Hoofdstuk 6

Beoordeling 5.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1870 woorden
  • 2 maart 2010
  • 44 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.3
  • 44 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
GESCH – H6
Samenvatting
ORIENTATIE:
17e eeuw:
 gouden eeuw
de naam ‘gouden eeuw’ ontstond pas in de 19e eeuw. (tijdplaatsgebonden)
Europese koningen wilden de macht van de steden en gewesten breken.
(ookwel de tijd van regenten & vorsten genoemd -> deze maakten toen de dienst uit)
De Nederlandse gewesten hadden in de middeleeuwen een grote zelfstandigheid. De gewesten moesten bij nieuwe wetten en verhoogde belasting apart de ideeën aangekondigd krijgen.
(bijv. als Filips II belastingverhoging wilde -> moest hij alle gewesten een brief sturen)

Dit werd meestal alleen geaccepteerd door de gewesten als deze meer privileges zouden krijgen.
Filips wilde zijn macht meer centraliseren: dit mislukte en in 1568 kwamen de Nederlandse gewesten in een opstand die tot 1648 duurde.
De republiek der verenigde Nederlanden werd een statenbond: een samenwerkingsverband van grotendeels zelfstandige gewesten.
Regenten: de kleine bovenlaag van de rijke burgers die de macht uitoefende
Veel bestuurlijke banen waren erfelijk.
Na de opstand ontstond de republiek der verenigde Nederlanden. De burgers bestuurde zichzelf. In de buurlanden was de macht gecentraliseerd -> de ‘leiders’ dachten dat ze macht van God gekregen hadden.
Amsterdam was het handelscentrum van Europa. De Hollandse kooplieden volgden de vaarroutes die de Spaanse & Portugese ontdekkingsreizigers ook gebruikten -> hierdoor ontstond wereldeconomie.
Handelskapitalisme: Als de kooplieden hun kapitaal investeerden in overzeese handel om winst te maken.

