Examen Geschiedenis

Tijd van jagers en boeren, prehistorie
tot 3000 v.Chr.

1. De levenswijze van jagers-verzamelaars
Mensen leefden van de jacht, visvangst en verzamelen van noten, vruchten, wortels etc. Ze leefden een nomadisch bestaan: geen vaste woonplaats, en leefden in kleine groepen.
2. Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenleving
Rond 7000 v.Chr. werd in het Midden-Oosten (Syrië: Uruk) de eerste landbouw ingevoerd. Ze leefden niet meer van de natuur maar gingen zelf gewassen planten en dieren temmen. Mensen kenden een vaste woonplaats en leefden in grotere groepen waardoor er een sociale gelaagdheid ontstond. Deze levenswijze word ook wel de Neolithische Revolutie genoemd.
3. Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Dorpen groeiden aaneen en werden steden, groepen vestigden zich in ommuurde nederzettingen. Landbouw bracht zo’n grote opbrengst dan men zich ging bezighouden met handel en nijverheid. Er was wetgeving nodig, en hierdoor ontstond het schrift (rond 3000 v.Chr.). Mesopetamië was een van de eerste steden waar urbanisatie begon. Ook ontstond er een hiërarchie met één leider en sociale ongelijkheden.

Tijd van Grieken en Romeinen, oudheid
van 3000 v.Chr. tot 500 n.Chr.

1. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat
Griekenland bestond uit onafhankelijke stadstaten. Er ontwikkelden zich verschillende soorten bestuur, waaronder de democratie. De politiek ontstond, genoemd naar het woord polis (stadstaat). Ze ontwikkelden nieuwe gedachten over de deelname van de burger binnen de staat en bestuur: deze mocht meedenken en meebeslissen. Grieken waren nieuwsgierig en wouden zelf kritisch nadenken om tot nieuwe waarheden te komen: wetenschappelijk denken over o.a. politiek, natuur en filosofie.
2. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
In de westerse cultuur is het voorbeeld van de Grieken en Romeinen eeuwenlang nagevolgd, en is daarom klassiek. De Griekse vormentaal werd vooral bepaald door de tempels met zuilen, het realisme in de lichaamsvormen. De Romeinse werd bepaald door hun aquaducten en theaters, boogconstructies, tempels en badhuizen, en het realisme in de portretten.
3. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde
De Romeinen veroverde Griekenland, Hellenistische koninkrijken, Noord-Afrika en West-Europa. In deze gebieden raakte de Grieks-Romeinse cultuur zodanig verspreidt dat het een blijvende invloed had uitgeoefend. De Romeinen vonden de Griekse cultuur net zo goed als hun eigen en namen deze cultuur over. Er ontstond een rijk waarin de bovenlaag Grieks-Romeins was en het burgerrecht werd verleend aan de lokale elites.
4. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa
Door de veroveringen van de Romeinen kwamen ze bij de Germaanse cultuur, wat leidde tot een confrontatie omdat Germanen geen schrift, wetenschappelijk denken, en hoogontwikkelde cultuur kenden. De Romeinen slaagden er niet in om de Germanen te verslaan, waardoor de Rijn de grens werd die bepalend waren voor de mate van Romanisering. Binnen het Romeinse Rijk was er weinig verzet tegen de Romeinse overheersing.
5. De ontwikkeling van het Jodendom en het Christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten
De Joden onderscheidde zich van de andere geloven, omdat ze maar in één god geloofden: monotheïsme. Rond 30 n. Chr. werd een joodse man aan het kruis gespijkerd, Jezus van Nazareth. Volgens sommige Joden was dit hun verlosser uit de joodse geschriften. Jezus beloofde mensen die in hem geloofde ‘’eeuwig leven’’ en werd erg populair. Joodse priesters zagen hem als gevaar en hij werd ter dood veroordeelt. Veel aanhangers van Jezus, die zich christenen gingen noemen, vertrokken naar Palestina. De christenen streefden naar het verspreiden van hun godsdienst: het richtte zich op individuele mensen en beloofde beter leven na de dood. Vanaf de derde eeuw werd het christendom gezien als een bedreiging, tot dat Constantijn in 312 aan de macht kwam en het verbod op het christendom ophief.


Tijd van monniken en ridders, vroege middeleeuwen
van 500 n.Chr. tot 1000 n.Chr.

1. De verspreiding van het christendom in geheel Europa
Het Romeinse Rijk was een christelijk rijk geworden, maar het werd overspoeld door Germanen, waardoor het Rijk viel. Het christendom werd hierdoor ook in verdediging gedrongen. Door de stichting van kloosters en de missionarissen die zich eerst op de stamhoofden richtte werd het geloof toch snel verspreidt.
2. Het ontstaan en de verspreiding van de islam
Mohammed stichtte een nieuwe monotheïstische godsdienst, de islam. Mohammed kreeg een openbaring van Allah, en schreef dit op in de Koran: hierdoor werden moslims aangespoord om de islam te verspreiden en kennis te verzamelen. Mohammed werd de profeet van Allah, maar hij en zijn volgelingen moesten in 622 vluchten uit Mekka. Hier begint de islamitische jaartelling. Onder de opvolgers van Mohammed werd de islam verder uitgebreid.
3. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid
Nadat het Romeinse Rijk was gevallen, ontbrak de basis voor het ontwikkelde stedelijk leven, en ging men over op de zelfvoorzienende landbouw. Er was nauwelijks ambacht en handel en iedereen produceerde wat hij zelf nodig had. De landbouwgrond was meestal in bezit van grootgrondbezitters, die hun eigendom organiseerden in landgoederen of domeinen (hoven). Hier ontwikkelde het hofstelsel zich: boeren waren in horigheid gebonden aan hun grond, in ruil voor het bewerken van het land van de heer gaf hij hun bescherming.
4. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur
Bestuur vanuit een centraal punt was niet meer mogelijk, de vorst werd afhankelijk van de trouw van allerlei lokale machthebbers. Hier werd het feodale stelsel ontwikkeld. Karel de Grote had in 800 zo’n groot rijk veroverd dat hij dit niet alleen kon besturen, en daarbij was hij afhankelijk van de steun van zijn soldaten. Karel de Grote begon een leenstelsel en bestuurde zijn rijk door te reizen van palts naar palts en beloonde zijn ridders met land. Karel leende grond uit aan een hertog en kreeg daar trouw voor terug. Wanneer de leenman stierf ging de grond weer terug naar de koning.

Tijd van steden en staten, late middeleeuwen
van 1000 tot 1500

1. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving
Door nieuwe technieken, uitvindingen en ontginning bracht de landbouw zo veel meer op dan vroeger, dat er weer ruimte ontstond voor handel en ambacht. Oude steden herleefden en nieuwe steden werden gesticht. Mensen gingen zich specialiseren en er kwamen ambachten en gilden. In de 12e eeuw gingen koningen zich bezig houden met het stichten van steden. Handel over grote afstanden werd steeds belangrijker, en handelaren organiseerden zich vaker in koopmansgilden en gingen samenwerken: de Hanze - stedenbond van Duitse, Baltische en later ook in de Lage Landen en Engelse handelssteden.
2. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
De handel en ambacht zorgden voor nieuwe regels, waardoor burgers en grootgrondbezitters of zij meer rechten en vrijheid konden krijgen dan de horige boeren. Die stadsrechten kregen ze, in ruil voor belasting. Steden wouden iets terug voor hun steun, en kregen daarom betere rechtspraak, meer veiligheid en de handel werd bevorderd. De steden krijgen langzamerhand hun eigen bestuur, en vaak zaten de rijke burgers (patriciërs) in dit bestuur.
3. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben
De middeleeuwse mensen in Europa waren ervan overtuigd dat alle macht van God kwam. Hij had twee plaatsvervangers aangesteld om macht uit te oefenen: de paus en de keizer. Maar wie had nu het hoogste gezag op aarde: de Investituurstrijd. Uiteindelijk kreeg de paus de macht over de kerkelijke zaken, en de keizer over de wereldlijke zaken. Zo raakte de twee machten steeds meer gescheiden van elkaar.
4. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van kruistochten
De christenen werden van alle kanten aangevallen, maar nu Europa steeds geordender en rijker werd, werden de rollen omgekeerd. De Islamieten hadden nog steeds het ‘’heilige land’’ Palestina. Er werden kruistochten georganiseerd. Paus Urbanus II had als redenen om een kruistocht te organiseren naar Palestina: christelijke pelgrims te beschermen die op bedevaart naar Jeruzalem waren, de kans dat de Byzantijnse kerk de paus weer zou erkennen als hoofd van de kerk, en een einde maken aan het geweld in Europa. Redenen voor kruisvaarders om te gaan: avontuur, je zonden worden vergeven, en macht en rijkdom. Alleen de 1e kruistocht werd een succes. Gevolgen van kruistochten: nieuwe handels contacten, Genna, Disa en Venetië profiteerden ervan, en kennis komt via de kruistochten in Europa terecht.
5. Het begin van staatsvorming en centralisatie
Door de herleving van de steden en het ontstaan van meer rijkdom, kregen de vorsten de kans zich te ontdoen van hun leenmannen. D.m.v. belastingen konden ze ambachten en soldaten inhuren, waardoor geordende staten konden worden opgebouwd met vaste belastingen en wetgeving. Om de belastingen te regelen waren goed geschoolde mensen nodig. De koning ging bij het besturen van het land steeds meer gebruikmaken van ambtenaren i.p.v. edellieden. De adel verloor langzamerhand zijn macht. Hier ontwikkelde zich centralisatie: het organiseren van het bestuur vanuit één punt, wat het begin was van staatsvorming: het ontstaan van een land.


