Het laatste examennieuws, de beste samenvattingen en uitlegvideo's per vak, tips om je optimaal voor te bereiden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Historisch geografisch kader; De industrialisatie begint in Engeland

Industrialisatie is de overgang van een agrarische samenleving in een industriële samenleving.
Dit proces begon in de 16e eeuw en liep door tot ver in de 20e eeuw.
In de 2e helft 18e eeuw: versnelling in Engeland, 19e eeuw is er ook in andere landen een versnelling. Dit wordt de Industriële Revolutie genoemd.
Term revolutie lijkt onjuist, want het gebeurt geleidelijk, maar toch juist omdat het zo ingrijpt in alle aspecten van het maatschappelijk leven.

Bevordering industrialisatie:
* groei van de bevolking  b.v. meer kleding nodig: meer vraag zorgde voor meer aanbod.
*technologische ontwikkelingen  werktuigen werden verbeterd. De stoommachine zorgde ervoor dat allerlei machines aangedreven konden worden; mechanisering was het gevolg.

Industrialisatie leidt tot grote veranderingen op economisch gebied:
 Industrialisatie zorgde voor overgang van landbouw- naar markteconomie. Wereldhandel speelde hierbij een belangrijke rol, opbrengst hiervan werd in Europa geïnvesteerd. NB Toename onderlinge afhankelijkheid van gebieden die ver uit elkaar liggen!
 Arbeid werd steeds meer gespecialiseerd door technologische ontwikkelingen, de arbeider maakte nog maar een onderdeel van het product. Arbeid werd steeds meer loonarbeid.
 Deze ontwikkelingen zorgden voor urbanisatie, boeren trokken naar steden waar ze in een fabriek in loondienst gingen werken.
Niet alles veranderde. Tot in 20e eeuw bleven agrarische gebieden bestaan.

Industrialisatie leidt tot grote veranderingen op sociaal gebied:
Maatschappelijke ontwikkelingen raakten a.g.v. industrialisatie in stroomversnelling;
*er ontstond klassensamenleving. Bovenlaag: fabrikanten. Middenlaag: leidinggevend personeel en dienstensector. Benedenlaag: fabrieksarbeiders.
*er ontstonden nieuwe sociale organisaties: arbeiders verenigden zich in vakbonden, richtten kranten en hulporganisaties op.

Factoren die er voor zorgden dat Engeland eerste industriële land werd;
* Engeland was rond 1800 grootste koloniale macht -> grondstoffen en afzetmarkt
* er was veel kapitaal -> waarmee ze fabrieken (met uitrusting) en huizen bouwden
* er was gunstig klimaat voor vrij ondernemerschap -> overheid liet bedrijfsleven met rust
* tekort aan hout stimuleerde tot technische vernieuwingen -> ze waren aangewezen op steenkool als brandstof: 18e eeuw mogelijkheden steenkool voor ijzerindustrie ontdekt. Dit was de basis voor machinebouw. (…)

Steenkool en stoommachines werden in alle nieuwe industrietakken gebruikt.
In katoennijverheid was dit ook te zien. Traditioneel wol en vlas belangrijkste grondstoffen voor textiel. In 17e eeuw werd katoen op Britse markt geïntroduceerd. Vooral in zuidoosten Lancashire kwam er welvarende katoenindustrie die bijdroeg aan economische macht Engeland. Ook in andere Europese landen ontstonden geïndustrialiseerde katoenregio’s, ook verbonden met afzetmarkten overzee.

In Engeland vond IR ‘t eerst plaats. Rond 1850 stond Engeland internationaal gezien aan top van zijn economische macht. In 50 jaar daarna ingehaald door VS en Duitsland. Meeste EU-landen industrialiseerden loop van 19e eeuw. Frankrijk was het laatst. Lancashire is regio waar industrialisatie en gevolgen zich het eerst voordeden.

Let op! Centrale vraag van het examenonderwerp: welke invloed had de ontwikkeling van de katoennijverheid op landschap, economie en samenleving in Lancashire?

Natuur en bevolking +/- 1750

Engeland was in de Middeleeuwen ingedeeld in graafschappen (county). Eén van de noordelijke graafschappen was Lancashire.
* Lancashire rond 1750 overwegend agrarisch gebied (heuvels, rivieren, beken en moerassen). Heuvels, beken en moerassen bemoeilijkte communicatie. Vervoer ging via gekanaliseerde rivieren en verharde tolwegen.
* Waar de bodem steenkool of mineralen bevatte, waren kleine mijnen.
* Grootste gedeelte bevolking van Lancashire woonde in dorpen en gehuchten.
* Bevolking groeide in eerste helft van 18e eeuw langzaam, maar gestaag.

Hoofdstuk 1: De opkomst van de katoennijverheid in Lancashire

1) Lancashire +/- 1750 voornamelijk agrarisch

(…)
Belangrijkste kenmerken van agrarisch Lancashire
* In groot deel van Lancashire produceerden kleine boeren landbouwgewassen voor eigen gebruik en naburige markt (haver en aardappelen) . (…)
* In noorden en westen waren grotere landbouwbedrijven.
* Veeteelt kwam op zeer bescheiden schaal voor. Uitzondering vormde omgeving Liverpool en Manchester (stadsbewoners te voorzien van zuivelproducten).
* Landbouwgrond bij vererving opgedeeld, daardoor werden bedrijven steeds kleiner.
*Door enclosure-wetten waren er bijna geen gemeenschappelijke gronden meer.

Enclosures: het platteland wordt herverkaveld
Sinds de 15e eeuw drongen grote boeren aan gemeenschappelijke gronden onder boeren te verdelen. Dit gebeurde in de 18e eeuw op grote schaal. Het werd ‘enclosure’ omheining genoemd, omdat de open gemeenschappelijke gronden werden opgedeeld in omheinde stukken.
De enclosures werden mogelijk gemaakt door de parlementswetten. Kwaliteit en productie van de landbouw namen na de enclosures toe. Bijna alle grond ging naar de grotere boeren en grootgrondbezitters. Voor de verliezers was de groeiende werkgelegenheid in de katoenindustrie en industrieën een uitweg.

Belangrijkste kenmerken van stedelijk Lancashire
*Steden waren gericht op handel en nijverheid, waren klein. Uitzonderingen Manchester (20.000) en Liverpool (26.000).
*Nijverheidsstad Manchester had sterke textielhandel(vooral wol) met Londen.
* Havenstad Liverpool was gericht op Ierland en Amerika.
Driehoekshandel:

(…)

2) Textielnijverheid de belangrijkste tak van economie

Ontstaan van de textielnijverheid
Al in late Middeleeuwen deden boerengezinnen aan huisnijverheid, er werd wol en linnen gesponnen en er werden wollen en linnen stoffen geweven. Grondstoffen (schapenwol en vlas of vlasgarens) daarvoor kwamen uit Engeland of Ierland.
Omstreeks 1600 intrede nieuwe grondstof: ruwe katoen. Ingevoerd uit de Levant (= oostelijk Middellandse Zeegebied). In Lancashire ruwe katoen tot garen gesponnen, maar garen was niet sterk genoeg om er puur katoenen stoffen van te weven. Daarom katoenen garens(inslag) gecombineerd met linnen garens(schering) -> Bombazijn.
In loop 17e drong verwerking katoen op grotere schaal in Lancashire door.
(…)

Organisatie van de textielproductie
Huisnijverheid:
* Voor boeren was spinnen en weven een nevenactiviteit naast t werk op de boerderij, ze deden het vooral in de winter.
* in boerenfamilie was er hiërarchisch patroon; mannen hoger dan vrouwen. Mannen en oudere jongens weefden. Vrouwen, meisjes en kinderen droegen zorg voor schonen en kaarden (reinigen en ontwarren van wol, vlas of ruwe katoen) en spinnen (met spinnewiel).

