Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 4

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 3066 woorden
  • 23 februari 2010
  • 50 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.4
  • 50 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Samenvatting geschiedenis hoofdstuk 4.
4.1.1
Ontginningen en jaarmarkten
omstreeks 1000 N.C. begon er een snelle groei van de bevolking van Europa. Vanaf het einde van de 10e eeuw werden in grote delen van Europa woeste gronden tot landbouwgebied gemaakt.
Het Nederlandse poldermodel: is ontstaan doordat er overlegd moest worden en er werden goede afspraken gemaakt.
Het Nederlandse poldermodel: een traditie van overleggen en compromissen sluiten.
handel

Toen er meer eten was, kon de samenleving ook mensen vrijmaken voor andere beroepen. Na enkele eeuwen was er een bloeiende internationale handel ontstaan. De Europese handel kwam al vroeg tot bloei in de Italiaanse steden. Daar ontwikkelde men contacten met het Byzantijnse rijk en het Midden-Oosten.
Vanaf Italië liep een handelsroute via Frankrijk, Duitsland en Vlaanderen naar Engeland. In Vlaanderen en Noord-Frankrijk ontstond een conce0ntratie van steden. Andere steden groeiden langs de kust van de Oostzee, war in de 13 eeuw de Duitse Hanze ontstond, een verbond van handelssteden met als centrum Lübeck.
De buitenlandse handel was echter veel minder belangrijk dan de plaatselijke en regionale handel. De steden waren voor voedingsmiddelen afhankelijk van het omringende platteland en omgekeerd was het platteland voor producten van de nijverheid aangewezen op de steden.

De kooplieden reisden liever niet in de winter. Zij hadden een vast punt nodig om hun voorraden op te slaan en zij bouwden hun pakhuis bij voorkeur op een veilige plek waar ze ook handel konden drijven
- Bij stenen bouwwerken. (er waren nog een paar Romeinse steden overgebleven).
- In een kasteel met dikke muren.
voor handel:
- Bij de mond van een rivier
- Kruisingen van landwegen of van landwegen/waterwegen.
Bisschoppen, hertogen en graven (landsheren) zagen in dat de komst van de handelaars voor hun gebied welvaart met zich meebracht. Ze probeerde deze mensen aan te trekken door af en toe bij hun vesting een jaarmarkt te houden, waar ze voor de veiligheid zorgden. Weldra ontstonden er nederzettingen of ‘wijken’ van handelaars en ook van ambachtslieden rond de dikke muren.
4.1.2

Stadsrecht & werk
De nieuwe omwonenden hadden weinig aan de rechtsregels die in het gebied van de landsheer gebruikelijk waren. Die hielden zich bezig met:
- Grondbezit
- Veediefstal
- Krijgsdienst
- Horigheid
-
Stedelingen wilden wetten die de samenleving in hun wijk regelden en die snel konden worden toegepast als er een conflict over de handel was, wetten voor vrije mensen.
Stadslucht  maakt vrij, zei men.
Vaak sloten ze met elkaar een verbond onder ede om samen te gaan onderhandelen met de graaf of de bisschop. Eerst kregen ze een paar voorrechten of privigles (voorrecht voor bepaalde personen of groepen), zoals tolvrijheid of vrijstelling van de dienstplicht.
Beter was een heel contract waarin stond dat ze zelf regels mochten maken en hun eigen rechtspraak mochten houden. Dat recht heet stadsrecht.
De landsheer wilde de rechten wel geven als hij er mar iets voor terugkreeg  financiële en militaire steun.
Er werd een muur om de stad gebouwd  veiligheid voor de burgers, nieuwe versterking voor de heer.
bestuur
schepenen: groepen mensen die waren uitgekozen door de landsheer om de stad te besturen en om recht te spreken.
De stadsheer koos mannen die in de stad grond bezaten.
De voorzitter van de schepenbank was de vertegenwoordiger van de landsheer en werd schout of baljuw genoemd.
Baljuw: vertegenwoordiger van de landsheer in de steden of op het platteland.
Schout: vertegenwoordiger van de landsheer in de rechtspraak; vergelijkbaar met officier van justitie en hoofd van de politie.
Door vonnissen te vellen namen de schepenen besluiten over straf en eigendom. Ze baseerden nieuwe vonnissen op de vroegere beslissingen  algemene normen.
Zo ontwikkelden zich uit de rechtspraak nieuwe wetten of keuren: rechtsregel die door het bestuur van een stad of door een gilde is vastgesteld.
Er was geen verschil tussen rechterlijke en wetgevende taken van het bestuur.
Inwoners vormden een stadsraad of vroedschap onder leiding van een of meer burgemeesters.. Functies van schepenen en raden bleven circuleren binnen de voorname families in de stad, het patriciaat. De eigen wetten maakten wel onderscheid tussen verschillende groepen stedelingen. In de eerste plaats waren er de mensen met het burgerrecht. Daarnaast waren er in de stad echter ook inwoners zonder burgerrecht, meestal armere en ongeschoolde arbeiders.

De gilden.
Kooplieden de in dezelfde goederen handelen stichtten verenigingen of gilden om hun belangen te behartigen. Later vormden ook ambachtslieden hun gilden. Kleine beroepsgroepen zoals barbiers werden bij andere gilden ondergebracht.
Doel van gilden:
Economisch doel: het bevorderen van een goed bestaan voor de leden. Als je lid was mocht je het beroep uitoefenen en je werd alleen volledig lid als je een meesterproef had afgelegd. Het gilde beperkte de concurrentie door het aantal leerlingen, de werktijd, de prijzen en de grondstoffen vast te stellen.
Sociale doelstellingen: het zorgen voor zieke of bejaarde leden, weduwen en wezen.
Godsdienstige functie: de broeders hadden vaak samen een altaar van de beschermheilige van hun beroep en vierden samen zijn naamdag. Voor de gezelligheid vierden ze graag feesten.
In enkele steden kwamen de gilden af en toe in opstand tegen het patriciaat en hun invloed op het stadsbestuur werd officieel vastgelegd.