Tijd van ontdekkers en hervormers, renaissance
van 1500 tot 1600

1. Het begin van de Europese overzeese expansie
De expansie van de christelijke wereld vond na het jaar 1000 niet alleen plaats in de vorm van kruistochten naar Palestina, maar ook in de vorm van verovering van het Arabische gebied in het huidige Spanje en Portugal. Deze ontdekkingsreizen waren mogelijk door nieuwe uitvindingen. Vanuit Portugal werd expansie in de 15e eeuw voortgezet -> Portugezen ontdekken een steeds groter deel van de Afrikaanse kust. Aan het eind van de 15e eeuw bereikten ze via het zuidpunt van Afrika ook Aziatisch gebied in het huidige India -> Vasco Da Gama als voorbeeld. Colombus ontdekte in 1492 Amerika, en daardoor werd de basis gelegd voor Europese overzeese expansie in de 16e eeuw. Spanjaarden en Portugezen speelden aanvankelijk de hoofdrol: Spanjaarden -> Amerikaanse continent, Portugezen -> Afrika en Azië. Nederlandse ontdekkingsreizigers waren Willem Barends en Abel Tasman.
2. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling
Renaissance is de herleving van de cultuur uit de Oudheid. Hierbij werd ook de wetenschappelijke denkwijze opnieuw toegepast: er werd kritisch bestudeerd op grond van eigen waarnemingen. Hierdoor ontwikkelde zich een nieuw wereldbeeld, mede dankzij de geografische ontdekkingen. De hele ontwikkeling van de renaissance zorgde ook voor een veranderd mensbeeld. Het leven op aarde werd door de rijken en ontwikkelden steeds meer als iets moois en waardevols gezien, mensen werden niet meer gezien als afhankelijke van God, maar als zelfstandige wezens die zelf veel konden.
3. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid
In de loop van de 14e en 15e eeuw begonnen de Italianen zich steeds meer opnieuw te oriënteren op de cultuur van de Oudheid. Romeinse geschriften werden intensief bestudeerd en kunstwerken nagevolgd.
Erasmus ontdekte dat er fouten waren gemaakt bij het overschrijven van de Bijbel uit 400. Hij schreef het Nieuwe Testament in 1516. Erasmus had veel kritiek op de katholieke kerk, maar hij wou niet dat het christendom uiteen zou vallen. De kritiek groeide en Maarten Luther publiceerde in 1517 95 stellingen waarop hij het katholicisme bekritiseerde: verkoop van aflaten, rijke geestelijken etc. Luther zorgde voor de start van de hervorming (reformatie).
4. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had
De hernieuwde bestudering op geschriften uit de Oudheid veroorzaakte een nieuwe belangstelling voor de oorspronkelijke bijbel. De verering van heiligen en instanties waarvan men gebruik moest maken (priesters) om in contact met God te komen, kwamen niet direct uit de bijbel. De macht van de tussenpersoon tussen God en mens moest worden geschrapt en gelovigen moesten zelf in contact komen met God. Het moest een hervorming worden, maar werd uiteindelijk een splitsing van de christelijke kerk: het rooms-katholieke en het protestantisme. Kenmerken van het protestantisme is het streven naar eenvoud en het niet erkennen van tussenpersonen. De Reformatie leidde tot een katholieke tegenactie: de contrareformatie, er kwam kritiek op hervormers, betere opleidingen voor geestelijken en een nieuw celibaat.
5. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in stichting van een Nederlandse staat
In de 14e en 15e eeuw werden Nederland, België en Luxemburg samen de Nederlanden, door een proces van staatsvorming en centralisatie. Vorst Filips II, zette de centralisatie met kracht voort. Er ontstond een conflict of de gewesten d.m.v. ‘moderne’ centralisatie moesten worden bestuurd, of door particularisme: het behoud van middeleeuwse voorrechten. Het conflict wat ontstaan door de kerkhervorming koos Filips II voor de kant van de katholieken, en de aanhangers van het protestantisme werden in zijn gebieden streng vervolgd. Margaretha mocht als landvoogdes de Nederlanden leiden, en door Margaretha’s softe aanpak, gingen hervormers hagenpreken opdragen aan aanhangers van de Reformatie -> Beeldenstorm. Aanstichters van de Beeldenstorm werden veroordeeld. Het beleid van Filips II zorgde voor opstanden, o.l.v. Willem van Oranje verzetten zij zich tegen de vervolgingen.

Tijd van regenten en vorsten, Gouden eeuw
van 1600 tot 1700

1. Het streven van vorsten naar absolute macht
Door het feodalisme en de opkomst van de steden met vrije burgerij hadden de vorsten last van beperkingen van hun macht door adel en burgers. Doordat het proces van staatsvorming en centralisatie er was gekomen, streefden een aantal vorsten naar absolute (onbeperkte) macht zonder regels. Vorsten vonden dat God hun in die positie had geplaatst en dat daarom iedereen hun moest gehoorzamen. Om dit in praktijk te brengen moesten ze de macht van de adel en de voorrechten van vrije staten terugdringen.
2. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloeit in economische en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek
De opstand in de Nederlanden slaagde waardoor de vorst geen absolute macht meer had. De middeleeuwse rechten en vrijheden van edelen en steden bleven in stand. Nederland was hierin uitzonderlijk, het was een Republiek, had in de Gouden eeuw een goeie positie en er was gewetensvrijheid (tolerantie). De stedelijke burgerij had de macht in handen, en niet de vorst. Steden waren allemaal onafhankelijke stadstaten, maar wanneer er gezamenlijk dingen moesten gebeuren kwam iedereen samen in de Staten-Generaal. De 17e eeuw werd de Gouden eeuw genoemd omdat Nederland rijk was en veel handel had. Door de rijkdom was er ook veel aandacht voor kunsten en wetenschappen.
3. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie
Door de Europese expansie waren er veel handelscontacten ontstaan. De zeereizen waren echter wel gevaarlijk en kostbaar. Daarom gingen kooplieden steeds vaker samenwerken in compagnieën, ze legden geld bij elkaar en zetten samen een grote onderneming op. Hiermee ontstond ook het handelskapitalisme: mensen die niks met de compagnie hadden te maken, gingen hierin investeren in de hoop een deel van de winst te ontvangen later. Bekende compagnieën zijn: de VOC (1602 - Azië) en de WIC (1621 - Afrika/Amerika). Door al deze handelsrelaties ontstond een samenhangende economie op wereldschaal. De driehoekshandel ontstond, en producten raakten over de hele wereld verspreidt.
4. De wetenschappelijke revolutie
De renaissance leidde in de vroegmoderne tijd zorgde voor een golf van nieuwe ontdekkingen, vooral in de 17e eeuw. Nieuw was op basis van eigen waarnemingen en experimenten ontdekkingen doen, en het doen van waarnemingen in de natuur was de basis van de nieuwe ontwikkelingen. Ook werd de telescoop, microscoop, zwaartekracht (Newton) en slingeruurwerk ontwikkeld. Omdat oude theorieën vaak niet klopte, leidde dit tot een nieuwe kritische houding. Het was beter om te vertrouwen op eigen observaties en redeneringen dan op het gezag van oude theorieën.