* De hele familie deed mee. Tempo en hoeveelheid productie werd door familie zelf bepaald. Inkomen werd als gezinsinkomen gezien.
*men werkte in opdracht van kooplieden en kreeg stukloon (afgesproken prijs per geleverd product) uitbetaald.
Textielateliers (manufactuur):
Beroep van spinnen of weven uitoefenen in kleine ateliers als eigendom van meester-spinner of meester-wever. Leerlingen werden opgenomen in de familie van de meester.

Het ‘putting-out systeem’
= Uitbestedingssysteem: het verbond spinners, wevers, tussenhandelaren en kooplieden.
Kooplieden kochten grondstoffen of halffabrikaten (garens)
- ze verkochten die aan tussenhandelaren
- die brachten ze bij boeren en ambachtslui
Eindproducten volgden dezelfde weg terug.
Het systeem functioneerde ook als informeel kredietsysteem, omdat er geen reguliere banken waren.

Het handelsnetwerk
De invloedrijkste kooplieden en tussenhandelaren woonden in Manchester. Die maakten deel uit van een klein, internationaal handelsnetwerk, maar waren wel afhankelijk van Londen (meer kennis netwerken en geld).

3) Gunstige omstandigheden voor de katoennijverheid in Lancashire:
* Er was rijke textieltraditie met veel kennis en vaardigheid, daardoor was de overschakeling van wol of vlas op katoen makkelijk.
* Het vochtige klimaat was gunstig voor spinnen (makkelijker te verwerken) en weven(braken minder snel).
* Voldoende arbeidskrachten aanwezig voor uitbreiding katoennijverheid. Aantal jonge mensen groeide, en er kwamen arbeidskrachten vrij op t platteland (door enclosures).
* Er waren maar weinig investeringen nodig om de huisnijverheid uit te breiden.
* Het ‘putting-out-systeem’ kon schommelingen op de markt goed opvangen. Het initiatief lag in dit systeem bij de kooplieden. (Productie kon aangepast worden aan vraag.)
* In Lancashire waren steenkoolmijnen waar stoommachines werden gebruikt. Dit stimuleerde de mechanisering van de katoennijverheid (er was ervaring en steenkool).
* Sommige overheidsregels golden niet voor Lancashire (zoals de Calico Acts = wetten die tussen 1721 en 1774 alle bedrukte katoenen weefsels verboden).
* Katoennijverheid profiteerde van het in Engeland gunstige klimaat voor uitvindingen;
a) Gilden wilden altijd het vakmanschap van hun leden beschermen(uitvindingen bedreigden dat). In Engeland hadden gilden niet veel macht (wat wel het geval was in de rest van Europa). In Engeland veel uitvinden gedaan door zelfstandige handwerkers of ondernemers, die geen last hadden van gildenregels.
b) In Engeland het octrooirecht goed geregeld; uitvinders konden financieel profiteren.
c) Engeland was koloniaal wereldrijk geworden. Daardoor grote toevoer katoen, maar de verwerking verliep te langzaam. Dit was een grote uitdaging voor uitvinders om dit proces te versnellen.

4) Gunstige omstandigheden op de katoenmarkt
* Aanbod ruwe katoen groeide waardoor de inkoopsprijs daalde. Ruwe katoen vooral ingevoerd uit West-Indië en de Levant.
* In Engeland rond 1750 veel vraag naar katoenen of bombazijn producten, omdat;
a) de bevolking groeide
b) bombazijnen of volledig katoenen kleding werd populair, ook in betere kringen.
Katoen was goedkoop, was een goede vervanger van wol of linnen, katoen was makkelijker te wassen, andere stoffen (die duurder waren) werden geïmiteerd, katoen kon worden bedrukt, het was voor heel veel verschillende doeleinden te gebruiken (zoals voor zeilen, aandrijfriemen, verband, gordijnen, etc.).
* Er werd een buitenlandse markt opengelegd; Europa, Azië, Afrika, Amerika. Engeland beheerste met zijn grote vloot handelsroutes naar Azië, Afrika en Amerika.

Uitvinders veranderen de katoennijverheid in industrie

John Kay(1704-1779) = uitvinder van werktuigen voor spinnen en weven.
1733 kreeg hij octrooi op zijn verbetering van het weefgetouw; de uitvinding van de ‘schietspoel’, die de ‘smijtspoel’ verving. De snelheid van weven werd door de schietspoel twee keer zo hoog. Gevolg was dat spinners het tempo van wevers niet meer konden bijhouden, dus vraag naar versnellen van het spinnen was groot.

(…)In 1764 ontwierp James Hargreaves (1710-1778) een spinnewiel met een horizontaal frame waarop acht spillen konden worden geplaatst: de ‘spinning jenny’.
Aangezien de kleinere ‘jenny’s’ vrij simpele houten constructies waren die door vrouwen en kinderen konden worden bediend, werden zij spoedig gebruikt in de huisnijverheid.
Tekortkoming: het garen was niet erg sterk, zodat het alleen voor de inslag van een weefsel goed bruikbaar was. Voor bombazijn was dit geen bezwaar, hierbij alleen linnen garen voor de schering gebruikt.

1768: Richard Arkwright(1732-1792) ontwierp de eerste spinmachine die machinaal aangedreven werd; de ‘waterframe’. De machines werden zo genoemd omdat ze aanvankelijk vooral in watermolens werden geplaatst. Vanaf 1785 werden ook stoommachines als krachtbron gebruikt. De waterframe had het voordeel dat het garen sterk genoeg was om als schering te dienen. Gevolg: productie bombazijnen weefsels nam sterk af, productie zuiver katoenen weefsels nam snel toe.
(…)

Samuel Crompton (1753-1827) ontwierp in 1777 een spinmachine die sneller werkte en een nog betere kwaliteit garen leverde dan de ‘waterframe’ van Arkwright. Zijn machine werd ‘mule’ (muilezel) genoemd omdat er elementen van de ‘spinning jenny’ en de waterframe in gecombineerd werden.
De spillen, tot 1200 toe, waren op een wagentje geplaatst dat kon in- en uitrijden.
Evenals de waterframe kon de mule met waterkracht of met stoomkracht worden aangedreven. De ‘mule’ werd de standaardmachine van bijna alle latere stoomspinnerijen.

