Indonesië

Beoordeling 4.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 4506 woorden
  • 10 mei 2002
  • 49 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.9
  • 49 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
De Indonesische archipel bestaat ui 13.000 eilanden, bijna even groot als Europa.
Ruim de helft van de bevolking van Indonesië woonde op Java (3 miljoen)
Vier grote eilanden; Sumatra, Nieuw- Guinea ( westelijk Indonesisch gedeelte Irian Jaya), Borneo ( nu Kalimantan), Celebes (nu Sulawesi). Er was geen centraal bestuur, wel kleine koninkrijken. Op Nieuw Guinea, Borneo en Sumatra veel primitieve samenlevingen, en op Java veel agrarische bewerkingen. In de kuststeden waren handel en scheepvaart de middelen van bestaan. Bij de handel met Azië ontstonden er uitwisselingen plaats van godsdiensten en ideeën. Bali bleef Hindoeïstisch en de andere eilanden islamitisch. In de binnenlanden, nog natuurgodsdiensten. De Nederlanders probeerden later het Christendom te verspreiden, maar dit lukte niet erg, het was ook geen prioriteit van de Nederlanders.
1814; Koninkrijk der Nederlanden

1922; Indonesië ( gebruikt door Indonesische studenten in Nederland
17 Augustus 1945; Republiek Indonesië
1949; Nederlands- Indië

In 1510 bereikte de Portugezen de Indonesische archipel
De eerste Nederlandse expeditie werd ondernomen door Cornelis de Houtman en Pieter Dirksz. de Keyser in april 1595. Ze bereikte pas na 14 mnd. Bantam in Juni 1596. de’ Eerste Schipvaert’. Er waren veel problemen; zoals scheurbuik.
De Nederlanders hadden wel hun eigen weg naar Indonesië.
Willem Barentsz probeerde Azië te bereiken via de Noordpool, bij schipbreuk op de Noordpool hebben ze van aangespoeld hout het ‘Behouden Huys’ gemaakt om te overleven tegen kou en beren. Op de terugweg overleed Barentsz.
De zogenaamde voorcompagnieën uit o.a. Amsterdam en Zeeland, beconcurreerde elkaar, hierdoor gingen de inkoopprijzen omhoog en de winst daalde. Toen werd in 1602 de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) opgericht, met in eerste instantie een handelsfunctie, die winst zou moeten maken. Ze kregen van de Staten-Generaal, het hoogste bestuur in Nederland, het alleenrecht op de handel ten oosten van de Kaap de goede hoop. Ook mochten zij zelfstandig verdragen sluiten met vorsten, forten bouwen, oorlog voeren en gebieden besturen die zij veroveren. Dit leidde tot de basis van het koloniale rijk.

Rond 1625 was VOC uitgegroeid tot ’s werelds grootste handelsonderneming: met alleen toegang tot specerijen gebieden in de Molukken, pepergebieden in Bantam en Atjeh. Om dit te behouden werden Herendiensten verricht, overtollige kruidnagelbomen vernietigd, dit leidde tot oorlogen. Het succes op de Molukken was te danken aan het feit dat de specerijen (kruidnagelen, nootmuskaat en foelie) in een klein gebied voorkwamen. Andere voorbeelden van herendiensten; aanleg spoorwegen, bruggen.
Maar nog niet de hele archipel(behalve op de Molukken). In de 17e eeuw was de macht geconcentreerd op de Molukken met kruidnagelmonopolie. En in de 18e eeuw op de koffie en suikerplantages op Java. En de kaneel op Ceylon, Javaanse koffie en Indiaas textiel, Chinese thee.
In 1609 werd een gouverneur-generaal aangesteld, die de totale handel in Azië ging regelen, dit werd Jan Pieterszoon Coen.
Eerst lag het bestuurscentrum van de VOC op de Molukken, Ambon. Maar Jan Pietersz Coen verplaatste het naar Jacatra op Java, vanwege de centrale ligging. Jacatra werd Batavia genoemd in 1619. Om gevaren van buiten af tegen te houden bouwden ze een vesting van Batavia. Op Java woonden niet zo veel Europeanen, het overgrote deel van de bevolking was Chinees. Vooral op Java waren de directe contacten met de bevolking gering. De leveringen van voedsel en goederen liepen via vorsten (contingentenstelsel).
De Nederlandse mannen gingen relaties aan met Indonesische vrouwen in huwelijk of concubinaat, een wederzijdse Europees-Aziatische culturele beïnvloeding vindt plaats.De contracten die de VOC sloot met de inheemse vorsten en dorpshoofden waren voor onbepaalde tijd, maar voor de inheems vorsten waren het tijdelijke contracten tot politieke of economische veranderingen het anders lieten gebeuren.
In de Molukken -> alleen recht op aankoop specerijen voor militaire steun.
De macht op Java werd geleidelijk aan over genomen van de vorsten door de VOC. En de handel verbrede naar de inter-Aziatische markt. De VOC stichtten factorijen (handelsposten) op.
Het afdwingen en in stand houden van het monopolie leidde in een aantal gevallen tot gewelddadige conflicten. Zo werd een Nederlands schip in een hinderlaag gelokt en uitgeroeid door bewoners van de Banda-eilanden. En dertig jaar later neemt Coen wraak en laat 44 hoofdmannen vermoorden en de bevolking als slaaf weggevoerd. Het ontvolkte land werd uitgeleend aan VOC dienaren. Perkeniers; planters van nootmuskaatbomen, met hun eigen slaven.
Ondanks het succes van de VOC werd het bestuur gewantrouwd, door corruptie, gebrek aan kapitaal en de toenemende concurrentie van Engeland.
In 1783 moest de compagnie aan kloppen bij de Staten-Generaal voor hulp en in 1799 werd de VOC definitief opgeheven. De Nederlandse staat nam de bezittingen en schulden over. Vanaf toen was de Nederlandse staat verantwoordelijk voor het bestuur van de kolonie.

