Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 4 en 5 (excl. 5.4)

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2317 woorden
  • 4 juli 2010
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!


Hoofdstuk 4 : De wereld in de tijd van steden en staten
Tijdbalk:
1000 tot 1500 – Tijd van steden en staten
1075 tot 1122 – Investituurstrijd
1095 tot 1291 – Kruistochten
1271 – Marco Polo naar China
1275 – Amsterdam krijgt tolprivilege
1337 tot 1453 – Honderdjarige Oorlog
1347 – Begin grote pestepidemie
1453 – Osmanen veroveren Constantinopel
1464 – Eerste Staten-Generaal in de Nederlanden
1492 – Reconquista voltooid
Paragraaf 4.1 – De opkomst van de steden
De opkomst van de handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.
Na het jaar 1000 kwam in Europa een eind aan de invallen van agressieve volken, zoals de Hunnen en later de Vikingen en de Hongaren. Dat leidde tot stabiliteit. De economie ontwikkelde zich en opnieuw kwamen er steden op. Deze economische groei was een gevolg van de ontwikkelingen, vooral in de landbouw. Zo gingen boeren zich specialiseren. Dit kwam door de productie van overschotten. Een deel van hun opbrengst verkochten ze op markten, deze plaatsen groeiden uit tot nieuwe steden. Hierdoor groeide en verbeterde het wegennet en kon er handel tussen steden onderling en tussen steden, havens en verre regio’s plaatsvinden. Gepaard met het groeien van de handel ging de ontwikkeling van geld, wisselbrief, verzekeringen en het krediet. Ook ontstond er een middenstand: verkopers, kopers, geldwisselaars, verzekeraars en bankiers.
Door de opkomst van de steden ontstond er opnieuw een landbouwstedelijke (agrarisch-urbane) samenleving. Steden waren afhankelijk van de boeren uit de omgeving.
Hoe succesvol de stad was, bleek wel uit de bevolkingsontwikkeling. Tussen 1300 en 1500 nam de bevolking dramatisch af door verwoestende oorlogen, hongersnood en de pestepidemie.
Paragraaf 4.2 – De stedelijke burgerij
De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
In het begin waren stedelingen even onvrij als op het domein van een leenheer. Voornamelijk handelaren konden hun werk niet goed combineren met herendiensten. Doordat logischerwijs in een stad meer mensen gingen wonen, kon deze meerderheid uitgebuit worden in de onderhandelingen met de heer. Toch kregen de burgers vaak het stadsrecht niet zonder slag of stoot. De graaf of hertog stond hen toe een aparte gemeenschap te vormen, met een eigen bestuur, wetten, rechtspraak en andere privileges. In ruil daarvoor droegen steden belasting af. Voor heersers was het verlenen van stadsrechten winstgevend. Ze profiteerden zo van de groeiende geldeconomie.
In de loop van de late middeleeuwen verdween de horigheid. De verplichte arbeid voor de heer werd vaak omgezet in geldbetalingen en het hofstelsel maakte plaats voor dorpsgemeenschappen.
Het burgerschap was reden tot trots. Die trots toonden de burgers graag, onder meer door stadsmuren te bouwen. De muren vormden de uitdrukking van de solidariteit in de vroege steden. Maar ze waren niet alleen een symbool. Ze boden vaak maar al te noodzakelijke bescherming.
In middeleeuwse steden ontstonden samenwerkingsverbanden, zoals gilden. Een gilde zorgde voor de leden van de wieg tot het graf, reguleerde de scholing, maakte kwaliteitsafspraken, stelde prijzen vast en zorgden ervoor dat buitenstaanders niet hetzelfde beroep konden uitoefenen in de stad.
Niet alle inwoners van een stad mochten zich burger noemen. In veel steden vielen ze pas onder het recht van de stad, als ze een jaar en een dag binnen de stadsmuren hadden gewoond.
In bijna alle steden had één groep de hoogste status en maakte de dienst uit: de kooplieden.
Aan het eind van de middeleeuwen was de macht in de steden meestal nog vrijwel helemaal in handen van de rijke handelsadel.
Paragraaf 4.3 – Staatsvorming en centralisatie
Het begin van staatsvorming en centralisatie
Eerst trokken koningen rond om hun macht te bevestigen, maar steeds meer vorsten kozen voor een centrale plek om te regeren. Dat heet centralisatie. Daarvoor hadden de koningen veel macht, geld en militaire macht nodig. Hij hief belasting om aan dat geld te komen en hij kocht de trouw van zijn leenmannen. De koningen probeerden een nationale wetgeving in te voeren voor alle inwoners, dat was het begin van de staatsvorming.

