Met de loep op Lancashire

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 7984 woorden
  • 21 april 2004
  • 36 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
36 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Interesse in een creatieve of digitale opleiding, maar nog geen keuze gemaakt?

Doe nu de keuzetest en ontdek welke 2- of 4-jarige opleiding bij jou past binnen media, communicatie, design of tech. Vergelijk en maak makkelijker je keuze. Inschrijven kan tot 1 juli.

Naar de keuzetest
Samenvatting; Katoen en samenleving 1750-1850, met de loep op Lancashire
Instapverhaal: zware tijden

Het beeld van een stad uit de tijd van de Industriële revolutie was erg negatief. Zo beschreef Charles Dickens in 1854 de stad Coketown, een fictieve stad waarin zijn roman Hard Times zich afspeelde. De stad was donker door alle rook en andere uitstoot van de fabrieken. Daarnaast was het werk eentonig en zodoende het leven. De werkgevers stonden hoog boven de arbeiders, welke eigenlijk niks te zeggen hadden.
Engeland bestond in deze tijd uit 2 nations die eigenlijk niks met elkaar te maken hadden. Dit waren enerzijds de steenrijke ondernemers en aristocraten die alles deden en kochten wat ze wouden en anderzijds de arbeiders die onafgebroken moesten werken in de fabrieken.
Lancashire was de bron van de verandering in de samenleving. Manchester was de grootste stad van deze streek, en deze is ook te herkennen in Coketown, de stad beschreven door Dickens.

Hoofdstuk 1: het ontstaan van de industriële revolutie

Als je op de heuveltoppen van Lancashire staat, kun je je terug in de tijd wanen. Toch begon hier 200 jaar geleden de industriële revolutie.
Vanaf 1780 maakten ondernemers hier gebruik van het snel stromende water, wat ze als krachtbron gebruikten voor hun industrieën. Via hefbomen werd de waterkracht overgebracht op machines die in watermolens geplaatst waren. In feite waren deze mills de eerste fabrieken. Later ging men over op elektriciteit.
Van Engeland sloeg de industriële revolutie over op andere landen. Eerst België, vervolgens naar Duitsland, Frankrijk, Amerika, Rusland, Japan en vervolgens nog naar een groot deel van de rest van de aarde.

