Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 6

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas havo | 3178 woorden
  • 16 mei 2015
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

  1. Na de tweede wereldoorlog had Nederland het moeilijk met de economie, omdat Duitsland veel schade heeft aangericht. Tijdens de gevechten in de oorlog waren de havens en veel fabrieken en bruggen vernield. Ruim 100.000 joden zijn nooit terug gekomen, 20.000 mensen overleefden de honger winter niet. Er was veel schade in de infrastructuur. De economie stond helemaal stil. Snel werd begonnen met het herstellen van de oorlogsschade, de wederopbouw.



Er was een groot tekort aan voedsel, brandstof en geld in Nederland. Om het land weer op te bouwen, ging de regering zich erg bemoeien met de economie. De regering besloot dat alle Nederlanders hun bankbiljetten moesten inleveren bij de banken. Geldzuivering, oude bankbiljetten moeten worden omgewisseld voor nieuwe. Om beter met het buitenland te kunnen concurreren besloot de regering dat de lonen laag gehouden moesten worden. Anders werden de producten te duur en konden ze niet verkocht worden.



Nederland kon er alleen bovenop komen door samenwerking. Daarom namen de arbeiders genoegen met weinig loonsverhoging. De arbeiders moesten 6 dagen per week werken en hadden maar één week vakantie per jaar. De Nederlandse bevolking was bereid om hard te werken en een sober leven te leiden. Om gezamenlijk afspraken te maken werd in 1945 de Stichting van de Arbeid opgericht. De samenwerking tussen werkgevers en werknemers heette, het harmoniemodel. Vanaf 1947 ontving Nederland economische steun van de Verenigde staten, Marshallplan. De economie kwam weer op gang en rond 1950 was er sprake van economische groei.



Als ze die hulp van de VS niet hadden gehad zou de wederopbouw veel langer duren. De regering gebruikte het geld voor o.a. de mechanisatie van de landbouw. Er mochten geen voedseltekorten meer komen. De industrie werd ook ondersteund. De Nederlandse economie groeide tussen 1950 en 1973 met gemiddeld 5% per jaar.



De VS eiste dat de Europese landen in ruil voor de Marshallhulp zouden samenwerken. Maar de Europese landen vertrouwde elkaar te weinig voor het oprichten van een Europese regering. In 1957 richtten: Nederland, Italië, Frankrijk, België, Luxemburg en West-Duitsland de Europese Economische Gemeenschap (EEG) op. Deze samenwerking moest leiden tot een Europese markt waarin goederen vrij verhandeld konden worden en bedrijven en personen zich makkelijk over de grens konden gaan. Invoerrechten werden verboden binnen de EEG. Het Nederlandse lidmaatschap van de EEG en de NAVO vormde een breuk in de Nederlandse buitenlandse politiek. Voor de tweede wereldoorlog was in Nederland sprake van verzuiling.



De katholieke, protestantse, socialistische en liberalistische zuil hadden ieder hun eigen politieke partij, vakbond en krant. In de Tweede Wereldoorlog werd er goed nagedacht hoe Nederland er na de oorlog uit moest zien. Veel mensen wouden geen verzuiling meer na de oorlog. Maar bij de verkiezingen in 1946 bleek dat de verzuiling nog steeds bestond. In 1951 ging de eerste officiële televisie-uitzending de lucht in. Mensen in een bepaalde zuil mochten niet naar programma’s kijken van een andere zuil. Het duurde tot in de jaren zestig voordat de televisie definitief doorbrak. In 1970 bezat ruim driekwart van de Nederlandse gezinnen een televisie.



Tussen 1945 en 1960 werden er zoveel baby's geboren dat we spreken van een babyboom generatie. In 1951 was de eerste landelijke tv-uitzending



De overheid vond dat een beschermd gezinsleven goed voor de industrialisatie was. Het gezin werd gezien als de hoeksteen van de samenleving. De gezinnen met kinderen kregen kinderbijslag en de man die werkte kreeg een extra toeslag. Getrouwde vrouwen mochten niet buitenshuis werken. De vrouw moest voor het gezin zorgen en de man moest de kost verdienen. Deze wet werd in 1957 afgeschaft. Vooral in dorpen en kleine steden was de sociale controle groot. De mensen hielden elkaar goed in de gaten. Onaangepast gedrag werd niet geaccepteerd. Dan hoorde je er niet meer bij.      