De Hollanders kregen in Azië conflicten met Spanjaarden en Portugezen -> later met Engelse en Fransen.
Buitenlanders die in Amsterdam kwamen zagen de stad als ‘vrij’. Hierdoor lieten ze boeken in Nederland publiceren, omdat dat in hun land niet kon.
Wetenschappelijke revolutie: een ander beeld van de werkelijkheid hebben. (door te experimenteren, observeren en samenwerken)
6.1
Hoorn was een van de belangrijkste plaatsen in de republiek. Hier vaarde het schip ; ‘de Bontekoe’, in 1618 naar Java om specerijen te halen. Het schip verging bij Sumatra -> pas na vele reizen kwam het aan in Java.
Amsterdam:
* Een wereldstad met 115.000 inwoners. * Groeide na 1585 uit tot de grootste europese haven -> nadat Spanjaarden Antwerpen veroverden. Vlaamse handelaren en bankiers verlieten de stad en trokken naar het noorden.
Amsterdam had een stapelmarkt: handelaren brachten hun goederen naar Amsterdam en lieten ze hier opslaan, waarna ze later doorverkocht konden worden.
De handelsproducten: wijn – hout – graan – olijfolie en haring.
De Hollandse economie groeide door het handelskapitalisme. Kooplieden werden rijk en het maken van ‘winst’ (woeker) was niet meer verboden.
Amsterdamse bankiers leende geld uit met 4% rente -> hierdoor konden kooplieden goedkoop investeren.
VOC:
De eerste vaarroutes werden ontdekt door de Spanjaarden en Portugezen. Hiervan profiteerde de andere Europese landen. De zeevaarders (waaronder; Columbus, Vasco da gama & Magalhães) stuurde de kooplui naar Azië (de Oost) om rijkdommen te halen.
De winst die met deze expedities werd opgehaald – werd ook weer in de expedities geïnvesteerd.
De eerste schipvaart was in 1595 naar Azië. Van de 249 mensen overleefde er maar 87 de reis. De reis zelf was geen succes, maar op aandringen van de overheid besloot een aantal kooplieden samen te werken. Ze wilden de concurrentie op zee tot halt roepen en de risico’s verspreiden.
In 1600 verenigde Britse kooplieden zich tot de East India Company (EIC)
In 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. (door Hollanders)
En in 1643 volgden de Fransen met de Compagnie d’Orient
De compagnieën beschikten over staatsrechtelijke bevoegdheden - zij:
- Kregen handelsmonopoly
- Mochten zelfstandig verdragen sluiten
- Bezaten het recht om factorijen, handelsposten en militaire versterkingen aan te leggen
De VOC was tot 1750 de sterkste compagnie. Ze begonnen al met een groter startkapitaal dan de EIC. De VOC bezat in 1750: 2000 schepen en 30.000 werkende mensen.
In de tweede helft van de 17e eeuw werd de VOC verstoten van de eerste plaats toen de Britten de handel in Chinese thee overnamen.
De VOC had moeite met het bestrijden van de Aziatische concurrenten. De kooplieden op de Banda-eilanden weigerde het VOC-monopolie te herkennen. Ze wilde liever zelf de baas blijven over hun specerijen omdat, als de prijzen van hun specerijen daalden, kwam de import van hun primaire levensbehoefte in gevaar. Ze waren volledig afhankelijk van de import.
6,2
Scholen in de Gouden Eeuw:
- er waren geen klassen. Leerlingen van verschillende leeftijden zaten in één lokaal.
- Leerlingen kregen klappen & een ‘pechvogel’ naar hun hoofd geslingerd als ze niet goed werkten.
- De overheid bemoeide zich niet met school: dit deden de stedelijke en kerkelijke autoriteiten.
Franse Scholen
De scholen voor de kinderen uit de kleine burgerij. Vergelijkbaar met het VMBO. De jongens en meisjes waren gescheiden.
Jongens kregen: Frans, Nederlands, goede manieren, en rekenen.
Meisjes kregen: etiquette, conversatie, Frans, muziek en tekenen.
Latijnse Scholen
Bestemd voor de elite. Er werd: Grieks, Latijn, filosofie, godsdienst en welsprekendheid onderwezen.
Als je de Latijnse school had voltooid, kon je naar een universiteit.
Nadat Leiden de Spanjaarden in een nederlaag had gelokt in de opstand, wilde Willem van Oranje de stad bedanken. Hij schonk leiden een universiteit, de eerst universiteit van de Nederlanden.
De universiteit van Leiden trok vele studenten aan -> ook vanuit het buitenland. Alle studenten konden Latijn en dit leverde minder taalproblemen op (dan nu).
Één van de bekendste studenten van de Leidse universiteit was Hugo de Groot. De jurist oefende veel invloed uit op het internationaal recht.
Hij pleitte voor vrije, internationale wateren en voor een internationaal moraal voor staten. -> ‘Humaniteit gaat boven Soevereiniteit’
Jan Swammerdam vond de microscoop uit. Hij ontleedde insecten. Er ging een medische wereld open, en zelfs na Jan’s dood werd zijn microscoop nog gebruikt. Antonie van Leeuwenhoek onderzocht zijn eigen lichaam: schimmels, teennagels, snot, sperma en ontlasting. Hij was de eerste die bacteriën en rode bloedlichaampjes ontdekte.
De wetenschappelijke revolutie: een omwenteling in het kijken naar de natuur (met behulp van een microscoop)
De wetenschappers lieten zich leiden door oude ideeën, maar wilden door middel van waarneming en experiment verschijnselen verklaren.
De wetenschappelijke kennis had ook een grote invloed voor de handel. De landkaarten werden preciseer en ‘minder leeg’.
Jan van Huygens van Linschoten werkte voor de Portugezen en vaarde naar Azië. Hij scheef een ‘Itinerario’ met alle kennis die hij had opgedaan uit het verre oosten. Later werd dit Itinerario door vele schippers, die naar Azië wilden varen, gebruikt.
De eerste Engelse uitgave werd in 1598 uitgebracht.
6.3
De Statengeneraal: Het hoogste bestuur in een republiek. Deze namen de belangrijke beslissingen voor een gewest.
De gewesten werden bestuurd door de Gewestelijke Staten. De steden werden bestuurd door vroedschappen.
