Deelvraag: wat zijn staten en wat zijn naties en hoe zijn ze ontstaan?
1.1 Staatsvorming
Leenstelsel: systeem van onderlinge persoonlijke relaties tussen leenheer en leenman, waarbij de leenman grond ter beschikking krijgt in ruil voor diensten zoals besturen en oorlog voeren.
Dit leenstelsel heet ook wel het feodaal stelsel.
Vaak kocht je je functie, waarna je geen belasting hoefde te betalen, omdat je die functie hebt.
Geen nationale rechtspraak, belastingheffing, geen munten en maten, geen nationale politiek, niet een taal, landelijk onderwijssysteem, politieapparaat of leger.
Nieuwe monarchen: Europese vorsten uit eind vijftiende, begin zestiende eeuw, die streefden naar een krachtig centraal gezag en afbraak van de middeleeuwse privileges.
Er trad bureaucratisering op: de ambtenarij werd geprofessionaliseerd.
Dat gold ook voor het leger: de militarisering ( in het algemeen: legerinspanningen opvoeren. De nieuwe monarchen huurden een professioneel leger in plaats van gebruik te maken van edelen en boeren) Deze ontwikkeling is goed te zien aan de manier waarop de Franse koningen de macht probeerden te centraliseren. Frans I : ambtelijke banen te koop, kardinaal Richelieu: schafte dit af.
Er kwamen intendanten: ambtenaren die namen de Franse koning in de provincies bestuursmacht uitoefenden.
Lodewijk wilde laten zien dat hij de allergrootste was, Faire grand, daar ging het om. (ceremonies: ‘lever, diner et coucher’: opstaan eten en slapengaan)
Conseil en haut: raad van 3 ministers (omdat ze in de vertrekken van de koning ‘boven’vergaderden.)
Lodewijk wilde alle macht , dit deed hij zo:
- De macht van de provincies, de adellijke regionale parlementen ( gesprekspartners van de koning)en de ambtelijke ondernemers werd uitgeschakeld.
- Het Edict van Nantes (recht op eigen geloof) werd herroepen, en alleen katholicisme was nog toegstaan.
- Hij werkte aan een sterk huurleger
Absolutistische staat:staat die bestuurd wordt door een vorst die alle macht uitoefent (‘un roi, une foi, une loi’, een koning, een geloof, een wet)
Ancien regime: benaming voor het regeringssysteem,van voor de Franse Revolutie.(lodewijk)
Dit werkte niet:
- Lodewijk moest de edelen te vriend houden, wat heel veel geld kostte
- Enorme afstanden in zijn rijk (dus niet een belastingverplichting)
- Oorlogen (veel geld)
Omdat dit alles zoveel geld kostte, gingen ze de ambtelijke functies weer verkopen.
De standenvergadering die Lodewijk XVI bijeenriep leidde tot de Franse Revolutie.
Nederland; Karel V , werd opgevolgd door Filips II, die behalve Spanje, ook de Nederlanden erfde. Hij wilde de macht centraliseren. Daarnaast wilde hij eenheid van geloof (vaak rooms-katholiek)
Unie van Utrecht: de opstandige Nederlandse gewesten in het noorden sluiten zich in 1579 aaneen. (ze zouden optreden ‘als of zyluyden maer een provincie waeren’)
Privileges: voorrechten voor groepen en steden, waardoor de macht van de vorst in de zestiende eeuw verbrokkelde
Acte van verlatinghe: verdrag van de opstandige Nederlanden onderling, waarin Filips II als vorst wordt afgezworen
Republiek der zeven verenigde nederlanden: statenbond van Nederlanden die zich vrijgemaakt van Spanje
Definitieve erkenning van de Republiek: vrede van munster: internationale vredesregeling uit 1648 die een einde maakt aan de dertigjarige oorlog in het duitse rijk en aan de tachtigjarige oorlog.
De Republiek ontstond tijdens en door de oorlog met Spanje. Een oorlog uit verzet tegen centralisatie en de bestrijding van de hervorming.
De inning van belasting was in handen van particuliere pachters. Dat duurde tot aan de bataafse republiek: Nadat Willem V als stadhouder verdreven was , werd dit vanaf 1795 de nieuwe benaming voor de Nederlandse staat.
Natie: komt van nascor (= geboren worden): groep mensen die uit een bepaald gebied komen en zich onderling verbonden voelen vanwege verwantschapsbanden, taal of gemeenschappelijke cultuur en geschiedenis.
Staat: bestuurlijke organisatie van een land
Een staat kan bestaan zonder dat de inwoners ervan een natie vormen, bijv. Belgie, een natie, zoals bijv. de Koerden kan onder verschillende staten vallen, in dit geval Turkije, Irak en Iran.
Nationaal besef: gevoel tot een natie te behoren. Zelfde als nationaal gevoel.
Aan het begin van het nationaal besef werd in Frankrijk bijv. het gebruik van de Franse taal sterk aangemoedigd. Ze vonden de Franse taal het beste.
Vanaf de 18e eeuw pakten staten de natievorming steeds bewuster aan. Dat gebeurde oa via het onderwijs en het leger. Er werd heel veel geld uitgegeven voor oorlogen.
