSEL:
- Door plantloon werd ruilhandel vervangen door geldeconomie.
- Plantloon was variabel dus bij hoge opbrengsten steeg de welvaart en andersom.

NEGATIEVE GEVOLGEN VAN HET CULTUURSTELSEL:
- De werkdruk van de Javaanse bevolking nam toe.
- Rijsttekorten! Doordat het voor rijst nodige water voor suikerriet werd gebruikt.
- Misbruik van de cultuurprocenten (door de recenten etc); de grond kwam in handen van regenten en de regenten hielden delen van het plantloon wat zij moesten uitbetalen zelf.

GEVOLGEN VOOR NEDERLAND VAN HET CULTUURSTELSEL:
- De Nederlandse regering werd rijker en had geld voor de aanleg van infrastructuur en het uitstellen van de inkomstenbelasting.
- De transportsector werd enorm gestimuleerd.
- De katoenindustrie, die inmiddels in Twente was ontstaan, had een grote afzetmarkt.

Het cultuurstelsel waarde opzien in andere landen maar kreeg ook kritiek van de Nederlandse liberalen omdat dit staatinitiatief in de weg stond. Uiteindelijk werd het cultuurstelsel opgeheven en overgedragen aan particuliere bedrijven.







ORGANISATIE VAN HET BESTUUR IN NEDERLANDS INDIE:
- Het Nederlandse en inheemse bestuur functioneerden naast elkaar, het inheemse bestuur stond echter wel onder toezicht van het Nederlandse.
- Aan het hoofd van het Nederlandse binnenlandse bestuur stond de Gouverneur Generaal, geholpen door de residenten die de provincies bestuurden (welke op hun beurt weer werden bijgestaan door assistent-residenten en administrateurs en controleurs)
- Het lokale bestuur werd geregeld door regenten en inheemse vorsten (geholpen door plaatselijke hoofden)

De inheemse machtshebbers hadden dus een belangrijke rol bij het functioneren van het cultuursysteem. Dit was voor hun aantrekkelijk want:
- Zij ontvingen cultuurprocenten.
- Zij waren blijvend verzekerd van een bestuursfunctie.
- De Nederlandse overheid beloonde hen extra (bij goede opbrengsten) door de bestuurfunctie erfelijk te maken.

De inheemse bevolking had nog steeds niet veel te maken met de Nederlanders:
- De inheemse vorsten stonden in contact met hun onderdanen, de Nederlanders niet.
- De kennis van Nederland werd nog niet aangemoedigd. Van cultuurvermenging was (nog) geen sprake. Er waren tevens nog niet al teveel Nederlanders.

HOOFDSTUK :3 ‘AFRONDING EN CONSOLIDATIE VAN HET NEDERLANDS GEZAG ‘(1870-1918)

Aan het eind van de 19e eeuw waren de buitengrenzen van de Nederlands-Indische archipel internationaal erkend. Binnen Indonesië waren echter nog gebieden waar het koloniale bestuur nog niet was door gedrongen.
Die gebieden gehoorden alleen op papier aan de Nederlanders toe. Dit veranderde tussen 1870 (volgens de stofomschrijving pas in 1894 met het begin van de Lombok expeditie) en eindigde in 1918 (einde van de onrust om Atjeh). Deze tijd wordt het ‘moderne imperialisme’ genoemd.

Met het moderne imperialisme wordt bedoeld het proces van versnelde uitbreiding van de westerse macht in gebieden die tot op dat moment niet, of slechts op papier door een westers land werden bestuurd.
Daarbij werden die gebieden onder daadwerkelijk politiek gezag en koloniaal bestuur gebracht.

REDENEN VOOR HET MODERNE IMPERIALISME:
- Politiek motief; met meerdere koloniën konden een grotere rol spelen in de wereldpolitiek.
- Economisch motief;
- er waren grondstoffen nodig voor de industrie
- men had afzetmarkten nodig voor de overproductie
- Moreel motief; de westerse landen hadden een ‘ontwikkelingsideaal’ zij hadden het idee dat deze onontwikkelde volken opgevoed moesten worden.

