Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoofdstuk 7

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2333 woorden
  • 31 oktober 2012
  • 12 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 12 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Geschiedenis Samenvatting hoofdstuk 7



7.1 – kenmerkend aspect: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.


1751: de publicatie van alle nuttige kennis van de mensheid, het doel was een basis te leggen voor de verdere vooruitgang van de mensheid.


Nog nooit eerder hadden zoveel belangrijke en beroemde geleerden en schrijvers aan zo’n project meegewerkt.


- De Encyclopédie had alle technische en wetenschappelijke informatie die als basis kon dienen voor verdere ontdekkingen en ontwikkelingen.


- Hij stond vol met historische en aardrijkskundige feiten en wetenswaardigheden en hij bevatte veel kritische stukken over kerk, geloof, politiek en maatschappelijke verhoudingen.


Het is een typisch product uit de verlichting, omdat het bijdroeg aan bestrijding van bijgeloof en onwetendheid.


De verlichting kwam voort uit de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw.


De aanhangers vonden dat het rationele denken niet alleen moest worden toegepast in de exacte wetenschappen, maar op de hele maatschappij en het hele menselijk leven.


Het verlichte denken zou een eind maken aan de duistere tijd van domheid, intolerantie, geloofsfanatisme en onredelijke verschillen tussen mensen: kennis en rede waren superieur aan geloof en traditie. Het rationalisme bracht licht in het leven.


Eind 17e eeuw begon de verlichting in Engeland en Nederland, maar in de 18 eeuw werd Parijs het centrum: - Frans was de taal van de ontwikkelde mensen - Parijs was de intellectuele wereldstad


Immanuel Kant: definitie van de verlichting: ‘de bevrijding van de mens uit de onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is’, de voorwaarde hiervoor was dat de mens in alle opzichten in het openbaar gebruik van zijn verstand mocht maken.


Lang niet alle verlichte denkers waren antigodsdienstig, maar ze waren wel tegen geloofsfanatisme en intolerantie.


Voltaire: bewonderde de tolerantie en vrijheid in Engeland. Hij eindigde al zijn brieven met écrasez l’infâme; verpletter het schandelijke (bekrompenheid, intolerantie en bijgeloof). Hij was een deïst: hete heelal was gemaakt door een Opperwezen, maar zodra het af was liet hij het lopen volgens vaste wetten (horlogemaker), door onderzoek en gebruik van het verstand kon de mens inzicht krijgen in de bedoeling van de ‘Godheid’, de mensen weten het verschil tussen goed en kwaad van nature. De grote massa was te dom voor een natuurlijke religie, dus er was een traditionele godsdienst nodig, Voltaire keek neer op het volk en wilde geen democratie, hij wilde een absoluut vorst, die vrijheid van denken garandeerde, de kerk onder de duim hield en de vooruitgang bevorderde, zoals Frederik II.


John Locke: ‘regeringen moeten de natuurlijke rechten van burgers garanderen, namelijk het recht op leven, vrijheid en bezit. Ze moeten zich aan de wetten houden, en ze mogen de wet niet zomaar veranderen, regeringen moeten gebaseerd zijn op een contract met de burgers, anders mogen de burgers in opstand komen.’


Montesquieu: Hij verafschuwde het Franse despotisme, als de macht in één hand was zou het leiden tot machtsmisbruik en onderdrukking, hij had bewondering voor GB net als Voltaire, de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht moesten gescheiden zijn, het parlement moest wetten vaststellen, de regering moest ze uitvoeren en onafhankelijke rechters moesten de naleving controleren, zo zou iedereen gelijk behandeld worden door de wet en vrij zijn binnen de grenzen ervan.


Een mengeling van monarchie, aristocratie en democratie zou het beste stelsel zijn; beperkte macht voor de koning, het hogerhuis voor de invloed van de adel en het lagerhuis voor de invloed van het volk.


Rousseau: ‘het volk is soeverein, regeringen moeten de algemene wil uitvoeren, de mensen sluiten een sociaal contract met elkaar, waarin ze hun soevereiniteit overdragen aan een volksvergadering.’ Dit was de uitdrukking van de algemene wil.


