Module 5

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1572 woorden
  • 18 januari 2004
  • 36 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 36 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Module 5 Politiek en staatsinrichting in Nederland en Europa

HST 1 PARAGRAAF 1.1

Einde democratie door WOI. Willem III wou geen koning worden, omdat zijn vader (Willem II) goedkeuring had gegeven aan een wijziging van de grondwet, waardoor koning veel minder macht had. Had Willem II gedaan om in NL een revolutie te voorkomen. Thorbecke had ontwerp bedacht:
3 veranderingen in grondwet:
- ministeriële verantwoordelijkheid (minister is verantwoordelijk voor alles wat vorst doet.)
- koning is onschendbaar (hij mag niks doen zonder toestemming van de ministers), ministers zijn verantwoordelijk.

- 2de Kamer werd door kiezers gekozen en 1e Kamer door Provinciale Staten (PS) en PS door kiezers: censuskiesrecht (beperkt kiesrecht. Ligt aan hoogte belasting die iemand betaald).
Ook kwam er trias politica (rechtsprekende, wetgevende, uitvoerende macht).
De Kamer werd tot 1917 via een districtenstelsel gekozen (NL in districten verdeeld. Per district 1 politicus gekozen). Sinds 1917 is evenredige vertegenwoordiging (alle stemmen van NL worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door aantal Kamerzetels = kiesdeler. Haalt partij 1x kiesdeler = 1 zetel, 2x kiesdeler = 2 zetels…)

PARAGRAAF 1.2

Eerst waren er geen politieke partijen, maar kwesties:
- schoolstrijd (openbare scholen kregen wel subsidie van de overheid, maar bijzondere scholen niet.)
- kiesrechtkwestie (eerst mochten alleen ‘goede mannen’ stemmen. Later kregen alle volwassen mannen stemrecht (actief kiesrecht (ak)) en mochten zich ook verkiesbaar stellen (passief kiesrecht (pk)). Vrouwen mochten pas 1917 pk en 1919 ook ak.)
Er kwam vrede over schoolstrijd en kiesrecht = pacificatie.

- sociale kwestie (1e sociale wet was kinderwet van Van Houten: verbood fabrieksarbeid onder de 12 jaar. Ook kwam er woningwet en ongevallenwet.)

De protestanten
1e politieke partij NL was ARP. Werd opgericht (1878) door Abraham Kuyper. Belangrijkste strijdpunt: gelijkstelling van het openbare en bijzondere onderwijs. Hij wou ook uitbreiding kiesrecht. Aantal ARP-leden waren daar tegen. Zij richtten (1908) CHU onder leiding van Savornin Lohman op.

De katholieken
Katholieken werden lange tijd gediscrimineerd. In de 19de eeuw werden liberalen hun bondgenoten, want zij wilden gelijke rechten voor iedereen. Tijdens schoolstrijd verenigden katholieken met protestanten, want die wilden zelfde. Kuyper bedacht anti-these: scheiding tussen gelovigen en niet-gelovigen. RKSP werd opgericht (1926 pas) door Schaepman.

De liberalen
Wilden vrijheid en gelijkheid. In 1885 verenigden ze zich in de Liberale Unie, maar raakten verdeeld over het kiesrecht en sociale kwestie. VDB kwam in 1901. deze liberalen wilden armoede bestrijden en vaak ook voor algemeen kiesrecht. In 1906 3de partij: de Vrij Liberalen. Zij wilden het overheidsingrijpen nog steeds tot het minimum beperken.

De socialisten
1e socialist in 2de Kamer was Nieuwenhuis, leider van de SDB (1881). Hij dacht dat socialistische maatschappij alleen door revolutie bereikt kon worden. Sommige SDB-leden vonden hem te radicaal en richtten onder leiding van Troelstra (1894) de SDAP op. Hij had grote aanhang. Hij ging revolutie proberen -> mislukte. Overige partijen wilden voorlopig niks meer met SDAP te maken hebben.

PARAGRAAF 1.3

Socialisten, liberalen, protestanten, katholieken leefden gescheiden van elkaar = verzuiling. (4 zuilen dus.) Was door Kuyper in gang gezet. Hij streefde naar ‘soevereiniteit in eigen kring’ (het recht om binnen je eigen kring je zaken te regelen). Je had ook nog SGP (1918). Was orthodox-protestants.