  1. In de jaren dertig van de twintigste eeuw waren veel mensen werkloos geweest, met als gevolg grote armoede en veel ellende. De overheid wilde dat werklozen, zieken en ouderen een uitkering kregen en dus niet aan hun lot werden overgelaten. Daarom begon de regering onder leiding van de socialist Willem Drees met de opbouw van de verzorgingsstaat. Dat is een staat waarin burgers die geen werk hebben of niet kunnen werken, een uitkering krijgen. De Algemene Ouderdomswet (AOW) gaf alle ouderen boven een bepaalde leeftijd recht op een uitkering. De verzorgingsstaat was gebaseerd op solidariteit: werkenden betalen via de belasting mee aan de uitkering. De verzorgingsstaat werd opgebouwd in een periode met snel stijgende welvaart.



Tijdens de wederopbouw hadden de Nederlanders eten, maar door de lage lonen was er geen geld voor luxe artikelen. Begin jaren '60 eisten werknemers een beloning voor de succesvolle wederopbouw. Er ontstond ook een tekort op de arbeidsmarkt: er waren meer banen dan er beschikbaar werknemers zijn. Maar dat werd anders in de jaren zestig. In 1963 besloot de regering dat er hogere lonen mochten worden betaald. Het gevolg was dat de lonen in korte tijd enorm stegen. Reclamemakers spoorden de Nederlanders aan om te kopen en te consumeren. Nederland werd een consumptiemaatschappij.



De groei leek eindeloos, tot in 1973 de oliecrisis uitbrak en daaropvolgend een economische crisis. Nederland kon slecht concurreren met andere landen door de hoge lonen. Er werd overlegd om de lonen te matigen en te bezuinigen op overheidsuitgaven. Langzamerhand herstelde de economie zich. Het buitenland keek met bewondering naar het Nederlandse poldermodel (de overlegeconomie).





Na de oorlog groeide de bevolking heel snel. Daardoor was er eind jaren vijftig en begin jarig zestig een grote groep jongeren. Deze groep ontwikkelde hun eigen jeugdcultuur. Er kwamen verschillende groepen jongen met hun eigen cultuur:




  1. Eind jaren vijftig waren er de nozems. Dit waren vooral werkende jongeren die zich onderscheidden door hun kleding. In tegenstelling tot hun ouders spaarden ze geen geld, maar gaven ze het uit aan kleding, brommers en muziek.

  2. In de jaren zestig kwamen de provo’s. Dat waren beter opgeleide jongeren die de samenleving wilden veranderen. Om hun idealen te verkondigen zochten de provo’s de massamedia op. In de grote steden leidde dit tot rellen met de politie.

  3. In de jaren zestig waren er ook hippies. Vrije relaties, seks en drugs waren voor de hippies heel normaal. Ook de hippies waren herkenbaar aan hun kleding. In de moderne Nederlandse samenleving bepaalden mensen steeds meer zelf hoe ze leefden en werkten.



De veranderingen in het gedrag van de jeugd droegen ook bij aan ontkerkelijking en ontzuiling. Mede door de jongerencultuur veranderden de normen en waarden in de Nederlandse samenleving. Veel zaken die in de jaren zestig voor grote opschudding zorgden, werden in de jaren zeventig en tachtig heel gewoon.



In de jaren vijftig was het heel normaal dat de man werkte voor de kost en de vrouwen het huishouden deed. Maar langzamerhand veranderde dit patroon. Eind jaren ’60 gingen steeds meer vrouwen werken. Maar vrouwen verdienden met hetzelfde werk minder dan mannen en er bestond geen goede kinderopvang. Er was arbeidskracht nodig door de economische groei. Eind jaren '60 richtten vrouwen groepen op; de feministen streden voor gelijke rechten en gelijke kansen voor vrouwen en mannen. Dit heet de tweede feministische golf.



Tijdens de eerste feministische golf, rond 1900, hadden vrouwen met succes gestreden voor vrouwenkiesrecht en recht op een hogere opleiding. Steeds meer vrouwen bleven werken als er kinderen kwamen en mannen gingen meehelpen in het huishouden. Er kwamen betere mogelijkheden voor meisjes wat betreft opleidingen. Meisjes konden hoger onderwijs volgen, in het huwelijk hadden man en vrouw evenveel rechten. Inmiddels is de economische onafhankelijkheid van vrouwen in de wet vastgelegd en is het geaccepteerd dat mannen in deeltijd werken.