Hoofdstuk 2: Het platteland van Lancashire verandert

1) Technische vernieuwingen in de katoenindustrie

Vernieuwingen in de katoenindustrie:
* 1730-1770 zorgenden verbeterde machines (handkracht) in huisnijverheid voor sterke productieverhoging, belangrijkst waren de schietspoel en spinning jenny.
* Na 1770 werden er steeds grotere spinmachines uitgevonden (waterframe en mule), deze werkten niet meer met handkracht.
* Na 1800 vroegen spinmachines steeds meer energie, geleidelijk waterkracht gecombineerd met stoomkracht.
* Na 1820 werd ook weven steeds meer machinaal(stoomweverijen).

Oorzaken van langzame overgang naar machinaal:
1)Patentrecht eerst alleen voor eigen fabriek gebruiken
2)Constructieproblemenmachines waren nooit in 1x perfect
3)Tekort aan investeringsgeldherhaaldelijk crises in katoensector door overproductie (b.v. oorlog). Ze moesten al veel investeren in ruwe katoen, daardoor geen geld om in machines te investeren, machines waren ook riskant die konden nml voor overproductie zorgen.
4)Handwevers wisten weefmachines lang de baas te blijven (concurreren door steeds meer te produceren tegen steeds lagere prijzen)

2) De inrichting en het uiterlijk van de werkplaatsen en fabrieken

Na 1770 veranderde werkomgeving ingrijpend (werkplaatsen in boerderijen en in huizen maakten plaats voor fabrieken):
*Grote spinmachines werden vaak in watermolens geplaatst, die vanaf dan alleen nog maar als spinnerij fungeerden. Ook werden er speciaal spinnerij-watermolens(mills) gebouwd.
*Na 1820 meer spinnerijen gebouwd die alleen op stoomkracht werkten rond kleine plaatsen.
*Tussen 1820-1850 op grote schaal stoomweverijen opgericht.
* Mills waren geen werkplaatsen meer maar fabrieken.
Grote verschil tussen werkplaats en fabriek was dat in werkplaats alleen handkracht werd gebruikt en er klein aantal werknemers was, in fabriek werden machines aangedreven door waterkracht of stoommachines en was er groot aantal arbeidskrachten.

3) De groei van de kleine plaatsen op het platteland

Gedaanteverandering op het platteland(tussen 1770 en 1850):
*Stadjes groeiden door de ontwikkelingen in de textielnijverheid.
In blekerijen weefsels ontkleurd, volmolens dienden om wollen weefsels sterker en dichter te maken.
*Bevolking van Lancashire verdrievoudigde (Eng. als geheel verdubbelde).
Oorzaak: Lancashire trok veel migranten uit agrarische gebieden aan.
* Na 1820 werd economische activiteit in steden geconcentreerd en er trad snelle verstedelijking op. Bevorderd door snelle mechanisatie na 1820.

Bolton als voorbeeld (= kleine stad i.t.t. Manchester en Liverpool)
*Snelle bevolkingsgroei
*Snelle mechanisatie profiteerde van nabijheid van steenkoolmijnen.
*Sterke uitbreiding van vervoersmogelijkhedennetwerk van kanalen aangelegd, in 1828 bij Bolton 1e spoorlijn in Lancashire geopend. Hierdoor goede mogelijkheden voor aanvoer grondstoffen en vervoeren eindproducten.

4) Woonomstandigheden en publieke voorzieningen

De woonomstandigheden veranderen sterk
*Woonhuizen kwamen temidden van mills, pakhuizen, boerderijen en pakhuizen te liggen. Gevolg van spreiding economische activiteiten over stadjes en omliggend gebied.
*Er werden weverskolonies gesticht (rijtjes-huurhuisjes, rug-aan-rug, door grote vraag naar wevers), betaald door ondernemers of kooplieden.
*Er ontstonden sloppenwijken(door versnelde mechanisatie na 1820).
*Ondernemers stichtten fabrieksdorpen voor betere omstandigheden van de arbeiders (om eigenbelang en idealisme). Kun je beide motieven uitleggen?

Vooral particulieren zorgen voor publieke voorzieningen
Tijdens urbanisatie te weinig aandacht voor woonomstandigheden arbeiders, daardoor tekort aan publieke voorzieningen. Lokale overheden te weinig middelen om dit te verberen, meer belasting heffen riskant (om herkozen te worden), t hoorde niet tot taak van overheid.
Daarom grepen plaatselijke notabelen uit filantropische overwegingen en eigenbelang in. In Bolton bv. straatverlichting, waterleiding en scholing voor kinderen door de plaatselijke Kerk

Hoofdstuk 3: De leefomgeving in Manchester verandert

1) Het uiterlijk en de inrichting van werkplaatsen en fabrieken

In huisnijverheid zijn omstandigheden slecht
Kenmerken huisnijverheid in Manchester;
* Na 1770 lag nadruk op handmatig weven van katoenen producten.
* Huisnijverheid in 1e helft 19e eeuw vooral in Manchester slecht betaald, mensen werkten in kelders en krotten.
* In Manchester kwamen nauwelijks speciale weverwoningen voor.
* In Manchester maar korte tijd gebruikt gemaakt van door waterkracht aangedreven ‘mills’, doordat na 1780 er steeds meer fabrieken kwamen die water aftapten, wat voor afzwakking van de watertoevoer zorgde.

Manchester wordt de stad van de stoomspinnerijen
In 1790 kwam de eerste stoomspinnerij, kort na 1800 waren er al meer dan 100. Ze lagen vooral aan kanalen (voor aanvoer grondstoffen, afvoer producten, en door t grote waterverbruik van de stoomketels). (…)
Stoommachines(aangedreven door kolen, er was water nodig om de machines te koelen) in aparte ruimtes geplaatst, van hieruit werden spinmachines in beweging gebracht. Hierdoor bleef herrie in werkplaatsen beetje beperkt.
Deze stoomspinnerijen stonden model voor te bouwen stoomspinnerijen in rest Lancashire.

Er komen ook veel veredelingsbedrijven
Naast katoenspinnerijen waren er ook gemechaniseerde veredelingsbedrijven voor bleken, verven, bedrukken en vollen, omdat afgeleverde weefsels van wevers nog niet klaar waren voor gebruik.
Eerste fase was bleken, proces kon maanden duren. In 2e helft 18e eeuw dit proces versneld door uitvinding chemische bleekmiddelen en doordat blekerijen gemechaniseerd werden (voor aandrijving ‘waswielen’ waterkracht of stoommachines). Daarna werden weefsels geverfd of bedrukt.
Vollen was alleen mogelijk bij wollen weefsels!! Wolvezels werden door kneden en bijtende stoffen korter en dikker, waardoor weefsel sterker en dichter werd. Langdurig vollen maakt vilt.
Eind 18e eeuw werd vollen gemechaniseerd, in volmolens.
Veredelingsbedrijven stonden op ruime plekken met veel schoon water. Gemechaniseerde veredelingsbedrijven in handen van ondernemers en kooplui, die hierdoor nog meer greep kregen op textielhandel in Lancashire.
(…)

Manchester bleef achter met de stoomweverijen vergeleken met andere katoensteden. Grootschalige invoering stoomweefgetouw vond na 1820 vooral plaats op platteland (grote apparaten, wegens ruimtegebrek buiten Manchester geplaatst) en in andere katoensteden.