Drie voorbeelden: Frankrijk, Duitsland en Engeland.
• In Duitsland liep het fout. Hij kon de macht van de hertogen niet beperken en zo kregen die veel macht. Hij probeerde hiertegen te vechten door bisschoppen te benoemen, maar toen kreeg hij heisa met de paus. Ze verzwakten ook nog eens hun positie door naar andere landen te gaan en zo hun positie verlaten. Het kwam niet tot een duitse staat in de middeleeuwen.
• Engelse koningen voorkwamen dat lenen van vader tot zoon overging. Ze stelden sheriffs in loondienst aan om belastingheffing te regelen en de rechtspraak.
• Franse koningen hadden eerst veel minder macht dan de koningen in Engeland en Duitsland. Maar ze breidden hun macht steeds verder uit door huwelijken en veroveringen. Augustus wist zijn leenmannen (hertogen) te verslaan in een oorlog. Zijn grondgebied verviervoudigde. Hij zette zelf mensen op hoge posities en behield zo de macht. De oorlogen die hij moest voeren kostten veel geld, ook al was hij een sterke koning na de Honderdjarige Oorlog. Er kwam een Staten-Generaal. Daarin zaten de geestelijkheid, de adel en de burgerij.
Paragraaf 4.4 – Kerk en staat
Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke, dan wel de geestelijke macht het primaat moest hebben.
Dit wordt ook wel de Investituurstrijd genoemd; de strijd tussen koning en kerk. Volgens de tweezwaardenleer hadden de wereldlijke en de geestelijke macht allebei hun eigen machtssfeer. Koning besliste over wereldlijke zaken en de kerk over de geestelijke zaken. Zolang hun macht beperkt was waren er geen problemen. Maar tussen de Duitse koning en de paus kwam een machtsstrijd. De paus vond dat hij de meeste macht had. Als opvolger van Petrus en erfgenaam van de Romeinse keizers had de paus het laatste woord. De koning vond dat hij juist de opvolger van de Romeinse keizers was. In 1075 barstte de bom. Keizer Hendrik IV benoemde zijn eigen aartsbisschop van Milaan, terwijl de paus er daar al een had. Toen Hendrik volhield werd hij uit de kerk gezet en niemand mocht hem meer gehoorzamen. Nu moest Hendrik wel toegeven, hij stak de Alpen over om de paus om vergiffenis te vragen.
Tientallen jaren bleef het Heilige Roomse Rijk diep verdeeld. Pas in 1122 kwam er een compromis. Dit Concordaat van Worms bepaalde dat alleen priesters van een bisdom de bisschoppen mochten kiezen. De keizer mocht ze wel nog aanstellen als hertog of graaf.
Maar de paus kreeg de koningen niet ondergeschikt, het gevecht duurde tot de 15e eeuw, toen was de macht van de koningen zo groot dat de paus niet langer kon hopen hen te onderwerpen. Zo was de tweezwaardenleer door de strijd tussen pausen en koningen uitgelopen op een scheiding van kerk en staat.
Dat de paus zo machtig was, kwam vooral door de overweldigende invloed van het christelijke geloof. Bedelordes leefden vrijwillig als armen om te leven van wat mensen hen gaven. Er werd gestreefd naar geloofszuiverheid, en dat leed soms tot hevige conflicten, zoals het vervolgen van ketters. De inquisitie zocht ketters op en veroordeelden ze.