In 1792 was de Franse Revolutie in Europa en was bijna heel europa in oorlog. Frankrijks vijand Engeland namen stuk voor stuk de Nederlandse koloniën in, zodat Frankrijk niet in het bezit zou zijn van die koloniën. Na de nederlaag van Napoleon hielp Engeland Nederland weer op de been te komen, en kreeg Nederland het Indonesische archipel weer terug.
Prins Willem van oranje werd de eerste koning van het koninkrijk der Nederlanden.
Men wilden vervolgens de zware lasten van de Javaanse boeren afnemen. De gratis herendiensten weren aan de kant gezet en de boeren kwamen in dienst van Nederland, ze hoefde alleen nog maar belasting te betalen. Het heetten nog wel herendiensten, boven op die herendiensten kwam de Landrente (belasting over rijstoogst) die het voor de boeren enkel moeilijker maakte ipv makkelijker. -> meer opstanden; de opstand van Prins Dipo Negoro, diepgelovige moslim met veel aanhangers. Na nederlagen van Nederland en Javanen kwam overgave van de prins Negoro. Het werd de Java-oorlog genoemd (1825-1830)

In 1828 Johannes van den Bosch werd gouverneur-generaal. Indonesië moest een wingewest worden van Nederland, opvullen van Nederlandse schatkist.
Cultuurstelsel: Javaanse bevolking werd gedwongen koffie, suiker en andere exportgewassen te produceren. De opbrengsten daarvan waren voor de Nederlandse schatkist. Men wilden geen geld, maar landbouwproducten voor de export. (Cultures; tropische exportgewassen)
Om dit te verwezenlijken werden inheemse bestuurders ingezet, regenten en dorpshoofden kregen hun gezag terug. Zij kregen deel van de opbrengst; cultuurprocenten
De Nederlandse Handel Maatschappij (huidige ABN-amro) kreeg de cultuurproducten ‘in consignatie’; monopolie om de tropische producten naar Nederland te vervoeren en te veilen.
Het verschil met deze werkwijze en die van de VOC; de Nederlandse economische en politieke macht was sterk toegenomen. Javanen dagelijks bestuur, Nederlanders de baas.
De opbrengsten van het cultuurstelsel dat in Nederland werd verkocht en in de schatkist van Nederland kwam; Batig slot. Met dit batig slot werd de aanleg van het Nederlandse spoorwegennet en de bouw van bruggen bekostigd. Cultuurstelsel leidde door succes tot opvolging bij meerdere
Het aantal dagen dat de boeren moesten werken aan verplichte arbeid lag vast, maar werd niet altijd opgevolgd (66 dagen per jaar). De opbrengst voor de boeren was plantloon.
Door de werkdruk van de herendiensten, konden de boeren hun eigen sawa’s niet het hele jaar bewerken en de suikercultuur putte de grond uit, het vereiste te veel water -> niet genoeg om hoofdproduct rijst te verbouwen.
In de periode 1845-1850 werd Java getroffen door hongersnood -> hervorming van het cultuurstelsel. De Indigo-cultuur werd afgeschaft, het verplichte werk vermindert.