In een republiek had de stadhouder een grote macht. In 1515-1555 verving de stadhouder de plaats voor de vorst in een gewest. Tijdens de opstand (1568 – 1648) benoemden gewesten zelf hun stadhouders. Na de opstand: * kreeg de stadhouder een functie als legerleider
* hadden de stadhouders het recht om vroedschapleden te benoemen
Willen I en Willem II wilde soevereine (Koninklijke) macht. Willem II wilde van de republiek een monarchie maken (met een gecentraliseerd bestuur).
Na Willem’s dood scheidde de republiek zich in twee delen: de Staatsgezinden & De Pinsgezinden.
Willems zoon (Willem III) trouwde met de Engelse prinses Maria Stuart II, en regeerde later alleen over Engeland. (1689 -> samen – 1695 -> alleen)
Absolutisme: De absolute macht. (letterlijk; een regeringsvorm waarbij alle ambten binnen de staat ondergeschikt zijn aan de vorst)
Voor Lodewijk XIV was macht vanzelfsprekend. Hij was de koning van Frankrijk maar wilde de macht over heel Europa. Lodewijk werd tegengehouden door de Britse koning en de stadhouder van Nederland.
De franse cultuur werd wel in Europa verspreid: architectuur, muziek en taal.
Europese vorsten wilde vooral hun macht uitbreiden met militaire, diplomatieke en economische middelen. Op diplomatiek gebied huwde ze hun kinderen vaak uit aan andere koningshuizen.
Ook werd ‘de oorlog’ vaak ‘gebruikt’ als middel om de macht uit te breiden.
In 1672 verklaarden Engeland en Frankrijk, gesteund door Keulen en Münster de oorlog aan de Republiek. De Republiek was namelijk een struikelblok naar overheersing van de wereldzeeën en het Europese continent. Dit verbond tussen de Engelsen en Fransen werd een monsterverbond: de Britten zouden een belangrijk deel van de oorlogsvloot leveren, terwijl de Fransen zich zouden richten op de strijd tegen de Republiek.
Het lukte admiraal de Ruyter echter wel om de vloot tegen te houden.
1672 word ook wel rampjaar genoemd. In drie weken werden Overijssel, Gelderland en Utrecht veroverd. De Frans- Engelse coalitie trok snel weg; ze vertrouwden elkaar niet.
Mercantilisme: Het uitschakelen van de concurrentie om zo je eigen economie te beschermen.
De Europese koningen beschermden zo hun economie. (ookwel Colbertisme genoemd: in Frankrijk werden de producten duur door de hoge tariefmuren voor de import)
Akte van Navigatie: Door deze acte mochten alle Europese producten alleen ingevoerd worden op Britse schepen -> dit beperkte de vrijheid op zee. Hierdoor konden handelaren geen rechtstreekse handel meer drijven met Engeland.
6.4
De Nederlanden stonden bekend als tolerant. [je hebt 2 groepen ‘vluchtelingen’:]
- Mensen die hun werk niet mochten publiceren in hun eigen land, kwamen naar de Republiek der Nederlanden om daar hun werk verder te zetten.
- Economische vluchtelingen: deze mensen namen in de Republiek ‘afgedankte’ baantjes aan. Ze kwamen vaak uit Westfalen en Schotland.
In Indië vestigde zich allemaal buitenlanders (Polakken, Sweeden, Deenen, Noorluyde etc)
In 1648 werd de Vrede van Münster gesloten -> er kwam een einde aan de 80-jarige oorlog (opstand).
De opstand was ook een strijd geweest tussen de katholieke en protestanten. De Katholieke gebieden waren aan het einde van de opstand pas bij de Republiek gekomen. Dit waren de generaliteitslanden, deze werden rechtstreeks bestuurd door de Staten-Generaal.
Generaliteitslanden: Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Brabant, Drenthe en delen van Limburg.
De kerken in de Generaliteitslanden werden omgebouwd naar protestantse kerken (deze waren eerst gereformeerde of ‘publieke’ kerken)
Oorzaken voor betrekkelijke tolerantie:
1. De Spaanse koning vervolgde de protestanten wreed. Als ze de katholieke op dezelfde manier zouden ‘aanvallen’ zou de geest van de opstand bezoedelen.
2. 40% van de bevolking was katholiek: hen vervolgen zou leiden tot een burgeroorlog.
3. Ieder gewest in de Republiek kende zijn eigen regels en geloof -> je kon niet één maatregel door het land laten gaan om het geloof te veranderen.
4. De kooplieden bleven hun kopers dienen; het maakte niet uit welk geloof de kopers hadden.
Kooplieden waren geen lid van de kerk maar lieten hun kinderen wel dopen en bezochten de kerkdiensten.
De Vluchtelingenark:
Zo werd de republiek genoemd omdat ze tolerant was en er veel vluchtelingen de Republiek der Nederlanden binnen kwamen.
Na de val van Antwerpen (1585) vluchtte er veel Vlamingen naar het noorden. Ze vestigde zich in steden en brachten geld en kennis mee.
Begin 17e eeuw vluchtte er ook veel Portugese Joden naar de republiek.
Hugenoten: franse protestanten.
In 1685 werden veel hugenoten gedwongen katholiek te worden -> veel vluchtte er naar de Republiek der Nederlanden en rond 1700 was een kwart van de Amsterdamse bevolking Frans. (waarvan er veel uitgever waren)
De kunstenaars ontwierpen een nieuwe kunststijl: Barok. De Barok moest de machtige positie van de opdrachtgevers benadrukken.
De kunstenaars in de Republiek (in de 17e eeuw) verkochten hun schilderijen vaak aan stedelijke overheden, rijke handelaren en gewone burgers. (ze hadden geen opdrachtgevers)
De buitenlanders vonden het werk van de kunstenaars ‘kinderspel’, het koude klimaat zou de hersenen van de kunstenaars aangetast hebben.
Hollands Realisme: De ‘makkelijke’ schilderkunst van de kunstenaren uit de Republiek -> deze schilderde vaak: landschappen, stadsgezichten, Bijbelse taferelen of burgers in hun huizen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

L.

L.

echt super goede samenvatting ik heb hier veel aan gehad voor mijn tijdvakdossier.
er staat goede informatie in en het klopt ook allemaal. bedankt hiervoor.

11 jaar geleden

A.

A.

LOVE THIS!!!!! YOU'RE MY HEROOOO
KISSSS AAGJUH

10 jaar geleden