Paragraaf 1.1: een Industriële Revolutie
Tot de IR werd alles met de hand gedaan, de energie kwam uit spierkracht van mens en dier. Met de IR kwam hier een verandering in. De spierkracht werd vervangen door machines die eerst werden aangedreven door stoom, later door gas en elektriciteit. De term revolutie getuigd van een plotselinge verandering, maar dit was niet het geval, er was immers geen plotselinge verandering. In de 16e eeuw begonnen de veranderingen al. Omstreeks 1800 raakten ze in een stroomversnelling en in de 20e eeuw drongen ze overal in Europa door. Doordat de veranderingen voor de samenleving enorm en onomkeerbaar waren, wordt er toch van een revolutie gesproken.
Europa kende een agrarische samenleving waarin ¾ van de bevolking in de agrarische sector werkte en het grootste gedeelte van de bevolking woonde op het platteland. Grote steden waren er niet echt. Londen was met 675000 inwoners de grootste stad van Europa en de tweede Engelse stad, Bristol, had maar 43000 inwoners. Er werd vooral geproduceerd voor eigen gebruik en voor de locale markt. Er was een laag welvaartsniveau en er was weinig vernieuwing en weinig economische groei. Ook de bevolking groeide langzaam, ongeveer 50% in 450 jaar tijd(in europa). Verder werden periodes van groei afgewisseld met plotselinge bestaanscrises, mede doordat de productiegroei minder snel steeg dan de bevolkingsgroei. Bij misoogsten leidde dit tot hoge voedselprijzen die weer tot gevolg hadden dat er veel ziekte, honger en algehele verzwakking die voor een hoger sterftecijfer zorgden. Ook werden huwelijken uitgesteld wat zorgde voor een daling van het geboortecijfer. Een snelle en voortdurende groei was pas mogelijk tijdens de IR.
De industrialisatie had een aantal gevolgen, die elkaar ook versterkten:
· Landbouwproductie kwam op een hoger niveau. Hierdoor werden steeds meer arbeidskrachten in de landbouw overbodig.
· Er was meer werk in de industrie dankzij een reeks technologische vernieuwingen(=nieuwe en beter machines).
· De productiegroei oversteeg de bevolkingsgroei waardoor de bevolkingsgroei geen bedreiging meer was, maar een stimulans voor de economie. (Grotere vraag => meer productie => meer bevolkingsgroei => meer vraag etc.etc.)
Er kwam een markteconomie doordat de handel steeg. De binnenlandse handel steeg doordat er meer vraag kwam door de groeiende bevolking. De internationale handel groeide doordat de industrielanden steeds meer voedsel en grondstoffen invoerden en industrieproducten werden uitgevoerd. Voor Engeland werden koloniën in Brits Indië (India en Pakistan) erg belangrijk omdat deze zorgden voor grondstoffen en ook creëerden ze een vraag naar katoentjes (geproduceerde katoenen stoffen). Ook werden Luxeproducten hier goedkoop vandaan gehaald.
De moderne arbeiders waren bijna geheel afhankelijk van hun loon, vooral in de snel groeiende steden. Hierdoor voelden ze zich verbonden. Ze hadden veel contact en ze stonden met hun belangen tegenover die van de werkgevers. Dit zorgde voor een klassensamenleving, waarin conflicten voornamelijk draaiden om economische posities in de maatschappij.
Paragraaf 1.2: voorwaarden voor revolutie
Engeland was op enkele punten in het voordeel:
· Het was een eiland, dus hoefden ze geen sterk leger op te bouwen. Ook hadden ze van 1792-1815 geen last van de oorlogen die toen op het continent chaos en verarming veroorzaakten.
· Voor de komst van de trein was het transport erg moeizaam en duur. Engeland kon hiervoor gebruik maken van de vele aanwezige rivieren, lange kustlijn en vele havens.
· Door de ligging had Engeland veel buitenlandse handel en in de 18e eeuw was Engeland de grootste koloniale mogendheid en de machtigste Europese handelsnatie in Azië en Amerika.
· Engeland had geen open-field-systeem(kleine stukjes eigen grond en grote gemeenschappelijke gronden voor het houden van dieren), en dit hield de vooruitgang nou juist tegen, want men kon niet experimenteren met nieuwe methoden. Dit systeem was vanaf 1500 geleidelijk teruggedrongen. Men had de grond herverkaveld en samengevoegde omheinde percelen(enclosures).(begin 18e eeuw=70%, begin 19e eeuw=85% v.d. landbouwgrond). Vooral grotere boeren en grootgrondbezitters profiteerden hiervan. Maar op deze manier ontstonden grote bedrijven die voor de markt produceerden en hier konden ook vernieuwingen doorgevoerd worden. Dit zorgde voor grotere productiviteit. De rijkdom en het kapitaal namen toe doordat er geld opzij werd gezet en geïnvesteerd werd. Door de herverkaveling werd er meer gepacht en er kwamen meer landarbeiders.
De adel en de rijkere boeren profiteerden ook van de politieke ontwikkelingen. In 1688 kwam de bill of rights waarin stond dat de koning zonder de toestemming parlement geen belastingen mocht heffen en geen wetten door mocht voeren. Hij moest de rechterlijke macht respecteren en ook moest dit parlement regelmatig bijeen geroepen worden. Het werd gekozen bij verkiezingen door welgestelde Engelsen. Met deze macht dienden ze hun eigen commerciële belangen.
Er was veel hout nodig en daardoor groeide de vraag naar een alternatieve brandstof. Steenkool was er voldoende maar dit was erg moeilijk te winnen. De vraag naar steenkool werd nog vergroot toen men rond 1700 ontdekte dat hieruit een superieure kwaliteit ijzer gewonnen kon worden. Tot dan toe werd ijzer geproduceerd uit houtskool. Rond 1730 ontwikkelde John Newcomen een op steenkool werkende stoompomp waarmee het grondwater weg gepompt kon worden. In 1782 wist James Watt de op en neergaande beweging om te zetten in een draaiende. Toen werden de mogelijkheden van de stoommachine vergroot. Dit was de grootste uitvinding van de IR omdat deze later ook werd gebruikt voor de stoomlocomotief en voor de stoommachines die later in de fabrieken gebruikt werden.
In Engeland had men in de 2e helft van de 18e eeuw een gunstig ondernemersklimaat:
· volop goedkope arbeid
· Voldoende voedselproductie