2) De groei van de stad

Veranderingen tijdens de groei van de stad:
De groei van Manchester verliep na 1770 snel, hevig en onregelmatig. Het ging gepaard met aantal belangrijke veranderingen;
* Ontstond grote woningnood en verpaupering.
* Groot aantal pakhuizen voor katoenen producten gebouwd. Het waren opslagplaatsen, maar ook een ‘showroom’. (…)
* Er ontstonden sloppenwijken tussen de fabrieken en pakhuizen.

1830: eerste spoorwegverbinding tussen Manchester en Liverpool. Invloed van spoorwegen klein omdat er goede scheepvaartverbinding was die een grote concurrent was van de spoorwegen.

De groei van de stad verklaard
Manchester had hoog sterftecijfer waardoor er geen groei van de bevolking was. Toch was er sterke bevolkingsgroei, veroorzaakt door grote migratie naar de stad, uit nabije omgeving en van verder weg. Onder deze migranten veel Ieren (door werkloosheid of hongersnood door b.v. aardappelziekte). Rond 1850 waren er zo’n 50.000 Ieren.
De grote bedrijvigheid in Manchester trok ook belangrijke groep (maar beperkt aantal) rijke buitenlandse handelaren aan.

3: Woonwijken en publieke voorzieningen

Grote woningnood veroorzaakt door te weinig investeringen in goede woningbouw voor arbeiders.
Slechte woonomstandigheden van arbeidersgezinnen: Zie ook illustratieve tekst op p.28!
* Arbeidersgezinnen vonden onderdak in oude wijken als Ancoats, huizen werden eindeloos opgedeeld. Deze veranderden daarom in sloppenwijken, en werden berucht.
* Open ruimtes tussen nieuwe fabrieken door speculanten opgevuld met goedkoop gebouwde arbeidershuizen.
* Door massaal gebruik steenkool voor stoommachines en verwarming huizen waren volkswijken in zwarte roetsluier gehuld.
* Er waren nauwelijks winkels, er was gedwongen winkelnering (weet je nog wat dat is?). Voor overige boodschappen moesten ze naar het centrum van de stad.

Er ontstaat een sociale scheiding in woonwijken
In Manchester was dit er veel vroeger dan in kleinere plattelandssteden.
Arbeiders: in oude wijken en in nieuwe wijken bij fabrieken.
Middenklasse: In nieuwe woningen in betere woonwijken (in t centrum dicht bij katoenbeurs, banken en stadhuis). -> ze (geschoolde ambachtslieden, winkeliers, onderwijzers, kantoorpersoneel) probeerden zo burgerlijk ideaal weer te geven.
Rijken:(handelaren en fabrikanten) waren forenzen. Ze woonden meestal in halflandelijke gebieden ten zuiden van Manchester.

Belangrijkste kenmerken van burgerlijk ideaal van de middenklasse waren matigheid en zelfbeheersing, dit hield in;
Nette kleding en woonomstandigheden, fatsoen, goede manieren, zuinigheid, hard werken. Ze wilden zich onderscheiden van lagere klasse en anderzijds de hogere klasse nabootsen(in kleding, inrichting, omgangsvormen).

Vorming verschillende soorten wijken maakte verandering (niet meteen een einde) aan denken in standen. Er kwam nieuw onderscheid; denken in sociale klassen.
Denken in standen:
* Afkomst speelt grote rol.
* Iedere stand had eigen leefregels en gewoonten.
* Standsbewustzijn was groot (vooral niet boven je stand leven).
* Hogere standen namen paternalistische houden aan t.o.v. welzijn lagere.
Denken in sociale klassen:
* Sociaal-economische positie het belangrijkst (dus afkomst minder)
* Men kon stijgen of dalen op maatschappelijke ladder.
* Veel minder contacten tussen verschillende sociale klassen dan vroeger bij standen, hierdoor verdween paternalisme.
-> Buiten Manchester bleven standsbewustzijn en paternalisme veel langer bestaan.

Publieke voorzieningen schieten tekort
Lokale overheid richtte zich eerst alleen op voorkomen ergste misdaden en ernstige verstoringen openbare orde. (Idee nachtwakerstaat)
1835: landelijke politiewet hierdoor kreeg overheid hiervoor meer mogelijkheden. Overheid droeg geen zorg voor andere voorzieningen door;
* Onmacht (gebrek geld)
* Liberale overtuiging overheid dient alleen voor handhaven openbare orde. Liberale overtuiging kwam door het censuskiesrecht, er zijn maar heel weinig socialistische rijkeren, waardoor de overheid doordrenkt was met alleen liberalen. Deze vonden publieke voorzieningen niet belangrijk.

1835: Public Health Act. Lokale overheid verplicht te zorgen voor waterleiding, riolering, bestrating. Voor andere voorzieningen was stad afhankelijk van steun rijke ondernemers.
Public Health Act was niet alleen liefdadigheid! Ziektes als cholera en tyfus kwamen niet alleen onder arbeiders voor. Daarom logisch dat deze wet door de liberalen werd aangenomen, dit kwam dus voort uit eigenbelang.

Hoofdstuk 4: Katoensector verbindt Lancashire met de rest van de wereld

1) Verbondenheid met Engeland

Oorzaken van verbondenheid tussen Lancashire en de rest van de wereld
* Voor kleding werd Engeland in de periode 1750-1850 steeds meer afhankelijk van Lancashire. Rond 1790 was katoen in Engeland belangrijkste grondstof voor kleding, vooral te danken aan grote binnenlandse vraag. Kooplieden deden er alles aan om aan deze vraag te voldoen, er ontstond een heel netwerk door heel Engeland heen.
* Lancashire raakte hierdoor afhankelijk van andere regio’s van Engeland. Het zuiden van Lancashire had vooral industrie, de groeiende bevolking was voor landbouwproducten hierdoor afhankelijk van andere regio’s.

De Engelse katoenmarkt groeit zeer snel dankzij goedkopere katoen(drie factoren):
* Bevolkingstoename
* Katoenen kleding werd goedkoper dan wollen of linnen
* Gunstige prijs-kwaliteitverhouding van katoenen stoffen.
-> Vooral lagere - en middenklassen kochten katoenen producten.

Prijsdaling katoen ging in 3 stappen;
* Door de uitvinding van de cotton gin in 1793 nam katoenproductie sterk toe en daalde prijs ruwe katoen.
Rond 1800 was VS de voornaamste katoenleverancier van Engeland.
* Stoomweefgetouw was rond 1830 kinderziektes te boven, en patenten verliepen. Gevolg: productie volledig machinaal geweven stoffen groeide waardoor de prijs van katoenen stoffen daalde.
* Uitvinding van de naaimachine zorgde voor opkomst grootschalige confectienijverheid. Hierdoor prijsdaling eindproducten (dit was goedkoper dan handgemaakte kleding).

2) Verbondenheid met overzeese gebieden

Lancashire voor in- en uitvoer afhankelijk van het buitenland
Enerzijds Lancashire afhankelijk i.v.m. import ruwe katoen. Tot 1800 kwam katoen uit West Indië en de Levant, daarna uit de VS.
Anderzijds was na 1790 export overzee onmisbaar voor verdere groei katoennijverheid. Omstreeks 1850 exporteerde Lancashire zo’n 50% van productie.