Tot 1890 voerde de Nederlandse regering een politiek van onthouding in de kolonie. Dit hield in dat er wel contracten werden gesloten met de inheemse vorsten maar er werden geen nieuwe gebieden of nieuwe vorsten onder Nederlands gezag gebracht. In de buitengewesten werd het koloniaal gezag slechts op kleine schaal uitgebreid met behulp van het KNIL (Koninklijk Nederlands – Indische Leger). Het KNIL deed het volgende (of kon dat doen):
- Ingrijpen wanneer vreemdelingen, van wie men bedreiging van het Nederlands gezag verwachtte, ergens binnen drongen.
- Ingrijpen wanneer een gebied veilig moest worden gesteld voor exploitatie van delfstoffen.
- Ingrijpen wanneer een inheems bestuur zeeroverij of slavenhandel toeliet.
- Ingrijpen wanneer er opiumsmokkel plaatsvond zoals op Lombok.

De Nederlandse politiek liet de ‘politiek van onthouding’ varen en liet deze plaats maken voor een expansiedrift van het modern imperialisme.
In plaats van de gebruikelijke contracten die voorheen werden gesloten met de inheemse vorsten en dorpshoofden werd er nu gebruik gemaakt van ‘de korte verklaring’. Deze hield in dat, in tegenstelling tot de contracten, de ‘samenwerking’ geen bondgenootschap of alliantie betrof, maar dat de inheemse vorsten bij het tekenen van de korte verklaring volledige onderwerping aan de Nederlandse bestuurders aanvaarden.

KORTE VERKLARING:
- Het Nederlandse gezag moest in het vervolg aanvaard worden.
- De inheemse vorst en bevolking moeten in het vervolg de regels van het gouvernement opvolgen.
- Geen zelfstandige buitenlandse politiek bedrijven.

Vorsten die de korte verklaring niet wilden tekenen werden met geweld gedwongen.
Zoals eerder gezegd werd in 1850 het cultuurstelsel overgedragen aan particuliere bedrijven.
De suikerwet in 1870 (deze wet bepaalde dat alleen de aanwas van suikerriet nog door het gouvernement geregeld werd, de rest van het proces kwam in handen van particuliere instanties) betekende het einde van het stelsel. Onder andere de mijnbouw en de landbouw vielen in particuliere handen.

DE ECONOMISCHE GROEI WERD VERDER VERSTERKT DOORAT:
- Opening van het Suezkanaal, zorgt voor kortere en goedkopere reizen.
- De komst van stoomschepen
- De invoering van de telegraaf (1876)
- De invoering van elektriciteit
- Aanleg van infrastructuur op met name Java en Sumatra
- Koninklijke en Shell (Brits) fuseren in 1902 en gaan samen onder de naam Koninklijke Shell aardolie winnen.

Door de groeiende economie ontstond er tevens een groeiende vraag naar arbeiders. Het dunbevolkte Sumatra bood geen uitkomst en als er inwoners waren wilden zij niet in loondienst voor de landbouwondernemingen. Om het probleem op te lossen werden er arbeiders uit China en Java gehaald om te werken. Zij werden contractkoelies genoemd omdat zij drie jaar voor een planter zouden werken en een voorschot op hun loon zouden krijgen. De arbeidsomstandigheden waren slecht. (eenzijdig voedsel, geen medische zorg en zware straffen bij ongehoorzaamheid)

Eind 19e eeuw treedt er een economische crisis op door overproductie van suiker (1884). Als deze samenvalt met een opstand van Javaanse boeren betekent dit voor hen hongersnood en hoge belastingen.

Als reactie besloten verschillende boeren voor zichzelf te beginnen. Geholpen door Chinese tussenhandelaren krijgen zij het van de grond. Vooral rubber en copra blijken lucratief voor hen. Dit was niet verboden want Indonesië was vrij voor particulieren.

De Europese ondernemers keken neer op de inheemse bevolking omdat zij volgens hen: dom, lui en onwillig waren. Dit denkbeeld ontstond doordat de inheemse bevolking het westers economisch systeem niet zonder meer accepteerde.