· Er was veel kapitaal vergaard in de landbouw en de overzeese handel
· De staat was de ondernemende elite goedgezind
· Veel ijzererts en steenkool onder de grond
· Er waren belangrijke uitvindingen gedaan
Paragraaf 1.3: Lancashire rond 1750
Ondanks dat Lancashire maar een klein gebiedje van Engeland was, ongeveer zo groot als Gelderland, met veel heuvels zonder de grondstof voor de katoenindustrie (die groeide duizenden kilometers verderop in warme streken) werd Lancashire toch de motor van de IR. Rond 1750 was dit een agrarisch gebied met hoofdzakelijk akkerbouw. Er was moeizame communicatie en de snelstromende rivieren waren moeilijk bevaarbaar. Door de modder waren wegen vaak niet begaanbaar. Zelfs de tolwegen kostten veel tijd en deze waren ook moeilijk begaanbaar. Dit veranderde pas in 1860 met de komst van de stoomwals.
De landbouw in dit gebied was niet erg productief en de grond werd versnipperd door de bevolkingsgroei, omdat de grond onder de zoons verdeeld werd. De meeste boerenbedrijven waren te klein om van te leven, mede doordat de gemeenschappelijke gronden door de enclosures verdwenen waren. Om hun inkomen aan te vullen gingen veel boeren ook in de textielnijverheid werken. Dit was door de wol Engelands grootste exportproduct. In Lancashire werd vooral veel linnen (gemaakt van vlas)en bombazijn(gemaakt van draden van linnen en katoen) geproduceerd. In de streek rond Blackburn was ongeveer de helft van de bevolking hiervan afhankelijk.
Vooral in de winter deden veel boeren aan huisnijverheid, met spinnewiel en weefgetouw. Dit had voordelen omdat de boeren zelf het tempo konden bepalen, en het kon worden afgewisseld met het gewone werk. Kinderen deden het voorbereidende werk zoal het schonen en kaarden(lostrekken) van de ruwe grondstof. Daarna sponnen de oudere meisjes en de vrouwen het en de mannen weefden. De huisnijverheid werd steeds belangrijker. Dit gebeurde via het putting-out-systeem waarbij kooplieden de grondstoffen leverden en weer verkochten nadat ze waren geweven. Vervolgens werden deze stoffen verkocht op de locale, nationale of internationale markt. Londen was het centrum voor de laatste twee.
Paragraaf 1.4: klaar voor de start
Voordelen van Lancashire voor de katoenproductie:
· Het vochtige klimaat; plantaardige vezels worden in droge lucht broos.
· Voor de komst van de katoen had Lancashire al veel ervaring en kennis van spinnen en weven met verwante linnen. Ook werd katoen al verwerkt in bombazijn.
· De wetten en regels in Lancashire; dit gebied had geen last van beperkende regels die in andere delen van het land wel golden. Verder had men hier geen last van de calico act, een wet uit 1721 die het gebruik van katoen aan banden legde. Deze wet was ingesteld omdat het dragen van de katoenen stoffen uit India populair was geworden en deze stoffen leken een bedreiging te gaan vormen voor de Engelse wolnijverheid. Deze wet gelde niet voor bombazijn en ze stimuleerde de bombazijnproductie. Het product werd beter en goedkoper en de prijs van de grondstof daalde.
Katoen had vele mogelijkheden door nieuwe technieken. Mooie jurken of een werkmanspak, ondergoed en nog meer toepassingen. Daarnaast was het zeer goed te onderhouden(wassen en strijken). Ook het gewone volk ging het nu meer dragen. Maar de vraag nam ook toe doordat Engeland de wereldhandel beheerste.
Lancashire had een grote groep goedkope arbeiders door de snellere bevolkingsgroei dan elders. Door het putting-out-systeem konden ondernemers makkelijk de productie opvoeren als dit nodig was, zonder dat ze veel geld hoefden te investeren. Het risico lag dus bij de thuiswerkers en niet bij de ondernemer, terwijl die wel de winst kreeg.
Ook kon door verschillende uitvindingen de productie sterk opgevoerd worden, zoals door de stoommachine die in de mijnbouw uitgevonden was. Hierbij kwam dan weer dat bij Lancashire een van de grootste kolenbekkens van Europa lag wat voor weinig transportkosten zorgde. Pas toen in de 19e eeuw de productie door fabrieken overgenomen werd, werd dit echt belangrijk.
Extra: Wegen van modernisering
W.W. Rostow schreef in 1960 in het boek The Stages Of Economic Growth dat elk land dat elk land dat vooruit wilde komen, moest leren van Engeland. Deze groei gebeurde volgens Rostow in verschillende stadia:
1. De eeuwenoude agrarische samenleving
2. preconditions for take-off; de handel neemt toe, er ontwikkelt zich een commerciële landbouw, de industrialisatie komt voorzichtig op gang en het transport wordt verbeterd. Bovendien is er een elite die geld kan investeren
3. take-off; De investeringen nemen toe tot 10% van het nationaal inkomen en ze worden geconcentreerd in een of meer leading sectors. In Engeland was dit van 1783 tot 1802, met katoen als leading sector.
4. sustained growth; de leading sectors trekken de andere sectoren mee in de economische groei.
5. age of mass consumption
kritiek:
· te precies
· geen plotselinge toename van investeringen, maar geleidelijk, later ook geen toename meer, maar 10-11%
· vraag of katoen wel leading sector was. Veel historici zeggen dat er veel factoren op elkaar inwerkten(landbouw, transport, katoen, ijzer, steenkool,handel, bevolkingsgroei)
Barrington Moore was het hier niet mee eens en stelde dat er drie wegen naar de moderne wereld waren. Hij beschreef deze in zijn boek social origins of dictatorship and democracy uit 1966.
· Via een burgerlijke revolutie naar een kapitalistische democratie, zoals Engeland, Amerika en Frankrijk. De burgerij nam zelf het heft steeds meer in handen
· Via een fascistische weg. De burgers waren zelf te zwak, en daarom deed een fascistische leider dit, zoals in Japan en Duitsland.
· Via een communistische weg, zonder burgerij of markteconomie. Boerenmassa’s kwamen in opstand tegen de starre, bureaucratische staat. Hierna nam een communistische elite de macht en deze voerde de industrialisatie met geweld door, zoals in Rusland en China.
Hoofdstuk 2: de zegetocht van katoen

