ADVERTENTIE
Eerste hulp bij leerachterstanden!

Het zijn gekke tijden. Loop jij, om wat voor een reden dan ook, achter met de lesstof? Met deze tips van Examenbundel gaat het jou sowieso lukken om je leerachterstand weg te werken. Het allerbelangrijkste is dat je in jezelf blijft geloven. Jij kan dit! #geenexamenstress

De tips van Examenbundel

Geschiedenis Module 2
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Vroeger werd er minder van de natuurverschijnselen begrepen dan nu. Regen, stormen, ziekten, onvruchtbaarheid en oorlogen waren grote vraagstukken. Het volk noemde het bovennatuurlijke krachten en tovenaars probeerden deze krachten te beheersen.
Magie of tovenarij is het uitvoeren van een ritueel om op een bovennatuurlijk manier iets voor elkaar te krijgen.
Magie met positieve doeleinden noemen we witte magie (streven naar succes bij de jacht, vruchtbaarheid, bescherming op reis of liefde)


Magie met negatieve doeleinden noemen we zwarte magie (schade toebrengen aan anderen door stormen, misoogst, ziekte of dood)
Heksen werden in het christelijke Europa van de 15e tot de 17e niet alleen van magie beschuldigd, maar ook van het vereren van de duivel. Dit omdat de duivel heel belangrijk was in het christelijke geloof.
Geloof in magie was oorspronkelijk een onderdeel van het geloof van het volk en dus ook van de volkscultuur.
In de samenleving onderscheiden we verschillende sociale lagen. Rijke en geleerde mensen hadden een meer verfijnde beschaving, de elitecultuur.
Boeren en ambachtslieden behoorden tot de volkscultuur.
Deze verschillen in cultuur was zichtbaar bij feesten zoals carnaval, rituelen bij geboorte, doop en huwelijk, bijdood en begrafenis. En ook bij de vervolging van heksen.
De massa van het volk geloofde aanvankelijk alleen maar da heksen zich bezighielden met witte en zwarte magie. Een elite van juristen en theologen zou later het denkbeeld ontwikkelen dat heksen ook de duivel vereerden.
Vrouwen in de Middeleeuwen (500-1500) gaven raad aan het volk als je iets kwijt was, hielpen je met kruiden bij ziekte en beschermden je tegen ongeluk. Ze vervulden voor het gewone volk een maatschappelijke behoefte. Ze werden getolereerd


Volgens kerkbestuurders was het verbranden van heksen een heidens en bijgelovig gebruik. Volgens geestelijken hadden heksen niet echt de macht om stormen op te weken en te vliegen.
De elitecultuur wees het geloof in hekserij dus af, terwijl de volkscultuur de magie juist accepteerde.
Voor het ontstaan van de heksenwaan in Europa waren drie omstandigheden nodig:
- de ideeën over witte en zwarte magie bij het gewone volk
- de gedachten over duivelverering (bij de elite die werden verspreid over het gewone volk (bv. De Malleus Maleficarum en in preken)
- de nieuwe aanpak van het strafprocesrecht (van het accusatoire proces (klacht à onderzoek) naar het inquisitoire proces (onderzoek zonder klacht)

Paragraaf 1.2
Kerkvaders noemden de goden van een ander geloof dan het christendom duivels.
De duivel werd afgebeeld met de hoeven en horens en de dierlijke trekken van de Griekse god Pan en de Keltische godheid Cernunnos.
Vanaf de 12e eeuw verschenen in Europa vertalingen van Arabische en Griekse boeken over magie, zoals de sleutel van Salomo. Magiërs en alchemisten beweerden dat ze met de kennis uit deze boeken goud konden maken. Daarbij hadden ze de hulp nodig van lagere duivels of demonen. De duivels deden niets voor niets dus tovenaren beloofden aan de demon dat hij hem zou dienen en vereren à duivelverering.
Iemand die de duivel vereerden was van het goede geloof afgestapt en was dus een ketter. Het was dus een zaak voor de kerk en de kerkelijke rechtbank bemoeide zich ermee inquisitie à kerkelijke rechtbank voor het berechten van ketters en heksen.