Rousseau wees de verfijnde aristocratische gedragsregels, de adellijke voorrechten en alle niet op prestatie gebaseerde verschillen af, deze bedierven de natuurlijke goedheid van de mens. Vriendelijkheid en eerlijkheid overheersten toen de mens met de natuur leefde, maar dat kon niet meer in Europa. Door sociale en politieke hervormingen en een goede, natuurlijke opvoeding kon het beter worden.


Adam Smith: ‘mensen willen van nature hun economische situatie verbeteren,’ de productie zal groeien als mensen meer vrijheid krijgen hun voordeel na te jagen. Door de wet van vraag en aanbod zouden de mensen profiteren van het winstbejag van ondernemers, de regeringen moeten zich zo min mogelijk met de economie bemoeien.



7.2 – kenmerkend aspect: voortbestaan van het Ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).


Na de dood van Lodewijk XIV kon de adel een aantal privileges herstellen, zoals het alleenrecht op hogere rangen in bestuur en leger.


Adel en Geestelijkheid betaalden geen belasting, de prijzen van het voedsel en levensmiddelen waren hoog door de accijnzen.


Heerlijke rechten: Boeren waren verplicht om tegen betaling de molen van hun heer te gebruiken, ze moesten betalen om vee over zijn land te krijgen, ze moesten een deel van de oogst afstaan of onbetaald voor hem werken.


Adel leefden voornamelijk van hun afgedwongen rechten.


Handel en nijverheid groeiden enorm, vooral de gegoede burgerij profiteerde, maar ze konden met dit geld geen macht kopen.


De staatsschuld werd groot door de oorlogen en de leningen.


Frederik de Grote was een absoluut vorst, en aanhanger van de verlichting, hij wilde verlichte moderniseringen van boven doorvoeren; verlicht absolutisme.


‘alles voor het volk, en niets door het volk’, daarvoor was het volk niet genoeg ontwikkeld, Frederik was de ‘eerste dienaar van de staat’, hij schafte de censuur af en zorgde voor vrijheid van meningsuiting, godsdienstige verdraagzaamheid en onafhankelijke rechters. Hij wilde niet de adel opjagen, omdat ze officieren voor zijn leger leverde.


In Nederland gingen de regenten steeds meer op de bevolking drukken, in de eerste helft van de 18e eeuw hadden de regenten alle macht in Nederland, behalve in Friesland, Groningen en Gelderland, daar was prins Willem van Oranje standhouder.


Tijdens het stadhouderloze tijdperk (1702-1747) werd het volk ontevreden, de regenten dachten alleen maar aan zichzelf en de economie ging achteruit. Door de rellen in 1747 kon prins Willem van Oranje zichzelf tot stadhouder laten benoemen, alle gewesten kregen een gezamenlijke stadhouder en het werd erfelijk. Ook krijg hij overal het laatste woord.


De Republiek werd een monarchie en in Den Haag kwam een hofhouding, maar de stadhouder deed net zo weinig voor het volk als de regenten, die kregen na 1750 weer een deel van hun onafhankelijkheid terug.


De staatsschuld liep ut de hand, de regenten werden rijk van de rente op het geld dat ze aan de staat uitleenden.


7.3 – kenmerkend aspect: de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.


21 januari 1793: onthoofding van Lodewijk XIV.


De Franse revolutie is een onderdeel van meerdere democratische revoluties.


1763: ‘No taxation without representation’, de Britse koloniën wilden geen belasting betalen zonder vertegenwoordiging in het Britse parlement.


In 1774 vormden de 13 koloniën een congres die de gehoorzaamheid aan Groot-Brittannië opzegde, toen brak de Amerikaanse vrijheidsoorlog uit.


1776: Amerika was zelfstandig: in de onafhankelijkheidsverklaring stonden de vanzelfsprekende waarheden: ‘alle mensen zijn gelijk geschapen en hebben onvervreemdbare rechten zoals het recht op leven, vrijheid en geluk’, regeringen moesten deze rechten verzekeren.