In de tweede helft van de 18e eeuw ging men zich spiegelen aan de klassieke oudheid. Parijs was de modehoofdstad en hier werd ook veel moderne nieuwe kleding op de markt gebracht. De vrouwen gingen zich steeds meer kleden in meer blote kleding van dure, luxe stoffen. Ook voor de man kwam er nieuwe, nauwer sluitende kleding. In het begin was dit alleen voor de elite weggelegd, maar naar mate de tijd vorderde konden ook lagere bevolkingslagen deze kleding betalen door de komst van moderne stoffen. Katoen was uitermate geschikt voor deze kledingstijl, omdat het heel goed wit te houden was.

Paragraaf 2.1: de revolutie in het spinnen
In 1750 was katoen nog nauwelijks van belang voor de Britse industrie. Daarna werd de productie heel snel veel groter. Zo zat Engeland in 1850 op een productie die 200 keer zo groot was als 100 jaar eerder.
De toename kwam doordat er veel arbeid beschikbaar was door kleine keuterboertjes en landlozen. Het gebied wat gebruikt werd reikte tot ver in het heuvelige noorden van Lancashire. De bevolking groeide erg snel en het aantal werknemers in de katoenindustrie bleef stijgen. Ook nam de werktijd toe door de introductie van de gaslamp. Hierdoor konden de fabrieken in de winter langer open blijven. Ook nam de productie explosief toe. In 1825 kon een arbeider 350 x zoveel katoendraad spinnen als in 1750. Dit kwam niet echt door de stoommachine die op dit gebied pas laat zijn intrede deed(eerste in 1798), maar hoofdzakelijk door andere belangrijke uitvindingen. De meeste uitvinders waren ambachtslieden uit dit gebied. De volgende uitvindingen waren erg belangrijk:
· De Schietspoel door John Kay. Dit apparaat werd in 1730 uitgevonden en hierdoor kon het weven 2 keer zo snel gebeuren. Vanaf 1750 ging men er massaal gebruik van maken, door de toenemende vraag naar katoenen stoffen. Nu stegen de lonen en de prijzen door het gebrek aan spinners.
Om het probleem op te lossen werden er forse beloningen uitgeschreven voor uitvindingen die het spinnen zouden versnellen.
· De Spinning Jenny werd in 1764 uitgevonden door James Hargreaves, een wever uit Blackburn. Dit met de hand aangedreven apparaat kon 16 draden ineens spinnen. Later werden dit er zelfs 130. Het enige probleem was de breekbaarheid van de draden.
· Het Waterframe werd uitgevonden om dit probleem op te lossen. In 1769 vroeg Richard Arkwright hier patent op aan. Dit apparaat werd aangedreven met waterkracht en leverde een sterke, ruwe draad. Deze draad was zo sterk dat het mogelijk werd om stoffen van enkel katoen te maken, i.p.v. stoffen uit linnen en katoen. Dit was verboden in de calico act, maar deze werd onder druk van de handelaren opgeheven in 1774.
· Op de Mule werd in 1779 patent aangevraagd door Samuel Crompton. Dit was een combinatie van de spinning jenny en het waterframe. Het katoendraad was sterk en fijn, dus kon katoen nu ook voor luxe kleding gebruikt worden.
Het spinnewiel werd langzaam verdreven door deze uitvindingen en het werken in de fabriek werd alsmaar gebruikelijker. Eerst waren het kleine fabriekjes die aangedreven werden door dieren of (vaker) door waterkracht. Deze fabrieken waren gebouwd in het heuvelachtige noorden van de streek. Later, toen de stoommachine meer gebruikt werd, werden de fabrieken groter en de fabrieken “trokken”naar de stad.
Paragraaf 2.2: ondergang van de thuiswever
Het spinnen gebeurde tot 1800 in kleine fabriekjes, en het weven werd nog steeds gewoon thuis gedaan. Dit veranderde na 1800. In 1787 werd het eerst stoomweefgetouw in gebruik genomen. De fabriek die de uitvinder hiermee opzette ging na 2 jaar failliet. 2 jaar later werd het in Manchester nog een keer geprobeerd, maar ook dit mislukte, mede door wevers die bang waren voor hun baan, en daarom staken ze deze fabriek in brand. In 1802 werd het stoomweefgetouw rendabel, maar toch bleef het achter.
Het spinnen gebeurde al wel met de stoommachine. Vanaf 1790 was men hier mee bezig. In 1800 hadden de gebroeders Murray een fabriek van 8 verdiepingen waar meer dan duizend arbeiders werkten. Vooral de mule werd veel gebruikt rond 1810 door de vele aanpassingen, maar ook de spinning jenny en het waterframe werden nog lang gebruikt. Tot 1840 bleven de machines op waterkracht ook in de meerderheid, maar daarna was de stoommachine de belangrijkste krachtbron.
Door de stoommachine kwam er werk in overvloed voor de wevers. Toch bleven er veel handwevers. Tot 1835 bleef hun aantal ook ongeveer gelijk. Dit kwam onder meer omdat wevers erg gesteld waren op hun zelfstandigheid. Dit leidde ook tot weerstand tegen de mechanisering die in 1826 leidde tot enkele dagen van onrust. In deze dagen werden duizenden stoomweefgetouwen vernield.
Ook een belangrijke oorzaak was een aantal tekortkomingen van de stoomweefgetouwen. Zo waren ze ongeschikt voor fijnere stoffen en er was erg veel toezicht nodig om te voorkomen dat ze vastliepen. Deze problemen waren pas opgelost omstreeks 1830.
Derde oorzaak was dat de handwevers veiliger waren dan grote investeringen in grote dure machines.
In het bleken, bedrukken en naaien van de stoffen werd ook een grote vooruitgang geboekt in de jaren 1750-1850. In plaats van 8 maanden bleken in een bleekveld met plantaardige extracten en karnemelk, kon dit nu in een dag gebeuren door chemisch bleekpoeder en het gebruik van stoommachines.
Het bedrukken gebeurde niet meer met de hand maar met machines die 100 keer zoveel konden doen als een arbeider in 1750. Verder werd het naaien gedaan met machines, wat eerder niet gebeurde. Rond 1750 werd dit gedaan door de mensen zelf of door kleermakers, maar door de uitvinding van de naaimachine, kwam er een confectie-industrie.
Paragraaf 2.3: de vraag blijft groeien
Tot 1790 kwam de volledige vraag naar katoen uit het binnenland. Zo groeide de vraag in de lagere klassen ondanks dat de koopkracht afnam. De kwaliteit was erg goed, terwijl de prijs laag was. De katoennijverheid profiteerde ervan dat iedereen kleding nodig heeft. Ook steeg de vraag door de uitvinding van de mule die ervoor zorgde dat er fijnere stoffen gemaakt konden worden. De bevolking bleef groeien, en de prijzen bleven dalen. Deze prijsdaling was voor een groot deel te danken aan de cotton gin, een machine van een Amerikaanse onderwijzer. Dit apparaat uit 1793 scheidde de spinbare vezels van de kleverige zaden, waardoor 1 man nu evenveel kon doen als 50 man voor het gebruik van de machine. In het zuiden van de VS werden veel katoenplantages gebouwd waar slaven tewerk werden gesteld. Zo werd dit gebied een belangrijke leverancier voor Lancashire.
Door de verbetering van het stoomweefgetouw werd de productie groter en vanaf 1840 leidde de opkomende confectie-industrie tot een verdere daling van de prijzen. Zo werd alles van katoen in 1850 20 keer zo goedkoop als in 1780.
De katoenproductie kon blijven stijgen door de toename van de overzeese handel. De helft van de katoenproductie van Lancashire in 1850 ging naar het buitenland. Eerst was dit ook nog een groot gedeelte van het Europese continent, maar door oorlogen met Frankrijk viel dit enkele keren weg(1806-1813). Engeland moest op zoek naar andere afzetgebieden. Ook de Noord-Amerikaanse markt werd gesloten door een oorlog met Amerika. De afzet in Latijns Amerika werd veel groter. Toch bleef het moeilijk, omdat veel landen importheffingen gingen vragen voor Britse producten om zo hun eigen economie te beschermen en een eigen katoenindustrie op te bouwen, wat veel landen ook lukte met Britse kennis. Azië was nu van grote betekenis geworden.
Paragraaf 2.4: van koopman-fabrikant naar handelsbank
Vraag en aanbod versterkten elkaar in de katoenindustrie. Door de grotere vraag kwamen er betere machines die een betere kwaliteit leverden tegen een lagere prijs, en dit zorgde weer voor een nieuwe vraag.
Liverpool groeide uit tot een van de belangrijkste havens door de invoer van ruwe grondstoffen uit Amerika. Rond 1790 kwam een nieuw type ondernemer op: de koopman-fabrikant. Deze deed alles in het proces van de handel, ze probeerden het hele proces van invoer, uitvoer en productie in handen te krijgen. Ze staken veel geld in pakhuizen, om zo in tijden van onzekere markten de markt toch te kunnen beheersen. Door de oorlog tegen Frankrijk die tot 1815 duurde en de oorlog met Amerika konden veel van deze ondernemers niet goed rondkomen. Velen gingen failliet. De katoenhandel werd toen opgesplitst in importeurs, exporteurs, producenten etc.
De communicatie ging erg langzaam en moeizaam. De kans op veranderingen in de afzetmarkt en bedrog werden groter en daarom werden vestigingen geopend in overzeese gebieden. Ook werden betrouwbare handelspartners gezocht in deze gebieden.
In Manchester werd de katoenbeurs gesticht, een belangrijk handelscentrum waar prijzen werden vastgesteld en contracten werden ondertekend.
Door de chaos en onrust op het continent vertrokken ook veel buitenlanders naar Engeland, waar ze een nieuw onderneming startten. Nathan Rothschild was een van de eersten. In een paar jaar vergaarde hij een kapitaal in de textielindustrie en hij vestigde zich als bankier in Londen. Dit werd uiteindelijk een van de grootste bankdynastieën ter wereld. Vooral in 1830-1840 gebeurde dit veel, en in 1840 telde Manchester 110 buitenlandse kooplieden. Deze ondernemers hadden veel contacten op het continent en zodoende hadden ze een groot deel van de handel in handen.
Door de grote bankiers waren er minder grote faillissementen, maar de fabrikanten vonden dat ze teveel te leiden hadden onder de macht van de bankiers en de kooplieden.
Hoofdstuk 3: leven in cottonopolis