Dualistisch bestuursstelsel; Binnenlands bestuur door de Nederlanders
Koning, Gouverneur-generaal, Residenten, Assistent-resident, Controleurs
Inlands Bestuur door de Inheemse
Regent, Wedua (dorpshoofd)
Om de touwtjes weer in handen te krijgen bij de Nederlandse cultuur, wilde men de toekomstige ambtenaren bij het Binnenlands Bestuur een opleiding laten genieten in NL.
Het liefst stelde men mensen aan die in EU geboren waren en niet beïnvloed door de Indo-europese cultuur.

Rond 1860 was het Nederlandse bestuur alleen nog echt actief op Java, de rest hoorden er alleen op papier nog bij. Bij Buitengewest de Molukken werd bij smokkeling kruidnagel meegenomen door de Fransen, waardoor zij van de wereldmarkt werden verstoten. De buitengewesten kosten geld -> Politiek van onthouding; bestuur werd aan inheemse overgelaten. Alleen erkenning van Nederlands gezag vereist. Maar men hield zich niet altijd aan deze politiek met als rede politiek, economie en eerzucht van de officieren. James Brooke werd in 1839 zelfs Radja (vorst) in en deel van Noord-Borneo.

Modern Imperialisme (1870) sterk versnelde westerse machtsuitbreiding in de niet-westerse wereld. Bestaande afspraken aangescherpt, volledige besturing van Nederlandse koloniën. Gebieden die voorheen niet interessant waren, werden nu overvallen en ingenomen.
De redenen hiervoor zijn;
Politiek; ontstaan van grote nationale staten als Italië en Duitsland
Economisch; de Europese naties wilden zich verzekeren van goedkope grondstoffen en afzetgebieden voor hun industrie, meer kansen te bieden op winstgevende investering.
Morele; Europeanen geloofden in superioriteit van het blanke ras, vooral in eigen natie, en daarmee dus het recht op wereld heersing.

In 1869 was de opening van het Suez-kanaal, dit zorgde voor een verkorte reistijd, maar men moest langs het Noord-Sumatraanse sultanaat Atjeh, en daar heerste piraterij.
Om dit op te lossen viel in 1873 het Koninklijk Nederlands-Indische leger Atjeh (KNIL) binnen. Na 21 jaar werd steun gevraagd van Balinese overheersers op Lombok. Nederland besloot troepen te sturen, maar werden na verspreiding over het eiland werden ze aangevallen en vielen er 97 doden. Als wraakactie werden tweeduizend Balinezen gedood.
In 1898 koos de benoemde militaire gouverneur Van Heutsz voor het aan eigen kant krijgen van de bevolking. Men ging zich vestigen in Atjeh en dit werkte in 1903 gaven de belangrijkste leiders zich over. De gebieden waren gepacificeerd (overgegeven, orde en rust gegarandeerd)
Van Heutsz werd gouverneur-generaal. Onthoudingspolitiek (het beleid om het Nederlnadse bestuur zoveel mogelijk tot Java en Sumatra te beperken.1830) maakte plaats voor imperialistische expansie. Buitengewesten moesten Korte Verklaringen afleggen.( Ze aanvaardden de Nederlandse Heerschappij en ze zouden het NL bestuur volgen.)
Bij onderwerping van Bali pleegde de bevolking zelfmoord voor de ogen van KNIL.
In 1914 was het Nederlandse gezag in bijna de hele archipel gevestigd.
De contra-guerrilla leidde ook tot vele slachtoffers, door middel van excessen (buitensporige gewelddadigheden).

Vijf op de zes Europeanen in Indonesië waren in overheidsdienst, van een ondernemersrisico was er geen sprake; het gouvernement leverde zelfs suikerriet en arbeiders, en nam suiker af tegen vaste prijs.
Cultuurstelsel werd onder vuur genomen, particulier initiatief kreeg meer ruimte; verliesgevende thee en tabakscultures werden aan particulieren verkocht. Maar nog geen afschaffing van het Cultuurstelsel.
Tot 1870, met de nieuwe Suikerwet (afschaffing van verplichte suikercultures en dus cultuurstelsel) en de Agrarische wet ( kolonie werd open gesteld voor particuliere ondernemers) grond was eigendom van de Indonesische bevolking, maar westerse ondernemers konden het lange tijd huren. -> grote groei; Landbouwondernemingen.
In 1850 met de Mijnwet werd bepaald dat ook particulieren bodemschatten mochten gaan delven.-> belangrijkste mijnonderneming werd Billiton Maatschappij met tin.

