Jongeren met messen

Er komen veel berichten in het nieuws over jongeren die betrokken zijn bij steekincidenten. Wat merken jullie van het messenbezit onder jongeren? Vul onze (anonieme) vragenlijst in! Duurt maar 2 minuten.


ADVERTENTIE

Als ik moet kiezen, dan ga ik het liefst:

Historisch-geografisch kader

1 Over welke periode strekte het proces van industrialisatie zich uit?

De komst van de industriële samenleving in Europa heeft een lange geschiedenis. Het proces van industrialisatie, de overgang van een agrarische samenleving in een industriële samenleving, begon in de16de eeuw en liep door tot ver in de 20ste eeuw.



2 In hoeverre is het begrip ‘revolutie’ van toepassing op de industriële revolutie?

Het begrip ‘revolutie’ wordt meestal gebruikt voor een grote verandering in een samenleving, die in korte tijd plaats vindt. De term ‘industriële revolutie’ is een beetje misleidend, omdat van een plotselinge omslag geen sprake was. Het gaat om een geleidelijk proces, maar wel om een proces dat ingreep in alle aspecten van het maatschappelijk leven. In dat opzicht kan toch van een revolutie worden gesproken.





3 Waardoor werd de industrialisatie bevorderd?

De industrialisatie werd bevorderd door:

· de groei van de bevolking

Door de groei van de bevolking nam ook de vraag naar kleding, woonruimte en voedsel toe. Vraag en aanbod joegen elkaar aan. Omdat er meer vraag was, werd er meer geproduceerd. Daardoor kwamen er meer producten op de markt, waardoor de vraag weer groeide.

· technologische ontwikkelingen

Werktuigen voor de huisnijverheid werden verbeterd. Maar van groter belang was de uitvinding van de stoommachine. Met een stoommachine konden allerlei machines worden aangedreven: mechanisering was nu mogelijk.



4 Welke economische gevolgen had de industrialisatie voor de samenleving?

· De industrialisatie versnelde de overgang van een landbouw- naar een markteconomie. In de landbouweconomie produceerde men vooral voor de lokale markt. In de markteconomie speelde de wereldhandel een veel grotere rol. Dat vergrootte de onderlinge afhankelijkheid van gebieden die ver van elkaar lagen.

· Elders in de wereld, onder andere in de koloniën, werden grondstoffen gewonnen en werden luxe-producten als tabak, suiker en specerijen goedkoop geproduceerd. Daarmee werd veel geld verdiend dat vervolgens in Europa werd geïnvesteerd.

· Met de industrialisatie kreeg de industrie een steeds grotere plaats in de economie.

· Door technologische ontwikkelingen werd arbeid steeds meer gespecialiseerd. In een fabriek maakte een arbeider niet meer zoals vroeger een compleet product, maar slechts een onderdeel van een product.

· Arbeid werd loonarbeid. Veel kleine boeren trokken naar de stad en gingen in een fabriek in loondienst werken.

· Maar niet alles en iedereen veranderde. Tot in de 20ste eeuw bleven in Europa agrarische gebieden bestaan, waar boeren alleen voor eigen gebruik en de lokale markt produceerden.



5 Welke sociale gevolgen had de industrialisatie voor de samenleving?

· Er ontstond een klassensamenleving. Fabrikanten gingen de bovenlaag vormen, fabrieksarbeiders de benedenlaag. De middenlaag bestond uit leidinggevend personeel en mensen die in de dienstensector werkten.

· Ook ontstonden er nieuwe sociale organisaties. Arbeiders gingen zich verenigen in vakbonden, richtten eigen kranten en hulporganisaties op.



6 Welke factoren droegen ertoe bij dat Engeland het eerste industriële land werd?

Dat juist Engeland het eerste industriële land werd, hangt samen met de volgende factoren:

· Engeland was rond 1800 de grootste koloniale macht

Meer dan andere volken hadden de Engelsen de mogelijkheid grondstoffen uit koloniën naar Engeland te vervoeren en industriële producten naar hun koloniën.

· Er was veel kapitaal

Voor het bouwen van fabrieken, het uitrusten van die fabrieken met machines en voor de aanvoer van grondstoffen was zeer veel geld nodig. Voor arbeiders moesten huizen worden gebouwd in snel groeiende steden.

· Er was een gunstig klimaat voor vrij ondernemerschap

In Engeland bemoeide de overheid zich veel minder met het bedrijfsleven dan in de rest van Europa.

· Een tekort aan hout stimuleerde tot technische vernieuwingen in de mijnbouw en daarna ook in andere sectoren van de economie

Vanaf de 16de eeuw hadden de Engelsen te kampen met een tekort aan hout. Ze raakten steeds meer aangewezen op het gebruik van steenkool als brandstof. In de 18de eeuw werden de mogelijkheden van steenkool voor de ijzerindustrie ontdekt. Daarmee werd de basis gelegd voor de machinebouw. Voor de winning van diep gelegen steenkoollagen werden verschillende uitvindingen gedaan. Zo werden bijvoorbeeld pompen ontwikkeld waarmee water uit mijnschachten kon worden gepompt. Een belangrijke uitvinder op dit gebied werd Thomas Newcomen. De pompen werden aangedreven met behulp van stoomkracht. Een bekende uitvinder op het gebied van stoommachines was James Watt.



7 Hoe ontwikkelde de katoenindustrie zich:

a in Engeland?

· Belde innovaties zorgden voor een ongekende productiviteitsstijging in andere sectoren. Steenkool en stoommachines werden in alle nieuwe industrietakken gebruikt om met meer en grotere machines meer producten te maken. Ook in de katoennijverheid was dit effect goed te zien.

· Traditioneel vormden wol en vlas de belangrijkste grondstoffen voor textiel, Maar in de 17de eeuw werd katoen op de Britse markt geïntroduceerd. Vooral in het zuidoosten van Lancashire ontwikkelde zich een welvarende katoenindustrie die aanzienlijk bijdroeg aan de economische macht van Engeland in het algemeen.

b in andere Europese landen?

Evenals in Engeland ontstonden in andere Europese landen geïndustrialiseerde katoenregio’s, die verbonden waren met afzetmarkten overzee.



8 In welke tijd deed de industriële revolutie zich voor in de verschillende West-Europese landen en de VS?

· In Engeland vond de ‘industriële revolutie’ het eerst plaats. Rond 1850 stond Engeland internationaal gezien aan de top van zijn economische macht.

· In de vijftig jaar daarna werd het door de Verenigde Staten en Duitsland ingehaald. De meeste West-Europese landen industrialiseerden in de loop van de 19de eeuw. Frankrijk was het laatst met industrialiseren.



9 a Waarom is voor dit examen Lancashire als thema gekozen?

Lancashire geldt als regio waar de industrialisatie en de gevolgen ervan zich het eerst voordeden.

b Wat is daarbij de centrale vraag?

In dit examenonderwerp is de centrale vraag:

Welke invloed had de ontwikkeling van de katoennijverheid op landschap, economie en samenleving in Lancashire?



1 De opkomst van de katoennijverheid in Lancashire



1 Welke kenmerken hadden omstreeks 1750:

a de natuurlijke gesteldheid van Lancashire,

· Lancashire was omstreeks 1750 een overwegend agrarisch gebied met heuvels, rivieren, beken en moerassen. De heuvels, beken en moerassen bemoeilijkten de communicatie tussen de delen van Lancashire. Het vervoer ging via gekanaliseerde rivieren en verharde tolwegen.

· Waar de bodem steenkool of mineralen bevatte, waren kleine mijnen.

b de bevolking van Lancashire?