De reactie van de inheemse bevolking op de Europeanen verschilde van acceptatie tot verzet.
Niet alle gebieden waren bestemd voor de landbouw en de personen die daar woonden zagen zelden of nooit Europeanen. De Indo – Europeanen (mensen van gemengde afkomst) vertoonden een algemene bereidheid tot aanpassing. Waarmogelijk zelfs een toenadering tot de Nederlanders en hun cultuur. Dit als gevolg dat zij niet werden geaccepteerd door de inheemse bevolking. Er ontstond een sociale kloof doordat ook de Europeanen hen niet als vol aanzagen. Zij hadden minder kans op sociale en maatschappelijke ontplooiing.

HOOFDSTUK: 4 ‘ETNISCHE POLITIEK EN NATIONAAL BEWUSTZIJN’ (1900 – 1942)

KRITIEK OP KOLONIAALSTELSEL:
- Al in 1860 werd de uitbuiting van het Indonesische volk aan de kaak gesteld in het boek ‘Max Havelaar’ van Multatuli.
- ARP (Anti – Revolutionaire Partij) pleit voor ‘voogd’ rol in Nederland. In het partijprogramma van de partij van Abraham Kuyper staat dat Nederland de plicht op zich moet nemen de Indonesiërs op te voeden en op termijn zelfstandig te laten worden.
- In 1899 publiceert C.Th van Deventer dat Nederland een ereschuld terug te betalen heeft aan Indonesië doordat zij tijdens het cultuurstelsel enorme bedragen vergaard had. Dit kon terug betaald worden volgens van Deventer door het doorvoeren van hervormingen in het belang van de inheemse bevolking.

In de troonrede van 1901 (samengesteld door een coalitie van antirevolutionairen en katholieken onder leiding van Abraham Kuyper) wordt de ‘Etnische politiek’ aangekondigd.

DE ETNISCHE POLITIEK HIELD IN DAT:
- De Javaanse bevolking een betere infrastructuur kreeg.
- De landbouwmethodes en de algemene landbouw verbeterd werd.
- De emigratie naar andere eilanden van de archipel bevorderd werd.
- Het onderwijs verbeterd werd.
- Verbeteringen in de gezondheidszorg.
- Verbeteringen in de positie van arbeiders. (contact/vakbonden)
- Beperkte democratisering.


TOCH HAD DE ETNISCHE POLITIEK NIET HAAR DOEL BEREIKT:
- Door de groeiende bevolking, en doordat boeren verstrekte kredieten gebruikten voor consumptie kon de economische positieve ontwikkeling dit niet goedmaken.
- Onderwijsverbeteringen bleven beperkt tot lager onderwijs en landbouw voorlichting. Voor de Indonesische bevolking was het een te grote opgave voorzieningen te treffen de gehele bevolking van scholen en leraren te voorzien.
- Arbeidsinspectie ter bevorderingen van de levensomstandigheden voor de arbeiders werkte niet.
- Etnische politiek werd niet geaccepteerd door (Europees) particulier bedrijfsleven die streefden naar winsten.
- Gouvernement hield de touwtjes stevig in handen en van (beperkte) democratisering kwam niet veel terecht.

Aan het eind van de 20e eeuw ontstonden er onder de Indonesische bevolking organisaties die streefden naar:
- Bewustmaking van de eigen identiteit.
- Belangenbehartiging van specifieke sociale of religieuze groepen op regionaal-etnische grondslag.
- Inspraak in het bestuur.

NIET POLITIEKE ORGANISATIES IN INDONESIE MET GROTE INVLOED:
- BOEDI OETOMO (Gematigd progressief) (1908)à De ontwikkeling van de Javaanse bevolking door verbeterde toegang tot en uitbreiding van onderwijs naar westers model.
- INDISCHE PARTIJ (Progressief) (1912)à Streven naar zelfstandigheid Indonesië; aanhanger vooral Indo-europeanen.
- SAREKAT ISLAM (Confessioneel) (1912)à Behartigen van de belangen van de Indische handelaren.

Tegen niet-politieke organisaties nam de Nederlandse regering een gematigde houding aan. Zij kregen gemakkelijk toestemming voor het houden van bijeenkomsten etc. Tegen de organisaties met een politieke inslag, die zich tegen het Nederlands gezag zouden kunnen keren werd hard opgetreden. Oprichters van de Indische partij werden bijvoorbeeld naar Nederland verbannen.