Tijd van pruiken en revoluties, de verlichting
van 1700 tot 1800

1. Rationeel optimisme en verlicht denken werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
Door de wetenschappelijke revolutie nam het vertrouwen in het menselijk verstand toe. Door scherp en rationeel te redeneren kon nieuwe waarheid worden ontdekt. Door humanisme ging men kritisch kijken naar oude teksten (15e eeuw), en in de 18e eeuw leidde dit tot groot optimisme. Men verwachtte dat er een betere wereld zou komen als zoveel mogelijk mensen op allerlei terreinen van het leven zo rationeel mogelijk zouden denken en handelen. Dit zou leiden tot verlicht denken: men komt tot de juiste conclusies zonder bijgeloof en vooroordelen, is ruimdenkend en verdraagzaam. Eigen observatie, zelf experimenteren en logisch redeneren waren hierbij belangrijk. Ze paste het verlicht denken toe op: religie, politiek, en de economie. Het verlichte denken ontstond in Nederland en Engeland, en werd ontzettend populair in Frankrijk.
2. Voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
Tegen de achtergrond van het verlichte denken over politiek was het bestaande absolutisme niet meer toepasselijk. Het werd steeds meer gezien als een oud regeerstelsel (ancien regime), dat aan vernieuwing toe was. Veel absolute vorsten slaagden er in tot aan het eind van de 18e eeuw hun macht te behouden, maar sommigen probeerden toch wel verlicht denken toe te passen in hun regering: godsdienstige vrijheid en gelijke behandeling. Deze vorsten werden verlichte despoten genoemd, maar alle macht lag nog wel bij de koning. Verlicht absolutisme was er dan nog niet: het volk had geen inspraak.
3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme
In de 18e eeuw werd de Europese overzeese expansie verder uitgebreid. Er werden veel plantagekoloniën gesticht: hier werd op grote schaal één product gewonnen. Veel plantages werden geëxploiteerd met behulp van slavenarbeid. Sterke, Afrikaanse slaven werden verhandeld aan de Europeanen en werden naar Amerika vervoerd. In de tweede helft van deze eeuw ontstond er, mede door het verlichte denken, het abolitionisme: streven naar afschaffing van de slavernij. Dit begon in de 19e eeuw.
4. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrecht en staatsburgerschap
Aan het einde van de 18e eeuw ontstonden in Europa en Noord-Amerika (mede door verlicht denken) over de politiek en samenleving revoluties, met als doel het beëindigen van het ancien regime en het vestigen van een staat met uitgebreide burgerrechten: democratische grondrecht. Hieronder behoorden bepaalde vrijheden. De vrijheid van godsdienst werd bevestigd door het scheiden van de kerk en staat. Burgers wouden ook meer politieke rechten: stemrecht, de mensen die dit hadden waren staatsburger. Dit staatsburgerschap werd toegekend aan de rijkste laag van de mannelijke burgerij.
De eerste democratische revolutie was in Noord-Amerika (1776), waardoor ze onafhankelijk van Engeland werden. Daarna volgde de Franse revolutie (1789), veel klachten kwamen uit de 3e stand, en ze riepen zichzelf uit tot een Nationale Vergadering: de burgers wouden een nieuwe grondwet, dit was het begin van de franse revolutie. In Nederland was er de Bataafse revolutie (1795): het koninkrijk van Holland was van 1806-1810 in handen van Napoleon, waardoor er nieuwe wetten van Napoleon kwamen. In 1813 kwam er een opstand tegen Napoleon.

Tijd van burgers en stoommachines, industrialisatie
van 1800 tot 1900

1. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving
Tegelijkertijd met de politieke democratische revolutie aan het eind van de 18e eeuw speelde zich rond 1750 in Engeland een ingrijpende economische omwenteling af. De industriële revolutie was de overgang van een agrarisch-urbane naar een industriële samenleving, gepaard met invoering van grootschalige productie, gebruik van onnatuurlijke grondstoffen en verstedelijking. Het begon allemaal met de textielsector, en daarbij kwamen machines als de spinning Jenny, het waterframe en stoommachines. In een industriële samenleving is de industriële productie het overheersende middel van bestaan, wat er voor zorgt dat minde mensen in de landbouw werken. De meerderheid van de bevolking woont dan ook in de steden. De industriële revolutie begon in 1850 in Nederland, en vanaf 1800 ook in de rest van Europa. Het zorgde ook voor de wet van de remmende oorsprong: als je ergens het 1e mee bent is dit vaak een nadeel omdat het makkelijk gekopieerd kan worden.
2. Discussies over de sociale kwestie
Als gevolg van de industrialisatie kregen West-Europese landen te maken te maatschappelijke problemen:
* explosieve groei van steden: woningnood, risico uitbraak besmettelijke ziektes.
* fabrieksarbeiders die te lang, gevaarlijk, ongezond en eentonig werken.
* kinderarbeid.
* slechte relaties tussen fabrikanten en arbeiders: klassenbewustzijn, politieke vormen over tegenstellingen.
Deze problemen begonnen steeds meer op te vallen en werden een grotere bedreiging voor de volksgezondheid en veiligheid. De burgerij ging deze problemen beschouwen als een maatschappelijk en politiek probleem: de sociale kwestie. In de 19e eeuw gingen ook regeringen zich ermee bemoeien. Sommigen vonden deze ingrijpen te ver gaan, over de mate van staatsinterventie warden de meningen zeer verdeelt. De arbeidsomstandigheden verbeterden wel: factory acts (kinderarbeid verboden).
3. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie
De industriële revolutie had gevolgen voor de Europese overheersing van de buiten-Europese wereld. Dit word modern imperialisme genoemd. In de 2e helft van de 19e eeuw werd Afrika verdeeld tussen Europese landen, en in Azië werden koloniën gevestigd. Kenmerkend was de inschakeling van industriële techniek die overzeese contacten gemakkelijker maakte en totale beheersing van grotere gebieden mogelijk maakte (door wegen, spoorlijnen, stoomschepen en telecommunicatie). Europeanen bleven niet meer in kleine vestigingen in kustgebieden, maar veroverden ook de binnenlanden, voor macht, aanzien, en grondstoffen en afzetgebied voor de industrie. Het nationalisme (liefde voor vaderland) speelde hierbij een stimulerende rol.
4. De opkomst van emancipatiebewegingen
Doordat in de 19e eeuw het kiesrecht was beperkt voor alleen rijke mannen, gaf de burgerij de toon aan in de samenleving, en had ‘’verlichte’’ liberale opvattingen. In de loop van de 19e eeuw streefden verschillende groepen in de samenleving (= verzuiling) naar gelijkheid:
* confessionelen: wouden ook dat streng gelovige opvattingen werden gerespecteerd, en niet alleen de liberale ruimdenkendheid, en daarom eigen scholen bouwen.
* arbeiders: wouden serieus genomen worden in hun streven naar herverdeling en bezit.
* vrouwen: wouden serieus genomen worden bij hun streven naar gelijkheid aan mannen.
Het streven naar gelijke rechten wordt emancipatie genoemd, en de beweging van de confessionelen, arbeiders en vrouwen heten daarom emancipatiebewegingen. Iedere groep organiseerde zich zo sterk mogelijk met een eigen vereniging, pers, vakbonden etc. Zo ontstonden er zuilen: protestants, katholiek, socialistisch en neutraal-liberaal met elk hun eigen organisaties.
5. Voorschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces
1848 was een revolutiejaar in Europa, het volk kwam in opstand tegen de vorst wat leidde tot de eerste grondwet (door Thorbecke): het parlement krijgt meer macht. In de tweede helft van de 19e eeuw werd het kiesrecht steeds verder uitgebreid. Hierdoor werd het aantal mensen betrokken bij de politiek, groter. Dit maakte het moeilijker om als kiezer je keuze te maken voor een bepaalde vertegenwoordiger. Daardoor ontstonden uit de politiek-maatschappelijke stromingen politieke partijen. Door op de vertegenwoordiger van een partij te stemmen wist de kiezer welke kant zijn stem op ging. Socialisten streefden naar algemeen kiesrecht, en feministen wouden algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen.
6. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme
Door de democratische revolutie was het volk een belangrijke factor in de politiek geworden. De vraag was nu hoe de invloed van het volk georganiseerd moest worden, en daarover ontstonden verschillende opvattingen:
* liberalen: vrijheid van het individu en de overheid zo min mogelijk actief.
* nationalisten: liefde voor je land, en streven naar een eigen staat. De eenheid van het volk was belangrijker dan de rechten van het individu. Dit was tevens een van de oorzaken van WO1.
* socialisten: veel gelijkheid en veel democratie, de overheid zo actief mogelijk om te helpen.
* confessionelen: het volk georganiseerd in geloofsgemeenschappen, zoals protestanten en katholieken.
* feministen: vrouwelijke emancipatiebeweging die streef naar gelijke rechten.
Omdat al deze stromingen verschillende gedachtes hadden ontstond in de 19e eeuw een politieke strijdt. Rond het midden van de eeuw slaagden de liberalen erin om in een aantal landen hun idealen te vergelijken, zoals met de grondwet van Thorbecke. Het nationalisme zorgde voor nieuwe nationale staten in de 2e helft van de eeuw zoals Duitsland en Italië.