· Het grootste deel van de bevolking van Lancashire woonde in dorpen en gehuchten.

· De bevolking groeide in de eerste helft van de 18de eeuw langzaam, maar gestaag.



2 Wat waren de kenmerken van agrarisch Lancashire?

· In het grootste deel van Lancashire produceerden vooral kleine boeren op schrale grond landbouwgewassen voor eigen gebruik en voor de naburige markt.

· In het noorden en in het westen waren door gunstiger natuurlijke omstandigheden wat grotere landbouwbedrijven.

· Veeteelt kwam op zeer bescheiden schaal voor.

· De landbouwgrond werd bij vererving opgedeeld. Daardoor werden de bedrijven steeds kleiner.

· Door de enclosure-wetten waren de gemeenschappelijke gronden, waar kleine boeren hun bestaan aanvulden, grotendeels verdwenen.



3 Wat waren de kenmerken van stedelijk Lancashire?

· De steden in Lancashire waren gericht op handel en nijverheid. Ze waren klein: tussen de 2 000 en 5 000 inwoners. Uitzonderingen vormden Manchester (ca. 20 000 inwoners) en Liverpool (ca. 26.000 inwoners).

· De nijverheidsstad Manchester kende een sterke textielhandel met Londen.

· De havenstad Liverpool was in de eerste plaats gericht op Ierland en Amerika. Uit Amerika werden koloniale producten als tabak en suiker geïmporteerd. Ook deden kooplieden uit Liverpool aan slavenhandel.



4 Welke textielproducten werden omstreeks 1750 in Lancashire geproduceerd?

Omstreeks 1750 werden in Lancashire nog steeds wollen, linnen en bombazijnen stoffen geproduceerd.



5 Hoe was de textielproductie bij de boeren thuis georganiseerd?

· Voor de boeren was spinnen en weven een nevenactiviteit naast hun werk op de boerderij. Ze deden het vooral in de winter, als er op de boerderij minder te doen viel. Binnen een werkdag konden agrarisch werk en textielproductie elkaar afwisselen.

· In de boerenfamilie gold een vast hiërarchisch patroon: mannen en jongens stonden hoger in aanzien dan vrouwen en meisjes. Ook was er een strikte arbeidsverdeling. Mannen en oudere jongens weefden. Vrouwen, meisjes en jongere kinderen droegen zorg voor het schonen, kaarden en spinnen. Opvoeding en opleiding vielen samen.

· De hele familie werd bij deze huisnijverheid ingeschakeld. Het tempo en de hoeveelheid van de productie werden door de familie zelf bepaald. Voorop stond het collectief belang van het gezin. Het inkomen werd als een gezinsinkomen gezien.

· Men werkte in opdracht van kooplieden en kreeg stukloon uitbetaald.



6 Hoe was de textielproductie in de werkplaatsen (textielateliers) georganiseerd?

In de traditionele textielateliers lag de nadruk op het weven. Ambachtslieden werden er opgeleid in een meester-leerlingsysteem. Leerlingen werden in de familie van de meester opgenomen.



7 Welke mensen van het platteland werkten het hele jaar door in de textielproductie?

Een groeiend aantal landlozen (vooral voormalige landarbeiders) en boeren met te kleine bedrijven gingen het hele jaar in de textielproductie werken, in de eigen woning of in de textielateliers.



8 Wat hield het ‘putting-out-systeem’ in?

· De textiel werd van oudsher geproduceerd en verhandeld in het ‘putting-out‑systeem’ (uitbestedingssys-teem). Het was een systeem dat spinners, wevers, tussenhandelaren en kooplieden met elkaar verbond.

· Kooplieden kochten grondstoffen of halffabrikaten (garens) in en verkochten die meestal aan tussenhandelaren. De tussenhandelaren bezorgden de grondstoffen bij zelfstandige ambachtslui en boeren. Die zorgden voor het spinnen en weven en kregen daarvoor een stukloon.

· De productie werd dus door kooplieden en tussenhandelaren ‘uitbesteed’. De eindproducten volgden daarna de omgekeerde weg: via de tussenhandelaren weer naar de kooplieden.

· Vaak waren kooplieden en tussenhandelaren zelf voormalige ambachtslui of stamden ervan af. Door familiebanden hadden zij nauwe contacten met de spinners en wevers. Persoonlijke contacten, bijna uitsluitend tussen mannen, waren in dit systeem belangrijk.

· Aangezien er geen reguliere banken waren, functioneerde het systeem ook als informeel kredietsysteem



9 a Waar woonden de kooplieden en tussenhandelaren?

Kooplieden en tussenhandelaren handelden vanuit verschillende steden in Lancashire. De invloedrijksten woonden in Manchester.

b Hoe was hun positie?

Die maakten deel uit van een klein, internationaal handelsnetwerk. Maar zij waren wel afhankelijk van Londense partners. Die hadden meer kennis van de internationale handelswereld en konden geld lenen om ruwe katoen in te kopen.



10 Door welke gunstige omstandigheden in Lancashire werd de ontwikkeling van de katoennijverheid bevorderd?

In Lancashire bestonden gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van de katoennijverheid:

· Er was een rijke textieltraditie met veel kennis en vaardigheid. Daardoor vond de katoenproductie gemakkelijk ingang. Men kon zonder veel problemen overschakelen van wol of vlas op katoen.

· Het vochtige klimaat in Lancashire was gunstig voor het spinnen en weven.

· Er waren voldoende arbeidskrachten aanwezig voor uitbreiding van de katoennijverheid. Dat kwam doordat het aantal jonge mensen groeide.

· Er waren maar weinig investeringen nodig om de huisnijverheid uit te breiden.

Geld werd gevonden in de eigen omgeving: bij familie, bij tussenhandelaren of bij grootgrondbezitters.

· Het ‘putting‑out‑systeem’ kon fluctuaties (schommelingen) op de markt goed opvangen. Door dit systeem kon de productie goed worden aangepast aan de grotere of kleinere vraag op de markt.

· In Lancashire waren steenkoolmijnen waar stoommachines werden gebruikt. Dat stimuleerde de mechanisering van de katoennijverheid, want er was ervaring met stoommachines en er was steenkool om de stoommachines aan te drijven.

· Sommige eeuwenoude gildenregels of overheidsregels golden niet voor Lancashire, bijvoorbeeld de Calico Acts (1721).

· De katoennijverheid profiteerde van het in Engeland gunstige klimaat voor uitvindingen.



11 Door welke gunstige omstandigheden op de katoenmarkt werd de ontwikkeling van de katoennijverheid bevorderd?

Ook op de katoenmarkt in Engeland en de rest van de wereld bestonden gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van de katoennijverheid:

· Het aanbod van ruwe katoen groeide en daardoor daalde de inkoopsprijs. Veel ruwe katoen werd rond 1750 ingevoerd uit West‑Indië en de Levant.

· In Engeland was er rond 1750 veel vraag naar katoenen of bombazijnen producten. Oorzaken daarvan waren:

– De bevolking groeide door stijgende geboortecijfers en dalende kindersterfte.

– Door wijzigingen in de mode werd bombazijnen of volledig katoenen onder- en bovenkleding populair, ook in de betere kringen.

– Katoen was goedkoop, was een goede vervanger van wol of linnen, was geschikt voor allerlei toepassingen, imitaties en dessins, en was als product gemakkelijk te onderhouden.

· Naast de grote binnenlandse markt voor katoenen producten werd een buitenlandse markt opengelegd. Dat betrof niet alleen Europa, maar ook Azië, Afrika en Amerika. Het Engelse koloniale wereldrijk strekte zich ±1750 uit over alle werelddelen. En met zijn grote vloot beheerste Engeland ook de handelsroutes naar Azië, Afrika en Amerika.