Export van Lancashire naar het buitenland ondervindt problemen:
* Export werd beïnvloed door politieke omstandigheden. Rond 1780 ging >60% van de export naar Europa. Tijdens Frans Revolutie en oorlogen tegen Frankrijk (1793-1815) nam dit percentage af, percentage export naar VS nam juist toe. Na nederlaag Napoleon(1815) werd Europa weer grootste afnemer.
* Marktaandeel in Europa niet stabiel, dit was juist wel heel belangrijk voor de groei katoennijverheid Lancashire. Europa en VS ontwikkelden eigen katoennijverheid. Door deze concurrentie werden de Engelsen gedwongen tot zoeken nieuwe afzetmarkten en aanpassen productie.
* Katoenexport naar India, China en Zuid-Amerika was onregelmatig en riskant. In 1e helft 19e eeuw katoenexport naar die gebieden verschoven. Bijvoorbeeld door misoogsten afzetdaling.

In Engeland leidde de onevenwichtige buitenlandse markt tot aantal crises met dalende winsten en lonen.
Gevolg: sociale ellende voor arbeiders, en diverse zakenlieden verloren hieraan kapitalen en gingen failliet (zoals Gardner in 1847) of stopten (zoals Brooks in 1846)

Lancashire verliest terrein aan het buitenland (tussen 1800 en 1850), oorzaken:
* Andere landen gingen de technologie van Lancashire zelf toepassen. Engeland maakte wetten om verspreiding te verkomen, maar het hielp niet.
Wetten: verboden export nieuwe machines, industriële spionage en werven deskundig personeel voor het buitenland.
Het kwam vooral door emigratie van Engelse vakmensen, die bouwtekeningen of onderdelen van machines meesmokkelden. (bv. schietspoel van John Kay, spinning jenny, waterframe en mule) (…)
De kwaliteit bleef sterk achter op die van Lancashire, dit veranderde pas in 1843. Toen werd het Engelse verbod van machine-export opgeheven. Vanaf toen werd het buitenland van de nieuwste machines voorzien.
* De Engelse katoenfabrikanten waren zo met zichzelf en Engeland ingenomen dat ze buitenlandse uitvinden weinig toepasten. Een Amerikaan vond b.v. een veel snellere spinmachine(rond 1830) uit dan de ‘mule’. Maar Lancashire bleef toch trouw aan de ‘mule’.

3) Organisatie van de handel

Fabrikaten pogen hun afhankelijkheid te verkleinen
Het proces van aanvoer ruwe katoen en afvoer eindproducten verliep via veel tussenhandelaren.
Fabrikanten vonden zichzelf te afhankelijk van leveranciers en afnemers, daarom zetten ze vanaf 1790 bedrijven op die alle fasen van het proces beheersen; van aanvoer van ruwe katoen, daarna fabricage en verkoop. Fabrikanten werden dus ook koopman.
Voor import en export werd nu vaker haven Liverpool gebruikt i.p.v. die van Londen.
De fabrikanten wilden alles in eigen handen houden, hierdoor 1)maakten ze alle nadelen mee als het wat minder goed ging met productie. 2) de grote kennis van de wereldmarkt die de buitenlanders wel goed kenden, daar had deze fabrikant geen verstand van. Oplossing; buitenlandse kooplieden kwamen naar Engeland.

Koopmanfabrikanten in financiële moeilijkheden
Koopmanfabrikanten probeerden door voorraadvorming de prijs van katoenproducten te beïnvloeden. Prijs laag, met opzet weinig aanbieden, maar bleven wel produceren. Hierdoor steeg de prijs weer (door schaarste), dan konden zij voorraad verkopen. Veel geld in pakhuizen, hiervoor leenden ze bij banken in Manchester. Beiden hadden te weinig kapitaal om risico’s op te vangen, dus in tijden van moeilijkheden gingen ze beiden soms failliet. Zoals tijdens de oorlogen met Napoleon (jaren 1806-1814), toen export stagneerde.

Buitenlandse kooplieden vestigen zich in Manchester
Deze kooplieden bezaten veel kapitaal en hadden grote kennis van delen van de wereldmarkt. Bekendste waren de Rothschilds (bankiers, kracht zat in hun internationale vertakkingen, hierdoor grote kennis buitenlandse markt).
Financiering van export en afdekken van financiële risico’s werd steeds meer door buitenlandse zakenlieden en door Londense banken gedaan. Hierdoor minder vaak faillissementen.
Centrum katoenhandel in Manchester werd de katoenbeurs(1809 geopend), waar katoenproducenten uit Lancashire en handelaren uit heel Europa elkaar konden ontmoeten en handel drijven.

Hoofdstuk 5: Katoenindustrie, arbeid en bestaanszekerheid

1) Veranderingen in arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden

Katoensector verdringt de landbouw
Tussen 1750 en 1850 veranderde de arbeidsmarkt in Lancashire:
• katoensector (niet meer landbouw) werd dominant. Boerenfamilies stopten met hun werk in de hoop op betere inkomsten katoenproducten.
• In Manchester vonden velen werk in textielpakhuizen, katoenfabrieken en in de handel in katoenproducten.

Werken in de fabriek neemt toe
Veranderingen in werk en arbeidsomstandigheden:
• Katoensector ging het tempo en ritme in het dagelijkse leven in Lancashire bepalen, dit waren voorheen de seizoenen. Eerst was er voor spinners en wevers veel afwisseling, nu een strak werktempo, elke dag gelijk.
• Het putting-out-system voldeed niet meer aan de vraag naar textielproducten. Daarom werd eerst het spinnen gemechaniseerd.
• Spinfabrieken leverden enorme hoeveelheden garen op, wat werd ondergebracht bij families die zich hadden toegelegd op het handweven.
• Tussen 1820 en 1840 werd weven gemechaniseerd, het familieverband op het werk verslapte. Vrouwen en kinderen in textielsector, mannen vooral in mijnbouw of machinebouw.
• Het werk in textielnijverheid vond steeds meer in fabrieken plaats. Daar werd op grotere schaal en sneller geproduceerd dan thuis. Arbeiders krijgen vaste werktijden, arbeidsdeling en controle.
• Er ontstond hiërarchie tussen arbeiders naar taak en loon. Hoogst stonden opzichters in fabrieken. Spinnen was altijd vrouwenwerk, maar door de machines gingen ook mannen het doen. Weven was mannenwerk, dus het werd beter betaald. Toen ook dat met de machine ging konden veel vrouwen het ook doen, dus werd het weer slechter betaald.
• Door mechanisatie werd het werk fysiek minder zwaar, wel gevaarlijker. Machines waren nauwelijks beveiligd. (stof en lawaai zorgden voor longaandoeningen en doofheid)

2) Veranderingen in de arbeidsverhoudingen

Afstand tussen werkgevers en werknemers wordt groter
Vroeger werkten werkgever en werknemers in dezelfde ruimte. Nu kwamen er opzichters en afdelingshoofden. Afstand grootst in grootste fabrieken

De verhoudingen tussen werkgevers en werknemers
Per bedrijf werden er afspraken gemaakt over loon, werktijden en organisatie van werk. Ondernemers hierbij sterkste partij. Arbeiders uitbetaald in stukloon, hierdoor zouden ze harden gaan werken , waarvan de ondernemers dus profiteerden.
Macht van werkgevers was groot. Zij bezaten niet alleen kapitaal en productiemiddelen, ook door beperkt kiesrecht over sterke politieke lobby.
Lokaal: grote invloed op gemeentebesturen.
Nationaal: invoering Reform Bill (regelde nieuwe indeling in kiesdistricten+uitbreiding mannenkiesrecht, 1832) en de graanwetten.