De ideeën gingen eerst nog over de individuele verering van een duivel door één persoon, later ging het om hele georganiseerde godsdienstige sekten te vervolgen, zoals in het begin van de 13e eeuw de katharen.
Aanvankelijk waren het grote verschillen tussen de verhalen die men in diverse delen van Europa vertelde over de heksensabbatten.
Doordat inquisiteurs de ene keer in het ene land werden ingezet en dan weer en het andere land gaf hij zijn kennis over de hekserij door aan zijn collega’s waardoor op den duur deze hetzelfde beeld kregen van de hekserij.
Inquisiteurs behoorden tot de elite. Zo droeg de verspreiding van de denkbeelden over heksen bij aan de vorming van de cultuur van de internationale elite.
De publicatie van handboeken voor de vervolging van heksen speelde een belangrijke rol bij die verspreiding.
Het eerste boek dat een breder publiekbereikte, was de Malleus Maleficarum (Hamer van de Zwarte Magiërs) uit 1486. Geschreven door Henricus Krämer en Jacob Sprenger.
Krämer was een heksenjager uit Tirol. Omdat hij daar voor zoveel onrust zorgde heeft de plaatselijke bisschop hem weggestuurd.
Sprenger was een godgeleerde.
Samen noteerden ze in dit boek alle kennis die ze hadden opgedaan. Het was een handig hulpmiddel bij het laten veroordelen van zoveel mogelijk heksen.
Als je niet in heksen geloofden was je volgens hen een ketter.
Door de populariteit werd dat beeld (wat precies een heks is) ook onder gewone mensen verspreid. Er volgden andere boeken die ook door een deel van de elite gelezen werden. Door de uitvinding van de boekdruk kunst (15e eeuw) maakte een grote verspreiding van deze boeken mogelijk.
In de volkscultuur (vaak analfabeten) besteedde men niet veel aandacht aan duivelverering, omdat ze de ingewikkelde theorieën van theologen toch moeilijk begrepen.
Gewone mensen beschuldigden iemand als ze iets moeilijk konden accepteren. Dat hun vee ziek werd of juist hun kinderen stierven als je juist toevallig ruzie hadden met de buren. Ze geloofden in toverij en dat zwarte magie echt werd bedreven. Zo beschuldigden ze gemakkelijk hun buren van hekserij.
De inquisiteurs brachten dat in het proces vragen over duivelverering naar voren. Door pijniging kregen zij wel bekentenissen los.
Monniksorden zagen het als hun taak om in preken het volk te waarschuwen tegen hekserij. Door de processen zelf werd de informatie over duivelverering natuurlijk ook onder het volk verspreid.
Paragraaf 1.3
Een nieuwe aanpak door de rechtbanken maakte de veroordeling van de heksen makkelijker.
Tot de 13e was een proces een zaak tussen twee partijen. Als iemand vond dat hij door een ander bestolen of verwond of benadeeld was, diende hij een klacht in. Stelregel was: geen klager, geen rechter.
Vanaf de 13e eeuw kon de overheid als er iets ergs gebeurd was ook zelf een onderzoek beginnen. Men noemt dit het inquisitoire proces.
Belangrijk kenmerk was dat men marteling ging gebruiken om verdachten te dwingen tot een bekentenis. Zo kon men sneller bewijzen van schuld dan vroeger en konden er meer mensen veroordeeld worden.
Vanaf 1550 vond de vervolging van heksen minder plaats door kerkelijke rechtbanken, maar door wereldlijke rechtbanken.
Zij traden veel harder op, vooral de lagere wereldlijke rechtbank.
Bij kerkelijke rechtbanken had je een grotere kans om te blijven leven door je te bekeren.
In 1921 schreef Margaret Murray The Witch Cult in Western Europe. Ze schreef dat de zogenaamde heksen aanhangers waren geweest van een heel oude vruchtbaarheidsgodsdienst, die al voor het christendom op het platteland van geheel Europa zou hebben bestaan. De katholieke kerk was bang voor de invloed van dat concurrerende geloof. Geestelijken zeiden daarom dat de leiders van de cultus ‘duivels’ waren en dat de cultus dus duivelverering was.