  1. In de jaren veertig en vijftig beschikten veel Nederlanders over een radio. Maar geleidelijk deed ook de televisie haar intrede. Er bleek dat er veel geld aan de televisie te verdienen was door reclameblokken uit te zenden. Mensen kunnen nu in hun eigen huiskamer uitzendingen vanuit allerlei landen bekijken. Door de mogelijkheden van radio, televisie, computer en het World Wide Web leven we nu in een informatiemaatschappij. Via het internet kun je over de hele wereld surfen. Dit is een voorbeeld van Globalisering. Ook op economisch gebied is er sprake van globalisering. We zien overal de invloed van de Verenigde staten op de economie. Veel belangrijke Amerikaanse multinationals hebben vestigingen over de hele wereld. Maar ook op het gebied van cultuur is de invloed van de Verenigde Staten erg groot (muziek, films, kleding.)

    Het hedendaagse Nederland is een land waar mensen uit verschillende landen en culturen wonen. De Nederlandse samenleving is een multiculturele samenleving. Tussen 1946 en 1964 kwamen ruim 300.000 Indische Nederlanders en Molukkers uit Nederlands-Indië naar Nederland. Ze pasten zich aan, aan het leven in Nederland. Door de sterke economische groei ontstond in de jaren zestig een tekort aan laaggeschoolde arbeiders. Spanjaarden, Italianen, Joegoslaven, Grieken, Turken en Marokkanen kwamen naar Nederland om te gaan werken.



In de jaren zeventig en tachtig werd de economie slechter. Veel gastarbeiders werden hierdoor werkloos. Door de onafhankelijkheid van Suriname vestigden zich rond 1975 veel Surinamers in Nederland. Zij hoopten op een beter bestaan in Nederland. In de jaren tachtig en negentig kwamen er vooral vluchtelingen naar Nederland. De nieuwkomers hebben invloed op de Nederlandse samenleving. Vanaf de jaren negentig werd de integratie van migranten in de Nederlandse samenleving een belangrijk discussiepunt in de politiek.



De jaren '90 werden weer een periode van economische bloei. Grote hoeveelheden goederen, grondstoffen en voedsel worden tegenwoordig over de hele wereld verhandeld. Bedrijven verplaatsen hun fabrieken naar landen waar de lonen laag zijn. Snelle communicatie en goedkoop vervoer maken dit mogelijk. Deze ontwikkelingen zijn een voorbeeld van mondialisering: landen raken steeds meer verbonden op het gebied van politiek, economie en cultuur. Nieuwe communicatiemiddelen maken de wereld steeds kleiner. Sinds de jaren '90 is er een informatiemaatschappij ontstaan.



In de 20e eeuw werd de Nederlandse economie steeds meer onderdeel van de wereldeconomie. Allochtonen moesten inburgeringcursussen volgen. Omdat een deel van allochtonen weinig geld verdient, wonen ze in de goedkoopste wijken in de grote steden.





Nederland houdt zich niet afzijdig van de wereldpolitiek. Dat kan ook niet, want ontwikkelingen in het buitenland hebben invloed op Nederland. De samenwerking tussen de Europese landen is steeds nauwer geworden. In de Europese unie werken 27 landen samen (sinds 1993 heet de EEG de EU). In 2002 voerden 12 EU-lidstaten de euro in. De EU-landen werken ook op gebied van criminaliteit en milieuvervuiling samen. In 1945 werd Nederland lid van de VN (verenigde naties) om vrede te handhaven en toe te zien op de naleving van de mensenrechten. De rechtbanken van de VN zijn in Den Haag. Daar oordelen rechters over conflicten en oorlogsmisdaden. Nederland levert troepen aan de VN, maar ook aan de NAVO om te helpen bij de bestrijding van het internationale terrorisme(Al Qaida)



Amerikanisering                                            het deels overnemen van de Amerikaanse cultuur of levenswijze





Eeg                                                               de Europese Economische Gemeenschap was een samenwerkingsverband tussen Nederland, België, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en Italië met als doel het wegnemen van handelsbelemmeringen tussen de aangesloten landen; de EEG is opgericht in 1957