1799-1800: Combination Acts. Hielden verbod tot vakbondsorganisaties in, ze konden worden vervolgd.
Geschoolde arbeiders en vakbonden hadden machtspositie opgebouwd, daar wilden werkgevers door Combination Acts een einde aan maken.
Al in 1e helft 18e eeuw waren er vakbonden voor geschoolde arbeiders, met als belangrijkste doel lonen binnen hun eigen vak op peil te houden of te verhogen.
1563(tijd Elizabeth): Wet die bepaalde dat alleen personen die 7 jaar bij een meester hadden geleerd werkzaam mochten zijn in bepaald vak. Daarom werden er weinig leerlingen opgeleid, zodat er een tekort was (waardoor ze meer betaald kregen?). Daardoor konden werkgevers geen beroep doen op arbeiders die voor minder geld wilden werken, ze drongen aan op maatregelen, maar die kwamen pas met Combination Acts.

Door invoering machines werden ambachtelijke vaardigheden van geschoolde arbeiders steeds minder belangrijk, hun positie steeds meer ondergraven. Vakkennis niet meer met leerling-systeem, fabrieksarbeiders leerden het in enkele weken.
Zij konden daardoor weinig meer dan hun arbeidskracht tegenover de ondernemers stellen en bijvoorbeeld dreigen met staking.

Arbeiders protesteren soms
Ondanks verbod op vakbondsorganisaties protesteerden textielarbeiders soms tegen slechte arbeidsverhoudingen. Vakbonden bleven bestaan als ‘clubs’ of ‘friendy societies’.

1825: Afschaffing Combination Acts, vakbonden organiseerden golf van lokale stakingen, ledenaantal nam toe. Binnen twee jaar nieuwe wetten die rechten van vakbonden sterk beperkten.

Bij stakingen kon je uitsluiting krijgen, je kreeg ontslag en kwam op ‘zwarte lijst’. Vooral stakingsleiders aanpakken, anders bleven te weinig arbeiders over.

Op platteland kwamen werkgevers meer tegemoet aan eisen van het personeel, werkgevers meer afhankelijk van personeel dan in Manchester. In Manchester waren er voldoende werkzoekenden.

De overheid gaat pas laat een rol spelen
1819: eerste Factory Act werd aangenomen.
1833: Factory Acts -> de overheid wilde de werkgelegenheid van de mannen beschermen.

Overzicht Factory Acts 1819-1850: Van deze Factory Acts niet alle jaartallen en regels leren! Kijk of je logica ontdekt in de opeenvolgende wetten.
Factory Act 1819: Kinderen onder de 9 mochten niet in katoenfabrieken worden aangenomen, kinderen tussen 9 en 16 jaar max. 12 uur per dag werken.
Factory Act 1833: Geen kinderen onder 9 jaar werken in katoenfabrieken, kinderen tussen 9 en 13 jaar max. 48 uur per week werken, jongeren tussen 13 en 18 jaar max. 69 uur.
Factory Act 1844: Minimumleeftijd werk in textielfabrieken naar 8 jaar. Kinderen van 8 tot 12 jaar max. 6,5 uur per dag, jongeren van 13 tot 18 en vrouwen max. 12 uur per dag.
Factory Act 1847: Vrouwen en kinderen in textielfabrieken max. 10 uur per dag.
Factory Act 1850: Vrouwen en kinderen in textielfabrieken max. 10,5 uur per dag, mits tussen 6:00 en 18:00.
Naleving hiervan gecontroleerd door arbeidsinspectie, niet altijd alles nageleefd, toch hadden Factory Act wel enig effect.

3) Gevolgen voor levenstandaard en bestaanszekerheid

Een middenklasse en een arbeidersklasse komen op
Middenklasse: Door industrialisatie ontstond er middenklasse(zelfstandigen en ondernemers), deze zetten vernieuwende bedrijfjes op, vaak succes, ook vaak mislukking.
Arbeidersklasse: In loop van de 19e eeuw ontstond in meeste steden grote arbeidersklasse. Arbeiders werken in loondienst en verdienen met hun handen hun geld. Als deze arbeiders een groep vormen met eigen kenmerken is het een arbeidersklasse.

Gingen levenstandaard en bestaanszekerheid van arbeidersgezinnen vooruit of achteruit?= Standard of living-debate
-Invloed van de groei van de bevolking
Al Vanaf 1700 groeide bevolking Lancashire (geboortes stegen, sterfgevallen daalden). Omstreeks 1900 waren er 6x zoveel mensen in Engeland als in 1750. Mogelijke factoren sterke groei:
• In 18e eeuw daalde leeftijd waarop mensen trouwen van 27 naar 20, dus kregen echtparen eerder en meer kinderen(kinderen konden snel gaan werken, dus meer geld).
• Meeste arbeiders leefden in steden in slechte omstandigheden. Kinderen van deze groep slechte overlevingskansen. Maar voor veel mensen verbeterden levensomstandigheden door industrialisatie, inkomens gingen erop vooruit en medische zorg verbeterde (b.v. inenting pokken).
• In periode 1815-1851 trokken +/- 2,5 mln mensen weg uit Ierland. Velen gingen naar VS, maar ook veel naar Lancashire (…)
(Grotere) kinderen droegen bij aan het gezamenlijk inkomen, moeders hoefden dan niet meer in de fabriek te werken.

-Invloed van de stijgende vraag naar arbeidskrachten
In het begin van de industrialisatie steeg vraag naar arbeidskrachten constant. Daardoor minder werkloosheid, lonen bleven op peil of werden verhoogd.

-Arbeiders in Manchester en Liverpool zijn in het nadeel vergeleken bij arbeiders op het platteland
In kleine plaatsen hadden arbeiders in katoenfabrieken iets hoger loon, waren zekerder van hun baan (minder makkelijk vervangers), hadden ook nog wel vaak een akker om op te verbouwen.
In Manchester en Liverpool werden arbeiders makkelijk vervangen, er waren er genoeg, was het loon dus wat lager en waren de levensonderhoudskosten veel hoger.

-Katoenindustrie was gevoelig voor crises
Perioden met veel werk, en perioden van werkloosheid en crisis, dan ging inkomen omlaag.

-Handwevers krijgen het steeds moeilijker
Tot 1820 hadden handwevers relatieve voorsprong, daarna werd het moeilijker doordat er steeds meer handwevers kwamen door de opkomst van het weefgetouw.
Werkloze handwevers moesten ongeschoold en lager betaald werk gaan doen.