PARAGRAAF 1.4

Parlement = Staten-Generaal. NL is nu parlementaire democratie. Parlement bestaat uit 1e Kamer (75 zetels) en 2de Kamer (150 zetels). Parlement heeft 2 belangrijke taken:
- controleert de regering
- werkt mee aan totstandkoming van wetten
Om regering te controleren heeft parlement 3 rechten:
- recht van interpellatie. Een kamerlid mag een minister in het parlement ondervragen, waarbij de minister verplicht is om antwoord te geven.
- recht van enquête. Het recht van de Kamer om een onderzoek in te stellen naar het regeringsbeleid.
- recht van begroting. Vast stellen waar de uitgaven naartoe gaan en hoe de staat aan inkomsten komt. Op prinsjesdag (3de dinsdag september).

Rechten om wetgevende taak te vervullen:
- de 1e en 2de Kamer mogen stemmen over ieder wetsvoorstel.
2de Kamer heeft nog 2 rechten:
- recht van initiatief. Recht van een 2de Kamerlid om een wetsvoorstel in te dienen. (meestal doen ministers dat.)
- recht van amendement. 2de Kamer mag wijzigingen aanbrengen in een ingediend wetsontwerp.

Regering bestaat uit koningin+ministers. Ministers alleen = kabinet = dagelijks bestuur van het land. Minister-president (premier) is hoofd kabinet. Ministers staan ieder aan het hoofd van een departement of ministerie. Minister-president beheert altijd Ministerie van Algemene Zaken. Op ieder departement kunnen 1 of 2 staatssecretarissen benoemd worden. Zij nemen deel van de taak van de ministers over. NL is constitutionele monarchie (koninkrijk met een grondwet). Koningin (monarch) moet benoemen en ontslaan kabinet. En voorlezen troonrede.

HST 2 PARAGRAAF 2.1

SDAP richtte in 1946 nieuwe partij op: PvdA. De RKSP veranderde hun naam in KVP. De KVP-er Beel werd na de verkiezingen door de koningin benoemd tot formateur (stelt kabinet samen, zoekt ministers bij elkaar). Een fractie bestaat uit kamerleden die tot de zelfde partij behoren. Gewoonlijk wordt de formateur zelf premier. Vaak wordt eerst informateur benoemd (bereidt werk van formateur voor en zoekt uit welke partijen eventueel met elkaar zouden willen samenwerken). De partijen die samen de regering vormen = coalitie. Partijen buiten de regering = oppositie. Beel stelde een rooms-rood kabinet samen, coalitie tussen KVP en PvdA (socialistisch + katholiek dus). Tot 1948 was Beel premier en daarna socialist Drees. Vanaf toen werd de coalitie steeds aangevuld met CHU. ARP of de liberale VVD (1948). Ontmoetingen tussen werkgevers en vakbonden vonden plaats in de stichting van arbeid. In 1950 werd Sociaal Economische Raad (SER) opgericht om te overleggen. Linkse partijen zoals PvdA en CPN (1919) steunden onafhankelijkheid Indonesië, maar rechtse partijen zoals VVD, ARP, KVP niet. Links (progressief) = als ze niet tevreden zijn over de bestaande samenleving en deze rechtvaardiger en socialer willen maken. Rechts (conservatief) = wel goed. In 1949 Indonesië geen kolonie meer van NL.Ander belangrijk aandachtspunt van de rooms-rode regeringen was de verzorgingsstaat (staat die zo veel mogelijk voor zijn inwoners zorgt) ? in 1952 werkloosheidsverzekering verplicht en in 1957 algemene ouderdomswet (AOW) (geeft ouderen recht op uitkering).

PARAGRAAF 2.2

Steeds meer katholieken liepen over naar PvdA. Om dit te stoppen vaardigden de bisschoppen (in 1954) een mandement uit (dat katholieken niet op de PvdA mochten stemmen of naar de VARA mochten luisteren). Had maar kort effect. 1 van de belangrijkste redenen voor ontzuiling was toenemende ontkerkelijking. Vanaf eind jaren 60 vond snelle secularisering plaats (afname invloed van geloof in de maatschappij). 2de reden ontzuiling: katholieken voelden zich geen 2de rangs burgers meer. 3de reden: tv.
Dus 3 redens ontzuiling:
- toenemende ontkerkelijking
- katholieken voelden zich geen 2de rangs burgers meer
- tv
In 1957 werd PSP opgericht. In 1966: D66 door aantal Amsterdamse jongeren onder leiding van Hans van Mierlo. In 1968: PPR. Groep jongeren PvdA noemden zich Nieuw Links. De fractieleider van de KVP, Schmelzer, diende een motie in waarbij hij de socialistische minister van financiën vroeg om meer garanties voor een evenwichtige economische groei. De motie werd aangenomen met 75 tegen 62 stemmen. Het kabinet beschouwde dit als teken van wantrouwen en besloot af te treden. De nacht van schmelzer geeft spanning weer tussen parlement en regering.