2 Het platteland van Lancashire verandert



1 Waardoor ontstonden er vernieuwingen in de textielindustrie?

Door de toenemende vraag naar textielproducten kwamen allerlei mensen tot belangrijke technische uitvindingen. De bekendste van hen zijn John Kay, James Hargreaves, Richard Arkwright en Samuel Crompton.

Door hun uitvindingen konden vernieuwingen in de textielindustrie worden ingevoerd:



2 Welke vernieuwingen kwamen tot stand?

· In de periode ca.1730-1770 zorgden verbeterde met handkracht aangedreven machines in de huisnijverheid voor een sterke productieverhoging. Deze machines vroegen weinig investeringskapitaal en hadden weinig ruimte nodig. Daardoor verbreidden ze zich snel. De belangrijkste waren een door John Kay verbeterd weefgetouw (blz. 16) en een verbeterd spinnewiel, de ‘spinning jenny’ van John Hargreaves.

· Na 1770 werden steeds grotere spinmachines uitgevonden zoals de ‘waterframe’ en de ‘mule’ Deze konden niet meer met handkracht worden aangedreven, maar vereisten paardenkracht, waterkracht of stoomkracht.

· Na 1800 vroegen steeds meer spinmachines steeds meer energie. Geleidelijk werd waterkracht (watermolens) gecombineerd met stoommachines.

· Na 1820 werd ook het weven steeds meer machinaal verricht in stoomweverijen.



3 Waardoor verliep de overschakeling op niet met handkracht aangedreven machines langzaam?

Oorzaken daarvan waren:

· patentrecht

Door het patentrecht (octrooi) waren machines duur. Octrooihouders slaagden er vaak niet in hun machines op grote schaal te produceren.

· constructieproblemen

Geen enkele uitgevonden machine functioneerde meteen perfect. In de praktijk deden zich allerlei problemen voor.

· tekort aan investeringsgeld

In de katoensector deden zich herhaaldelijk crises voor, meestal tengevolge van overproductie.. De katoenhandelaren moesten al veel geld investeren in de aankoop van ruwe katoen. Velen hadden te weinig kapitaal om ook nog in dure machines te investeren. Bovendien was zo’n investering riskant want het kon leiden tot nog meer overproductie. Faillissementen kwamen vaak voor.

· Handwevers wisten de weefmachines lange tijd de baas te blijven

Weefmachines konden lange tijd geen fijnere weefsels maken. Handwevers konden min of meer aan de vraag naar stoffen voldoen.



4 a Welke veranderingen in de werkomgeving in de katoennijverheid traden na 1770 op?

Na 1770 veranderde de werkomgeving in de katoennijverheid ingrijpend. Werkplaatsen in boerderijen en huizen maakten geleidelijk plaats voor fabrieken:

· Grote spinmachines (de ‘waterframe’ en de ‘mule’) werden vaak geplaatst in watermolens.

De watermolens werden op dezelfde manier gebouwd als boerderijen. Uiterlijk leken ze dus sterk op boerderijen. De kracht van stromend water werd via houten hefbomen op de machines overgebracht. Deze ‘mills’ werden tot na 1840 in Lancashire gebouwd.

· Na 1820 werden rond kleine plaatsen op het platteland steeds meer spinnerijen gebouwd die alleen op stoomkracht werkten. Ze waren gemaakt naar het voorbeeld van stoomspinnerijen in Manchester.

· Tussen 1820 en 1850 werden op grote schaal stoomweverijen opgericht: grote hallen waarin rijen weefmachines waren geplaatst.

· De ‘mills’, stoomspinnerijen en stoomweverijen waren geen werkplaatsen meer, maar fabrieken.

b Wat veranderde weinig?

Werkplaatsen bleven nog lang bestaan. Tot omstreeks 1840 vond handweven nog plaats in werkplaatsen in boerderijen en woningen, die op deze huisnijverheid werden ingericht.



5 Welke veranderingen onderging het platteland van Lancashire tussen 1770 en 1850? Geef bij iedere verandering aan waardoor deze werd veroorzaakt of bevorderd.

· De stadjes groeiden. Dit werd gestimuleerd door de ontwikkelingen in de textielnijverheid. Plaatselijke ondernemers lieten bijvoorbeeld rondom Bolton spinfabrieken en gemechaniseerde blekerijen en volmolens bouwen. Vlakbij werden woningen gebouwd.

· Tussen 1750 en 1850 verdrievoudigde de bevolking van Lancashire. De bevolking van Engeland als geheel verdubbelde ‘slechts’ in diezelfde periode. Een oorzaak van de grotere bevolkingsgroei in Lancashire was dat de kleine katoensteden in Lancashire veel migranten aantrokken uit nabijgelegen agrarische gebieden.

· Na 1820 werd de economische activiteit in de steden geconcentreerd en trad een versnelde urbanisatie (verstedelijking) op. Deze ontwikkeling werd bevorderd door de versnelde mechanisatie na 1820. Maar door de spreiding van de katoennijverheid bleef grootschalige verstedelijking aanvankelijk achterwege. Omstreeks 1850 hadden de meeste steden hoogstens 50.000 inwoners.



6 Welke veranderingen traden bijvoorbeeld in Bolton op tussen 1750 en 1850?

In Bolton traden de volgende veranderingen op:

· Snelle bevolkingsgroei

De bevolking van Bolton groeide in de tweede helft van de 18de eeuw van 4 600 naar 17 000 inwoners.

· Snelle mechanisatie

In 1800 werd de eerste stoommachine in Bolton in gebruik genomen. Vooral na 1820 groeide het aantal stoommachines snel. Net als andere katoenstadjes in Lancashire profiteerde Bolton hierbij van de nabijheid van mijnen die de voor stoommachines nodige steenkool leverden.

Ook ontstond er een op de katoennijverheid gerichte machinebouwindustrie, die spinmachines, weefmachines en stoommachines produceerde.

Net als andere katoenstadjes in Lancashire profiteerde Bolton van de nabijheid van kolenmijnen.

· Sterke uitbreiding van de vervoersmogelijkheden

Er werd een netwerk van kanalen aangelegd. Via dat netwerk werd per schip ruwe katoen, ijzer en steenkool aangevoerd en werden producten afgevoerd.

In 1828 werd bij Bolton de eerste spoorlijn in Lancashire geopend. Twee jaar later werd deze lijn verbonden met de net aangelegde spoorlijn Manchester-Liverpool.

De nieuwe kanalen en spoorlijnen bevorderden de afzet van katoenen producten, de handelscontacten met Manchester en Londen, de aanvoer van levensbehoeften en de komst van nieuwkomers.



7 Welke veranderingen kwamen er in de woonomstandigheden? Geef bij iedere verandering aan waardoor deze werd veroorzaakt of bevorderd.

· In stadjes als Bolton lagen ‘mills’, pakhuizen, boerderijen, akkers en woonhuizen door elkaar. Dat kwam door de spreiding van economische activiteiten over stadjes en het omliggend gebied.

· Er werden ook weverskolonies gesticht, bestaande uit rijtjes huurhuizen met weinig of geen grond er om heen. In deze huizen deden de wevers aan huisnijverheid. Het stichten van deze kolonies werd bevorderd door de grote vraag naar wevers. Het kapitaal werd verschaft door welgestelde ondernemers of kooplieden, die een economisch belang hadden bij het werk van de wevers.

· Er ontstonden sloppenwijken, het eerst in Manchester (blz. 28, hoofdstuk 3) en rond 1840 ook in steden als Bolton. Deze ontwikkeling werd bevorderd door de versnelde mechanisatie na 1820.