-Gezinnen worden afhankelijk van het werk van vrouwen en kinderen
Gezinnen die werkten in katoenindustrie, werden afhankelijk van verdiensten van vrouwen en kinderen, werkgevers hadden hun graag vanwege lage loonkosten. Vanaf eind 19e eeuw gingen mannen een loon verdienen waarmee ze het hele gezin konden onderhouden.

Arbeiders proberen bestaanszekerheid te verkrijgen
Ze verenigen zichzelf in zelfhulporganisaties, friendly societies, het waren in de eerste plaats gezelligheidsverenigingen, maar verleenden elkaar in geval van nood financiële en andere steun (ook verzekering voor ziekte en begrafenis). In de tweede helft van de 18e eeuw was er een enorme toename van friendly societies.
Daarnaast bleven familie- en buurtnetwerken belangrijk voor hulp in tijden van ziekte een nood.

Overheid en ondernemers dragen bij aan de bestaanszekerheid van arbeiders
Maatregelen van de overheid:
*Armenwetten boden soms bijstand. Sinds Elizabeth 1 was armenzorg wettelijk taak van ‘parish’(parochie, kerkelijke gemeente).
Wet van 1723: Werkhuis voor armen, opgericht door Parishes.
Vanaf 1795 werd het gebruikelijk dat Parishes het loon van laagstbetaalden aanvulden tot bestaansmin. Werkgevers konden hierdoor nog lagere lonen uitbetalen.
1843: Nieuwe Armenwet: Arbeidsgeschikten geen recht meer op plek in werkhuis en aanvullingen op loon vervielen. Voor werkhuizen werden uniforme regels voorgeschreven (zoals voeding). Uit verontwaardiging sloten veel armen zich aan bij Chartistenbeweging.

Maatregelen van ondernemers:
Ondernemers zoals Bazley en Gardner, hadden sociale maar ook economische motieven. Zij verwachtten dat arbeiders hierdoor beter zouden werken en dus meer zouden opbrengen.

Hoofdstuk 6: Reacties op de industrialisatie

1) Positieve visies op de nieuwe samenleving

Voorstanders benadrukten dat arbeid in fabrieken eenvoudiger, minder inspannend, hygiënischer en goedkoper was.

Wetenschappers wijzen op economische voordelen
Ze wezen op lage productiekosten, enorme productiestijging en groeiend winst.

David Ricardo(1772-1823)
(…) Ricardo verdedigde principe van de vrije handel. Hij constateerde dat landen of streken er voordeel bij hadden zich te specialiseren in die economische activiteiten waar ze goed in waren. Door vrije onderlinge handel zou dan grootst mogelijk welvaart ontstaan.

Andrew Ure (1778-1857)
Hield zich bezig met wetenschappen en pleitte voor vrijhandel en mechanisatie. Hierdoor zouden alle prijzen dalen, waarvan arbeiders konden profiteren. Hij noemde handel en industrialisatie ‘pioniers van beschaving en weldoeners van de mensheid’.

Charles Babbage (1791-1871)
Wiskundige en uitvinder van mechanische rekenmachines. Hij zag economische voordelen in mechanisatie.

Industrialisatie ontkracht ‘theorie van Malthus’
Deze theorie (geschreven in boek uit 1798) hield in dat bevolking altijd sneller groeit dan voedselproductie. Gevolg is toenemende verarming. Evenwicht tussen bevolking en voedsel hersteld door oorlogen, ziekte en hongersnood, die de bevolking doen afnemen. Dan begint bevolkingsgroei opnieuw, cyclus doorbreken door bevolkingsgroei af te remmen door seksuele onthouding en later trouwen.
Volgens economen en ondernemers was industrialisatie antwoord op pessimistische toekomstvisie van Malthus. Volgens hen zou snel groeiende katoennijverheid uiteindelijk welvaart voor iedereen bereikbaar maken.

2) Kritiek op de nieuwe samenleving

Wantoestanden roepen reacties op in de samenleving
Manchester had niet alleen economische activiteit, maar ook snel groeiende sloppenwijken waar armoede, ziekte, misdaad, en grote kindersterfte was. (…) Onder midden en hogere klassen ontstond naast angst sociale onrust, oprechte bezorgdheid en morele verontwaardiging over deze wantoestanden. Men vreesde dat traditionele gezinsbanden verloren gingen doordat kinderen veel werkten.

Kritiek van auteurs van sociale romans
In social novels werd de anonimiteit en de ellende van het leven in de industriesteden onder de aandacht gebracht (schrijver zoals Gaskell, Disraeli en Dickens) vaak gebaseerd op eigen ervaring of ervaringen van andere mensen. Zij wilden op heersende klasse een beroep doen een einde te maken aan de wantoestanden.

De politicus Benjamin Disraeli(1804-1881)
Enige politici maakten zich zorgen om groeiden kloof tussen gegoede en werkende klasse, waaronder Disraeli. Hij was premier van Engeland in 1868 en van 1874-1880, hij werd bekend als romanschrijver. Volgens hem was er zo’n grote kloof tussen de gegoede klassen en de arbeidersklasse dat er sprake was van twee ‘naties’ in één land. Hij beschreef hoe de arbeidersklasse door de gegoede klasse werd uitgebuit.

Ondernemers als Friedrich Engels(1820-1895) en Robert Owen
Engels was de zoon van een fabrikant in Düsseldorf, voorbestemd om zaak van zijn vader over te nemen. Hij werd in 1842 naar Manchester gestuurd, de meeste indruk maakte op hem de erbarmelijke levensomstandigheden van de arbeiders, waar hij een boek over schreef. Hij raakte er van overtuigd dat uitbuiting van industrieproletariaat (proletariaat=fabrieksarbeiders) onontkoombaar was. Deze uitbuiting zou onvermijdelijk op een ‘proletarisch revolutie’ uitlopen. Daarom vond hij industrialisatie gunstige ontwikkeling, want alleen uit ellende van de fabrieksarbeiders zou een nieuwe maatschappij kunnen ontstaan.

3) Ondernemers dwingen bij het parlement hervormingen af

Herziening van het kiesrecht: de Reform Bill(1832)
Indeling in kiesdistricten was sterk in voordeel van het platteland. Ondernemers eisten daarom herverkaveling van de kiesdistricten ten gunste van sterk gegroeide noordelijke industriesteden.
1832: Reform Bill, hiermee werd de eis tot herverkaveling van kiesdistricten ingewilligd. Er kwamen 42 nieuwe(vooral stedelijke); 56 kiesdistricten (rotten boroughs = rotte takken, bijna onbewoond) werden opgeheven en 30 kiesdistricten verloren 1 van hun 2 afgevaardigden. In 1832 zaten er ineens 13 i.p.v. 2 ondernemers in het parlement.
Door Reform Bill nam (mannen)kiesgerechtigden iets toe van 5% tot 7%, nog steeds censuskiesrecht.

Graanwetten worden afgeschaft
In Lagerhuis deelden ondernemers macht met grondbezitters, deze hadden met elkaar een langdurig conflict over hoogte graanprijzen. Ondernemers en arbeiders streefden naar vrije graanhandel, dat zou daling broodprijs als gevolg hebben. Grondbezitters wilden de invoerbeperkingen op graan (corn laws), ondernemers vormden Anti-Corn-Law League (1838).