Tijd van de wereldoorlogen, de 20e eeuw
van 1900 tot 1950

1. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie
Nadat in de 19e eeuw het aantal betrokkenen bij de politiek steeds meer was uitgebreid, werd in de 20e eeuw iedereen bij de politiek betrokken, vaak via het algemene kiesrecht. Om de massa voor zich te winnen, gebruikte politieke bewegingen propaganda: het verheerlijken van jezelf en/of het zwartmaken van de tegenstander. Moderne techniek bood daarvoor de mogelijkheden: elektrische versterker, film en radio maakten het mogelijk grote aantallen mensen te bereiken. Verschillende bewegingen streefden ernaar brede lagen van de bevolking van een gebied te mobiliseren: socialisten, communisten en fascisten. Iets wat veel verder ging was indoctrinatie: het systematisch en eenzijdig onderwijzen van aanvechtbare overtuigingen of opvattingen, met de bedoeling dat deze kritiekloos worden aanvaard.
2. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën: communisme en fascisme/nationaalsocialisme
Een totalitaire beweging is een staat waarin de overheid het leven van een burger beheerst en controleert. Het probeert het volk een beetje te hersenspoelen tot één soort denken. Wie daar tegen is, is vijand van het volk. Overal in een totalitaire samenleving zie je dan ook het symbool van ‘de beweging’: hamer en sikkel in de Sovjet Unie, en het hakenkruis is socialistisch Duitsland. Specifiek voor het nationaalsocialisme waren de rassenleer met een extreme Jodenhaat en het extreme nationalisme gericht op een veroveringsoorlog. Specifiek voor het communisme was de staatseconomie met vijfjarenplannen waaraan de gehele bevolking slaafs diende mee te werken, en het antigodsdienstige materialisme. Het fascisme was in oorsprong Italiaans, en staat voor verheerlijken van geweld, één leider, tegen alles wat niet bij hun hoorde en was nationalistisch. Hierdoor waren er ook totale oorlogen: een oorlog waarbij het hele land in dienst staat van de oorlog.
3. De crisis van het wereldkapitalisme
Door de industrialisatie van de 19e eeuw was een industrieel kapitalisme ontstaan. De industrie richtte zich op een steeds groeiende massaproductie. Duitsland had veel geleend, waardoor het Verdrag van Versailles werd opgesteld: Duitsland moest zijn schulden terugbetalen waardoor Duitsland in een economische crisis kwam. In de jaren ’20 leken de productie en de winsten onbeperkt te kunnen groeien. Steeds meer mensen belegden hun geld in aandelen in de hoop op grote winst. Maar er bleek een grens te zijn aan de mogelijkheden. De consumptie hield de productie niet bij en bedrijven moesten sluiten. Een beurscrisis veroorzaakte in 1929 een grote ineenstorting in de west-kapitalistische wereld met grote werkloosheid als gevolg. De uitzichtloosheid van de crisis dreef velen in de armen van totalitaire bewegingen, zoals in Duitsland dus het geval was.
4. Het voeren van twee wereldoorlogen
De eerste helft van de 20e eeuw kende twee grote oorlogen: WOI (1914-1918) en WOII (1939-1945).
WOI ontstond door een botsing van de grote landen in Europa. Dit kwam vooral door de nationalistische en imperialistische gevoelens van landen, en de bondgenootschappen. Duitsland, Turkije en Oostenrijk stonden tegenover Frankrijk, Engeland en Amerika, die er later bij kwam. De oorlog werd al een poos verwacht, maar de aanleiding was wanneer Frans Ferdinand werd vermoord. Von Schliefen (Duitsland) kwam met een plan om door België Frankrijk binnen te vallen, en dan snel terug gaan om tegen de Russen te strijden, die er 6 weken over zouden moeten doen om zich te mobiliseren. Dit mislukte: de Franse waren sterker en de Russen mobiliseerden sneller. De strijd werd vooral gestreden in loopgraven wat veel slachtoffers kostte. Frankrijk en Engeland wonnen uiteindelijk.
WOII ontstond door antisemitisme (Jodenhaat), het verdrag van Versailles waar Hitler zich niet meer aan wou houden, en de Lebensraum die de Duitsers volgens Hitler nodig hadden. De Duitse nationaalsocialisten wouden de vernedering van WOI wreken, en ze veroverden een groot deel van Europa. In die gebieden ontplooiden zij een niets ontziend antisemitisme, waardoor zes miljoen joden systematisch werden vermoord. Na jarenlange harde strijd verloren de nationaalsocialisten en werd het Duitse gebied aanzienlijk verkleind en verdeelt over twee staten: een kapitalistische en communistische staat.
5. Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden
Het Duitse nationaalsocialisme ging uit van biologische ongelijkheid tussen mensen. Sommigen ‘mensenrassen’ zouden superieur zijn, m.n. het Noordwest-Europese ‘Germaanse’ ras. Andere waren inferieur. Vooral de joden werden gezien als zeer minderwaardig en bedreigend. De nationaalsocialisten ontwikkelden een beleid dat gericht was op totale uitroeiing van alle joden. Daartoe werden joden geregistreerd en bijeengebracht, en vervolgens gedeporteerd naar doorvoer en vernietigingskampen. Daar werden ze systematisch vermoord in speciaal daarvoor gebouwde gaskamers met crematoria.
6. De Duitse bezetting van Nederland
Nederland wou, net als in WOI, neutraal blijven. Maar dit lukte niet. In het kader van een groot Duits offensief tegen West-Europa werd Nederland op 10 mei 1940 overrompeld en in vijf dagen verslagen. Daarna volgde een Duitse bezetting die duurde tot 5 mei 1945. De bezetters trachtten de Nederlandse bevolking op te nemen in een groot Germaans rijk door haar vriendelijk te bejegenen en via propaganda voor het nationaalsocialisme te winnen. Mensen hadden verschillende houdingen tegenover de bezetters: collaboratie (NSB), aanpassen of verzet. De Duitsers vonden dat als je niet in verzet kwam je ook moest meewerken aan een misdaad tegen de mensheid. Van de Nederlandse joden zijn de meeste in vernietigingskampen omgekomen.
7. Verwoesting op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering
De moderne bewapening als gevolg van de industrialisatie kon worden ontwikkeld, zorgde ervoor dat de wereldoorlogen verwoestender en dodelijker waren dan ooit. In de WOI zorgde dit voor massale slachting in de loopgraven. Vooral het inzetten van luchtbombardementen in deze oorlogen zorgde ervoor dat ook de bevolking in de oorlog betrokken raakten. De Duitsers zetten in het begin van de oorlos terreurbombardementen in op steden (Londen, Rotterdam, Warschau). In de 2e helft van de oorlog vernietigden de geallieerden systematisch de Duitse steden (Dresden). De massavernietiging werd compleet door de inzet van de atoombom in 1945, waardoor twee Japanse steden (Hiroshima en Nagasaki) door de Amerikanen geheel in de as worden gelegd.
8. Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme
In de periode tussen beide wereldoorlogen begon in sommige koloniale gebieden verzet tegen het Europese imperialisme, m.n. in India en Indonesië. Hierop was van invloed dat Europa tijdens WOI had laten zien dat ze niet zo beschaafd en onaantastbaar te zijn dan men dacht. Bovendien was het aan de macht komen van het communisme in de Sovjet-Unie van belang, wat voor een anti-westers anti-imperialisme zorgde, want volken moesten gelijk zijn. Het verzet tegen de Europese overheersers leidde tot het eind van WOII nog niet tot afhankelijkheid van de koloniale gebieden.

Tijd van televisie en computer, 20e eeuw
vanaf 1950

1. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog
De beide wereldoorlogen hadden de Europese staten zodanig verzwakt en uitgeput, dat voortaan de toon werd gezet door twee buiten-Europese grootmachten: de communistische Sovjet-Unie, en de kapitalistische VS. Vanuit het oosten en westen hadden deze twee Europa bevrijd van de nationaalsocialistische overheersing. Waar de Sovjet-Unie gevestigd was, was er het communisme. De VS zag dit als een bedreiging en was bang dat er weer een nieuwe totalitaire dictatuur kwam. Daarom stelden zij zich tegen het communisme, er volgde een zeer gespannen verhouding tussen twee blokken in de wereld. Er ontstond dus een wapenwedloop: beide landen gingen zich steeds meer bewapenen, om het machtsevenwicht te handhaven. De oorlog wordt koude oorlog genoemd, omdat men nooit met elkaar gevochten heeft d.m.v. atoomwapens. De angst voor wederzijds verzekerde totale vernietiging speelde daarbij een rol. Wel zorgde het voor kleine locale conflicten, zoals de Vietnam oorlog.
In 1949 viel Duitsland uiteen in twee republieken: de BRD in het westen, en de DDR in het oosten (Sovjet-Unie). De inwoners die in het Oostblok ontevreden waren over het gebrek van vrijheid, vluchtten naar West-Berlijn. Om de leegloop van de DDR te stoppen werd de Berlijnse Muur gebouwd.
2. De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld
Na afloop van WOII werden kolonialen gebieden onafhankelijk, het eerst in Azië (India/Pakistan/Indonesië). Daarbij speelde ook een rol dat Japan in WOII een groot deel van Oost-Azië had veroverd op de Europese overheersers. Zij slaagden er na de oorlos niet in hun koloniale gezag te herstellen. Groot-Brittannië was na de oorlos zodanig uitgeput, dat het Brits-Indië (India/Pakistan) moest laten gaan. In de jaren ’60 volgde de onafhankelijkheid van een groot aantal Afrikaanse koloniën. De oorzaken waarom landen onafhankelijk wouden worden waren vooral dat ze een beter zelfbeeld kregen, en meer betrokken bij het bestuur wouden zijn.
3. De eenwording van Europa
Om de vrede in Europa na twee vernietigende oorlogen te verzekeren en om iets te doen aan zijn zwakke positie t.o.v. de VS en de Sovjet-Unie, kozen een aantal Europese staten ervoor om voortaan hecht te gaan samenwerken. Vooral een samenwerking tussen Frankrijk en Duitsland met een wederzijdse economische afhankelijkheid, zou een oorlog in Europa zeer onwaarschijnlijk maken. Zo werd in 1957 de Europese Economische Gemeenschap (EEG) van zes landen opgericht. In de loop van de jaren ’70 en ’80 breidde deze zich uit met steeds meer lidstaten en vormde zich om tot Europese Unie. Na de val van het communisme in 1990 konden ook voormalige communistische Oost-Europese landen lid worden. In 1999 werd de Europese Monetaire Unie (EMU) gerealiseerd.
4. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen
Na de WOII ontwikkelden de westerse kapitalistische economieën zich zeer snel, dit kwam o.a. doordat men had geleerd van de crisis in de jaren ’30. De economieën werden tot op zekere hoogte geleide vrije markteconomieën, waardoor grote crises konden worden voorkomen. Het levenspeil in westerse landen steeg dan ook enorm in de jaren ’50. De afwezigheid van zorgen om het dagelijks bestaan gaf een gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid. De secularisatie (ontkerkelijking) nam toe, en onder de invloed van dit alles werden veel traditionele normen en waarden verlaten. Ook kwam er ontwikkeling van jeugdculturen als de nozems, hippies, provo’s en punkers.
5. De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenleving
De snelle groei van de economie in de westerse landen maakten het aantrekken van arbeidskrachten van elders noodzakelijk, omdat niet al het beschikbare werk door eigen volk gedaan kon worden. Er waren gastarbeiders nodig: Turken, Marokkanen en Italianen. Hierdoor ontstond een aanzienlijke islamitische bevolkingsgroep in het traditioneel christelijke werelddeel. Onder invloed van de snel groeiende welvaart werd de aantrekkingskracht van de rijke westerse landen op de rest van de wereld steeds groter, waardoor de migratie bleef aanhouden. In 1975 kwamen ook veel Surinamers, en later ook veel asielzoekers. Sommige landen spraken al van een multiculturele samenleving, en ook de pluriformiteit van de samenleving nam toe, waardoor zich een steeds grotere diversiteit aan leefpatronen en steeds meer individualisme ontwikkelden.