Paragraaf 4.5 – Christelijk Europa en de buitenwereld
De expansie van de christelijke wereld naar buiten toen, onder meer in de vorm van kruistochten.
Kruistochten: Gewapende tochten in de 11e, 12e en 13e eeuw van verschillende Europese middeleeuwse groepen naar het Heilige Land, om dat te veroveren van de moslims nadat de paus (Urbanus II) daartoe had opgeroepen in 1095. De motieven van paus Urbanus II waren economische expansie, de bedreiging van christelijke pelgrims door moslims en de bestrijding van de islam. In deze tochten streden ridders, geestelijken en het volk. Onderweg was er geen bevoorrading, daarom werden veel dorpen geplunderd. Ook was er onderweg veel geweld tegen joden en werden en relikwieën verzameld.
Ook aan de Middellandse Zee had men veel te maken met kruistochten en niet alleen in het Heilige Land. In 1453 viel Constantinopel, in 1492 was de Reconquista (Granada en Cordoban, Zuid-Spanje). De Reconquista was het einde van de Middeleeuwen en het begin van de Renaissance.

Hoofdstuk 5 : De tijd van ontdekkers en hervormers

Tijdbalk:
1500 tot 1600 – Tijd van ontdekkers en hervormers
1503 – Mona Lisa (Da Vinci)
1512 – Lof der Zotheid (Erasmus)
1515 tot 1555 – Regering van Karel V
1517 – Luther begint de kerkhervorming
1533 tot 1584 – Willem van Oranje
1555 – Godsdienstvrede van Augsburg
1555 tot 1598 – Regering van Filips II
1566 – Beeldenstorm
1596 – Eerste Nederlanders op Java

Paragraaf 5.1 – De Renaissance
Het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.
In de Middeleeuwen woonden de meeste mensen verspreid voer het platteland. De bevolking bestond uit drie groepen:
• Geestelijken, deze groep had als taak te zorgen dat de mensen in de hemel terecht kwamen en te zorgen voor zieken en armen. Tevens waren zij de belangrijkste verspreiders van nieuws (zij trokken immers vaak van klooster naar klooster).
• Adel, had als belangrijkste taak de bescherming van de bevolking.
• Boeren, deze groep zorgde voor voedsel en moest bovendien gehoorzamen aan geestelijken en edelen.
Door de opkomst van de handel (zie paragraaf 4.1) ontstond er een nieuwe bevolkingsgroep die zijn geld vooral verdiende aan de handel in goederen.
In het Europa van rond 1450 waren Vlaanderen en Noord-Italië de rijkste gebieden geworden. Zij hadden hun rijkdom te danken aan de handel. Hierdoor waren de inwoners in staat veel geld uit te lenen aan vorsten in Europa.

De periode tussen 1450 en 1550 wordt dan ook wel de Renaissance genoemd. In deze periode kwam steeds meer belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid. In de Renaissance veranderde ook het denken van de mensen. Kenmerkend voor de Renaissance is de Latijnse term ‘Carpe Diem’ (pluk de dag). In de Middeleeuwen dachten de mensen hier heel anders over. Het laatste deel van dit tijdvak kunnen we omschrijven met de tem ‘Memento Mori’ (denk aan de dood).

Beeldhouwkunst
Middeleeuwen:Schilder- en beeldhouwkunst stonden in dienst van de bouwkunst. Deze werken dienden dus als versiering van bijvoorbeeld een kerk. Kenmerken:
• Menselijke verhoudingen kloppen niet
• Slechts aan één zijde te bekijken





Renaissance: Schilder- en beeldhouwkunst gaan beide een zelfstandig leven leiden. Deze werken treft men nu ook aan in parken of woonhuizen. Kenmerken:
• Goede verhoudingen tussen de lengte van armen en benen
• Aan alle zijden te bekijken en even goed afgewerkt

Schilderkunst
Middeleeuwen:Omdat de meeste mensen niet konden lezen of schrijven zorgden de schilderijen ervoor dat de mensen kennis namen van de Bijbelse verhalen. Kenmerken:
• Godsdienstige onderwerpen
• Gouden achtergrond
• Geen diepte
• Schilder onbekend (opdrachtgever was de kerk)





Renaissance:Meer mensen konden lezen en schrijven. Men ging de mens en zijn omgeving bestuderen. Nieuw in de schilderkunst was het gebruik van diepte en de kennis van het menselijk lichaam. Kenmerken:
• Niet alleen godsdienstige onderwerpen
• Landschap als achtergronddecor
• Wel diepte
• Schilder bekend (opdrachtgever was de kerk of rijke kooplieden)

Enkele kunstenaars:
• Lorenze Ghiberti (1378-1453) ontving 100 goud-ducaten per jaar voor het werken aan de deuren van het Baptisterium.
• Michelangelo (1475-1564) ontving 3000 goud-ducaten voor de beschildering van de Sixtijnse kapel (1508-1512).
• Leonardo da Vinci (1452-1519) ontving 2000 goud-ducaten per jaar aan het hof van Milaan.