· Een klein aantal ondernemers stichtte fabrieksdorpen om voor betere woonomstandigheden van hun arbeiders te zorgen. Een voorbeeld daarvan zijn Robert Gardner en Thomas Bazley. Zij stichtten bij hun twee fabrieken in de omgeving van Bolton het fabrieksdorp Barrow Bridge. Zowel idealisme als eigenbelang speelden daarbij een rol. In Barrow Bridge hadden de arbeiders goede huizen en veel voorzieningen. Gardner en Bazley dachten dat arbeiders zich, onder hun paternalistisch (‘vaderlijk’) toezicht, door educatie en coöperatie (samenwerking) konden verheffen. Ook hoopten zij dat hun arbeiders meer gemotiveerd zouden zijn om hard te werken.



8 Waardoor ontstond er in plattelandssteden een tekort aan publieke voorzieningen?

Tijdens de urbanisatie werd te weinig aandacht geschonken aan de woonomstandigheden van de arbeiders. Daardoor ontstond er in plattelandssteden als Bolton een groeiend tekort aan publieke voorzieningen, zoals bestrating of riolering.



9 Waarom zorgden plaatselijke notabelen voor publieke voorzieningen?

De lokale overheid had op dit terrein te weinig middelen om hierin te voorzien. Daar de overheid tot die tijd de publieke voorzieningen ook niet tot haar taak rekende, had zij op dit gebied weinig ervaring.

Omdat de overheid in gebreke bleef, zorgden plaatselijke notabelen, mannen én vrouwen, uit filantropische (menslievende) overwegingen en uit eigenbelang voor publieke voorzieningen.



10 Geef voorbeelden van publieke voorzieningen die in Bolton tot stand kwamen.

· In een deel van Bolton profiteerden de inwoners al omstreeks 1820 van straatverlichting door gaslantaarns.

· Na een uitbraak van cholera kwam er omstreeks 1840 een waterleiding met publieke pompen.

· De plaatselijke Kerk droeg zorg voor scholing van kinderen van zowel fabrikanten als arbeiders.



3 De leefomgeving in Manchester verandert



1 Welke verschillen waren er in de periode 1750-1850 op het gebied van de huisnijverheid tussen Manchester en de rest van Lancashire?

Ook in Manchester bestond huisnijverheid. Maar vergeleken bij de rest van Lancashire waren er enkele verschillen:

· Na 1770 lag de nadruk in Manchester op het handmatig weven van katoenen producten.

· De huisnijverheid werd in de eerste helft van de 19de eeuw vooral in Manchester een slecht betaalde branche. Mensen werkten er in kelders en krotten.

· Speciale weverswoningen zoals elders in Lancashire bestonden, kwamen in Manchester nauwelijks voor.



2 Waarom waren er in Manchester slechts korte tijd ‘mills’?

Slechts korte tijd werd in Manchester gebruik gemaakt van door waterkracht aangedreven ‘mills’, doordat na 1780 er steeds meer problemen met de toevoer van water ontstonden.



3 Wat werd in Manchester de belangrijkste tak van de katoenindustrie?

Manchester werd de stad van de stoomspinnerijen. Omstreeks 1790 werd de eerste stoomspinnerij gebouwd. Kort na 1800 had Manchester er al ruim honderd.



4 Waarom vestigden stoomspinnerijen zich bij voorkeur aan kanalen?

Dat was gunstig voor de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van producten. Ook verbruikten de stoomketels veel water.



5 a Hoe waren uiterlijk en inrichting van de stoomspinnerijen?

Eerst waren de stoomspinnerijen langwerpige gebouwen van drie of vier verdiepingen met kleine ramen. Na de introductie van gietijzeren zuilen werden de fabriekshallen breder en het aantal verdiepingen nam toe. In de breder geworden hallen was het toezicht gemakkelijker.

b Waarom werden stoommachines in aparte ruimtes geplaatst?

De stoommachines werden in aparte ruimtes geplaatst. Van daaruit bracht een ijzeren as via een stelsel van pullies (katrollen) en drijfriemen de spinmachines in beweging. Het lawaai in de werkruimte werd daardoor enigszins beperkt.



6 a Welke andere textielbedrijven waren er in Manchester?

Naast de katoenspinnerijen waren er in Manchester veel gemechaniseerde veredelingsbedrijven voor bleken, verven, bedrukken en vollen.

b Waar waren die gevestigd?

De veredelingsbedrijven stonden op plekken met veel ruimte en voldoende schoon water.

c Welk nut hadden die bedrijven voor ondernemers en kooplui in Manchester?

Voorheen werd het bleken, verven of bedrukken en vollen gedaan door de thuiswevers zelf of door zelfstandige ambachtslieden. De gemechaniseerde veredelingsbedrijven waren in handen van ondernemers en kooplui. Met deze bedrijven kregen ondernemers en kooplui in Manchester dus nog meer greep op de textielhandel in Lancashire.



7 Welke tak van de katoenindustrie was in Manchester nauwelijks aanwezig?

Slechts op één terrein bleef Manchester achter bij andere katoensteden: de stoomweverij. Grootschalige invoering van het stoomweefgetouw vond (na 1820) vooral plaats op het platteland in de andere katoensteden.



8 a Noem kort de kenmerken van de groei van Manchester na 1770

De groei van Manchester verliep na 1770 snel, hevig en onregelmatig. Uit de stadsuitbreidingskaarten blijkt dat de groei ook zonder planning verliep.

b Welke belangrijke veranderingen voltrokken zich in Manchester tijdens deze groei?

· Er ontstonden grote woningnood en verpaupering (verarming).

· Een groot aantal pakhuizen voor katoenen producten werd gebouwd. In 1815 was in pakhuizen meer geld geïnvesteerd dan in fabrieken.

· Tussen de fabrieken of clusters van pakhuizen ontstonden sloppenwijken.

· In 1830 kreeg Manchester de eerste spoorwegverbinding: de lijn Manchester-Liverpool.



9 Waardoor waren spoorwegen voor Manchester van minder belang dan voor het platteland?

De invloed die de spoorwegen hadden op de industriële expansie van Manchester was opvallend klein, vergeleken met de invloed op het platteland. In tegenstelling tot veel stadjes op het platteland had Manchester een goede scheepvaartverbinding met de aan- en afvoerhaven Liverpool. Door lagere vrachttarieven bleef de scheepvaart via de kanalen een grote concurrent van de spoorwegen.



10 a Waarom was er geen natuurlijke groei van de bevolking in Manchester?

Manchester had een hoog sterftecijfer. Daardoor was er geen natuurlijke aanwas (groei) van de bevolking.

b Waardoor nam de bevolking van Manchester toch sterk toe?

Deze sterke bevolkingsgroei werd veroorzaakt door de grote migratie naar de stad, uit de nabije omgeving en van verder weg.

c Noem twee belangrijke groepen migranten.

· Onder die migranten bevonden zich veel Ieren. Omstreeks 1850 waren het er ongeveer 50 000. Zij waren in de decennia daarvóór uit Ierland vertrokken vanwege werkloosheid of vanwege hongersnood.

· De grote bedrijvigheid in Manchester trok ook een groep rijke buitenlandse handelaren aan.



11 Waardoor waren de woonomstandigheden van arbeiders slecht?

De grote woningnood werd veroorzaakt door te weinig investeringen in goede woningbouw voor arbeiders.



12 Welke veranderingen kwamen er in de woonomstandigheden van arbeiders?

· Arbeidersgezinnen vonden onderdak in oude woonwijken als Ancoats, waar huizen tot in de kelders toe werden opgedeeld. De oude woonwijken veranderden in sloppenwijken. Deze sloppenwijken van Manchester werden landelijk berucht.