Tijd van monniken en ridders, vroege middeleeuwen
van 500 n.Chr. tot 1000 n.Chr.

1. De verspreiding van het christendom in geheel Europa
Het Romeinse Rijk was een christelijk rijk geworden, maar het werd overspoeld door Germanen, waardoor het Rijk viel. Het christendom werd hierdoor ook in verdediging gedrongen. Door de stichting van kloosters en de missionarissen die zich eerst op de stamhoofden richtte werd het geloof toch snel verspreidt.
2. Het ontstaan en de verspreiding van de islam
Mohammed stichtte een nieuwe monotheïstische godsdienst, de islam. Mohammed kreeg een openbaring van Allah, en schreef dit op in de Koran: hierdoor werden moslims aangespoord om de islam te verspreiden en kennis te verzamelen. Mohammed werd de profeet van Allah, maar hij en zijn volgelingen moesten in 622 vluchten uit Mekka. Hier begint de islamitische jaartelling. Onder de opvolgers van Mohammed werd de islam verder uitgebreid.
3. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid
Nadat het Romeinse Rijk was gevallen, ontbrak de basis voor het ontwikkelde stedelijk leven, en ging men over op de zelfvoorzienende landbouw. Er was nauwelijks ambacht en handel en iedereen produceerde wat hij zelf nodig had. De landbouwgrond was meestal in bezit van grootgrondbezitters, die hun eigendom organiseerden in landgoederen of domeinen (hoven). Hier ontwikkelde het hofstelsel zich: boeren waren in horigheid gebonden aan hun grond, in ruil voor het bewerken van het land van de heer gaf hij hun bescherming.
4. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur
Bestuur vanuit een centraal punt was niet meer mogelijk, de vorst werd afhankelijk van de trouw van allerlei lokale machthebbers. Hier werd het feodale stelsel ontwikkeld. Karel de Grote had in 800 zo’n groot rijk veroverd dat hij dit niet alleen kon besturen, en daarbij was hij afhankelijk van de steun van zijn soldaten. Karel de Grote begon een leenstelsel en bestuurde zijn rijk door te reizen van palts naar palts en beloonde zijn ridders met land. Karel leende grond uit aan een hertog en kreeg daar trouw voor terug. Wanneer de leenman stierf ging de grond weer terug naar de koning.

Tijd van steden en staten, late middeleeuwen
van 1000 tot 1500

1. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving
Door nieuwe technieken, uitvindingen en ontginning bracht de landbouw zo veel meer op dan vroeger, dat er weer ruimte ontstond voor handel en ambacht. Oude steden herleefden en nieuwe steden werden gesticht. Mensen gingen zich specialiseren en er kwamen ambachten en gilden. In de 12e eeuw gingen koningen zich bezig houden met het stichten van steden. Handel over grote afstanden werd steeds belangrijker, en handelaren organiseerden zich vaker in koopmansgilden en gingen samenwerken: de Hanze - stedenbond van Duitse, Baltische en later ook in de Lage Landen en Engelse handelssteden.
2. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
De handel en ambacht zorgden voor nieuwe regels, waardoor burgers en grootgrondbezitters of zij meer rechten en vrijheid konden krijgen dan de horige boeren. Die stadsrechten kregen ze, in ruil voor belasting. Steden wouden iets terug voor hun steun, en kregen daarom betere rechtspraak, meer veiligheid en de handel werd bevorderd. De steden krijgen langzamerhand hun eigen bestuur, en vaak zaten de rijke burgers (patriciërs) in dit bestuur.
3. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben
De middeleeuwse mensen in Europa waren ervan overtuigd dat alle macht van God kwam. Hij had twee plaatsvervangers aangesteld om macht uit te oefenen: de paus en de keizer. Maar wie had nu het hoogste gezag op aarde: de Investituurstrijd. Uiteindelijk kreeg de paus de macht over de kerkelijke zaken, en de keizer over de wereldlijke zaken. Zo raakte de twee machten steeds meer gescheiden van elkaar.
4. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van kruistochten
De christenen werden van alle kanten aangevallen, maar nu Europa steeds geordender en rijker werd, werden de rollen omgekeerd. De Islamieten hadden nog steeds het ‘’heilige land’’ Palestina. Er werden kruistochten georganiseerd. Paus Urbanus II had als redenen om een kruistocht te organiseren naar Palestina: christelijke pelgrims te beschermen die op bedevaart naar Jeruzalem waren, de kans dat de Byzantijnse kerk de paus weer zou erkennen als hoofd van de kerk, en een einde maken aan het geweld in Europa. Redenen voor kruisvaarders om te gaan: avontuur, je zonden worden vergeven, en macht en rijkdom. Alleen de 1e kruistocht werd een succes. Gevolgen van kruistochten: nieuwe handels contacten, Genna, Disa en Venetië profiteerden ervan, en kennis komt via de kruistochten in Europa terecht.
5. Het begin van staatsvorming en centralisatie
Door de herleving van de steden en het ontstaan van meer rijkdom, kregen de vorsten de kans zich te ontdoen van hun leenmannen. D.m.v. belastingen konden ze ambachten en soldaten inhuren, waardoor geordende staten konden worden opgebouwd met vaste belastingen en wetgeving. Om de belastingen te regelen waren goed geschoolde mensen nodig. De koning ging bij het besturen van het land steeds meer gebruikmaken van ambtenaren i.p.v. edellieden. De adel verloor langzamerhand zijn macht. Hier ontwikkelde zich centralisatie: het organiseren van het bestuur vanuit één punt, wat het begin was van staatsvorming: het ontstaan van een land.