Veel historici hadden hier kritiek op. Er was geen algemeen Europees geloof geweest en er is ook geen enkel bewijs dat er georganiseerde bijeenkomsten van duivelvereerders zijn geweest. De georganiseerde duivelscultus was een verzinsel.
Zo was in de 16e voldaan aan drie voorwaarden voor de massale jacht op heksen. In de volkscultuur bestonden al lang ideeën over zwarte magie. De gedachten over duivelverering werden daaraan toegevoegd door de elite en werden verspreid zodat ze ook het volk bereikten. Een nieuwe aanpak van het strafrecht maakte de vervolging makkelijker. Nu zou de periode van de grootste heksenjachten beginnen.

Hoofdstuk 2
Paragraaf 2.1
In het midden van de 16e eeuw namen de vervolgingen toe. Daarvoor zijn 3 oorzaken
- Godsdienstige conflicten. Piek van heksenvervolgingen (1550-1650) viel samen met de periode van de ergste godsdienstoorlogen. Vroeg in de 16e eeuw ontstond de reformatie of hervorming. Eerst waren er nog niet zo veel protestanten, maar toen steeds meer mensen afstand namen van de katholieke kerk, liep het conflict op. De katholieke kerk probeerde afvallige gelovigen of ketters weer te bekeren of te straffen.
De protestanten kwamen op hun beurt met beschuldigen dat de katholieke kerk de duivel diende.
- Economische oorzaken. In de piek van heksenvervolgingen waren er grote economische en sociale veranderingen. Doordat er goud en zilver uit Amerika beschikbaar kwam om muntgeld van te maken nam de hoeveelheid geld toe, maar niet het aantal producten à inflatie.
De lonen van de lagere klassen stegen langzamer dan de prijzen. En door de toename van de handel werden er nieuwe groepen rijker; tegenstellingen tussen arm en rijk werden scherper. Er ontstond dus een sociale onrust bij de bestuurder van dorpen en steden. Zij wilden vermijden dat de ontevreden massa zich tegen de elite zou keren. Vervolging van heksen was een manier om de woede van het volk op weerloze zondebokken te richten.
- Rampen. Door de economische crisis leefden veel eenvoudige mensen op de rand van armoede. Bij een misoogst of ziekte onder het vee, werden ze zwaarder getroffen dat vroeger. Ze waren ervan overtuigd dat het mis ging met hun wereld en ze dachten dat de invloed van de duivel dus toenam. Ook rampen werden uitgelegd als het gevolg van hekserij. De gewone mensen kregen het vertouwen dat ze in het vervolgen van heksen een manier hadden gevonden om iets tegen het kwaad van hun tijd te doen.
Paragraaf 2.2
Inquisiteurs overdreven blijkbaar het aantal veroordelingen om aan hun opdrachtgevers te laten zien hoe ze hun best hadden gedaan.
Geschiedschrijvers dikten later de gegevens nog wat aan om te laten zien hoe belangrijk hun onderzoek naar de hekserij geweest was.
Nederland was een welvarend land en die welvaart kwam voor een groot deel door de handel. Als je handel wilde drijven met een ander land met een ander geloof moest je wel verdraagzaam zijn.
Dat de meeste processen in kleine plaatjes voorkwamen kwam vooral omdat iedereen elkaar kent en de mensen daar op elkaar zijn aangewezen. Er ontstaan makkelijker conflicten en dan was het maar een kleine stap om iemand van hekserij te beschuldigen.
Voor het feit dat vrouwen meer dan mannen beschuldigd werden (1:4) had drie verschillende oorzaken:
- Het werk dat vrouwen deden. In de verzorging gebruikten onder meer amuletten, poedertjes, drankjes en spreuken en die middelen kwamen ook voor in de magie. Ouders konden bijvoorbeeld de vroedvrouw makkelijk verdenken als hun kind stierf bij de geboorte.