De agrarisch-feodale samenleving met haar herendiensten maakte plaats voor een maatschappij gebaseerd op loonarbeid en zakelijke contracten. De boeren verzetten zich tegen het degraderen op de sociale ladder tot afhankelijk loonarbeider. Zij werden Koelies genoemd
Deze koelies tekenden een contract waarmee zij zich verplichtten om tegen ontvangst van een voorschot 3 jaar voor een planter te werken.
De onrust op het land werd versterkt door economische malaise
Het aantal Europeanen in Indonesië groeide van 40.000 in 1870 naar 100.000 in 1900, maar de rijstproductie bleef achter bij de bevolkingsgroei.
Na een economische dip na 1880 dankzij de overproductie van suiker, kwamen er rond 1900 nieuwe producten voor de wereldmarkt; olie (Koninklijke Shell), rubber, kopra (gedroogd vlees van de kokosnoot)
Deze nieuwe producten legden de basis van het Unileverconcern.

De economische groei in Indonesië zorgde voor het overtreffen van Java door zuidoost Borneo en Sumatra. De groei was te danken aan de verbeteringen in de infrastructuur; spoorlijnen, verharde wegen, scheepvaartverbindingen. En later elektriciteit en de vliegtuigen.
(KLM eerste luchtvaartmaatschappij ter wereld.) Deze groei in Indonesië was gericht op de wereldmarkt niet op NL. En de Nederlandse ondernemers werden minder dominant, Britten en Amerikanen kregen meer overwicht.
De Nederlandse vrouwen kwamen ook meer naar Indonesië en zij verzette zich fel tegen de mengcultuur. Doordat de Nederlandse elite zich meer op Europa richtte, nam de afstand tot de Indo-europeanen toe. Zij werden vaak het slachtoffer van racisme en discriminatie, men vond hen rassenbederf.
Omdat het werk op de plantages zo zwaar was, wilden de oorspronkelijke bewoners van Deli niet in loondienst, dus haalden de planters buitenlandse koelies.
In 1880 werd de macht van de planters uitgebreid. Met de Koelieordonnantie De poenale sanctie waarin de planter bepaalde welke straffen de koelies kregen wegens weglopen, belediging, luiheid, enz.

De verhoudingen waren op lange na niet gelijk tussen de Nederlanders en Inheemse.
Lagere ambtenaren lieten hun inheemse collega’s op de grond plaatsnemen, terwijl zij zelf op een stoel zaten, en ze wensten door een kus op de voet begroet te worden.
De ambtenaren werkten vanuit een ontwikkelingsideaal; ze wilden de Indonesiërs op een westers niveau van welvaart en beschaving brengen en beschermen tegen de inlandse hoofden en het westerse bedrijfsleven.
Er kwam kritiek van de oppositiepartijen op het feit dat Nederland profiteerde van zijn kolonie en niets terugdeed. Men kreeg de opvatting dat Nederland een Ereschuld droeg aan Indonesië. Het moest dat geld terugbetalen wat ze aan de kolonie verdient hadden.

Het eerste hoofddoel van de Ethische politiek; (Nederland had een zedelijke roeping om het welzijn end de welvaart van de Indonesische bevolking te bevorderen.) was de bestrijding van armoede of de ‘mindere welvaart’. Er werd een welvaartsgebied ontwikkeld onder de leus irrigatie(centrale plaats van de landbouw, kunstmatige bevloeiing, modelboerderijen), emigratie(welvaart bevorderen, verhuizen naar buitengewesten, minder overbevolking en arbeidstekort elders oplossen), educatie( overwinning van armoede, beter geschoolde bevolking, betere scholen voor vooral de elite).

Het tweede hoofddoel van de Ethische politiek; meer zelfstandigheid voor de inheemse bevolking, goede scholing. Dit was voor geleidelijke overname van het bestuur.
Men ging uit van de Associatiegedachte; de inheemse boven laag zou grondig kennis moeten maken met de Nederlandse cultuur, zonder de eigen achtergrond te verliezen.
Met als eerste stap; Binnenland en Inheems Bestuur werd gemoderniseerd. Inheemse bestuurders kregen westers onderwijs.
De Decentralisatiewet in 1903 voorzag bovendien in de oprichting van gemeente en provinciale raden. Deze bevatten ook Indonesiërs.
In 1918 werd een soort parlement voor de hele kolonie geïnstalleerd, de Volksraad. Hierin hadden de Europeanen de meerderheid (vergadering van de witte mieren).