· Open ruimtes tussen de nieuwe fabrieken werden door speculanten opgevuld met goedkoop gebouwde arbeiderswoningen. De woningen lagen ‘rug-tegen-rug’.

· Door het massale gebruik van steenkool voor stoommachines en voor verwarming van huizen waren volkswijken in een zwarte roetsluier gehuld.

· Er waren nauwelijks winkels, ook niet voor de eerste levensbehoeften.



13 a Welke sociale scheiding in woonwijken ontstond al vroeg in Manchester?

De arbeiders woonden in de oude wijken en in de nieuwe wijken bij de fabrieken.

De snel groeiende middenklasse leefde in nieuwe woningen in de betere woonwijken. Deze lagen in het centrum van de stad, op korte afstand van katoenbeurs, banken en stadhuis. Daar probeerden deze mensen (geschoolde ambachtslieden, winkeliers, onderwijzers, kantoorpersoneel e.d.) een burgerlijk ideaal vorm te geven.

De rijken, handelaren en fabrikanten, trokken zich bij voorkeur terug in half landelijke gebieden ten zuiden van de stad. Zij woonden in luxe buitenhuizen met veel land, ingericht op recreatie. Zij reisden dagelijks naar hun werk in de stad.

b Noem twee belangrijke kenmerken van het burgerlijk ideaal van de middenklasse.

De belangrijkste kenmerken van dat ideaal waren matigheid en zelfbeheersing.



14 Omschrijf in enkele zinnen welk gevolg in het denken deze scheiding in woonwijken had.

De vorming van verschillende soorten wijken maakte een einde aan het denken in standen. Ervoor in de plaats kwam een nieuw onderscheid: het denken in sociale klassen.



15 a Welk beleid voerde de lokale overheid in de periode 1750-1850 op het gebied van de openbare orde?

De lokale overheid richtte zich aanvankelijk alleen op het voorkomen van de ergste misdaden en van ernstige verstoringen van de openbare orde. Door de landelijke politiewet (1835) kreeg de overheid hiervoor meer mogelijkheden.

b Hoe is te verklaren dat de overheid in deze periode geen zorg droeg voor andere publieke voorzieningen?

Dat de overheid geen zorg droeg voor andere voorzieningen, kwam deels door onmacht (gebrek aan geld en kunde).

Deels ook door de liberale overtuiging dat de overheid slechts tot taak had de openbare orde te handhaven (‘nachtwakerstaat’).

c Wanneer kwam daar in welke opzichten verandering in?

Later ging de lokale overheid op bescheiden schaal zorgen voor waterleiding, riolering en bestrating. De lokale overheid was daartoe verplicht door de Public Health Act (1835).

d Wie zorgden voor publieke voorzieningen waarin de overheid niet voorzag?

Voor andere voorzieningen was de stad aangewezen op de steun van rijke ondernemers.



4 Katoensector verbindt Lancashire met de rest van de wereld



1 Waardoor werden Lancashire en de rest van Engeland met elkaar verbonden?

· Voor kleding werd Engeland in de periode 1750-1850 steeds meer afhankelijk van Lancashire.

Steeds meer mensen gingen katoenen in plaats van wollen kleding dragen. Omstreeks 1790 was katoen in Engeland de belangrijkste grondstof voor kleding geworden. De groei van de katoennijverheid was tot 1790 vrijwel alleen te danken aan de groei van de binnenlandse vraag. En de katoennijverheid in Lancashire voorzag voor een groot deel in die vraag.

· Omgekeerd raakte ook Lancashire afhankelijk van de rest van Engeland. Doordat het zuiden van Lancashire steeds meer gedomineerd werd door industrie, was de groeiende bevolking voor landbouwproducten steeds meer aangewezen op andere regio’s in Engeland.



2 Door welke drie factoren groeide de Engelse markt voor katoen zeer snel?

De Engelse markt voor katoen groeide zeer snel door drie factoren:

· de bevolkingstoename,

· katoenen kleding werd goedkoper dan wollen of linnen kleding,

· de gunstige prijs‑kwaliteitverhouding van katoenen stoffen.

Vooral de lagere klassen en de middenklassen kochten katoenproducten.



3 Welke drie factoren droegen in de periode 1800-1840 bij tot een daling van de prijs van katoen?

De prijs van katoen ging in drie stappen omlaag:

· Door de uitvinding van de cotton gin (blz. 38) in 1793 nam de katoenproductie sterk toe en daalde de prijs van ruwe katoen.

De VS was rond 1800 de voornaamste katoenleverancier van Engeland geworden. Op katoenplantages in het zuiden van de VS, meestal bewerkt door slaven, werd dankzij de cotton gin de productie fors uitgebreid en nieuwe plantages werden aangelegd.

· Het stoomweefgetouw was rond 1830 de kinderziektes te boven. En sommige patenten verliepen. De productie van volledig machinaal geweven stoffen groeide aanzienlijk. Daardoor daalde de prijs van katoenen stoffen.

· De uitvinding van de naaimachine, ongeveer tien jaar later, maakte de opkomst van grootschalige confectienijverheid mogelijk. Daardoor daalde de prijs van de eindproducten (katoenen confectiekleding in plaats van door kleermakers vervaardigde kleding).



4 Waardoor werden Lancashire en overzeese gebieden met elkaar verbonden?

· Enerzijds was Lancashire afhankelijk van overzeese gebieden voor de import van ruwe katoen. Tot 1800 kwam het meeste uit West‑Indië, daarna uit de VS.

· Anderzijds was na 1790 export overzee onmisbaar voor de verdere groei van de katoennijverheid in Lancashire. Omstreeks 1850 exporteerde Lancashire zo’n 50% van de productie.



5 a Met welke problemen kreeg de export van Lancashire te maken?

· De export werd beïnvloed door politieke omstandigheden. Omstreeks 1780 ging ruim 60% van de Engelse katoenexport naar Europa. Tijdens de Franse Revolutie en de oorlogen tegen Frankrijk (1793-1815) nam het percentage van de export naar het Europese vasteland af, terwijl het percentage van de export naar de VS toenam. Na de nederlaag van Napoleon (1815) werd Europa weer de grootste afnemer.

· Het marktaandeel in het dichtbevolkte Europa was niet stabiel. Een stabiel marktaandeel was van levensbelang voor verdere groei van de katoennijverheid in Lancashire. Maar Europa ontwikkelde, evenals de VS, een eigen katoennijverheid. Deze opkomende buitenlandse concurrentie dwong steeds tot het zoeken van nieuwe afzetmarkten en aanpassing van de productie.

· De katoenexport naar India, China en Zuid‑Amerika was onregelmatig en riskant. In de eerste helft van de 19de eeuw was het zwaartepunt van de katoenexport naar die gebieden verschoven.

b Welke gevolgen hadden deze problemen voor de katoensector in Engeland?

· De onevenwichtige buitenlandse markt leidde in Engeland tot een aantal grote crises met scherp dalende winsten en lonen.

· Sociale ellende voor veel arbeiders was daarvan het gevolg.

· Diverse zakenlieden, zoals Robert Gardner, de ondernemer van Barrow Bridge, verloren er kapitalen mee.



6 Waardoor verloor Lancashire tussen 1800 en 1850 steeds meer terrein aan de buitenlandse nijverheid/concurrentie?

Oorzaken daarvan waren:

· Andere landen raakten op de hoogte van de technologie in Lancashire en gingen die zelf toepassen. De Engelse regering maakte tevergeefs wetten om het verspreiden van technologie naar andere landen te voorkomen.