- Vrouwen worden als zwakker gezien dan mannen. Ze zouden makkelijker slachtoffer van de duivel worden en sneller toegeven aan de onbeperkte seks te bieden had. Mannen dachten namelijk dat vrouwen onverzadigbaar waren op seksueel gebied.
- Vrouwen hadden minder invloed en minder relaties. Vrouwen met een beroep waren vaak alleenstaande vrouwen en hadden geen man die hen kon beschermen en waren dus kwetsbaar.
Ook waren de meeste verdachten ouders dan vijftig waardoor ze ook zwakker waren. Ze praatten vaak in zichzelf wat weer ‘toverspreuken’ zouden kunnen zijn.
Een heks was dus een stereotype: een oudere vrouw die geen man had en dus zelf met enige moeite aan de kost moest komen, bijvoorbeeld als vroedvrouw. Ze leefde eenzaam en ze had een bits karakter.
Paragraaf 2.3
Omschrijving van een typische heksenjacht:
- Diepere oorzaak is al bekend (crisis, conflict, ramp)
- Aanleiding, de oorzaak op korte termijn (ziekte, sterftegeval, impotentie, pech in liefde, akker was onvruchtbaar) Een heks kreeg hier de schuld van zwarte magie (duivelverering had geen belangrijke plaats in de volkscultuur)
- Aanklacht werd in behandeling genomen door de plaatselijke, lagere rechtbank. Met het inquisitoire proces kregen ze (= grootgrondbezitters en personen die iets afwisten van rechtspraak, zij vertegenwoordigden de plaatselijke elite) bekentenissen uit de mensen geperst.
Vaak was hier een periode van foltering aan vooraf gegaan.
Als foltering niet werd toegepast, was de dreiging met langdurige pijn gewoonlijk voldoende om iemand te laten bekennen.
Er waren ook heksenproeven, dit waren middelen om zonder bekentenis erachter te komen of iemand een heks was. Prikken in moedervlekken (teken van de duivel om te zien of er bloed uit kwam), weging (heksen kunnen vliegen en waren dus licht)
Als er aan iemands schuld werd getwijfeld werd een lichtere straf gegeven, zoals verbanning of een korte gevangenisstraf. Veel beklaagden werden vrijgesproken.
Een deel van de veroordeelden werd ter dood gebracht. Soms aan de galg, maar ook op de brandstapel (eerst gedood en dan verbrand, op Spanje en Italië na)
Pas toen de godsdiensttwisten en de armoede minder werden, kwam er een einde aan deze slachtpartijen.
Hoofdstuk 3
Paragraaf 3.1
In 1563 schreef Johannes Wier De praestigiis daemonum waarin hij aantoonde dat heksenvervolgingen onlogisch waren. Hij vroeg daarin aan alle vorsten om de heksenprocessen af te schaffen.
Hendrik VIII van Engeland schreef hierop een boek waarin hij zich tegen zijn ideeën afzette. Na de dood van zijn hertog kon Wier alleen door te vluchten ontkomen aan de brandstapel.
In 1548 schreef Reginald Scot het boek The Discoverie of Witchcraft. Daarin probeerden hij ook de plaatselijke rechters over te halen om op te houden met het vervolgen van heksen.
Jacobus I schreef een boek waarin hij de vervolgingen verdedigde. Hij gaf bevel dat het boek van Scot verbrand moest worden.
In de 17e eeuw gebruikten geleerden steeds meer hun verstand om achter de waarheid te komen à rationalisme of verlichting.
Balthasar Becker was een rationalist. Zijn belangrijkste boek was De betoverende wereld. Daarin gaf hij aan dat allerlei rampen en ziektes niet werden veroorzaakt door hekserij, maar door natuurlijk oorzaken. Hij ontkende, als dominee zijnde, niet het bestaan van de duivel, maar de satan was in de hel opgesloten en kon dus niet ingrijpen op het leven op aarde.
Het rationalisme kreeg grote invloed op inspraak. Rechters stelden hogere eisen aan de bewijzen voordat ze iemand schuldig verklaarden.