Servan de Gerbey : Le soldat citoyen: de dienstplicht zou kunnen bijdragen tot een grotere nationale eenheid. Een heroische dood op het slagveld was een daad voor het vaderland.
De maatschappij tot nut van het algemeen: het Nut: organisatie die onderwijs en opvoeding van het volk wilde bevorderen in de Republiek.
Bataafse mythe: het geloof dat de Bataven de voorvaderen van de Nederlanders waren en aan de wieg van Nederland hebben gestaan, uit verzet tegen de Romeinen.
Hoofdstuk 3
Volk: hetzelfde als natie
Nationalisme: het streven van een natie naar een eigen staat en/ of de overtuiging dat de eigen natie de beste is van allemaal.
Er is niet echt een grondlegger voor het nationalisme, maar Johann Gottfried Herder wordt soms wel als bedenker ervan gezien. Hij had geen politiek programma, maar wel ideeen over natie en cultuur. Hij vond dat de natie een organisch geheel is en het zou als een grote familie moeten samenleven. Staten waren niet nodig.
Culturele nationalisme: de nationale identiteit zoeken in de cultuur, zoals in literatuur, kunst en muziek.
Nationale identiteit: omschrijving van dat wat je als volk samenbindt.
Verschillende uitingen van de nationale cultuur: schrijven, muziek, natuur van het vaderland.
Componist Michail Ivanovitsj Glinka: ontdekte dat de Italiaanse opera zo mooi en goed was omdat hij zo Italiaans was.
Turngesellschaft: door de Duitser Jahn opgericht in de negentiende eeuw om het nationaal gevoel van de Duitsers te versterken. Bedoeld om de jeugd fit te krijgen voor een opstand tegen Napoleon.
De duitste nationalistische beweging wilde een eenheidsstaat: alle zelfstandige delen moesten opgaan in een groeter geheel en tegelijk zouden er vrijheid en grondrechten moeten komen en een grondwet waarin dat allemaal was vastgelegd.
Frankfurter parlement: Nationale vergadering in Duitsland in het revolutiejaar 1848. De Vergadering was bijeen om een Duitse staat uit te roepen en te organiseren. Ook wel Professorenparlement genoemd.
Veel radicalen keerden zich tegen het parlement. De Duitse eenwording was in handen van Pruisen. De eenheid kwam dan ook met ‘bloed en ijzer’tot stand: door oorlogvoering en met behulp van de sterke arm van Pruisen.
Tweede Duitse keizerrijk: uitgeroepen door Pruisen in Versailles, na de overwinning op Frankrijk. Het eerste keizerrijk was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie geweest.
Halverwege de eeuw waren in Italie 2 eenheidsbewegingen tegelijk bezig. Een vanuit het noorden(ze wilden de noordelijke staten verenigen) en een vanuit het zuiden (ze wilden heel Italie verenigen)
Een andere overeenkomst met het Duitse nationalisme was de koppeling aan idealen , zoals een liberale grondwet, en het uiteindleijke verlies daarvan. De man uit het zuiden, Giuseppe Garibaldi, vocht behalve voor de eenheidsstaat ook voor de vrijheid. De leider van de noordelijke eenheidsbeweging, Camillo Benso di Cavour voelde zich bedreigd en vond Garibaldi te revolutionair.Hij wilde van Italie een sterke eenheid maken.
Kerkelijke staat: gebied dat door de paus van Rome bestuurd wordt. Nu slechts een wijk in Rome, Vaticaanstad.
Verschillen met de Duitse eenwording: in Italie werd het door de bevolking goedgekeurd, in Duitsland niet.
Oost-Europa werd beheerst door drie keizerrijken: Rusland olv de tsaren, de Habsburgse Donaumonarchie en het Ottomaanse of Turkse Rijk.
Turkse rijk: de zieke man van Europa, doordat ze steeds stukjes gebied verloren, omdat ze te zwak, te log, te ouderwets en te uitgeput waren.
In de Donaumonarchie vormde de eerste aanzet tot het nationalisme het verzet tegen het beleid van keizer Josef II.
Hongarije: steeds meer staatjes eisten onafhankelijkheid.
Ausgleich: compromis dat in 1867 werd gesloten tussen Hongaren en Oostenrijkers. Voortaan bestond het Habsburgse Rijk uit 2 delen, met elk een parlement en een regering. In de praktijk overheersten de Oostenrijkers de Hongaren nog steeds.
Ottomaanse rijk: ze brokkelden uit elkaar, eerst Griekenland, daarna ook Roemenei, Servie, Montenegro, Bulgarije en Albanie.
Rusland: verzwakking van de centrale macht. Was verliezer in de Krimoorlog en raakte daardoor de Donaudelta kwijt. De Februarirevolutie maakte een einde aan het tserenrijk. Voortaan was Rusland een republiek. Lenin trok zich terug een de oorlog en sloot een voor Rusland heel onvoordelige vrede. (vrede van Brest-Litovsk) Hierdoor verloren ze veel grond.
De samenvatting gaat verder na deze boodschap.
Verder lezen
REACTIES
:name
:name
:comment
1 seconde geleden