Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 4 Paragraaf 1,2,3

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas havo/vwo | 794 woorden
  • 21 maart 2015
  • 30 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 30 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Kernbegrippen:



Absolutisme

Het absolutisme houdt in dat de vorst, zonder uitzondering, alle macht heeft. De enige persoon waarbij de vorst verantwoording moet leggen is God.



Feodale samenleving

Middeleeuwse samenleving waarbij de vorst stukken in leen geeft aan een leenman. In ruil hiervan moet de leenman trouw beloven aan de vorst.



Standensamenleving

Rangorde van verschillende standen waarbij je bij je geboorte al bent ingedeeld en niet kunt promoveren/degraderen.



Standenvertegenwoordiging

Dit wordt ook wel Staten-Generaal of Parlement genoemd.

Het is een vertegenwoordiging van de drie  standen.



Bede

Een dringend verzoek door de koning aan zijn onderdanen om geld.



Privileges

Voorrechten, oftewel afspraken tussen elkaar maken waardoor de ene stand iets mag wat de andere stand niet mag



Centralisme

Manier van bestuurswijze waarbij het land geregeerd wordt vanuit één centraal punt.





Samenvatting 4.1



Absolutisme = een vorst heeft alle macht om te besturen van god zelf gekregen.

Deze manier van besturen kwam vooral in de 17e en 18e eeuw in Europa voor.





1.  Het jaar 1000: De manier van besturen in de middeleeuwen =




  1. Feodalisme = Manier van besturen waarbij een vorst een gebied leent aan een edelman in  



      ruil voor trouw aan de vorst. Gevolg hiervan:



      A. Standenmaatschappij  ieder persoon hoort bij een stand Adel/kerk = hoog,



       boeren burgers laag)



       B. Privileges = voorrechten, de ene stand mag meer dan de ander.



      (adel en kerk boven boeren en burgers)



      De adel krijgt hierdoor veel macht en de koning moest alles met hen overleggen in:



      C. De standenvertegenwoordiging = vergadering waarin adel, koning, steden overleggen



       over het bestuur van het land.





2. Het jaar 1500:  De koning wil in de (renaissance) meer macht en trekt de macht naar zich toe.



 Centralisatie à alle macht naar 1 plek, = het hof van de koning



     De Standenvertegenwoordiging wordt langzaam buitenspel gezet door de koning.





3. Het jaar 1600:   de koning krijgt vanaf de 17e eeuw (Wetenschappelijke revolutie/Verlichting)



                                  alle macht in handen. 



 Absolutisme = De koning regeert alleen en absoluut en hoeft alleen aan god



     verantwoording af te leggen.



     De standenvertegenwoordiging verdwijnt, de koning regeert alleen, adel heeft geen macht,



     Steden hebben geen macht, alleen de koning heeft macht.





Samenvatting 4.2



Engeland  1625 – 1649  Karel  I



1625: Karel I wordt koning en wil absoluut regeren. Hij is door god aangesteld als koning à Ruzie met adel en steden =het parlement; deze geven geen toestemming voor oorlog en belastingverhoging. Karel stelt lord Buckingham aan om namens hem het parlement te besturen.



1628 Buckingham wordt vermoord. à Karel ontbindt het parlement



1640 Karel heeft geld nodig en dus toestemming parlement.  à burgeroorlog



1649 Parlement (adel en steden) winnen de oorlog en Karel wordt onthoofd. 



Engeland wordt het parlement de baas = parlementaire monarchie.





Frankrijk 1661 – 1715    Lodewijk XIV



1600: Grondlegger van het Absolutisme = Hendrik IV.  à



Zijn kleinzoon Lodewijk XIV = het voorbeeld van het absolutisme in Europa



- De Adel en steden (=staten generaal) zijn tegen teveel macht van de koning.



- Kardinaal Richelieu en Kardinaal Mazarin  vergroten de macht van de koning door:



- burgeroorlogen 1648-1653  à de koning wint deze van de adel en de steden.



- Het ontbinden staten generaal = (politieke macht adel en steden) verdwijnt zelfs helemaal



1661: Lodewijk XIV regeert alleen. Frankrijk is bijna failliet à Lodewijk neemt maatregelen:



1.  Ministers worden persoonlijk adviseurs.



2. Adel woont dicht bij de koning (Versailles)  



Oorlog om rijkdom en eer. Frankrijk is het grootste land van Europa à is bijna onverslaanbaar



(18 miljoen inwoners En 6 miljoen, NL 2 miljoen).



Lodewijk regeert 54 jaar absoluut.  Frankrijk is de koning de baas en wordt een



absolute monarchie.







Samenvatting 4.3



Absolutisme: 1 koning, 1 wet, 1 geloof



1661 Lodewijk XIV




  • Wil dat alle protestanten = Hugenoten van Frankrijk Katholiek worden, anders moeten ze weg.  -->

  •  Veel rijke handelaren verlaten Frankrijk = verlies geld en kennis.

  • De Adel verliest zijn politieke macht.

  • De derde stand = boeren en burgers betalen alle belastingen



Gevolg= Armoede onder boeren/burgers. De rijke burgers = Bourgeoisie wordt ontevreden.



Zij betalen wel belasting, maar hebben geen invloed.





1715 



Lodewijk XIV sterft hij vredig en laat Frankrijk arm achterlaten door oorlogen en duur hofleven.



Gevolg= De spanning bij de bevolking neemt toe.








REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

G.

G.

gap dit zijn de begrippen en jaartallen en geen smanevatting :(

6 jaar geleden

A.

A.

dit is letterlijk uit het boek overgenomen!?!

6 jaar geleden