Tijd van ontdekkers en hervormers, renaissance
van 1500 tot 1600

1. Het begin van de Europese overzeese expansie
De expansie van de christelijke wereld vond na het jaar 1000 niet alleen plaats in de vorm van kruistochten naar Palestina, maar ook in de vorm van verovering van het Arabische gebied in het huidige Spanje en Portugal. Deze ontdekkingsreizen waren mogelijk door nieuwe uitvindingen. Vanuit Portugal werd expansie in de 15e eeuw voortgezet -> Portugezen ontdekken een steeds groter deel van de Afrikaanse kust. Aan het eind van de 15e eeuw bereikten ze via het zuidpunt van Afrika ook Aziatisch gebied in het huidige India -> Vasco Da Gama als voorbeeld. Colombus ontdekte in 1492 Amerika, en daardoor werd de basis gelegd voor Europese overzeese expansie in de 16e eeuw. Spanjaarden en Portugezen speelden aanvankelijk de hoofdrol: Spanjaarden -> Amerikaanse continent, Portugezen -> Afrika en Azië. Nederlandse ontdekkingsreizigers waren Willem Barends en Abel Tasman.
2. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling
Renaissance is de herleving van de cultuur uit de Oudheid. Hierbij werd ook de wetenschappelijke denkwijze opnieuw toegepast: er werd kritisch bestudeerd op grond van eigen waarnemingen. Hierdoor ontwikkelde zich een nieuw wereldbeeld, mede dankzij de geografische ontdekkingen. De hele ontwikkeling van de renaissance zorgde ook voor een veranderd mensbeeld. Het leven op aarde werd door de rijken en ontwikkelden steeds meer als iets moois en waardevols gezien, mensen werden niet meer gezien als afhankelijke van God, maar als zelfstandige wezens die zelf veel konden.
3. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid
In de loop van de 14e en 15e eeuw begonnen de Italianen zich steeds meer opnieuw te oriënteren op de cultuur van de Oudheid. Romeinse geschriften werden intensief bestudeerd en kunstwerken nagevolgd.
Erasmus ontdekte dat er fouten waren gemaakt bij het overschrijven van de Bijbel uit 400. Hij schreef het Nieuwe Testament in 1516. Erasmus had veel kritiek op de katholieke kerk, maar hij wou niet dat het christendom uiteen zou vallen. De kritiek groeide en Maarten Luther publiceerde in 1517 95 stellingen waarop hij het katholicisme bekritiseerde: verkoop van aflaten, rijke geestelijken etc. Luther zorgde voor de start van de hervorming (reformatie).
4. De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had
De hernieuwde bestudering op geschriften uit de Oudheid veroorzaakte een nieuwe belangstelling voor de oorspronkelijke bijbel. De verering van heiligen en instanties waarvan men gebruik moest maken (priesters) om in contact met God te komen, kwamen niet direct uit de bijbel. De macht van de tussenpersoon tussen God en mens moest worden geschrapt en gelovigen moesten zelf in contact komen met God. Het moest een hervorming worden, maar werd uiteindelijk een splitsing van de christelijke kerk: het rooms-katholieke en het protestantisme. Kenmerken van het protestantisme is het streven naar eenvoud en het niet erkennen van tussenpersonen. De Reformatie leidde tot een katholieke tegenactie: de contrareformatie, er kwam kritiek op hervormers, betere opleidingen voor geestelijken en een nieuw celibaat.
5. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in stichting van een Nederlandse staat
In de 14e en 15e eeuw werden Nederland, België en Luxemburg samen de Nederlanden, door een proces van staatsvorming en centralisatie. Vorst Filips II, zette de centralisatie met kracht voort. Er ontstond een conflict of de gewesten d.m.v. ‘moderne’ centralisatie moesten worden bestuurd, of door particularisme: het behoud van middeleeuwse voorrechten. Het conflict wat ontstaan door de kerkhervorming koos Filips II voor de kant van de katholieken, en de aanhangers van het protestantisme werden in zijn gebieden streng vervolgd. Margaretha mocht als landvoogdes de Nederlanden leiden, en door Margaretha’s softe aanpak, gingen hervormers hagenpreken opdragen aan aanhangers van de Reformatie -> Beeldenstorm. Aanstichters van de Beeldenstorm werden veroordeeld. Het beleid van Filips II zorgde voor opstanden, o.l.v. Willem van Oranje verzetten zij zich tegen de vervolgingen.

Tijd van regenten en vorsten, Gouden eeuw
van 1600 tot 1700

1. Het streven van vorsten naar absolute macht
Door het feodalisme en de opkomst van de steden met vrije burgerij hadden de vorsten last van beperkingen van hun macht door adel en burgers. Doordat het proces van staatsvorming en centralisatie er was gekomen, streefden een aantal vorsten naar absolute (onbeperkte) macht zonder regels. Vorsten vonden dat God hun in die positie had geplaatst en dat daarom iedereen hun moest gehoorzamen. Om dit in praktijk te brengen moesten ze de macht van de adel en de voorrechten van vrije staten terugdringen.
2. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloeit in economische en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek
De opstand in de Nederlanden slaagde waardoor de vorst geen absolute macht meer had. De middeleeuwse rechten en vrijheden van edelen en steden bleven in stand. Nederland was hierin uitzonderlijk, het was een Republiek, had in de Gouden eeuw een goeie positie en er was gewetensvrijheid (tolerantie). De stedelijke burgerij had de macht in handen, en niet de vorst. Steden waren allemaal onafhankelijke stadstaten, maar wanneer er gezamenlijk dingen moesten gebeuren kwam iedereen samen in de Staten-Generaal. De 17e eeuw werd de Gouden eeuw genoemd omdat Nederland rijk was en veel handel had. Door de rijkdom was er ook veel aandacht voor kunsten en wetenschappen.
3. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie
Door de Europese expansie waren er veel handelscontacten ontstaan. De zeereizen waren echter wel gevaarlijk en kostbaar. Daarom gingen kooplieden steeds vaker samenwerken in compagnieën, ze legden geld bij elkaar en zetten samen een grote onderneming op. Hiermee ontstond ook het handelskapitalisme: mensen die niks met de compagnie hadden te maken, gingen hierin investeren in de hoop een deel van de winst te ontvangen later. Bekende compagnieën zijn: de VOC (1602 - Azië) en de WIC (1621 - Afrika/Amerika). Door al deze handelsrelaties ontstond een samenhangende economie op wereldschaal. De driehoekshandel ontstond, en producten raakten over de hele wereld verspreidt.
4. De wetenschappelijke revolutie
De renaissance leidde in de vroegmoderne tijd zorgde voor een golf van nieuwe ontdekkingen, vooral in de 17e eeuw. Nieuw was op basis van eigen waarnemingen en experimenten ontdekkingen doen, en het doen van waarnemingen in de natuur was de basis van de nieuwe ontwikkelingen. Ook werd de telescoop, microscoop, zwaartekracht (Newton) en slingeruurwerk ontwikkeld. Omdat oude theorieën vaak niet klopte, leidde dit tot een nieuwe kritische houding. Het was beter om te vertrouwen op eigen observaties en redeneringen dan op het gezag van oude theorieën.

Tijd van pruiken en revoluties, de verlichting
van 1700 tot 1800

1. Rationeel optimisme en verlicht denken werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
Door de wetenschappelijke revolutie nam het vertrouwen in het menselijk verstand toe. Door scherp en rationeel te redeneren kon nieuwe waarheid worden ontdekt. Door humanisme ging men kritisch kijken naar oude teksten (15e eeuw), en in de 18e eeuw leidde dit tot groot optimisme. Men verwachtte dat er een betere wereld zou komen als zoveel mogelijk mensen op allerlei terreinen van het leven zo rationeel mogelijk zouden denken en handelen. Dit zou leiden tot verlicht denken: men komt tot de juiste conclusies zonder bijgeloof en vooroordelen, is ruimdenkend en verdraagzaam. Eigen observatie, zelf experimenteren en logisch redeneren waren hierbij belangrijk. Ze paste het verlicht denken toe op: religie, politiek, en de economie. Het verlichte denken ontstond in Nederland en Engeland, en werd ontzettend populair in Frankrijk.
2. Voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
Tegen de achtergrond van het verlichte denken over politiek was het bestaande absolutisme niet meer toepasselijk. Het werd steeds meer gezien als een oud regeerstelsel (ancien regime), dat aan vernieuwing toe was. Veel absolute vorsten slaagden er in tot aan het eind van de 18e eeuw hun macht te behouden, maar sommigen probeerden toch wel verlicht denken toe te passen in hun regering: godsdienstige vrijheid en gelijke behandeling. Deze vorsten werden verlichte despoten genoemd, maar alle macht lag nog wel bij de koning. Verlicht absolutisme was er dan nog niet: het volk had geen inspraak.
3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme
In de 18e eeuw werd de Europese overzeese expansie verder uitgebreid. Er werden veel plantagekoloniën gesticht: hier werd op grote schaal één product gewonnen. Veel plantages werden geëxploiteerd met behulp van slavenarbeid. Sterke, Afrikaanse slaven werden verhandeld aan de Europeanen en werden naar Amerika vervoerd. In de tweede helft van deze eeuw ontstond er, mede door het verlichte denken, het abolitionisme: streven naar afschaffing van de slavernij. Dit begon in de 19e eeuw.
4. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrecht en staatsburgerschap
Aan het einde van de 18e eeuw ontstonden in Europa en Noord-Amerika (mede door verlicht denken) over de politiek en samenleving revoluties, met als doel het beëindigen van het ancien regime en het vestigen van een staat met uitgebreide burgerrechten: democratische grondrecht. Hieronder behoorden bepaalde vrijheden. De vrijheid van godsdienst werd bevestigd door het scheiden van de kerk en staat. Burgers wouden ook meer politieke rechten: stemrecht, de mensen die dit hadden waren staatsburger. Dit staatsburgerschap werd toegekend aan de rijkste laag van de mannelijke burgerij.
De eerste democratische revolutie was in Noord-Amerika (1776), waardoor ze onafhankelijk van Engeland werden. Daarna volgde de Franse revolutie (1789), veel klachten kwamen uit de 3e stand, en ze riepen zichzelf uit tot een Nationale Vergadering: de burgers wouden een nieuwe grondwet, dit was het begin van de franse revolutie. In Nederland was er de Bataafse revolutie (1795): het koninkrijk van Holland was van 1806-1810 in handen van Napoleon, waardoor er nieuwe wetten van Napoleon kwamen. In 1813 kwam er een opstand tegen Napoleon.