- Waarom de Corn Laws werden aangenomen
Tijdens oorlogen met Napoleon was graanprijs in Engeland gestegen omdat er minder graan kon worden geïmporteerd. Grondbezitters gingen veel investeren om graanproductie uit te breiden om voldoende te hebben.
-> 1813 Napoleon voor eerste keer verslagen kwam import weer op gang en daalden graanprijzen. Grondbezitters zagen investeringen verdwijnen.
-> Gevolg: parlement nam om grondbezitters te beschermen in 1815 graanwet/corn law aan: verbood import graan zolang Engelse graanprijs onder een vastgestelde hoogte bleef.
-> 1828: nieuwe Corn Law: import van graan was niet meer verboden, er kwamen invoerrechten die afhankelijk waren van graanprijs in Engeland; was die laag, dan invoerrechten hoog. Bedoeling was dat graanprijzen zo bleven schommelen rond vrij hoge prijs.

- Waarom ondernemers en arbeiders tegen de Corn Laws waren
Ondernemer en arbeiders ondervonden nadelen aan deze wetten omdat ze gebaat waren bij lage graanprijzen en dus bij import goedkoop graan. Arbeiders goedkoper brood, dus konden ondernemers lagere lonen betalen en productieprijs laag houden. Graan exporterende landen geld verdienen aan Engeland en daarmee Engelse producten kopen.

- Oprichting van de Anti-Corn-Law League
Opgericht in 1838(ten tijde economische depressie) door ondernemer, politicus en econoom Richard Cobden (1804-1865). Ze organiseerden een propagandacampagne vergelijkbaar met die van de Chartisten.

- Het intrekken van de graanwetten en de gevolgen ervan
Tijdens de conservatieve regering van P. Peel (katoenfabrikant) werden de graanwetten uiteindelijk ingetrokken (1846). Een grote rol hierbij speelde de hongersnood in Ierland door de mislukte aardappeloogst in 1845, import van veel graan was dringend nodig.
Dit leidde tot scheuring onder de conservatieven, want ze waren altijd voorstanders van graanwetten geweest.

De Reform Bill en de intrekking van de graanwetten gaven aan dat industriële sector ook in de politiek een doorslaggevende factor was geworden.

4) De overheid negeert of onderdrukt protesten van arbeiders

Industrialisatie leidde soms tot grote sociale en politieke onrust. Textielarbeiders protesteerden steeds vaker tegen verlaging van het stukloon en tegen stijgende voedselprijzen.

De Luddieten(handwerkers) (1811-1816) vernielen machines
Luddieten (Wie zijn dit?) namen in de jaren 1811-1816 kortstondige geweldacties. Uit angst voor loonsverlaging of werkloosheid vernielden ze machines. Dit deed vrees voor volksopstand toenemen, daarom werden er soldaten ingezet om er een eind aan te maken. (…)

Stakingen van arbeiders in 1818 en 1825
Jenny-spinners, mule-spinners, handwevers en fabriekswevers organiseerden 4 stakingen. Ze mislukten omdat ze het niet vol konden houden. (…) In 1825 daarom Combination Acts opgeheven, maar werden snel wetten ingevoerd om de rechten van vakbonden weer te beperken.

Soms demonstraties van arbeiders in b.v. Manchester 1819
In de omgeving Manchester werd er geprotesteerd tegen zaken als corruptie van politici, lage lonen en hoge graanprijzen.
Naarmate deze demonstraties meer publiek trokken, werden de autoriteiten zenuwachtiger.

Peterloo Massacre
1819: Op de St. Peter’s Fields in Manchester kwamen naar schatting ruim 60.000 mensen bij elkaar om naar Henry Hunt te luisteren. Hunt was een voorstander van radicale hervormingen en een meeslepend spreker.
Het stadsbestuur stuurde er de bereden burgerwacht en een afdeling huzaren op af om Hunt te arresteren.: een chaotische vechtpartij waarbij 11 doden vielen: Peterloo Massacre.
Het wekte grote verontwaardiging die maandenlang aanhield.

Chartistenbeweging gaat naar algemeen kiesrecht streven
1820: omdat sociaal-economische situatie niet verbeterde gingen geschoolde arbeiders politieke eisen stellen, kiesrecht voor mannen de belangrijkste. Petities geen resultaat.
Na 1830: hieruit ontwikkelde de Chartistenbeweging (textielwerkers en leden van de lagere middenklasse), belangrijkste eis algemeen kiesrecht voor mannen. Door teleurstelling Reform Bill (censuskiesrecht was gebleven), er was nog steeds geen kiesrecht voor geschoolde arbeiders en middenklasse. Chartisten maakten veel propaganda.
In Lancashire was steun voor Chartisten massaler dan in rest van Engeland, beweging was rond 1840 op hoogtepunt. Tot twee maal toe werden petities door Lagerhuis verworpen (1839 en 1842).

De Chartisten en de eerste landelijke staking 1842
1842: Eerste algemene ‘landelijke’ staking. Voornamelijk mijnwerkers en textielarbeiders deden mee, eerst ging het om looneisen en tien-urenwerkdag. Na aansluiting van Chartistenbeweging werd algemeen kiesrecht ook een eis.
(…) De staking was niet letterlijk landelijk, het betrof vooral Schotland en Noord – en Midden-Engeland (daar was het wel praktisch algemeen). Het leger maakte een einde aan de staking. Na deze mislukte staking in 1848 nog een 3e petitie, daarna viel de beweging uiteen. Arbeiders zochten hun heil bij de vakbonden.

1838: William Lovett en Francis Place stelden een manifest op, het ‘People’s Charter’. Deze bevatte ‘Zes Punten’ waarnaar de beweging streefde, alle zes betrekking op kiesrecht. Belangrijkste waren algemeen kiesrecht en jaarlijks algemene verkiezingen. NB Je hoeft ze niet alle zes uit je hoofd te kennen.
1) Jaarlijkse verkiezingen
2) Afschaffing van vermogen te hebben om in parlement te mogen zitten.
3) Anoniem kunnen stemmen
4) Parlementsleden ook een inkomen geven, op die manier kunnen ook de minder rijken in het parlement
5) Kiesdistricten moesten gelijk worden verdeeld naar het aantal inwoners
6) Algemeen kiesrecht voor mannen

Samenvattend: de reacties van de overheid op de protesten van de arbeiders:
- De overheid trad soms onderdrukkend op(bij Luddietenacties en Peterloo Massacre).
- Soms verweten plaatselijke autoriteiten grote ondernemers medeverantwoordelijk voor de onrust.
- Op de stakende spinners en wevers in Lancashire (1818) reageerden de autoriteiten afwachtend.
- Toen de opheffing van de Combination Acts (1825) niet het gewenste effect had (veel stakingen), werden de vakbonden snel nieuwe beperkingen opgelegd.
- De overheid liet de Chartisten wel massale acties voeren, maar van de petities van de Chartisten trok het parlement zich niets aan.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.