Dankzij het landbouwonderwijs en de landbouwvoorlichting werden ook de productiemethoden verbeterd. Maar de boeren die geld leenden gingen het niet investeren, maar in eigen consumptie stoppen, zo mislukte de emigratiepolitiek
De Ethische politiek leidde wel tot betere gezondheidszorg, dit was eerst alleen in Nederlandse kerken het geval, maar na voorlichtingen verspreidde dit.
Minder succesvol was het opiumgebruik, er ontstond illegale opiumhandel.
In 1902 schokte de advocaat van den Brand de publieke opinie met de brochure De miljoenen van Deli. Met daarin de misstanden op de tabaksplantages. Het leidde tot een arbeidsinspectie en afschaffing van de poenale sanctie in 1931.

Het onderwijs was een ingewikkeld punt; Er kwamen verschillende scholen
· Dessa-scholen (dorpsscholen), waar ze leerden reken, lezen, schrijven en Javaans/ Maleis.
· Europese Lagere School de Hollands-Indische School voor Indonesische
· Hollands-chinese school voor chinezen
· Vanaf 1914 middelbare scholen voor Indonesiërs
In 1940 volgden 100.000 leerlingen Nederlands basisonderwijs.
Het aantal Indonesische middelbare scholieren was nog veel kleiner < 10.000.

Het Inheemse Bestuur kreeg meer taken. Maar inspraak en democratisering bleven beperkt tot het provinciale en lokale niveau. Nederland hield vanuit een rotsvast superioriteitsbesef vast aan de voogdijgedachte; dat Indonesië een klein kind was dat opgevoed moest worden door in dit geval dus Nederland.

Indonesisch Nationalisme ontstond in 1908 voor het eerst met de vereniging olv. Boedi Oetomo, het schone streven. Radicaler en massaler werd de islamitische Handelsvereniging in 1911 Sarekat Islam, die voor de economische belangen van de Javanen opkwam.
Ze streefden naar een onafhankelijk Indonesië, dat het hele grondgebied van het voormalig Nederlands-Indie zou omvatten. Volgens de nationalisten maakten alle volkeren in Nederlands-Indie deel uit van één Indonesische cultuur
En in 1912 kwam de Indische partij (olv neef Multatuli), zij wilde een onafhankelijk Indonesië, deze partij werd verboden.
Indonesië krijgt uiteindelijk een eigen parlement en regering - zelfbestuur. Dit wekte verwachtingen die niet konden worden waargemaakt.
De Novemberbeloften werden dan ook afgewezen, om de Volksraad meer invloed te geven.
Hierop reageerden de Sarekat Islam gefrustreerd en koos een nog radicalere koers. Ze deed mee aan gewelddadige lokale opstandjes tegen het Nederlandse gezag en stapte in1923 uit de Volksraad.
Inmiddels trad de nog radicalere communistische partij op; De Partai Komunis Indonesia (PKI), zoals ze vanaf 1924 heette, propageerde actief verzet tegen de Nederlanders., organiseerde stakingen onder haven-, spoorweg- en fabrieksarbeiders. Het doel was een onafhankelijk, communistisch Indonesië.
In 1926 lokken ze de KNIL naar Sumatra, zodat de PKI de macht kon grijpen. Maar de KNIL sloeg het verzet neer,toch maakte het verzet diepe indruk op de Nederlanders. Vanaf 1927 volgde daarom keiharde repressie. Gevangenen werden naar de binnenlanden van Nieuw-Guinea. Hier heerste veel malaria, en er waren vijandige Papoea-stammen.