Het volk had recht de regering te wijzigen/af te zetten.


In 1787 nam de VS de allereerste grondwet aan; machtenscheiding werd vastgesteld. Uitvoerende macht: de president, wetgevende macht: het Congres, rechterlijke macht: het hooggerechtshof.


Er kwam een bill of rights met grondrechten; gelijkheid voor de wet, vrijheid van godsdienst, vergadering en meningsuiting.


In Frankrijk maakte het diepe indruk, zij moest ook in opstand komen!


In Frankrijk was ontevredenheid over de absolute monarchie en de voorrechten van de kerk en adel, door de privileges kwam er een hoge staatsschuld.


In 1788 riep Lodewijk XVIde Staten-Generaal bijeen; alleen voor invloed zouden de bevoorrechte standen belasting accepteren.


Er was onvrede over de Staten-Generaal: elke stand had 1 stem, waardoor de adel en geestelijkheid konden samenwerken en winnen, de burgerij eiste dat andere standen zich bij hun aansloten, toen ze dat weigerden riepen de burgervertegenwoordigers zich uit tot Nationale vergadering, ze gingen naar de kaatsbaan en zwoeren pas uit elkaar te gaan als er een grondwet kwam.


Lodewijk XVI wilde ze uit elkaar jagen, hij liet 10000en troepen samentrekken rond Parijs, de angst die hiervan kwam leed tot de bestorming van de wapendepots op 12 juli, en op 14 juli nam een menigte de Bastille in. De val van de Bastille was het teken tot en algemene opstand. Revolutionaire comités namen de macht over.


De nationale vergadering schaften alle feodale rechten af en nam de verklaring van de rechten van de mens aan: ‘het volk is soeverein, de mensen waren vrij en gelijk voor de wet en de staat moest hun onvervreemdbare rechten staande houden.’


Met de opbrengst van de goederen van de kerk werd de staatsschuld afgelost, door de grondwet werd Frankrijk een constitutionele monarchie.


Uitvoerende macht: de koning, wetgevende macht: een gekozen vergadering die de regering moest controleren. De nationale vergadering bestond vooral ut rijke burgers, en zij wilden de invloed van de armen beperkt houden.


Welgestelden kregen het staatsburgerschap met kiesrecht, de koning sloeg hiervoor op de vlucht, maar werd gearresteerd en teruggebracht naar Frankrijk, daar tekende hij de grondwet. Door de vluchtpoging dacht men dat hij een contrarevolutie beraamde met gevluchte edelen, Pruisen en Oostenrijk.


September 1791: nieuwe volksvertegenwoordiging werd gekozen, de gematigde bourgeoisie had de meerderheid, samen met de radicale clubs, deze kregen steeds meer invloed door de oorlog met Pruisen op 20 april 1792, daardoor ontstond een opgewonden stemming in Parijs, oorlogsvrijwilligers verdedigden de revolutie. Nadat Pruisen iedereen neer zou schieten die voor de revolutie was, barstte de volkswoede los, 100en aristocraten werden vermoord.


Hierdoor zette de volksvertegenwoordiging de koning af, er kwamen nieuwe verkiezingen voor alle mannen die de revolutie trouw zwoeren.


Het gekozen parlement riep de republiek uit en veroordeelde de koning ter dood; er werd een nieuwe jaartelling ingevoerd, iedereen werd burger.


I.p.v. God werd de rede aanbeden in de Notre Dame.


Radicale democraten wilden de afgevaardigden controleren, in mei 1793 drong een menigte het parlement binnen en verjoeg de matige leden, hierdoor kon Jacobijn Robespierre (een aanhanger van Rousseau) aan de macht komen, hij gaf revolutionaire tribunalen bevoegdheden om verraders ter dood te veroordelen.


Na een jaar werd hij zelf opgepakt en gedood; de volksinvloed werd teruggedrongen, daarna vestigde Napoleon een dictatuur. De adel kreeg haar voorrechten niet terug en schafte die in heel Europa af na zijn veroveringstochten.