DE POLIEKE BEWUSTWORDING VAN DE INDONESISCHE BEVOLKING WERD GEVOED DOOR EEN AANTAL FACTOREN:
- Door de 1e wereldoorlog was er weinig contact tussen de Indonesiërs en de Nederlanders waardoor Indonesië meer op zichzelf kwam te staan.
- In de 1e wereldoorlog waren in de verschillenden andere koloniën nationalistische partijen ontstaan, deze vormden een voorbeeld voor Indonesië.
- In het kader van de etnische politiek kregen de Indonesische elite toegang tot onderwijs, en kwamen in aanraking met de westerse politiek.
- Door oprichting van de Volksraad kregen de Indonesiërs beperkte inspraak.
- Door verbeterde communicatie kreeg men inzichten van de mogelijkheden.
- Door de Japanse oorlog kreeg de Indonesische bevolking een groter gevoel voor eigen waarde. (voor het eerst won een niet blank van een blank volk.

IN DE JAREN ’20 ONTWIKKELDEN NIET-POLITIEK PARTIJEN ZICH TOT POLITIEKE PARTIJEN:
- PKI (Partai Komunis Indonesia)à streefde naar een onafhankelijk Indonesië, dat een klasseloze maatschappij moest zijn. (In 1926 startte zij een opstand op Java welke door het Gouvernement werd onderdrukt, aanhangers van de PKI werden verbannen naar ‘Boven Digoel’.
- PNI (Partai Nasional Indonesia)(Opgericht in 1927 door Soekarno)à streefde naar:
- Nationale soevereiniteit
- Sociale economie
- Democratische Staatsbestel

REACTIES VAN HET NEDERLANDS-INDISCHE GOUVERNEMENT OP HET NATIONALISME:
- Organisaties die niet wilden samenwerken met het Nederlands gezag werden verboden.
- Er kwam censuur.
- Leiders en aanhangers van verboden partijen werden gearresteerd en gevangen gezet.

De Indonesiërs hoefden van de Nederlanders hun eigen cultuur niet op te geven maar dienden wel in te passen in de Europese cultuur. Dit veroorzaakte spanningen.

HOOFDSTUK: 5 ‘DE PERIODE ROND DE DEKOLONISATIE’ (1942-1962)

Op 7 december 1941 mengt Japan zich in de 2e Wereld Oorlog door de aanval op Pearl Harbor. Naast Engeland en de VS behoorde ook Nederland tot de geallieerden en deze verklaarden Japan de oorlog. Voor Japan was Nederlands-Indie belangrijk voor zijn olierijkdommen. Op 11 Januari 1942 was het ‘olie eiland’ Tarakan dan ook Japan zijn eerste aanval. Vanaf die dag voerde Japan overal landingen uit: op Celebes, de Molukken, Borneo, Timor, Bali en Sumatra. Op 27 februari 1942 begon de slag in de Javazee met onder andere Nederlandse schepen. Op 1 maart landde het Japanse leger op vier plaatsen tegelijk. Op 9 maart capituleerde Java. Op Sumatra duurde de strijd tot 28 maart. Japan was veel te groot in de lucht en op de zee in vergelijking met de KNIL.

Japan maakt een einde aan het Nederlands gezag in Indonesië door alle Nederlanders (en later ook de Indo-europeanen) in interneringskampen te plaatsen. De hoogste functies werden nu bezet door Japanners.

Tijdens de Japanse bezetting groeide het nationalisme onder de Indonesiërs. Onder andere aangewakkerd door de anti westerse propaganda van de Jappen. Omdat de Japanners alleen de hoogste ambtelijke functies vervulden was er plaats voor Indonesiërs in de politiek.

De Jappen voerden in Indonesië de Japanisering in. In Indonesië ging men over op de Japanse jaartelling en de Tokio tijd. Japanse feestdagen werden gevierd en de Indonesische vlag werd verboden.