In 1922 hadden Indonesische studenten in Nederland hun studentenvereniging de naam Perhimpoenan Indonesia genoemd, de Indonesische Vereniging, met als voorzitter Hatta. Zij wilden onmiddellijke onafhankelijkheid, geen coöperatie.
In Indonesië verspreidde Soekarno de nationalistische beweging. In 1927 richtte hij de Partai Nasional Indonesia (PNI) op, die alle kernpunten van Hatta overnam. Via non-coöperatie en massa-actie moest zo snel mogelijk een vrij Indonesië ontstaan, geen plaats voor NL.
Eind 1929 werd Soekarno samen met mestanders opgepakt, en kreeg 4 jaar cel, kwam na 1 jaar vrij. Nadat opstandige matrozen in1933 het pantserschip ‘de zeven provinciën’ hadden gekaapt, nam de repressie sterk toe.
Politie kreeg ruime bevoegdheden om verdachten te arresteren en vergaderingen bij te wonen en uiteen te jagen. Soekarno, Hatta en andere Nationalistische leiders werden zonder proces naar Boven-Digoel en andere afgelegen oorden verbannen. Daar zouden ze blijven tot de Japanse invasie in 1942.

Voor radicale nationalisme was geen ruimte meer, Indonesiërs lieten het non-coöperatieve varen. Ze gingen weer samen werken. Inheems Bestuur kreeg meer bevoegdheden. En in buitengewesten werd rekening gehouden met the traditionele gewoonterecht en lokale taal en cultuur.
Maar het nationalisme was nog lang niet weg; Japan had zich ontwikkeld tot een krachtige industrienatie die het Westen met succes uitdaagde. En haalde overwinning op Rusland. Dus ontstond er in Indonesië weer een sterke onafhankelijkheidsbeweging. De Europese bevolking in Indonesië had geen weet van deze gevoelens en eiste alleen maar een stop op de onruststokers.
De Europese toplaag zonderde zich steeds meer af van de Indonesische samenleving. Afkomst, status, huidskleur en taal werden strenger beoordeeld dan ooit tevoren. Wie erbij wilde horen, moest correct Nederlands spreken.
Het vertrouwen in het huispersoneel verdween. Kinderen werden nu opgevoed door hun moeder ipv door de Indonesische Baboe (oppasser).

De apartheid was ook in de wet vastgelegd. In de rechtspraak werden drie bevolkingsgroepen onderscheiden waarvoor aparte wetboeken bestonden:
Europeanen, Vreemde Oosterlingen en Indonesiërs. Bij de verkiezingen voor de verschillende raden stemden deze drie groepen apart voor een vast aantal zetels.
De groei van Europese bevolking en vooral van het aantal Eu vrouwen leidde tot een onmiskenbare afscheiding in bevolking.

Op 8 Maart 1942 werd Indonesië bezet door het Japanse leger. De meeste Indonesiër reageerden afwachtend en onverschillig op de nederlaag. De snelle Nederlandse nederlaag vernietigde in een klap het geloof in de blanke superioriteit. De Europeanen werden uit de samenleving verwijderd en opgeborgen in afgeschermde wijken of speciale interneringskampen. Batavia ging Jakarta heten.
Het zelf bewustzijn van de Indonesiërs werd verder gestimuleerd doordat zij een groot deel van de opengevallen economische en bestuurlijke functies overnamen.
De Japanners zagen de nationalisten als de vertegenwoordigers van het Indonesische volk. Nationalistische leiders die een democratisch Indonesië wilden, weigerden met Japan samen te werken. De Japanners hoopten de Indonesiërs voor zich te winnen.
De nieuwe bezetters maakten Indonesië totaal ondergeschikt aan de Japanse oorlogsinspanningen. Het Japanse optreden kostte naar schatting 2,5 miljoen Indonesiërs het leven. Er groeide haat tegen de Japanners.
Uiteindelijk viel het besluit dat Indonesië op 18 augustus 1945 onafhankelijk zou worden.
Een groep radicale Indonesische jongeren nam dit niet. Ze ontvoerden twee leiders naar een kazerne, waar dezen in de nacht van 16 op 17 augustus een korte onafhankelijkheidsverklaring schreven. De volgende morgen riep Soekarno voor zijn huis in Jakarta de onafhankelijke Republiek Indonesië uit.
Op de dag van de Japanse capitulatie was besloten dat de Britten Java en Sumatra zouden bevrijden en de Australiers de rest van de archipel.

Belangrijk voor het gezag van de Republiek was ook dat de leden van het Inheemse Bestuur - tot 1942 steunpilaren van het Nederlandse gezag – Soekarno hun medewerking beloofden.