Paragraaf 5.2 – De Europese expansie
Het begin van de overzeese expansie

Ontdekker                    Jaar             Oost/west    Doel          Wat ontdekt?
Marco Polo                 1271/1295  Oosten         China        Rijkdom (goud)
Bartolomeus Diaz     1488            Oosten         India         Stormkaap (keert terug)
Columbus                  1493             Westen       India          Amerika
Vasco da Gama        1498             Oosten        India          India
Cabral                         1500             Oosten         India         Brazilië
Pizarro                         1532             Westen       Amerika    Peru

Paragraaf 5.3 – De kerkhervorming
De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.
Erasmus werd ervan beschuldigd de weg te hebben gelegd naar de godsdienstige revolutie die Luther af heeft gemaakt. Erasmus leerde Grieks en bestudeerde het originele nieuwe testament. Hij ontdekte fouten in de Vulgaat (de Latijnse bijbel, en de gebruikte versie). Erasmus maakte een nieuwe versie gebaseerd op de originele bronnen van de Grieken. Hij versterkte de kritiek op de kerk en uitte zelf ook kritiek over pausen, bisschoppen en kardinalen.
Hij ondermijnde het gezag van de kerk: De paus en de priesters konden volgens hem de geloofswaarheden niet bepalen, dat kon alleen de oorspronkelijke bijbel. Hij was een belangrijk figuur in de reformatie of de kerkhervorming, die tot een breuk in de kerk leidde. Erasmus zelf wilde geen scheuring van de kerk. Hij vond kerkhervormers als Luther veel te fanatiek en intolerant.
Kritiek op het geloof was er al langer, kerkelijke ambten werden aan de hoogste bieder gegeven, en priesters en bisschoppen trouwden gewoon. Maar de kerk kwam af van andere geloven door ze als ketterij af te doen. Dat mislukte met de kerkhervorming. De reformatie scheurde de kerk uiteen tot twee vijandige kampen: De Protestanten, zij hadden gebroken met de kerk in Rome en de Katholieken, zij bleven trouw aan de paus.
Luther stuurde een brief aan een bisschop met daarop 95 stellingen, waaronder een over de aflaat. Die zou niet verstrekt mogen worden voor geld. Luther wilde met die stellingen een discussie over hervorming in de kerk tot stand brengen. De paus nam het anders op en begon een proces tegen hem. Luther werkte als reactie zijn standpunten verder uit. Luther vond dat je de genade van god alleen kon krijgen door te geloven, “goede werken” maakten niets uit, als je maar geloofde. Volgens hem waren priesters en pausen niet nodig, hij ondermijnde het gezag van de kerk.
Luther werd in 1520 uit de kerk gezet. Hij had in Duitsland echter al genoeg mensen die hem steunden. Nu was een kerkscheuring erg dichtbij. Karel V probeerde die te voorkomen en gaf Luther een kans om zijn woorden te herroepen. Dat deed hij echter niet en hij werd vogelvrij verklaart, hij vond bescherming bij een vorst van de Saksen. Hij vertaalde de bijbel in het Duits en trouwde met een uitgetreden non.
De Fransman Calvijn was opgeleid tot humanistisch geleerde. Ook voor Calvijn was de bijbel de enige vorm van gezag. Verder wees hij alles af, hij was nog radicaler dan Luther. Calvijn nam aan dat de mens uit zichzelf slecht en zondig is. Alles was al voorbestemd. Maar naar de hemel gaan kenmerkte zich door een vroom leven, dus iedereen die in de hemel wilde moest vroom leven. Men moest ook genieten, anders wees je God’s gegeven goedheid af. Calvijn wees dus het celibaat af. Sommigen gingen veel verder en wezen alles wat werelds was af. Luther richtte zich tot de Duitse koningen, die mochten van hem het geloof regelen. Volgens Calvijn mocht het volk in opstand komen tegen de regering als die de regels van het geloof niet navolgden. Het Calvinisme had eenredelijke aanhang.
 



REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.