De Japanners beschouwden de nationalistische partijleiders als vertegenwoordigers van het volk en schakelden die in om het volk ervan te overtuigen om bij het Japanse leger te gaan. Soekarno verkondigde dit. Door deze medewerking van de partijen kreeg de Indonesische samenleving meer speelruimte en er werd onafhankelijkheid beloofd. De vlag werd niet meer verboden en Soekarno en Hatta mochten politieke bijeenkomsten houden. Soekarno kreeg zelfs toestemming een paramilitaire jeugdorganisatie op te zetten.

De Nederlandse regering ging er nog steeds van uit dat zij na de oorlog Indonesië weer zouden krijgen. Op 15 augustus 1945 capituleerde het Japanse leger. Twee dagen later riepen Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republiek Indonesië uit. Een centraal bestuursapparaat en eigen leger moest echter nog worden opgezet.

Door het machtsvacuüm wat ontstond (er waren geen andere ambtelijke functies bezet en er waren tevens geen Nederlandse KNIL soldaten) gingen radicale republikeinse jongeren iedereen aanvallen die ervan verdacht werd met Nederlanders te sympathiseren omdat zij bang waren dat het Nederlands koloniaal gezag hersteld zou worden. Deze periode wordt de ‘Bersiap’ genoemd.
De Nederlanders gebruikten na de oorlog de leus ‘Indie verloren rampspoed geboren’ omdat zij verwachten grote economische voordelen te kunnen halen uit Indonesië die nodig waren voor de wederopbouw van Nederland. De voogdijgedachte bestond ook nog steeds.

Door sterke internationale druk op de fictieve schouders van Nederland door de VS en Engeland ging Nederland rond de tafel met Indonesië. Alhoewel dit volgens Nederland niet juist was (Indonesië was nog steeds een onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden en daar behoorde je niet mee aan tafel te zitten). De Nederlanders weigerden met Soekarno of Hatta te praten omdat deze tijdens de oorlog met de Japanners hadden samengewerkt. De gesprekken gingen dan ook tussen Van Mook (Nederlands-Indische luitenant-gouverneur-generaal) en de Indonesische premier Sjahrir die niet had samengewerkt met de Jappen.

HET AKKOORD VAN LINGGADJATI:
- Nederland zou het gezag van de Republiek Indonesië op Java en Sumatra erkennen.
- De Republiek zou akkoord gaan met de verdeling van Indonesië in deelstaten.
- Elke deelstaat zou zijn eigen taken en bevoegdheden hebben.
- Een centrale federale regering zou de gemeenschappelijke taken en belangen van de deelstaten behartigen.
- De federale staat Indonesië zou na de soevereiniteitsoverdracht (het formeel zelfstandig worden van de Verenigde Staten van Indonesië) met Nederland verbonden zijn in een Nederlands Indische unie.

Voor beide kanten was het een compromis en om dit verdrag te verkondigen aan de achterban bleek moeilijk. Dit leidde zelfs tot nieuwe vijandelijkheden en Nederland stuurde 150.000 militairen die twee acties uitvoerden. Dit werden ‘politionele acties’ genoemd omdat het geen oorlog kon zijn (binnenlandse kwestie)


DOEL 1e POLITIONELE ACTIE (OPERATIE PRODUCT):
- Heroveren van gebieden waar bedrijven stil lagen die eigenlijk zouden moeten produceren voor de wereldmarkt (De Nederlandse schatkist zou gespekt worden als deze Nederlandse bedrijven weer zouden produceren).
- Gebieden veroveren zodat zij deze konden gebruiken als onderpand in de onderhandelingen met de Republiek Indonesië.
- Het ten val brengen van de Indonesische nationalisten (dit had kunnen gebeuren door de verovering van de stad Djokjakarta, Operatie product liet deze stad echter met rust omdat er verdeeldheid was in de Nederlandse politiek.

De actie was een succes maar Nederland werd terug geroepen door de VN en daarom duurde de actie maar twee weken. Men ging weer aan de onderhandelingstafel en ontstond een guerrilla oorlog. De onderhandelingen verliepen stroef en ook de guerrilla acties werden heviger. Nederland besloot hierop een tweede politionele actie te starten. Deze was duidelijk wel gericht tegen de Republiek Indonesië en Soekarno en Hatta werden in Djokjakarta poor para’s gevangen genomen. De VS dreigde de Marshallhulp op te zeggen als deze actie niet zou worden stopgezet en dit was dan ook het geval na 18 dagen.