·De Engelse katoenfabrikanten waren zo met zichzelf ingenomen dat ze buitenlandse uitvindingen weinig toepasten.



7 a Hoe probeerden fabrikanten in Lancashire hun afhankelijkheid van verre (overzeese) leveranciers en afnemers te verkleinen?

Om hun afhankelijkheid van verre leveranciers en afnemers te verkleinen zetten fabrikanten vanaf 1790 bedrijven op die alle fasen van het proces moesten beheersen: van aanvoer van ruwe katoen, via fabricage tot verkoop in binnen- en buitenland. Zij stichtten daarom filialen of agentschappen in binnen- en buitenland. Op deze manier werden de fabrikanten ook koopman.

b Welk gevolg had dat voor Liverpool?

Voor import en export werd nu steeds vaker de haven van Liverpool gebruikt in plaats van die van Londen.



8 a Waardoor raakten koopman-fabrikanten in Lancashire in problemen?

· De koopman-fabrikanten probeerden door voorraadvorming de prijs van katoenproducten te beïnvloeden. Als de prijs laag was, brachten zij maar weinig producten op de markt maar bleven wel produceren. Steeg de prijs daardoor weer dan konden zij hun voorraad verkopen.

· Om de voorraadvorming mogelijk te maken moesten de koopman-fabrikanten wel veel geld in pakhuizen steken. Hiervoor leenden ze bij banken in Manchester. Deze regionale koopman-fabri-kanten en bankiers hadden echter te weinig kapitaal en inkomsten om de risico’s van de investeringen te kunnen opvangen. Dat bleek tijdens de oorlogen met Napoleon in de jaren 1806-1814. De export naar Europa stagneerde. Daardoor gingen zowel een aantal fabrikanten als bankiers failliet.

b Hoe raakte de katoenhandel steeds meer in handen van buitenlandse kooplieden en banken buiten Lancashire?

· In diezelfde periode vestigden zich steeds meer buitenlandse kooplieden in Manchester. Zij bezaten veel kapitaal en hadden grote kennis van delen van de wereldmarkt. De bekendste van hen waren de Rothschilds.

· De financiering van de export en het afdekken van de financiële risico’s werd steeds meer door buitenlandse zakenlieden en door banken in de Londense City gedaan. Grote faillissementen kwamen daardoor minder vaak voor.



5 Katoennijverheid, arbeid en bestaanszekerheid



1 Welke veranderingen vonden plaats op de arbeidsmarkt?

Tussen 1750 en 1850 veranderde de arbeidsmarkt in Lancashire:

· De katoensector - en niet meer de landbouw - werd dominant. Steeds meer boerenfamilies gaven hun agrarische zelfstandigheid op in de hoop op betere inkomsten in de katoenproductie.

· In Manchester vonden velen werk in de textielpakhuizen, katoenfabrieken en in de handel in katoenproducten.



2 Welke grote veranderingen in werk en arbeidsomstandigheden traden op?

In diezelfde periode traden grote veranderingen in werk en arbeidsomstandigheden op:

· De katoensector ging het tempo en ritme van het dagelijkse leven in Lancashire bepalen, zowel op het platteland als in Manchester.

· Het traditionele ‘putting-out-system’ kon niet meer aan de vraag naar textielproducten voldoen. Daarom werd eerst het spinnen gemechaniseerd. Spinnen was oorspronkelijk vrouwenwerk. Maar in de nieuwe spinfabrieken (stoomspinnerijen) gingen de vrouwen kaarden en de mannen spinnen.

· De spinfabrieken leverden enorme hoeveelheden garen. Dat garen werd ondergebracht bij families die zich in hun eigen huis toelegden op handweven. In huis was het dus stoffig. De hele familie werkte samen om een gezinsinkomen te verwerven.

· Tussen 1820 en 1840 werd ook het weven gemechaniseerd (stoomweverijen). Toen raakte het familie-verband op het werk steeds meer op de achtergrond. De vrouwen en kinderen bleven werkzaam in de textielsector. Maar waar mijnbouw of machinebouw ontstond, zochten veel mannen daarin hun ver-diensten.

· Het werk in de textielnijverheid vond steeds meer in fabrieken plaats. Daar werd op veel grotere schaal en sneller geproduceerd dan aan huis. De arbeiders kregen te maken met vaste werktijden, arbeidsdeling en controle

· Er ontstond een hiërarchie tussen arbeiders naar taak en loon. Vrouwen en kinderen kregen een lager loon dan mannen.

· Door de mechanisatie werd het werk fysiek minder zwaar, maar wel gevaarlijker. De machines waren nauwelijks beveiligd. Stof en lawaai veroorzaakten longaandoeningen en doofheid.



3 Waardoor groeide de afstand tussen werkgevers en werknemers?

· Door de schaalvergroting groeide de afstand tussen werkgevers en werknemers.

·De afstand werd het grootst in de grootste fabrieken. Er waren er met meer dan 500 werknemers, bij-voorbeeld Murray Bros in Manchester. Gemiddeld lag het aantal arbeiders per fabriek in Manchester omstreeks 1850 rond de 220. Op het platteland (in Bolton bijvoorbeeld) bedroeg dat gemiddelde 140.



4 Hoe werden loon, werktijden en organisatie van het werk geregeld?

Werkgevers en werknemers maakten per bedrijf gezamenlijk mondelinge afspraken over loon, werktijden en organisatie van het werk. Daarbij waren de ondernemers de sterkste partij. Arbeiders werden bijvoorbeeld uitbetaald in stukloon.



5 Waardoor was de macht van de werkgevers groot?

De macht van de werkgevers was groot. Zij bezaten niet alleen het kapitaal en de productiemiddelen, maar beschikten - mede dankzij het beperkte kiesrecht - ook over een sterke politieke lobby, zowel lokaal als nationaal



6 a Wanneer en waarom voerde het parlement de Combination Acts in? En wat was de inhoud ervan?

In de jaren 1799-1800 voerde het parlement de Combination Acts in. Die wetten hielden een verbod tot vakbondsorganisatie in: arbeiders mochten geen ‘combinaties’ vormen. Daardoor werden organisaties van arbeiders onwettig en konden vakbonden wegens ‘samenzwering’ worden vervolgd.

b Waarom nam het parlement die wetten aan?

Geschoolde arbeiders en vakbonden hadden in de voorgaande eeuwen een machtspositie opgebouwd, waaraan de werkgevers een einde wilden maken In het parlement kregen zij daarvoor steun.

c Waardoor werd de positie van geschoolde arbeiders nog meer ondergraven?

Door de invoering van machines werden hun ambachtelijke vaardigheden steeds minder belangrijk. Vakkennis werd niet meer verkregen via het meester-leerlingsysteem. De fabrieksarbeiders leerden het werk van elkaar in enkele weken. De fabrieksarbeiders konden daardoor weinig meer dan hun arbeidskracht tegenover de ondernemers stellen. Zij konden bijvoorbeeld dreigen met staking.



7 a Op welke wijze probeerden de vakbonden de Combination Acts te ontduiken?

Ondanks het verbod op vakbondsorganisatie protesteerden textielarbeiders soms tegen slechte arbeidsverhoudingen via hun lokale vakbonden. Deze lokale vakbonden konden blijven bestaan door zich als ‘clubs’ of ‘friendly societies’ voor te doen.

b Waarom mislukten stakingen in de tijd van de Combination Acts?

Hoewel enkele stakingsleiders op grond van de ‘Combination Acts’ werden gearresteerd, mislukten deze stakingen vooral doordat de stakingskassen eerder uitgeput raakten dan het kapitaal van de werkgevers.

c Wanneer werden de Combination Acts opgeheven? En welke gevolgen had die opheffing?