Eind 1942 had de Nederlandse regering, die in ballingschap in Londen zat, onder Amerikaanse druk wat vage beloftes over hervormingen in haar kolonie gedaan. Eerst moest het Nederlandse gezag worden hersteld.
Soekarno werd een fascistisch georiënteerde marionet van Japan genoemd, een handlanger van de vijand, met wie overleg onmogelijk was.
De realiteit in Indonesië zelf dwong Nederland tot een andere koers, dan Indonesië deel uit te laten maken van het Koninkrijk der Nederlanden. Eind oktober had van Mook, de hoogste Nederlandse vertegenwoordiger in Indonesië, een ontmoeting met Soekarno.
Ook de regering ging beseffen dat overleg met de Republiek noodzakelijk was om de Nederlanders in Indonesië te kunnen beschermen. Zelf kon Nederland niets doen; het had geen ambtenaren en militairen in Indonesië. De Britten lieten geen Nederlandse troepen toe zolang niet met de Republiek werd onderhandeld.
Bij geleidelijke dekolonisatie zou Indonesië een zelfstandig en gelijkwaardig lid worden van het Koninkrijk der Nederlanden. En een federale staat worden. Een ander deel van Oost Indonesië was inmiddels dankzij de Australiërs weer in Nederlandse macht.

In November 1946 werd in het Javaanse bergdorp Linggadjati een officieel akkoord getekend. Dat was een uitwerking van de afspraken tussen Van Mook en Sjahrir (Politicus). Nederland erkende het gezag van de Republiek op Java en Sumatra. De Republiek beloofde mee te werken aan de stichting van een Indonesische federatie, die met Nederland verbonden zou blijven. De soevereiniteit zou niet liggen bij Nederland of de Republiek, maar bij de Verenigde Staten van Indonesië; De Republiek, Oost- Indonesië en Borneo.

Aan beide zijden veroorzaakte het akkoord van Linggadjati een storm van protest. Oud-premier Gerbrandy bracht het verzet tegen Liggadjati samen in het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid. Zij voorspelde dat Indonesië er nooit meer boven op zou komen.
Men ondertekende massaal een smeekschrift aan Wilhelmina tegen het akkoord.
Er werd besloten het akkoord aan te kleden. In een toelichting op het akkoord stelde de regering dat Nieuw-Guinea niet bij de Verenigde Staten van Indonesië hoorde. Het zou een aparte status krijgen. Bovendien moest de toekomstige unie echt iets voorstellen, zodat de koningin soeverein zou blijven. Daarmee werd de aan Indonesië beloofde soevereiniteit onderuit gehaald.
Soekarno had het akkoord uitgebreid met voorstanders van het akkoord, hierdoor werd het goedgekeurd.
In 1947 stuurde Nederland aan op een militaire actie tegen de Republiek. In 1946 was voor het eerst besloten dienstplichtigen naar Indonesië te sturen ipv KNIL.
Aanvankelijk zag de regering een actie tegen de Republiek vooral als een theoretische mogelijkheid. Er werd gewelddadig gereageerd op de actie. Met als reactie van Nederland een speciaal legercorps te sturen, dat voor het begin van de militaire actie tegen de Republiek al duizenden Indonesiërs had geliquideerd. Olv Kapitein Westerling.