In sommige landen werd pijniging verboden, of werden de regels strenger.
Uiteindelijk werd de vervolging van heksen in bijna geheel Europa beperkt of verboden.
Gewone mensen bleven nog geloven in heksen, waardoor er een grote kloof kwam tussen de volkscultuur en de elitecultuur.
In de 18e eeuw werden de mensen minder fanatiek in het geloof en verdraagzamer tegenover personen met andere ideeën.
De drie belangrijkste oorzaken van heksenvervolging waren minder belangrijk geworden. De godsdienstoorlogen waren voorbij, de economie werd in de 18e eeuw gemiddeld beter. Daardoor waren de mensen beter bestand tegen misoogsten en andere rampen.
Paragraaf 3.2
Na de afschaffing van de heksenjachten bleef het volk in heksen geloven en het idee van hekserij was nog heel lang een deel van de volkscultuur.
In de 19e eeuw nam de belangstelling voor bovennatuurlijke krachten toch weer toe.
In de 19e eeuw verlangden romantische zielen uit de elite naar geheimzinnige avonturen en bovennatuurlijke verschijnselen. Die kan je geen volkscultuur noemen. Sommige vonden het spannend om geesten van gestorvenen op te roepen of telepathische boodschappen te verzenden à occultisme.
Aanhangers van het occultisme beweren geheime kennis te hebben over bovennatuurlijke verschijnselen, zoals geesten en helderziendheid.
De bekendste magiër was Aleister Crowley (1875-1947). Hij kondigde het einde van het christendom aan, stichtte zijn eigen kring en vereerde de duivel met plechtigheden, drugs en seks.
Ook in onze tijd bestaan er in diverse landen mensen die zeggen heks te zijn. Vooral in Engeland en in de Verenigde Staten worden door duizenden aanhangers van het heksengeloof op open plekken in het bos dansend hun rituelen gedaan.
De publicaties van Margaret Murray hebben ertoe bijgedragen dat hekserij weer beoefend werd.
Paragraaf 3.3
De overheid jaagt niet meer op duiververeerders die zwarte magie vereren. Toch doen staten wel eens aan heksenjachten denken:
- Bij Hitler en zijn nazi’s werden joden vervolgd op een manier die vergelijkbaar is met die van heksen.
- Ook werden er onwaarheden doorverteld: ze zouden kinderen offeren en opeten en ze zouden het drinkwater vergiftigen.
- In nazi-Duitsland werden de joden bovendien voorgesteld als vijanden van de staat.
De Verenigde Staten kenden in de 20e eeuw ook een soort heksenjachten. De omstandigheden voor een ‘heksenjacht’ waren aanwezig. Door de Russische Revolutie in 1917 ontstond er bij de Amerikanen angst voor het communisme (van vrijheid en ongelijkheid naar afgedwongen gelijkheid en daardoor onvrijheid).
De vervolging had ook te maken met de Koude Oorlog, het conflict tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie en hun bondgenoten.
De aanleidingwaren de verkiezingen van 1952. De republikeinse partij wilde winnen van de democratische partij. De republikeinse senator, McCarthy, noemde in 1950 in toespraak een lijst van 205 mensen die voor het ministerie van Binnenlandse Zaken werkte en lid zouden zijn van een communistische partij.
Een onderzoek wees echter het tegendeel uit. Maar doordat hij voorzitter was van een onderzoekscommissie van de senaat kon hij vele verdachten verhoren. Verdachten en getuigen werden onder druk gezet en bedreigd om anderen aan te geven. Kinderen gaven hun ouders aan.
Er volgden geen golf van terechtstellingen, wel ontslagen, gevangenisstraffen en enkele zelfmoorden. Hij werd uiteindelijk van zijn voorzitterschap van die onderzoekscommissie ontheven omdat hij de domme fout maakten om ook militairen aan de kaak te stellen (zij vormen een onaantastbaar onderdeel van de elite).
Het risico van een heksenwaan blijft bestaan zo lang mensen de neiging hebben om naar zondebokken te zoeken.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.