Tijd van burgers en stoommachines, industrialisatie
van 1800 tot 1900

1. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving
Tegelijkertijd met de politieke democratische revolutie aan het eind van de 18e eeuw speelde zich rond 1750 in Engeland een ingrijpende economische omwenteling af. De industriële revolutie was de overgang van een agrarisch-urbane naar een industriële samenleving, gepaard met invoering van grootschalige productie, gebruik van onnatuurlijke grondstoffen en verstedelijking. Het begon allemaal met de textielsector, en daarbij kwamen machines als de spinning Jenny, het waterframe en stoommachines. In een industriële samenleving is de industriële productie het overheersende middel van bestaan, wat er voor zorgt dat minde mensen in de landbouw werken. De meerderheid van de bevolking woont dan ook in de steden. De industriële revolutie begon in 1850 in Nederland, en vanaf 1800 ook in de rest van Europa. Het zorgde ook voor de wet van de remmende oorsprong: als je ergens het 1e mee bent is dit vaak een nadeel omdat het makkelijk gekopieerd kan worden.
2. Discussies over de sociale kwestie
Als gevolg van de industrialisatie kregen West-Europese landen te maken te maatschappelijke problemen:
* explosieve groei van steden: woningnood, risico uitbraak besmettelijke ziektes.
* fabrieksarbeiders die te lang, gevaarlijk, ongezond en eentonig werken.
* kinderarbeid.
* slechte relaties tussen fabrikanten en arbeiders: klassenbewustzijn, politieke vormen over tegenstellingen.
Deze problemen begonnen steeds meer op te vallen en werden een grotere bedreiging voor de volksgezondheid en veiligheid. De burgerij ging deze problemen beschouwen als een maatschappelijk en politiek probleem: de sociale kwestie. In de 19e eeuw gingen ook regeringen zich ermee bemoeien. Sommigen vonden deze ingrijpen te ver gaan, over de mate van staatsinterventie warden de meningen zeer verdeelt. De arbeidsomstandigheden verbeterden wel: factory acts (kinderarbeid verboden).
3. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie
De industriële revolutie had gevolgen voor de Europese overheersing van de buiten-Europese wereld. Dit word modern imperialisme genoemd. In de 2e helft van de 19e eeuw werd Afrika verdeeld tussen Europese landen, en in Azië werden koloniën gevestigd. Kenmerkend was de inschakeling van industriële techniek die overzeese contacten gemakkelijker maakte en totale beheersing van grotere gebieden mogelijk maakte (door wegen, spoorlijnen, stoomschepen en telecommunicatie). Europeanen bleven niet meer in kleine vestigingen in kustgebieden, maar veroverden ook de binnenlanden, voor macht, aanzien, en grondstoffen en afzetgebied voor de industrie. Het nationalisme (liefde voor vaderland) speelde hierbij een stimulerende rol.
4. De opkomst van emancipatiebewegingen
Doordat in de 19e eeuw het kiesrecht was beperkt voor alleen rijke mannen, gaf de burgerij de toon aan in de samenleving, en had ‘’verlichte’’ liberale opvattingen. In de loop van de 19e eeuw streefden verschillende groepen in de samenleving (= verzuiling) naar gelijkheid:
* confessionelen: wouden ook dat streng gelovige opvattingen werden gerespecteerd, en niet alleen de liberale ruimdenkendheid, en daarom eigen scholen bouwen.
* arbeiders: wouden serieus genomen worden in hun streven naar herverdeling en bezit.
* vrouwen: wouden serieus genomen worden bij hun streven naar gelijkheid aan mannen.
Het streven naar gelijke rechten wordt emancipatie genoemd, en de beweging van de confessionelen, arbeiders en vrouwen heten daarom emancipatiebewegingen. Iedere groep organiseerde zich zo sterk mogelijk met een eigen vereniging, pers, vakbonden etc. Zo ontstonden er zuilen: protestants, katholiek, socialistisch en neutraal-liberaal met elk hun eigen organisaties.
5. Voorschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces
1848 was een revolutiejaar in Europa, het volk kwam in opstand tegen de vorst wat leidde tot de eerste grondwet (door Thorbecke): het parlement krijgt meer macht. In de tweede helft van de 19e eeuw werd het kiesrecht steeds verder uitgebreid. Hierdoor werd het aantal mensen betrokken bij de politiek, groter. Dit maakte het moeilijker om als kiezer je keuze te maken voor een bepaalde vertegenwoordiger. Daardoor ontstonden uit de politiek-maatschappelijke stromingen politieke partijen. Door op de vertegenwoordiger van een partij te stemmen wist de kiezer welke kant zijn stem op ging. Socialisten streefden naar algemeen kiesrecht, en feministen wouden algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen.
6. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme
Door de democratische revolutie was het volk een belangrijke factor in de politiek geworden. De vraag was nu hoe de invloed van het volk georganiseerd moest worden, en daarover ontstonden verschillende opvattingen:
* liberalen: vrijheid van het individu en de overheid zo min mogelijk actief.
* nationalisten: liefde voor je land, en streven naar een eigen staat. De eenheid van het volk was belangrijker dan de rechten van het individu. Dit was tevens een van de oorzaken van WO1.
* socialisten: veel gelijkheid en veel democratie, de overheid zo actief mogelijk om te helpen.
* confessionelen: het volk georganiseerd in geloofsgemeenschappen, zoals protestanten en katholieken.
* feministen: vrouwelijke emancipatiebeweging die streef naar gelijke rechten.
Omdat al deze stromingen verschillende gedachtes hadden ontstond in de 19e eeuw een politieke strijdt. Rond het midden van de eeuw slaagden de liberalen erin om in een aantal landen hun idealen te vergelijken, zoals met de grondwet van Thorbecke. Het nationalisme zorgde voor nieuwe nationale staten in de 2e helft van de eeuw zoals Duitsland en Italië.