De steden rondom Manchester leken erg veel op Manchester zelf, alleen hier woonden nog meer arbeiders. Deze steden lieten alle handelsaangelegenheden door de hoofdstad regelen. Net buiten de steden lagen de grote villa’s van de ondernemers. Bolton was nog het ergste. Dit was een zwarte stad die er zelfs op een schitterende dag nog onplezierig uitzag. Alles was er zwart en smerig. Zo beschreef Friedrich Engels in zijn boek de toestand van de arbeidersklasse in Engeland de toestand in Lancashire. Hij kende de stad goed en hij bewonderde het, net als de latere Britse premier Disraëli. Toch waren ze ook vol afschuw omdat de arbeiders het hier slecht hadden.

Paragraaf 3.1: het platteland van Lancashire: Bolton
De vervuiling gecombineerd met de ondervoeding, leidde tot ziekte en dood. Er braken epidemieën uit en de levensverwachting was erg laag. Toch deden de ondernemers en de notabelen wel iets voor de arbeidersklasse. Vanaf 1830 werd er iets aan gedaan en in 1844 werd na een cholera-epidemie besloten tot het aanleggen van een waterleiding. Aan de rand van Bolton was ook een fabrieksdorp, Barrow Bridge, gebouwd door Robert Gardner en Thomas Bazley. Dit werd een modeldorp voor veel ondernemers en politici. Hier waren allerlei voorzieningen voor de arbeiders om het leven aangenamer te maken en om hun leven en mogelijkheden beter te maken. Dit gebeurde ook uit eigenbelang: zo zouden arbeiders sterker en gezonder zijn, en ook werden ze gebonden aan hun werkgever.
Na 1770 kwam de urbanisatie op gang. Er kwamen vele fabriekjes en vooral veel wevers kwamen naar het gebied. Door de nieuwe spinmachines was er voldoende werk voor hen. In dit gebied werden vele kanalen gegraven voor het vervoer van veel grondstoffen.
Doordat er overgeschakeld werd van waterkracht naar stoom vestigden nog meer fabrikanten zich in het zuidwesten van Lancashire. Daardoor kwam de druk nog meer op dit gebied te liggen. Het werd niet meer verspreid over de hele provincie, maar slechts over 1 klein deel van de provincie, omdat hier de kolenbekkens lagen.
Ook andere industrieën vestigden zich hier. Zo was Bolton een van de eerste steden met gasverlichting door de bouw van een gasfabriek in 1818. 10 jaar later had Bolton een nieuwe primeur, een treinverbinding van Liverpool naar Manchester.
De plattelandssteden bleven betrekkelijk klein, maar er kwamen wel sloppenwijken, waar Manchester al eerder berucht om was geworden. Deze groeiden sterk door de economische malaise van 1835-1840. Dit was ook juist het moment dat de wevers te lijden kregen onder de opkomst van het stoomweefgetouw. In deze tijd gingen werklozen over tot plunderen, vernielen van machines en het aanvallen van politieposten en het bezetten van gebouwen. Deze onrust was ook een reden om de toestand van de arbeiders te verbeteren.
Paragraaf 3.2: Manchester: de eerste industriestad
Omstreeks 1750 was het gebied rond Manchester erg rustig en vredig, en het was in harmonie met de natuur. Met 18000 inwoners was dit een redelijk grote plaats. Door de komst van Vlaamse wevers in de 14e eeuw was het een textielcentrum geworden. Vanaf 1770 was Manchester een van de eerste grote industriesteden. Verder waren er steden als Londen en Parijs, maar dit waren bestuurs-, en handelscentra.
De omvorming van Manchester begon met het bouwen van het Bridgewaterkanaal. Dit werd gebouwd door de hertog van Bridgewater, die 15 km buiten Manchester kolenmijnen bezat. De bouw werd gestart omdat de grote hoeveelheden kolen niet gebruikt konden worden door de grote transportkosten. Zijn idee met het aquaduct werd gezien als een luchtkasteel. Toch zette hij door en met toestemming van het parlement die ondernemersinitiatief bevorderde en begon met de bouw van het kanaal. Dit kanaal was in 1761 af en het werd een groot succes. Verder werd het nog doorgetrokken naar Liverpool in 1776. Steeds meer particuliere ondernemers zagen de grote winsten door tolheffing, en ze besloten zelf ook kanalen te graven. Daardoor werden uiteindelijk door heel Engeland kanalen gegraven die met elkaar verbonden werden. Ook kwam er werkgelegenheid aan de rand van deze kanalen.
Door het tekort aan stromend water kwamen in Manchester al snel veel stoomfabrieken te staan. Deze gebouwen waren erg groot, en ze werden ook steeds groter door nieuwe uitvindingen in de bouw. In 1818 werd de Redhill Street Mill gebouwd, het hoogste gebouw ter wereld met 8 verdiepingen.
Manchester was niet alleen industriestad, maar ook handelsstad. De macht was in handel van grote katoenbaronnen. Het centrum werd vooral gedomineerd door pakhuizen en verder waren er nog veel andere bedrijven voor de verwerking van katoen. In 1830 kwam er een stoomlocomotief tussen Liverpool en Manchester. Dit was een initiatief van een groep ondernemers, en ondanks tegenstand van kanaaleigenaren, werd er toch toestemming gegeven door het parlement. Ook dit zorgde weer voor een bouwmanie onder ondernemers. Toch bleven de kanalen in trek omdat dit goedkoper was.
Paragraaf 3.3: arbeidsleger in lompen
De snelle expansie van Manchester (1770-1800 = 22000-75000, 1800-1850 = 75000-300000) leidde tot zeer slechte omstandigheden voor de arbeiders. Zo werden alle ruimten volgebouwd zonder enige planning en zelfs de kleinste hokjes werden bewoond. Verder had men bijna geen belangrijke voorzieningen als winkels, en ook water en een toilet was maar beschikbaar voor een grote groep mensen die samen moesten doen. In het oudste deel kwam hier nog eens bij dat de huizen slecht onderhouden waren en het was er erg onoverzichtelijk door alle smalle steegjes en binnenplaatsen.
Ook nieuwe huizen zagen er in een mum van tijd niet meer uit. Eigenaren maakten zich hier niet druk om, want huurders werden toch wel gevonden. Ancoats was de meest beruchte buurt. Deze lag tussen fabrieken geklemd en het was er altijd donker door de dikke laag smog van de fabrieken en de thuisverwarming. Alle smog werd de kant van de stad op geblazen, door de aanhoudende westenwind.
Ook de wijk little Ireland was erg berucht. Het lag ingesloten tussen fabrieken en een stinkende rivier, er woonden alleen maar Ieren en het was helemaal vervallen. In 200 huizen woonden hier ongeveer 4000 mensen, met 1 toilet per 120 inwoners.
De Franse reiziger De Toqueville schreef dat het in Manchester nog erger was dan in de rest van Engeland. De mensen waren bleker en hun woon en werkomstandigheden waren slechter. Het loon was zo laag dat kleine kinderen al snel mee moesten om in de fabriek te werken. In tijd van werkloosheid hadden veel mensen helemaal geen inkomen door het ontbreken van sociale zekerheid. Ook de gezondheidszorg ontbrak wat zorgde voor een lage levensverwachting. De groei van de stad was dan ook niet door geboorte, maar door migratie, want de lonen in de stad waren hoger dan op het platteland.
Veel arbeiders kwamen uit Ierland, waar ondanks de sterke bevolkingsgroei, de industriële revolutie uitbleef. Dit was het ergst in de periode 1845-1849 toen Ierland een aantal keer getroffen werd door een ernstige aardappelziekte. De gevolgen waren fataal omdat veel Ieren uitsluitend aardappels aten.
Paragraaf 3.4: een klassenmaatschappij
De standenmaatschappij voor de IR was als vanzelfsprekend aangenomen en er was geen verzet tegen. Ieder wist zijn rechten en plichten. Na de IR was dit anders. Er was een klassenmaatschappij ontstaan van arm en rijk, en er was ook erg weinig contact tussen de klassen. Ook was er geen wederzijds respect zoals dit er eerder wel geweest was. Ondernemers vonden dat de arbeiders hun toestand aan zichzelf te danken hadden. Daar tegenover vonden arbeiders de ondernemers gewetenloze uitbuiters. Verder leefden de klassen gescheiden.
In en rondom de zakencentra woonde ook nog een groep die behoorde tot de middenklasse. Dit waren vele uiteenlopende beroepen, maar de mensen behoorden noch tot de arbeiders, noch tot de aristocratie. Deze mensen waren vaak kleinere handelaren en fabrikanten, maar ook de witte boorden behoorden tot deze groep. Dit waren bankmedewerkers, kantoorpersoneel, vertegenwoordigers, managers, ingenieurs ed. Verder behoorden tot deze groep nog de vrije beroepen en de geschoolden in overheidsdienst als artsen, ambtenaren, onderwijzers, rechters etc. Er zat veel verschil in inkomen en op leiding in deze groep, maar ze hadden de burgerlijke cultuur als verbinding. Deze cultuur was opgekomen in de periode van koningin Victoria. Deze cultuur bevatte een aantal gedragsregels, vooral op het gebied van seksualiteit, maar ook werd er uitgegaan van een groot vertrouwen in het individu. Mannen konden zich omhoog werken en vrouwen moesten zorgen voor een veilige thuishaven en ze moesten de kinderen opvoeden.
De middenklasse raakte geschokt door het ver doorgevoerde individualisme en de gevolgen hiervan. Ze maakten zich zorgen over de toestand van de arbeiders, maar ook over de gevolgen hiervan: criminaliteit en politieke en sociale onrust. Toen er ook nog een cholera uitbrak in 1831 werd ook de betere klasse getroffen en de roep om overheidsingrijpen werd versterkt.
In 1829 kwam de landelijke politiewet, waardoor politiekorpsen in het leven geroepen konden worden. Verder kwam er in 1835 de publick health act, die ervoor zorgde dat er waterleiding, riolering en bestrating werd aangelegd. Door particulieren werden in 1846 parken aangelegd waar de arbeiders zich konden ontspannen en in 1851 werd de eerste universiteit opgericht. Door andere ondernemers werden voorzieningen als scholen, kerken, bibliotheken en ziekenhuizen enzovoorts gebouwd.
Hoofdstuk 4: ondernemers en arbeiders