Slachtoffers tijdens twee politionele acties voor Indonesië: +/- 150.000
Slachtoffers tijdens twee politionele acties voor Nederland: +/- 5.000

Op 27 december 1949 werd Indonesië door de soevereiniteitsoverdracht officieel onafhankelijk. Maar hiermee was de dekolonisatie nog niet voltooid:
- Nederlandse bedrijven hielden een overheersende positie in Indonesië.
- De politiek moest door onervarenheid nog voortbouwen op de Nederlandse koloniale erfenis.
- Nieuw-Guinea behoorde niet tot de soevereiniteitsoverdracht. In de periode 1945-1957 kwamen veel Nederlanders (terug) naar Nederland omdat zij hun leven niet zeker waren doordat de verhoudingen tussen de twee landen verslechterde. Ook Indo Europeanen kwamen naar Nederland omdat zij slechte maatschappelijke vooruitzichten hadden.

Bij de soevereiniteitsoverdracht was de Republiek Indonesië opgesplitst in deelstaten. Spoedig maakten de Indonesische nationalisten hier een eind aan. Alleen de deelstaat Oost-Indonesie was er hevig verzet. Molukse leiders riepen in april 1950 zelfs de RMS (Republiek Maluku Seletan) uit, oorlog was het gevolg.

Tussen 1945 en 1957 kwamen er in totaal 300.000 emigranten ons land binnen.

De verhoudingen tussen Nederland en Indonesië verslechterde omdat zij beide aanspraak maakten op Nieuw Guinea.
DE STRIJD OM NIEUW GUINEA WERD EEN PRESTIGEWEDSTRIJD:
- Nederland wilde N-G omdat zij nog steeds frustraties had over het verlies van Indonesië.
- Indonesië wilde N-G omdat Soekarno dit beschouwde als grondgebied van Indonesië.
- Voor Indonesië zat er nog een positieve kant aan voor deze kwestie want zo kon Soekarno de aandacht afleiden van de binnenlandse problemen.

Hierop volgde een nieuwe etnische politiek (voogdijgedachte) maar nu ten opzichte van de Papoea’s in Nieuw Guinea. In 1956 escaleerde de spanningen tussen Nederland en Indonesië tot een diplomatiek conflict.
INDONESIE NAM EEN AANTAL ANTI-NEDERLANDSE MAATREGELEN:
- In 1957 worden alle Nederlandse bedrijven onder toezicht van de Indonesische regering gesteld en in 1985 worden zij genationaliseerd.
- In 1960 verbrak Indonesië de diplomatieke betrekkingen met Nederland.
- Het Indonesische leger infiltreerde in Nieuw Guinea.

In 1962 grijpt de VN in en Nederland draagt Nieuw Guinea over aan een VN-Interim-Bestuur. Die dragen op hun beurt N-G weer over aan Indonesië. In 1963 werd de diplomatieke relatie op een laag niveau hersteld.

CHRONOLGISCH OVERZICHT:

1596 Eerste 4 Nederlandse schepen bereiken Indië
1602 VOC wordt opgericht
1799 VOC wordt opgeheven
1830 Cultuurstelsel wordt bedacht
1850 Cultuurstelsel wordt hervormd
1860 Multatuli brengt Max Havelaar
1869 Opening Suez-kanaal
1870 Begin Nederlands modern imperialisme
1873 Tot 1903 Atjeh oorlog
1903 Decentralisatiewet
1911 Sarekat Islam opgericht
1918 Einde Nederlands modern imperialisme
1942 Japan verovert Nederlands-Indie
1945 Japan capituleert
1946 Akkoord van Linggadjati
1947 1e politionele actie
1948 2e politionele actie
1949 Soevereiniteitsoverdracht

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

Hallo!

Bedankt om je werkstuk op internet te zetten, het was heel erg leuk! Ik heb het ingeleverd op school en het was perfect!
Ik zit nu in de derde klas, mavo. Heb dus dankzij dit werkstuk een goed cijfer gehaald!!

Bedankt xxx Naomi

19 jaar geleden