Tijd van de wereldoorlogen, de 20e eeuw
van 1900 tot 1950

1. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie
Nadat in de 19e eeuw het aantal betrokkenen bij de politiek steeds meer was uitgebreid, werd in de 20e eeuw iedereen bij de politiek betrokken, vaak via het algemene kiesrecht. Om de massa voor zich te winnen, gebruikte politieke bewegingen propaganda: het verheerlijken van jezelf en/of het zwartmaken van de tegenstander. Moderne techniek bood daarvoor de mogelijkheden: elektrische versterker, film en radio maakten het mogelijk grote aantallen mensen te bereiken. Verschillende bewegingen streefden ernaar brede lagen van de bevolking van een gebied te mobiliseren: socialisten, communisten en fascisten. Iets wat veel verder ging was indoctrinatie: het systematisch en eenzijdig onderwijzen van aanvechtbare overtuigingen of opvattingen, met de bedoeling dat deze kritiekloos worden aanvaard.
2. Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën: communisme en fascisme/nationaalsocialisme
Een totalitaire beweging is een staat waarin de overheid het leven van een burger beheerst en controleert. Het probeert het volk een beetje te hersenspoelen tot één soort denken. Wie daar tegen is, is vijand van het volk. Overal in een totalitaire samenleving zie je dan ook het symbool van ‘de beweging’: hamer en sikkel in de Sovjet Unie, en het hakenkruis is socialistisch Duitsland. Specifiek voor het nationaalsocialisme waren de rassenleer met een extreme Jodenhaat en het extreme nationalisme gericht op een veroveringsoorlog. Specifiek voor het communisme was de staatseconomie met vijfjarenplannen waaraan de gehele bevolking slaafs diende mee te werken, en het antigodsdienstige materialisme. Het fascisme was in oorsprong Italiaans, en staat voor verheerlijken van geweld, één leider, tegen alles wat niet bij hun hoorde en was nationalistisch. Hierdoor waren er ook totale oorlogen: een oorlog waarbij het hele land in dienst staat van de oorlog.
3. De crisis van het wereldkapitalisme
Door de industrialisatie van de 19e eeuw was een industrieel kapitalisme ontstaan. De industrie richtte zich op een steeds groeiende massaproductie. Duitsland had veel geleend, waardoor het Verdrag van Versailles werd opgesteld: Duitsland moest zijn schulden terugbetalen waardoor Duitsland in een economische crisis kwam. In de jaren ’20 leken de productie en de winsten onbeperkt te kunnen groeien. Steeds meer mensen belegden hun geld in aandelen in de hoop op grote winst. Maar er bleek een grens te zijn aan de mogelijkheden. De consumptie hield de productie niet bij en bedrijven moesten sluiten. Een beurscrisis veroorzaakte in 1929 een grote ineenstorting in de west-kapitalistische wereld met grote werkloosheid als gevolg. De uitzichtloosheid van de crisis dreef velen in de armen van totalitaire bewegingen, zoals in Duitsland dus het geval was.
4. Het voeren van twee wereldoorlogen
De eerste helft van de 20e eeuw kende twee grote oorlogen: WOI (1914-1918) en WOII (1939-1945).
WOI ontstond door een botsing van de grote landen in Europa. Dit kwam vooral door de nationalistische en imperialistische gevoelens van landen, en de bondgenootschappen. Duitsland, Turkije en Oostenrijk stonden tegenover Frankrijk, Engeland en Amerika, die er later bij kwam. De oorlog werd al een poos verwacht, maar de aanleiding was wanneer Frans Ferdinand werd vermoord. Von Schliefen (Duitsland) kwam met een plan om door België Frankrijk binnen te vallen, en dan snel terug gaan om tegen de Russen te strijden, die er 6 weken over zouden moeten doen om zich te mobiliseren. Dit mislukte: de Franse waren sterker en de Russen mobiliseerden sneller. De strijd werd vooral gestreden in loopgraven wat veel slachtoffers kostte. Frankrijk en Engeland wonnen uiteindelijk.
WOII ontstond door antisemitisme (Jodenhaat), het verdrag van Versailles waar Hitler zich niet meer aan wou houden, en de Lebensraum die de Duitsers volgens Hitler nodig hadden. De Duitse nationaalsocialisten wouden de vernedering van WOI wreken, en ze veroverden een groot deel van Europa. In die gebieden ontplooiden zij een niets ontziend antisemitisme, waardoor zes miljoen joden systematisch werden vermoord. Na jarenlange harde strijd verloren de nationaalsocialisten en werd het Duitse gebied aanzienlijk verkleind en verdeelt over twee staten: een kapitalistische en communistische staat.
5. Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden
Het Duitse nationaalsocialisme ging uit van biologische ongelijkheid tussen mensen. Sommigen ‘mensenrassen’ zouden superieur zijn, m.n. het Noordwest-Europese ‘Germaanse’ ras. Andere waren inferieur. Vooral de joden werden gezien als zeer minderwaardig en bedreigend. De nationaalsocialisten ontwikkelden een beleid dat gericht was op totale uitroeiing van alle joden. Daartoe werden joden geregistreerd en bijeengebracht, en vervolgens gedeporteerd naar doorvoer en vernietigingskampen. Daar werden ze systematisch vermoord in speciaal daarvoor gebouwde gaskamers met crematoria.
6. De Duitse bezetting van Nederland
Nederland wou, net als in WOI, neutraal blijven. Maar dit lukte niet. In het kader van een groot Duits offensief tegen West-Europa werd Nederland op 10 mei 1940 overrompeld en in vijf dagen verslagen. Daarna volgde een Duitse bezetting die duurde tot 5 mei 1945. De bezetters trachtten de Nederlandse bevolking op te nemen in een groot Germaans rijk door haar vriendelijk te bejegenen en via propaganda voor het nationaalsocialisme te winnen. Mensen hadden verschillende houdingen tegenover de bezetters: collaboratie (NSB), aanpassen of verzet. De Duitsers vonden dat als je niet in verzet kwam je ook moest meewerken aan een misdaad tegen de mensheid. Van de Nederlandse joden zijn de meeste in vernietigingskampen omgekomen.
7. Verwoesting op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering
De moderne bewapening als gevolg van de industrialisatie kon worden ontwikkeld, zorgde ervoor dat de wereldoorlogen verwoestender en dodelijker waren dan ooit. In de WOI zorgde dit voor massale slachting in de loopgraven. Vooral het inzetten van luchtbombardementen in deze oorlogen zorgde ervoor dat ook de bevolking in de oorlog betrokken raakten. De Duitsers zetten in het begin van de oorlos terreurbombardementen in op steden (Londen, Rotterdam, Warschau). In de 2e helft van de oorlog vernietigden de geallieerden systematisch de Duitse steden (Dresden). De massavernietiging werd compleet door de inzet van de atoombom in 1945, waardoor twee Japanse steden (Hiroshima en Nagasaki) door de Amerikanen geheel in de as worden gelegd.
8. Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme
In de periode tussen beide wereldoorlogen begon in sommige koloniale gebieden verzet tegen het Europese imperialisme, m.n. in India en Indonesië. Hierop was van invloed dat Europa tijdens WOI had laten zien dat ze niet zo beschaafd en onaantastbaar te zijn dan men dacht. Bovendien was het aan de macht komen van het communisme in de Sovjet-Unie van belang, wat voor een anti-westers anti-imperialisme zorgde, want volken moesten gelijk zijn. Het verzet tegen de Europese overheersers leidde tot het eind van WOII nog niet tot afhankelijkheid van de koloniale gebieden.

Tijd van televisie en computer, 20e eeuw
vanaf 1950

1. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog
De beide wereldoorlogen hadden de Europese staten zodanig verzwakt en uitgeput, dat voortaan de toon werd gezet door twee buiten-Europese grootmachten: de communistische Sovjet-Unie, en de kapitalistische VS. Vanuit het oosten en westen hadden deze twee Europa bevrijd van de nationaalsocialistische overheersing. Waar de Sovjet-Unie gevestigd was, was er het communisme. De VS zag dit als een bedreiging en was bang dat er weer een nieuwe totalitaire dictatuur kwam. Daarom stelden zij zich tegen het communisme, er volgde een zeer gespannen verhouding tussen twee blokken in de wereld. Er ontstond dus een wapenwedloop: beide landen gingen zich steeds meer bewapenen, om het machtsevenwicht te handhaven. De oorlog wordt koude oorlog genoemd, omdat men nooit met elkaar gevochten heeft d.m.v. atoomwapens. De angst voor wederzijds verzekerde totale vernietiging speelde daarbij een rol. Wel zorgde het voor kleine locale conflicten, zoals de Vietnam oorlog.
In 1949 viel Duitsland uiteen in twee republieken: de BRD in het westen, en de DDR in het oosten (Sovjet-Unie). De inwoners die in het Oostblok ontevreden waren over het gebrek van vrijheid, vluchtten naar West-Berlijn. Om de leegloop van de DDR te stoppen werd de Berlijnse Muur gebouwd.
2. De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld
Na afloop van WOII werden kolonialen gebieden onafhankelijk, het eerst in Azië (India/Pakistan/Indonesië). Daarbij speelde ook een rol dat Japan in WOII een groot deel van Oost-Azië had veroverd op de Europese overheersers. Zij slaagden er na de oorlos niet in hun koloniale gezag te herstellen. Groot-Brittannië was na de oorlos zodanig uitgeput, dat het Brits-Indië (India/Pakistan) moest laten gaan. In de jaren ’60 volgde de onafhankelijkheid van een groot aantal Afrikaanse koloniën. De oorzaken waarom landen onafhankelijk wouden worden waren vooral dat ze een beter zelfbeeld kregen, en meer betrokken bij het bestuur wouden zijn.
3. De eenwording van Europa
Om de vrede in Europa na twee vernietigende oorlogen te verzekeren en om iets te doen aan zijn zwakke positie t.o.v. de VS en de Sovjet-Unie, kozen een aantal Europese staten ervoor om voortaan hecht te gaan samenwerken. Vooral een samenwerking tussen Frankrijk en Duitsland met een wederzijdse economische afhankelijkheid, zou een oorlog in Europa zeer onwaarschijnlijk maken. Zo werd in 1957 de Europese Economische Gemeenschap (EEG) van zes landen opgericht. In de loop van de jaren ’70 en ’80 breidde deze zich uit met steeds meer lidstaten en vormde zich om tot Europese Unie. Na de val van het communisme in 1990 konden ook voormalige communistische Oost-Europese landen lid worden. In 1999 werd de Europese Monetaire Unie (EMU) gerealiseerd.
4. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen
Na de WOII ontwikkelden de westerse kapitalistische economieën zich zeer snel, dit kwam o.a. doordat men had geleerd van de crisis in de jaren ’30. De economieën werden tot op zekere hoogte geleide vrije markteconomieën, waardoor grote crises konden worden voorkomen. Het levenspeil in westerse landen steeg dan ook enorm in de jaren ’50. De afwezigheid van zorgen om het dagelijks bestaan gaf een gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid. De secularisatie (ontkerkelijking) nam toe, en onder de invloed van dit alles werden veel traditionele normen en waarden verlaten. Ook kwam er ontwikkeling van jeugdculturen als de nozems, hippies, provo’s en punkers.
5. De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenleving
De snelle groei van de economie in de westerse landen maakten het aantrekken van arbeidskrachten van elders noodzakelijk, omdat niet al het beschikbare werk door eigen volk gedaan kon worden. Er waren gastarbeiders nodig: Turken, Marokkanen en Italianen. Hierdoor ontstond een aanzienlijke islamitische bevolkingsgroep in het traditioneel christelijke werelddeel. Onder invloed van de snel groeiende welvaart werd de aantrekkingskracht van de rijke westerse landen op de rest van de wereld steeds groter, waardoor de migratie bleef aanhouden. In 1975 kwamen ook veel Surinamers, en later ook veel asielzoekers. Sommige landen spraken al van een multiculturele samenleving, en ook de pluriformiteit van de samenleving nam toe, waardoor zich een steeds grotere diversiteit aan leefpatronen en steeds meer individualisme ontwikkelden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.