Motie is een standpunt van een kamerlid over het beleid van een minister. Wanneer een motie door een kamermeerderheid wordt aangenomen moet de minister de motie uitvoeren of uitleggen waarom hij deze naast zich neerlegt. Als een kamerlid met de uitleg niet tevreden is, kan hij een motie van afkeuring indienen (dan treedt de minister af). De minister kan de portefeuillekwestie stellen (minister dreigt op te stappen als motie wordt aangenomen door de Kamer).

Dualisme = idee dat regeringsfracties en regering niet teveel moeten samenwerken. Als ze dat wel doen, komt de controlerende taak van het parlement in gevaar.
Monisme = idee dat regeringsfracties en regering goed moeten samenwerken en eigenlijk steeds op 1 lijn moeten zitten.
De nacht van Schmelzer betekende het eind van het harmoniemodel. Er vond een polarisatie (tegenstellingen aanscherpen) plaats. Er was dus sprake van polarisatie en dualisme.

PARAGRAAF 2.3

Arbeiders hadden laag loon ? tekort aan arbeiders ? loonexplosie ? verhoging van 15%. Jongeren vonden dat ze niks te zeggen hadden en dat alle macht bij kleine politieke elite lag uit oudere generatie. Vooral provo’s: protestbeweging uit jaren 60 zie zich verzette tegen machtsuitoefening. Protesteerde oa tegen woningnood, milieuvervuiling, wapenwedloop, Amerikaanse militaire ingrijpen in Vietnam. Hun meest spectaculaire protestactie: bezetting van het Maagdenhuis. Ander belangrijk protest jaren 60 kwam van de 2de feministische golf. Kwam in opstand tegen achtergestelde rol van vrouwen in de samenleving. Rond 1900 had je 1e feministische golf, vooral voor kiesrecht. In 1968 werd man-vrouw-maatschappij (MVM) opgericht voor gelijke beloning en kansen. Andere actiegroep voor rechten vrouwen: dolle mina, vooral voor abortus.

HST 3 PARAGRAAF 3.1

In 1982 Ruud Lubbers premier. Was leider van CDA. Toen kabinet Lubbers aantrad was werkloosheid gestegen, inflatie had 7% bereikt, investeringen sterk teruggelopen, uitgaven waren heel hoog. Uitkeringen verhoogd en uitbreiding verzorgingsstaat. Kost te veel ? alles weer terug (bijv uitkeringen weer verlaagd) ? protest. De regering ging privatiseren (=taken werden afgestoten naar bedrijfsleven, bijv PTT + NS werden zelfstandige onderneming). Ook decentralisatie (= overheid ging taken overhevelen naar lagere overheden, bijv provincie, gemeente).

PARAGRAAF 3.2

Begin jaren 80 grote opschudding door massale demonstraties tegen kruisraketten. Na verkiezingen in 1986 bleef coalitie CDA/VVD aan de macht in 2de kabinet-Lubbers. Maar kwam ten val in 1989. Daardoor kwam kabinetscrisis (wanneer kabinet niet langer aan kan blijven en aan de koningin ontslag aanbiedt). Soms wordt na kabinetscrisis meteen nieuw kabinet gevormd, maar meestal nieuwe verkiezingen. Totdat nieuw kabinet is aangetreden, neemt het oude kabinet de zaken waar = demissionair kabinet. De vervroegde verkiezingen van 1989 leidden tot 3de kabinet-Lubbers. CDA vormde deze keer coalitie met PvdA. In ’94 waren VVD en D66 grote winnaars. Samen met PvdA vormden zij een regering onder leiding van Wim Kok = paarse coalitie. Economie ontwikkelde zich weer en werkloosheid liep terug. Kwam door: poldermodel of overlegeconomie (vooral met overleg). Groenlinks kwam in 1989. Is links. Vooral voor natuur enzo.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

thanx voor de samenvatting hij was echt goed!!!

groetjes mark

18 jaar geleden