In 1818, aan de vooravond van een staking verscheen een pamflet, gericht aan de inwoners van Manchester, waarin hevig commentaar werd geleverd op de ondernemers die vanuit het niets waren opgeklommen, van wie het enige oogpunt zoveel mogelijk verdienen was. Daar tegenover stonden de arbeiders die het geduld zelve waren en die niks anders konden dan voor hun meester werken. Ze hadden verschrikkelijke omstandigheden en konden niks dan werken. Ze waren gewoon slaven. Dit zwarte beeld wordt onderzocht in hoofdstuk 4.

Paragraaf 4.1: ziek van de fabriek
In de agrarische samenleving was het werktempo en de hoeveelheid werk opgelegd door de natuur. In de katoennijverheid deed de fabriek dit werk, iedereen begon als de machines aan gingen, en er werd pas gestopt als de machines stil stonden. En ook al werkte niet iedereen in de katoenfabrieken, het leven werd er wel door bepaald, want winkeliers verkochten voedsel aan katoenarbeiders en hun huizen werden gebouwd door de timmermannen. Zo had iedereen hier wel mee te maken.
Vanaf 1750 gingen boeren steeds meer in de katoennijverheid werken, wat toen nog veelal via het putting-out-system gebeurde. Vanaf 1780 werd dit proces meer fabrieksmatig, wat weer zorgde voor een grotere arbeidsdeling door de mechanisatie. Dit betekende dat de arbeid opgedeeld werd in verschillende deelhandelingen en zo werd het werk veel meer routinewerk. Ook konden de werktijden en het werktempo niet meer door de arbeider zelf bepaald worden zoals bij de huisnijverheid. Ook werd de arbeid anders verdeeld. Zo gingen mannen nu van weven naar spinnen, en vrouwen kregen als taak om te kaarden en de kinderen deden het ondersteunende werk. Nog later gingen vrouwen weven en de mannen deden het zwaardere en beter betaalde werk. Toen nam het percentage vrouwen in de fabriek ook toe.
De fabrieksomstandigheden waren vaak nog slechter dan die bij de thuisarbeid en er gebeurden heel vaak ongelukken. Ook kregen mensen allerlei aandoeningen als doofheid en longaandoeningen. Voor het verbeteren van deze omstandigheden was nauwelijks aandacht in deze tijd.
Paragraaf 4.2: de macht van werkgevers
Het beeld van rags to riches(vodden naar rijkdom) was erg populair in deze tijd. Maar het klopte niet, want de meeste bedrijven en rijkdom waren aan het begin van de IR overgenomen van hun vader. Verder hadden ze ook nog meer interesses dan alleen geld. Ze waren geïnteresseerd in godsdienst, kunst en wetenschap en hier wouden ze ook voor betalen. Verder waren er ook wel werkgevers die paternalistisch waren, en die dus wel iets voor hun arbeiders wouden doen als scholen of het betalen van een trouwpartij.
Toch waren de verhoudingen harder, omdat ondernemers moesten blijven concurreren en dus de prijzen laag moesten houden. Mede om deze reden wouden ze ook geen inmenging van derden. Daarnaast kwam het feit dat door de schaalvergroting de afstand tussen werkgever en werknemer toegenomen was. De kleinere fabrikanten waren zelf niet eens zeker van hun toekomst.
De arbeiders kregen stukloon betaald, ondanks dat ze niet hun eigen tijden of inzet konden bepalen. De ondernemers hadden de macht, mede doordat ze de wet aan hun kant hadden. Zo was in 1799 de combination act van kracht geworden. Deze wet verbood de vorming van vakbonden. Deze wet werd in 1824 opgeheven, omdat de arbeiders hierdoor teveel verbitterd zouden raken. Nu kwamen er legale vakbonden, maar hun positie was te zwak, doordat het eenvoudige arbeid was. En als er gestaakt werd, dan werden de arbeiders uitgesloten, wat betekende dat geen van de fabrieken ze nog in dienst wou nemen. De meeste stakingen of acties leidden dan ook tot een nederlaag voor de arbeiders. Later werden er in Blackburn collectieve afspraken gemaakt over het stukloon. Dit was een stap in de goede richting.
Paragraaf 4.3: een onzeker bestaan
Na Friedrich Engels waren er nog vele andere historici die beweerden dat de arbeiders het slechter hadden, maar er waren ook veel die beweerden dat de ellende voor de IR in de agrarische samenleving werd onderschat. Dit leidde tot een van de grootste historische discussies ooit. Dit debat is nooit beslecht, maar wel is vast komen te staan dat de sterftecijfers daalden, de geboortecijfers stegen en de levensverwachting groeide (met 6 jaar). Dit kwam vooral door de intrede van de aardappel, want deze hadden een hoge voedingswaarde en ze vergrootten de weerstand. Ook hadden misoogsten minder effect, want nu kon voedsel uit andere gebieden ingevoerd worden.
De bevolkingsgroei kwam doordat er meer mensen trouwden en kinderen kregen, wat in de agrarische samenleving “niet mogelijk” was geweest omdat dit het aantal erfgenamen vergrootte, wat zorgde voor versnippering. Toen werd er later getrouwd of zelfs helemaal niet. Men wilde pas trouwen als er land en genoeg geld was. In de IR was geboortebeperking niet meer nodig en er konden meer mensen op hetzelfde stuk grond wonen.
De levensomstandigheden waren niet overal gelijk. In de stad verdiende je meer, maar het leven was er duurder en het was erg ongezond. Ook waren de werkgevers harder. Ook verschilde het per leeftijdsgroep en zelfs van jaar tot jaar. De katoenindustrie werd namelijk om de zoveel tijd getroffen door hevige depressies. Tot de komst van de stoommachine ging het goed met de inkomsten van de thuiswerkers, maar ze gingen door de stoommachine steeds minder verdienen en uiteindelijk waren ze ook gedoemd tot het werk in de fabriek, wat in slechte economische tijden leidde tot veel ontslagen en scherpe loonsverlaging.
De overheid zorgde mondjesmaat voor armenwetten, die voorzagen in steun in natura of werk. Verder hield ze zich afzijdig. Werknemers met paternalistische werkgevers waren beter af. Deze kregen in slechte tijden of bij ouderdom hulp van deze werkgever. Verder waren er nog familie- en buurtnetwerken. Verder verenigden arbeiders zich in verbruikscoöperaties voor gezamenlijke inkopen en friendly societies. Dit waren groepen collega’s die zich onderling verzekerden tegen ziekte, werkloosheid, begrafeniskosten en ander ongemak.
Paragraaf 4.4: handwevers en arbeiderskinderen
Het eind van de 18e eeuw was een gouden tijd voor de wevers. Zonder hard werken konden ze veel geld verdienen, omdat er niet veel wevers waren. Deze voorspoed trok armen aan die ook aan de slag probeerden te komen. Dit resulteerde erin dat rond 1800 het tij begon te keren. Tijdens crises kwamen tienduizenden wevers zonder werk te zitten en ze werden meer een reserve voor de ondernemers. Hadden ze het eerst zo goed, het beroep handwever begon langzamerhand uit te sterven en uiteindelijk viel er letterlijk geen droog brood meer mee te verdienen en na 1835 stierf het beroep handwever uit. Rond 1850 waren er alleen nog enkele handwevers gespecialiseerd in fijne stoffen.
Kinderen leefden ook onder erbarmelijke omstandigheden. Ondernemers wouden ze graag in dienst hebben, omdat ze goedkoop waren. Zo werd een groot deel van de wezen ook naar Lancashire gestuurd, omdat hier voldoende werk voor ze was. Ouders lieten hun kinderen zo jong mogelijk werken, om zo het gezinsinkomen te vergroten. Dit was niet echt een gevolg van de IR, omdat kinderen hiervoor ook al onder slechte omstandigheden op het land moesten werken.
Tot 1830 werd staatsbemoeienis afgekeurd, maar ter bescherming van de kinderen kwamen er in 1833 de factory acts. Hierin werden nachtwerk en werkdagen van meer dan 9 uur voor kinderen tot 13 jaar verboden en kinderen onder de 9 mochten helemaal niet meer werken. Ook kwamen er veiligheidseisen voor machines. Verder begon men in deze tijd actie te voeren voor 10-urige werkdagen voor vrouwen en jongeren wat leidde tot de ten hours act(1847), met als gevolg dat veel mannen ook al snel dezelfde werktijden kregen.
Eerst werden de wetten nog ontdoken, maar al snel kwam er arbeidsinspectie. Ook de productiviteit ging omhoog en er kwam leerplicht. Door de stijgende productiviteit konden de lonen omhoog wat ervoor zorgde dat veel arbeiders nu hun gezin konden onderhouden.
De IR leidde wel tot economische groei, maar het inkomen steeg minder hard dan het gemiddelde. Wel werd het leven na 1850 gemakkelijker.
Extra: geschiedenis ‘van onderop’
Het boek the making of the working class van E.P. Thompson gaat over de levensstandaard in de IR. Het boek was al meteen in 1963 een meesterwerk. Thompson sloot zich aan bij de linkse historici die beweren dat het een uitzonderlijk zware tijd was. Het boek geeft een beeld van onrecht en onderdrukking. Hij bekeek de tijd niet alleen m.b.v. statistieken, maar hij probeerde ook het leven door de ogen van de arbeider te zien. Het lag volgens hem niet aan de lage lonen, maar vooral aan de verslechtering van werk- en leefomstandigheden, de politieke onderdrukking en de toegenomen bestaansonzekerheid.
Het fabriekswerk was eentonig en slechter dan het werk op het land, want er zat geen variatie in en er was geen tijd om te rusten. Wrede opzichters lieten de kinderen werken in donkere, lawaaiige ruimtes. Het beste voorbeeld dat het een verslechtering was, was volgens Thompson te zien aan het feit dat de arbeiders tegen deze kinderarbeid protesteerden.
Volgens Lawrence W. Reed waren alleen de wezen er zo slecht aan toe, zoals hij verteld in zijn boek child labour and the British industrial revolution(1976). Het was een zegening voor het kapitalisme, omdat het de productiviteit omhoog bracht. Kinderen met ouders werden beschermd door hun ouders en zo zorgden ze voor een gezinsinkomen. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat de vader het inkomen voor het hele gezin kon verdienen.
Hoofdstuk 5: een halve eeuw politieke spanning