De ‘Combination Acts’ werden in 1825 opgeheven. Vakbonden organiseerden toen een golf van lokale stakingen. Ook nam het lidmaatschap van vakbonden sterk toe.



8 Welk risico bracht staking in die tijd in Lancashire met zich mee?

Bij staking was er het risico van uitsluiting. Uitsluiting hield ontslag in en plaatsing op de ‘zwarte lijst’. De werkgevers spraken onderling af uitgesloten arbeiders niet meer in dienst te nemen.



9 Waarom waren ondernemers op het platteland meer bereid om aan de eisen van arbeiders tegemoet te komen dan ondernemers in Manchester?

Op het platteland (bijvoorbeeld in Bolton) waren ondernemers meer bereid aan de eisen van het personeel tegemoet te komen. Daar waren ze meer afhankelijk van arbeiders uit de plaatselijke bevolking dan in Manchester. Door immigratie waren er in Manchester altijd wel voldoende arbeiders die werk zochten.



10 a Wanneer en waardoor kwam er verandering in de houding van de overheid ten opzichte van de arbeidsverhoudingen?

In de periode 1819-1850 werden vijf Factory Acts aangenomen.

b En op welke wijze?

Deze wetten betroffen in het algemeen naast veiligheid in fabrieken een beperking van de werktijden van vrouwen en kinderen.

c In hoeverre hadden deze wetten effect?

De naleving van de Factory Acts werd gecontroleerd door een arbeidsinspectie. Hoewel fabrikanten zich niet overal en altijd aan de wetten hielden, ging er toch enig effect van uit.



11 Uit welke groepen bestond de middenklasse die tijdens de industrialisatie opkwam?

Met de industrialisatie ontstond een middenklasse, bestaande uit zelfstandigen en kleine ondernemers.



12 Welke gevolgen had de industrialisatie voor de bestaanszekerheid van de middenklasse?

Deze zelfstandigen en kleine ondernemers zetten innoverende bedrijfjes op. Die bedrijfjes werden vaak een succes maar ook vaak een mislukking met alle onzekerheid vandien.



13 Waar en wanneer ontstond een arbeidersklasse?

In de meeste steden ontstond in de loop van de 19de eeuw een omvangrijke arbeidersklasse..



14 a Waardoor groeide de bevolking van Lancashire?

Al vanaf 1700 groeide de bevolking van Lancashire: de geboortecijfers stegen en de sterftecijfers daalden. Enkele factoren zijn zeker van invloed geweest:

· In de 18de eeuw daalde de gemiddelde leeftijd waarop mensen trouwden van 27 naar 20 jaar. Echtparen kregen eerder en dus meer kinderen.

· Voor veel mensen verbeterden de levensomstandigheden door de industrialisatie. Hun inkomens gingen erop vooruit. En de medische zorg verbeterde. Inenting tegen pokken voorkwam zeer veel doden.

· In de periode 1815-1851 trokken veel Ieren naar Lancashire.

b Welk gevolg had de bevolkingsgroei voor de economische situatie van arbeidersgezinnen?

Door het groter worden van de gezinnen waren er meer monden te voeden. Dit had een tijdelijk nadeel voor de levensstandaard tot gevolg. In de moeilijke beginperiode, als de kinderen klein waren, moesten man en vrouw samen een gezinsinkomen verdienen. Zodra de kinderen groter waren, konden zij bijdragen aan het gezamenlijke inkomen en hielden de moeders op met het fabriekswerk.



15 Waardoor steeg in de beginfase van de industrialisatie het inkomen van veel arbeiders?

In de beginfase van de industrialisatie steeg de vraag naar arbeidskrachten vrij constant. Er was daardoor minder werkloosheid. En de lonen bleven op peil of werden verhoogd. Dat alles was gunstig voor het gezinsinkomen.



16 Waardoor ontstond er een verschil in levensstandaard tussen de arbeiders in kleine plaatsen en in grote steden als Manchester?

· In kleine plaatsen op het platteland hadden arbeiders in katoenfabrieken vaak een iets hoger loon. In Manchester en Liverpool konden eisen stellende arbeiders veel gemakkelijker worden vervangen dan in fabrieken in kleinere plaatsen.

· Ook hadden arbeiders in kleine plaatsen nog wel een akkertje om aardappels of groente op te verbouwen. In de grote steden was dit niet mogelijk en lagen de kosten van het levensonderhoud veel hoger.



17 Hoe ontwikkelde zich de levensstandaard/bestaanzekerheid van:

a arbeidersgezinnen in de textiel,

Arbeidersgezinnen in de textiel hadden te maken met perioden van veel werk, maar ook met perioden van werkloosheid en crisis. Tijdens crises gingen de inkomens vaak omlaag.

b handwevers,

Tot 1820 kenden handwevers periodes van relatieve voorspoed. Maar daarna kregen zij en hun gezinnen het steeds moeilijker. Door het steeds toenemende aantal handwevers en door de opkomst van het stoomweefgetouw konden de ondernemers de lonen verlagen. Handwevers werden ook steeds meer als arbeidsreserve ingezet: zij kregen alleen werk als er veel vraag naar katoenproducten was. Na 1840 was er alleen nog werk voor handwevers die gespecialiseerd waren in fijne weefsels.

c gezinnen die hun inkomen in katoenfabrieken verdienden?

Voor gezinnen die hun inkomen in katoenfabrieken verdienden, werden de verdiensten van vrouwen en kinderen steeds belangrijker. Werkgevers namen hen graag in dienst vanwege de lage loonkosten.



18 a Op welke manieren probeerden arbeiders bestaanzekerheid te verkrijgen?

· Om de onzekerheid van hun bestaan beter te kunnen opvangen verenigden textielarbeiders zich in zelfhulporganisaties, waar een sterk gemeenschapsgevoel heerste. Die organisaties waren vooral verbruikscoöperaties (winkels die gezamenlijk eigendom van de arbeiders waren) en ‘friendly societies’.

· Familie‑ en buurtnetwerken waren en bleven tijdens de industrialisatie belangrijk voor het verkrijgen van werk en voor hulp in tijden van ziekte en nood.

b Op welke manieren droegen overheid en ondernemers bij aan de bestaanzekerheid van arbeiders?

Overheid en ondernemers droegen op bescheiden schaal bij aan de bestaanzekerheid van arbeiders:

· Armenwetten boden soms bijstand in de vorm van werk of in natura (voedsel en kleding).

· Ook sommige werkgevers trachtten de bestaanszekerheid en levensstandaard van hun werknemers te verbeteren. In Barrow Bridge bij Bolton gaven Bazley en Gardner een goed voorbeeld. Zulke werkgevers bleven echter een uitzondering in Lancashire.

c Welke motieven hadden ondernemers daarvoor?

Werkgevers als Bazley en Gardner hadden naast sociale motieven ook economische motieven. Zij verwachtten dat hun arbeiders loyaal en gedisciplineerd zouden werken met als resultaat verhoging van de arbeidsproductiviteit.



6 Reacties op de industrialisatie



1 a Met welke argumenten werd in Lancashire de industrialisatie verdedigd door voorstanders?

Voorstanders benadrukten dat de arbeid in fabrieken eenvoudiger, minder inspannend, hygiënischer en goedkoper was.

b Op welke voordelen van de industrialisatie wezen wetenschappers als David Ricardo, Andrew Ure en Charles Babbage?