Euro                                                             Europese munteenheid die in 2002 in twaalf Europese landen werd ingevoerd





Individualisering                                    proces waarbij mensen steeds meer hun eigen opvattingen hebben en hun eigen manier van leven bepalen





Informatiemaatschappij                     samenleving waarin de toegang tot informatie via radio, tv en internet erg belangrijk is





Jeugdcultuur                                            cultuur van jongeren waarmee zij zich onderscheiden van de oudere generatie, bijvoorbeeld in kleding of muziekkeuze





Mondialisering                                       een ontwikkeling waarbij landen over de hele wereld politiek, economisch en cultureel steeds meer verbonden raken





Multiculturele samenleving             een samenleving waarin mensen met verschillende culturen en geloven met elkaar samenleven





Ontzuiling                                                 het verminderen en verdwijnen van de verzuiling





Terrorisme                                                het plegen van gewelddadige acties, vaak tegen burgers, om een politiek of religieus doel te bereiken





Tweede feministische golf                een beweging in de jaren ’60 en ’70 die opkwam voor de gelijke rechten en kansen voor vrouwen en manen, vooral op het gebied van opleiding en werk





Verzorgingsstaat                                    een samenleving waarin de overheid bestaanszekerheid garandeert aan alle mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, zoals ouderen, werklozen en zieken





Verzuiling                                                  verdeling van de Nederlandse samenleving in groepen met een eigen politieke of godsdienstige overtuiging; iedere zuil had zijn eigen politieke partij, krant en verenigingen





Wederopbouw                                       het herstellen van de oorlogsschade en de economie na de Tweede Wereldoorlog





1939                                                             begin 2e wereldoorlog





1940                                                             bezitting Nederland





1945                                                             einde 2e wereldoorlog





1945-1958                                                  wederopbouw





1958-1960                                                  economische groei





Eind jaren 50  begin 60 was de wederopbouw klaar en kwam er een economische groei. Nederland ging na de 2e wereldoorlog ook meer internationaal samenwerken ( egks, eeg, eg, eu, navo, vn )


































Zuil



Omroep



Krant



Socialisten



VARA



Parool



Katholieken



KRO



Volkskrant



Protestant



NCRV



Trouw



Rest/ liberalen



AVRO



Telegraaf




VARA    vereniging arbeiders radio amateurs



NCRV    nederlandse christenen radio vereniging



AVRO    algemeen vereniging radio omroep



KRO       katholieke radio omroep



Het resultaat van 5 jaar Duitse bezetting was:




  • Ruim 100.000 joden kwamen niet terug

  • 20.000 mensen dood door de hongerwinter

  • Veel oorlogsschade in de infrastructuur

  • De economie stond stil



Om het land weer op te bouwen ging de regering zich erg bemoeien met de economie. De lonen werden met opzet laag gehouden zodat Nederland goedkoop kon produceren en exporteren. Ze moesten 6 dagen per week werken en hadden maar 1 week vakantie per jaar



2.



Jaren 60, periode van grote veranderingen. De babyboom generatie staat heel anders in het leven dan hun ouders en grootouders. Reden:



Hun (groot) ouders hadden de 1e wereldoorlog, de crisis van jaren 30 en de 2e wereldoorlog meegemaakt, de babyboomgeneratie alleen maar vooruitgang.



De babyboomers gingen zich ook afzetten tegen het gezag ( politie, ouders, leraren en politici ) terwijl generaties daarvoor heel volgzaam waren.



Verzorgingsstaat 2e feministische golf




  • Jongerencultuur

  • Ontzuiling

  • Welvaart

  • Emancipatie

  • Ontkerkelijkt

  • Nozems

  • Provo’s

  • Braaf, netjes, zuinig



Een samenleving waarin de overheid zorgt voor een inkomen voor iedereen die dat niet zelf kan.




  • Arbeidsongeschiktheid (WAO à WIA)

  • Ouderdom (AOW)

  • Werkloosheid (WW)

  • Langdurige ziekte



Waar komt het geld voor de verzorgingsstaat vandaan? Het geld wordt opgebracht door de werkende burgers (belasting) er moet een zeker evenwicht zijn tussen de werkende en de niet-werkende




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.