Op 16 augustus 1819 werd een grote arbeidersdemonstratie gehouden. Ze wouden nu zelf ook verschillende rechten hebben als stemrecht, persvrijheid en andere rechten die eerder alleen aan de rijken voorbehouden waren. De autoriteiten waren hier bang voor omdat dit ervoor zou zorgen dat de arme domme mensen aan de macht zouden komen, wat hun geordende maatschappij omver zou werpen. 80000 mensen kwamen naar St. Peter’s Field. Het werd de autoriteiten te gevaarlijk en ze grepen in, wat 11 slachtoffers en 400 gewonden tot gevolg had. Deze gebeurtenis werd bekend als the peterloo massacre. Dit liet zien hoe de samenleving veranderd was.

Paragraaf 5.1: visies op de nieuwe samenleving

In de periode 1830-1850 kwam het debat over de nieuwe industriële samenleving op gang. Iedereen had deze verandering door. De schaalvergroting maakte de problemen beter zichtbaar. Problemen als misdaad, armoede, ziekte en vervuiling waren er altijd al geweest, maar nu waren ze veel duidelijker zichtbaar doordat ze geconcentreerd waren in de sloppenwijken. In deze tijd liepen de politieke spanningen daarom ook hoog op. De belangstelling voor de nieuwe samenleving zorgde voor een nieuw soort roman: de social novel, die geschreven werden door onder andere Charles Dickens, Benjamin Disraëli en Elizabeth Gaskell. In het boek:a tale of Manchester life beschreef deze laatste schrijfster, die zelf in Manchester woonde, een indruk van het leven van de arbeiders. De middenklasse las dit boek om de arbeiders beter te begrijpen, want het gaf een goede verklaring op belangrijke vragen waarom arbeiders rijken haatten en waarom rustige arbeiders veranderden in wilde stakers, moordenaars en revolutionairen. Ook de boeken van Disraëli werden om deze reden gelezen en volgens hem waren er 2 groepen die niks met elkaar te maken hadden. Hij pleitte als lagerhuislid voor sociale wetgeving en uitbreiding van het kiesrecht, wat hij later als minister president ook werkelijk doorvoerde. Veel mensen maakten zich zorgen om de arbeiders.
David Ricardo was econoom en hij vond, net als Adam Smith, dat de overheid zich zo weinig mogelijk met de economie moest bemoeien. Vrijhandel zou voor het beste evenwicht zorgen. Hij was sceptisch over de mogelijkheden van economische groei, maar zijn collega’s Andrew Ure en Charles Babage vonden 15 jaar later dat de industrialisatie onbegrensde groeikansen bood. Deze heren vonden dat de arbeider een radertje was in een steeds efficiëntere machine. Het werk was niet zwaar en beter dan het werk in een werkplaats of op het land. Uiteindelijk zou de machine het leven van de mensheid volledig verlichten doordat mensen overbodig zouden worden.
De Manchester-school was aanhanger van het economisch liberalisme van Smith en Ricardo. Niemand schoot iets op met bescherming door de staat dachten zij.
Hiertegenover stond de visie van Friedrich Engels en Karl Marx, die vonden dat deze vorm van economie alleen maar kon leiden tot uitbuiting. De arbeiders zouden volgens hen zelf het heft in handen nemen wat zou leiden tot algemene welvaart.