Wetenschappers wezen op de lage productiekosten, de enorme productiestijging en de groeiende winst. De bekendste waren David Ricardo, Andrew Ure en Charles Babbage.

c Op welke voordelen van de industrialisatie wezen economen en ondernemers?

Volgens economen en ondernemers zou de snel groeiende katoennijverheid, gestimuleerd door internationale vrijhandel, uiteindelijk welvaart voor iedereen bereikbaar maken. De industrialisatie was voor hen het optimistische antwoord op de pessimistische toekomstvisie van de econoom Malthus. Niet langer hing welvaart uitsluitend af van de oogst, zoals de theorie van Malthus inhield.



2 Over welke wantoestanden in industriesteden als Manchester ontstond in brede lagen van de bevolking bezorgdheid?

· Een industriestad als Manchester was niet alleen een bron van economische activiteit, maar had ook snel groeiende sloppenwijken, waar armoede, ziekte, misdaad en vervuiling heersten.

·Onder de midden- en hogere klassen ontstond naast de angst voor sociale onrust oprechte bezorgdheid en morele verontwaardiging over deze wantoestanden.

· Ook vreesde men dat traditionele gezinsverbanden door de industrialisatie uit elkaar werden gerukt. Omdat kinderen door het fabriekswerk veel tijd zonder hun ouders doorbrachten, vreesde men afkalving van het ouderlijk gezag.



3 a Welke bedoelingen hadden auteurs van sociale romans met hun werken?

· De auteurs wilden de anonimiteit en de ellende van het leven in de industriesteden onder de aandacht brengen van een breder publiek.

· Met hun werk wilden zij op de heersende klasse een beroep doen een einde te maken aan de wantoestanden.

b Hoe uitte de politicus Benjamin Disraeli zijn onvrede over de wantoestanden? Probeer te verklaren waarom hij niet bekend is geworden als een groot sociaal hervormer.

Disraeli publiceerde een roman, waarin hij beschreef hoe de arbeidersklasse door de gegoede klasse werd uitgebuit. Disraeli was een conservatief politicus (leider van de Conservatieven in het parlement en premier). Als zodanig zal hij afkerig zijn geweest van ingrijpende sociale hervormingen.

c Waarvan geraakte Friedrich Engels overtuigd na zijn verblijf in Manchester?

Engels raakte ervan overtuigd dat uitbuiting van het industrieproletariaat onontkoombaar was.



4 a Welke uiting van politiek protest op het gebied van het kiesrecht deed zich voor onder industriële ondernemers?

De indeling in kiesdistricten was al eeuwen ongewijzigd en was daardoor sterk in het voordeel van het platteland. Met de groei van de steden werd geen rekening gehouden. De ondernemers eisten daarom herverkaveling van de kiesdistricten ten gunste van de sterk gegroeide noordelijke industriesteden.

b Wat was het resultaat van hun protest?

De eis tot herverkaveling van de kiesdistricten werd met de Reform Bill (1832) ingewilligd.



5 a Welke uiting van politiek protest op het gebied van de graanprijzen deed zich voor onder industriële ondernemers?

In het Lagerhuis deelden ondernemers de macht met de landbezittende adel. De ondernemers hadden met deze grondbezitters een langdurig conflict over de hoogte van de graanprijzen. Ondernemers streefden naar een vrije graanhandel, omdat die een daling van de broodprijs tot gevolg zou hebben.. De ondernemers vormden de Anti-Corn-Law League (1838) om de ‘corn laws’ (graanwetten) afgeschaft te krijgen.

b En waarom werden zij gesteund door de arbeiders?

Zowel ondernemers als arbeiders ondervonden de nadelen van de graanwetten. Beide groepen waren gebaat bij lage graanprijzen en dus bij import van goedkoop graan.

c Wie stonden tegenover de ondernemers en de arbeiders? En wat waren hun motieven?

De (groot)grondbezitters stonden tegenover de ondernemers en arbeiders. Zij wilden de invoerbeperkingen op graan (de ‘corn laws’) handhaven om zo de graanprijs hoog te houden.

d Wat was het resultaat het protest van de ondernemers?

Tijdens de conservatieve regering van Robert Peel, van huis uit katoenfabrikant in Manchester, werden de graanwetten uiteindelijk ingetrokken (1846).



6 Welke politieke verandering in Engeland bleek uit het aannemen van de Reform Bill en het intrekken van de Corn Law?

Zowel de Reform Bill als de intrekking van de graanwetten gaven aan dat de industriële sector in Engeland ook in de politiek een doorslaggevende factor was geworden. De ‘lords of the loom’ (‘heren van het weef-getouw’) hadden het gewonnen van de ‘lords of the soil’ (‘heren van de grond’).



7 Welke uitingen van sociaal protest deden zich voor onder de arbeiders?

· Handwerkers, Luddieten genoemd, ondernamen in de jaren 1811-1816 kortstondige gewelddadige acties. Uit angst voor loonsverlaging of werkloosheid vernielden zij machines. Dit deed de vrees voor een volksopstand bij de gevestigde orde toenemen.

· Jenny-spinners, mule-spinners, handwevers en fabriekswevers organiseerden in Lancashire in 1818 vier stakingen. Ook in 1825 werd gestaakt.

· Soms demonstreerden arbeiders. Een demonstratie in Manchester (1819) waarop ruim 60. 000 mensen bijeenkwamen, werd op bevel van het stadsbestuur bruut uiteengeschoten (‘Peterloo Massacre’).



8 a Waardoor ontstond onder geschoolde arbeiders politiek protest?

Omdat de sociaal-economische situatie niet verbeterde, ontstond onder geschoolde arbeiders politiek protest.

b Wanneer ontstond de Chartisten-beweging? Uit welke bevolkingsgroepen vooral kwamen haar aanhangers? En wat was hun belangrijkste eis?

Na 1830 ontstond de Chartisten‑beweging. Daarin waren vooral textielwerkers en leden van de lagere middenklasse vertegenwoordigd. De belangrijkste eis van de Chartisten was algemeen kiesrecht voor mannen.

c Wanneer bereikte de Chartisten-beweging haar hoogtepunt? En waaruit bestond dat hoogtepunt?

De beweging bereikte rond 1840 haar hoogtepunt: een algemene ‘landelijke’ staking. Aan deze staking deden voornamelijk mijnwerkers en textielarbeiders mee. Het ging eerst om looneisen en een tien-uren-werkdag. Nadat de Chartisten zich bij hen hadden aangesloten, werd ook algemeen kiesrecht een eis van de stakers. De staking weerspiegelde de opgehoopte frustraties van arbeiders in een nieuwe, hun vijandige samenleving.

d Wanneer viel de Chartisten-beweging uiteen?

Na het mislukken van de staking verliep de Chartisten-beweging geleidelijk. In 1848 werd nog een derde petitie georganiseerd. Daarna viel de beweging uiteen.



9 Hoe reageerde de overheid op de sociale protesten van de arbeiders?

Op de uitingen van sociaal protest reageerde de overheid op verschillende manieren:

· Soms trad de overheid repressief (onderdrukkend) op. Bijvoorbeeld bij de Luddietenacties en tijdens het ‘Peterloo Massacre’ in 1819 in Manchester.

· Soms verweten plaatselijke autoriteiten grote ondernemers medeverantwoordelijkheid voor de onrust.

· Op de stakende spinners en wevers in Lancashire (1818) reageerde de plaatselijke autoriteiten afwachtend.

· Toen de opheffing van de Combination Acts (1825) niet het gewenste effect had, werden de vakbonden snel nieuwe wettelijke beperkingen opgelegd.

· De overheid liet de Chartisten wel massale acties voeren. Maar van de petities van de Chartisten trok het parlement zich niets aan.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.