Politionele actie; herstel van het rechtmatige gezag. Orde brengen in Indonesië niet vernietiging. Op 20 juli 1947 kwam de eerste politionele actie.
Binnen een paar dagen werd meer dan de helft van Java bezet. Een groot deel van de exportbedrijven kwamen weer in Nederlandse handen. Maar het politieke doel was niet bereikt; de Republiek bond niet in. Bovendien eiste de Veiligheidsraad van de VN een staakt-het-vuren. Er kwam een Commissie van Goede Diensten, die ging bemiddelen.
De Nederlanders konden het enorme gebied dat ze hadden veroverd niet effectief controleren. Overal ontmoetten ze onder bevolking zwijgende vijandigheid, overal kon de vijand loeren.
Eigenlijk was sprake van een guerrila-oorlog, die aan Nederlandse kantveel meer slachtoffers eiste dan de politionele actie.
In Januari 1948 werd op het Amerikaanse marineschip ‘Renville’ een nieuwe overeenkomst getekend. Maar in de praktijk had dit niets te betekenen.
Op 19 December begon de tweede politionele actie. Opnieuw was de Nederlandse opmars indrukwekkend. Binnen een paar dagen werd Djocja ingenomen en werden Soekarno, Hatta en andere Republikeinse leiders gevangengenomen. Maar politiek leverde het niets op. De Veiligheidsraad kwam terug met reces en eiste herstel van de Republiek.
En de VS eisten snelle onafhankelijkheid. Als Nederland niet meewerkte, zouden de Amerikanen de financiële steun bij wederopbouw van de economie opzeggen.
Nederland weigerden nog maanden de leiders vrij te laten.
Nieuw-Guinea bleef buiten de soevereiniteitsoverdracht; Nederland dwong af dat over dit gebied in 1950 verder zou worden gesproken.
Hoe sterk het eenheidsgevoel was, bleek toen de federatie als een kaarten huis instortte. De deelstaten gingen op in de Republiek en al op 17 augustus 1950, de onafhankelijkheidsdag, riep Soekarno de eenheidsstaat uit.
Voor Nederland was de dekolonisatie pijnlijk, maar de gevolgen vielen enorm mee. De verwachte rampspoed bleef uit. Tussen 1950 en 1970 groeide het Nationaal inkomen jaarlijks gemid. 7 keer zo snel als in de periode 1900-1940. Er kwam ook geen extra werkloosheid. Mede daardoor werd de massale komst van Nederlanders en Indo-europeanen geruisloos opgevangen. In de jaren 1945-1958 kwamen ongeveer 300.000 repatrianten en migranten uit Indonesië over. Hoewel de economische problemen meevielen, hadden veel nieuwkomers het moeilijk in Nederland.
Het moeilijkst hadden de Molukkers het. In 1951 liet de regering 4000 Molukse ex – KNIL -militairen en hun gezinnen overkomen. De regering had ze willen demobiliseren op de Molukken, maar daar had het Indonesische leger zojuist een opstand neergeslagen. De Molukkers vreesden voor hun leven, en de rechter gaf ze gelijk. Uiteindelijk moest de Nederlandse regering de Molukkers wel uitnodigen om in Nederland te komen wonen. Omdat het een tijdelijk verblijf zou zijn werden ze ondergebracht in kampen en kregen geen toestemming om te werken.
In Nederland zette vooral het uitroepen van de eenheidsstaat kwaad bloed. Nederland zag de opheffing van de deelstaten als een schending van de afspraken en als bewijs van Soekarno s onbetrouwbaarheid. Het Indonesische wantrouwen werd gevoed door de onafhankelijkheidsstrijd op het Molukse eiland Ambon en een mislukte staatsgreep van de Nederlandse commandant Westerling op West-Java. Eind 1950 vonden nog wel besprekingen plaats, maar de sfeer was te verziekt om het eens te worden. Ook daarna bleef de relatie slecht mede door de negatieve berichtgeving van de pers.

De kwestie Nieuw-Guinea zette de zaak op scherp. Soekarno vond dat Nieuw-Guinea deel moest uitmaken van de Indonesische eenheidsstaat. Volgens Nederland mocht da nu niet. Het conflict werd voor beide partijen een prestigekwestie. Er was geen economische reden voor de kwestie.
Het feit dat de ondernemers Nieuw-Guinea wilden opofferen, bewees juist hoe nobel de Nederlandse bedoelingen waren. De politici weigerden de papoea-bevolking voor geld te versjacheren aan Soekarno. Ook Soekarno was absoluut niet van plan Nieuw-Guinea te laten schieten. In noodsituatie koos Soekarno voor de aanval.
In 1960 verslechterde de situatie nog verder. Als reactie op Indonesische infiltraties stuurde Nederland toen een vliegdekschip en onderzeeërs naar Nieuw-Guinea. Soekarno verbrak daar4op de diplomatieke betrekkingen en kondigde aan dat Nieuw-Guinea met militaire middelen zou worden bevrijd.
President Kennedy koos in 1961 de kant van Indonesië. Daarmee wilde hij voorkomen dat het land in het Russische kamp zou belanden.
Op 1 Oktober 1962 droeg Nederland het bestuur over Nieuw-Guinea over aan de VN, die op 1 Mei 1963 het weer overdroegen aan Indonesië.
De relatie tussen vroegere kolonisator en gekoloniseerde bleef gevoelig. Indonesië zegde bijvoorbeeld in 1992 de Nederlandse ontwikkelingshulp op uit woede over Nederlandse kritiek op het Indonesische optreden in Oost-Timor. En Nederland weigerde in 1993 de toegang aan de wereldwijd gerespecteerde mensenrechtenactivist Jan Poncke Princen, omdat deze in 1948 als dienstplichtig militair was overgelopen naar het Indonesische leger.

Indisch; de Nederlandse kolonie in Indonesië. Als het gaat om personen verwijst het naar mensen van gemengd Europees- Indonesische komaf.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.