Paragraaf 5.2: onderdrukking en verzet

Vanaf 1790 was er in Engeland angst voor revolutie, zoals dit ook in Frankrijk was gebeurd. Thomas Paine schreef in zijn boek the rights of man een felle aanklacht tegen de monarchie. Hij eiste gelijke rechten voor iedereen. Verder wou hij algemeen kiesrecht en een parlement om de regering te controleren. Ook eiste hij dat rijken meer belasting moesten betalen en dat ouderen een pensioen kregen. Paine werd vervolgd wegens opruiing en hij vluchtte naar Frankrijk. De regering probeerde met spionnen en vervolgingen een revolutie te voorkomen.
Aanvankelijk zat het centrum van de hervormers in Londen, maar later ook in Lancashire, door de loonsverlagingen in 1802. In 1807 tekenden 130000 wevers een petitie voor een wettelijk minimumloon. Ze zetten kracht bij m.b.v. stakingen en demonstraties, waaraan de autoriteiten uiteindelijk een einde maakten met het leger. De leiders werden opgepakt en de wevers raakten hier verbitterd over. De luddieten kwamen nu in Lancashire. Groepjes gemaskerde mannen die zichzelf ‘het leger van generaal Ned Ludd’ noemden richtten eind 1811 vele vernielingen aan in fabrieken en werkplaatsen. Er werd wacht gehouden en de luddieten bereidden een gewapende opstand voor. Overal in het land verdwenen wapens. In 1812 braken hongeroproeren uit en de revolutie leek nabij. Nu werden vele leiders opgepakt of geëxecuteerd en het luddisme verdween.
In 1815 was de 23 jaar durende oorlog met Frankrijk afgelopen. Omdat er nu weer graan uit Europa aangevoerd kon worden nam men in 1815 de corn laws aan waarmee over de invoer hoge belastingen betaald moesten worden. De voedselprijzen bleven hoog waardoor het volk ontevreden was. Radicale pers kreeg nou macht in handen en stookten de mensen op tot rellen en plunderingen, terwijl de leiders juist op een vreedzame weg tot veranderingen wilden komen. Na de massademonstratie op St. Peter’s Field in 1819 kwam er een nog grotere demonstratie en de regering besloot alle politieke tegenstanders te onderdrukken.

Paragraaf 5.3: oude versus nieuwe lords

In de jaren 1820-1835 was er politieke rust, maar in 1826 kwam er opnieuw politieke onrust na een crisis. Nu kwamen er spontane acties. In 1830 kwamen de politieke tegenstellingen weer in beeld, maar nu wouden ook de ondernemers verandering. Ze hadden altijd de politiek gesteund, maar doordat hun fabrieken nu broeinesten waren van ontevreden arbeiders en doordat de landadel in de politiek heerste wouden ze verandering. Zo was het hogerhuis (house of lords, bestaande uit edelen) helemaal door de koning benoemd voor het leven en het lagerhuis(house of commons) werd gedomineerd door landadel die uit kiesdistricten kwamen die niet meer representatief waren. Manchester had als tweede stad geen enkele afgevaardigde door het systeem uit 1688.
In 1830 kwam er een hervormingsgezinde minister-president die meteen een hervormingsvoorstel indiende wat werd verworpen door het lagerhuis. Toen trad de regering af. Er kwamen rellen en er werden nieuwe verkiezingen gehouden. Na deze verkiezingen werd het voorstel afgewezen door het hogerhuis. Dit zorgde voor nog meer onrust. Er kwamen nog meer rellen en de autoriteiten hadden de situatie niet meer in de hand. In 1832 kwam de reform bill. In dit systeem bleven de districten bestaan, maar elk district werd door 1 of 2 mensen vertegenwoordigd. Nu kreeg de landadel veel minder te zeggen en de industriegebieden kregen veel meer zetels. Kiesgerechtigd was je als je minimaal een bepaald bedrag aan belasting betaalde.
Nu werden ook de corn laws onder de loep genomen. Na een depressie in 1838 kwam de anti-cornlaw-league op. Een in Manchester opgerichte beweging van handelaren, bankiers en fabrikanten. Op allerlei manieren werden de arbeiders tot verzet tegen de corn laws aangezet. In 1846 werden deze corn laws afgeschaft.

Paragraaf 5.4: de chartisten-beweging

Slechts een klein deel van de lagere klassen was politiek actief. Toch werden deze klassen zich bewust van hun gezamenlijke belangen en ze konden niet langer genegeerd worden. Doordat er strengere armenwetten kwamen en doordat vakbonden nog steeds weinig gedaan werd, wou men algemeen kiesrecht. Dit zou leiden tot meer sociale rechtvaardigheid werd gedacht. In 1836 begon een economische crisis en de vraag naar algemeen kiesrecht werd groter. In 1838 stelde een arbeidersorganisatie een charter (handvest) op met politieke eisen. De volgende eisen werden gesteld:
· Algemeen mannenkiesrecht
· Jaarlijkse verkiezingen
· Geheim stemrecht
· Salaris voor parlementsleden zodat iedereen in het parlement zitting kon nemen, niet alleen de gesponsorde rijken.
Doordat dit handvest algemeen overgenomen werd door arbeidersorganisaties ontstond de chartisten-beweging. 1,3 miljoen mensen tekenden een petitie dat het parlement het charter aan moest nemen. Toch maakte het geen kans, omdat veel politici dit niet zagen zitten in 1839. Dit leidde tot rellen en veel verschillende plannen voor acties tegen het parlement. In de winter van 1839-1840 kwam het tot rellen en vele chartisten werden vastgezet. Een nieuwe petitie werd getekend en weer werd dit afgewezen. Nu gingen vele mensen in staking, mede doordat de lonen verlaagd werden. Dit werd door de regering en de ondernemers tot een einde gebracht en vele stakers werden opgepakt.
Nu kwam het einde van de beweging, omdat de stakers het niet lang vol konden houden en omdat ze op allerlei andere gebieden wel tegemoet gekomen werden. In de ¾ eeuw die volgden werden alsnog alle eisen ingewilligd. Het ging steeds beter met Engeland en het werd bijna onvoorstelbaar dat dit land op de rand van een revolutie had gestaan.

Extra: nut en nadeel van arbeidsdeling

De arbeid moest volgens Babbage verdeeld worden, omdat de ondernemer anders onnodig duur uit was. Hij moest zijn werknemer namelijk betalen naar het moeilijkste stukje arbeid, wat deze maar heel weinig deed. Arbeiders hoefden zo ook alleen maar opgeleid te worden tot hetgeen ze moesten doen. Zo werd het werk makkelijker en goedkoper.
Volgens Marx maakte deze arbeidsdeling de arbeider tot een slecht betaalde slaaf die alleen maar kon doen wat de ondernemer van het wenste.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.