In 1815 werd hij verslagen, de grondwet bleef bestaan en de idealen van de democratische revoluties bleven in verzet tegen de oude ordes.



7.4 – kenmerkend aspect: uitbouw van de Europese overheersing, vooral in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.


1514: Las Casas keert terug uit Hispaniola, hij was onder de indruk van de wreedheid waarmee de slaven werden behandeld. Hij overtuigde de paus dat indianen gelijkwaardig zin aan blanken, en hij overtuigde Karel V om de indianen te beschermen, hierdoor gingen de Spanjaarden Afrikaanse slaven halen.


De handel kwam door winstbejag, ze waren geschikt voor het harde werk op plantages en in mijnen, Europeanen zagen hen als minderwaardige wezens.


In 350 jaar gingen 11 miljoen afrikanen oversteken, het was onderdeel van een driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika: Afrikaanse kuststaten verkochten slaven (schuldenaars, krijgsgevangenen of misdadigers), Europa betaalde met vuurwapens, kruit, messen textiel, ijzer en brandewijn. Op de Amerikaanse slavenmarkten werden de slaven verkocht voor geld, daarmee kochten ze plantageproducten, en die gingen naar Europa.


Dit was onder leiding van handelskapitalistische compagnieën. (bv. WIC)


Slaven werden vreselijk behandeld, slavinnen werden vaak verkracht, de slaven kregen Europese namen, ze waren niet opgewassen tegen de bewapende blanken.


Rond 1700 kwam er blank protest tegen slavernij, de tegenstanders werden geïnspireerd door de verlichting en door het christendom.


Het was in strijd met de natuurlijke gelijkheid van de mensen, volgens Adam Smith was het ongunstig voor de economie; mensen werden door loon beter geprikkeld dan door dwang. In Groot-Brittannië kwam een afschaffingsbeweging. In 1772 was het eerste succes: elke slaaf die GB bereikte was vrij verklaard. Britse abolitionisten legden dossiers aan met bewijzen van misstanden, ze gebruikten een tekening van een geknielde man als propaganda.


In 1807 kwam er een wet die Britten verbood in slaven te handelen.


In 1833 was er afschaffing van slavernij in alle Britse koloniën.



8.1 – kenmerkend aspect: de industriële revolutie die in de westerse wereld een basis legde voor een industriële samenleving.


De industriële revolutie was een traag proces, maar het had ingrijpende gevolgen.


Het kwam aan het einde van de 18e eeuw in Groot-Brittannië op gang, de eerste machines waren van hout, die vervingen het spinnewiel.


Rond 1800 kwamen er door stoom aangedreven, ijzeren machines. De stoommachine kwam uit de landbouw.


Groot-Brittannië bezat veel steenkool, dat werd met een stoompomp uit de grond gehaald, het bracht de machine-industrie tot bloei.


Na 1820 werd katoen weven in de fabriek gedaan m.b.v. het stoomweefgetouw.


Vanaf doe 18e eeuw kwam de agrarische revolutie, er kwam een snellere productie en er konden meer mensen gevoed worden, hierdoor waren er veel mensen over om in de industrie te werken, er kwam ook meer vraag naar kleding en voedsel.


Aan het einde van de 18e eeuw kwam de transportrevolutie, er kwam een toename in scheepsvaart een de transportkosten daalden scherp.


Er ontstond een net van verbonden kanalen, voor snel vervoer door het land.


Daaraan kwamen werven en fabrieken die producten afvoerden en grondstoffen aanvoerden.


Er kwam ook een stoomlocomotief, en in 1830 kwam de eerste spoorlijn.


20 jaar later had Groot-Brittannië en dicht spoorwegennet, het stimuleerde de stedengroei, en de treinenbouw bevorderde de machine-industrie en de steenkool- en ijzerwinning.


Er ontstond een nationale markteconomie en GB werd het middelpunt van de wereld.


Groot-Brittannië: levert industrieproducten, werd voorzien van voedsel en grondstoffen, de economie bleef groeien, er kwam een industriële samenleving.



REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.