4.2.1.
De kerk wordt sterk.
In de 11e eeuw ontstond een beweging die de misstanden wilde aanpakken. Naar paus Gregorius VII noemt men deze stroming de Gregoriaanse beweging.
Gregorius streefde naar meer macht voor de kerk en de paus.
De Gregoriaanse beweging heeft indirect vier gevolgen gehad:
1. Kruistochten  poging om het Heilige Land te veroveren op de moslims.
2. Bedelorden  leden van kloosterorden gaven bezit af, gingen bedelen.
3. De ketters  wijken af van de geloofsleer, werden uit de kerk gestoten.
4. De inquisitie  voor vervolg ketters, kerkelijke rechtbanken opgericht.

Kruistochten.
In maart 1095 verschenen aan het pauselijke hof gezanten van de keizer van het Byzantijnse Rijk. Zij vroegen om hulp tegen de Turkse stammen die in een halve eeuw grote delen van de Arabische wereld veroverd hadden.
Op de kerkvergadering in Clermont maakte Paus Urbanus II zijn plan bekend om het Heilige Land te veroveren voor de Christenen. De paus riep vrijwilligers op voor een kruistocht; ze zouden een rood kruis op hun rechterschouder moeten dragen.
De toestroom van kruisvaarders was veel groter dan de paus verwacht had. We kunnen daarvoor drie redenen aanvoeren:
• De bevolkingsgroei in Europa leidde toe dat de landbouwgrond en de welvaart nu met meer mensen gedeeld moesten worden.
• De paus beloofde alle deelnemers vergeving van zonden. Kruistochten werden gezien als een heilige oorlog.
• Voor edelen en ridders was er de mogelijkheid om macht en roem te verwerven.
De 1ste kruistocht begon in 1096. Doordat verschillende moslimstaatjes met elkaar in oorlog waren, boden ze geen verenigde stegenstand. In juli 1099 namen de kruisvaarders de stad Jeruzalem in. De vrome Christenstrijders hielden vreselijk huis bij de inname van de stad. Toen de moslimvorsten eenmaal inzagen dat zij beter moesten samenwerken, konden veroverde ze stukken land terug.
Een tweede kruistocht werd noodzakelijk en daarna een derde. Uiteindelijk zijn er 7 grote en een paar kleine kruistochten geweest.
Op den duur slaagden de moslims erin de christenen te verdrijven. In 1291 ging Akko verloren, de laatste stad van de kruisvaarders. Toch zijn de kruistochten niet zonder gevolg gebleven:
• De Italiaanse handelssteden werden rijk van het vervoer van de kruisvaarders.
• Europa maakte intensiever kennis met de hoogontwikkelde cultuur van de islam, die Spanje al kende.
Een nieuwe bloei.
Mede onder invloed van de Arabische beschaving begon in Europa de cultuur tot nieuwe bloei te komen. Een kenmerk van deze opleving was het navolgen van de Oudheid  Renaissance letterlijk ‘wedergeboorte’ van de klassieke beschaving.
De bouwwerken uit de periode zijn geïnspireerd door de stijl van de Grieken en Romeinen.
In de nieuwe cultuur was d e godsdienst niet meer het enige bepalende element. Naast het geloof werd ook het aardse leven heel belangrijk. In de wetenschap leidde dit tot kritisch onderzoek.
Bedelorden.
Onder de stromingen die door de Gregoriaanse beweging ontstonden, waren de armoedebewegingen belangrijk, zoals de franciscanen en dominicanen.
Franciscus van Assisi was de zoon van een rijke Koopman uit Noord-Italië. Omstreeks 1206 gaf hij al zijn bezittingen weg en begon hij te preken en te bedelen. Hij kreeg een groep volgelingen en er moest een orderegel worden opgesteld.
Een vergelijkbare bedelorde was die van de dominicanen, opgericht door Doninicus de Guzman. Zij werd ook wel predikheren genoemd. Zij preekten tegen de ketters, want voor Dominicus was preken belangrijker dan armoede. Daarom ook deed de orde, net als die van de franciscanen, veel aan onderwijs. Dominicanen en franciscanen hebben een belangrijke rol gespeeld aan de universiteiten bij de ontwikkeling van de wetenschap.
4.2.2
Brandstapels en ballingschap.
De gelovigen verwachtten veel van de nieuwe geest van zuiverheid die in de kerk ontstond, maar dat viel tegen. Toen bisschoppen en abten niet bleken mee te doen met het Bijbelse ideaal van armoede en nederigheid maar doorgingen met hun weelderige leven, voelden sommigen zich teleurgesteld.
Daardoor waren ze extra gevoelig voor godsdienstige ideeën.
In Noord Italië en Zuid Frankrijk ontstond een armoedebeweging  katharen  ketter: iemand van wie men vindt dat hij afwijkt van de officiële geloofsleer. Werden ook wel Albigenzen genoemd.
Kenmerken:
- Verwerpen van al het stoffelijke.
- Verwerpen van het bezit.
- Verwerpen van het lichaam.
- Verwerpen van het krijgen van kinderen.
- Verwerpen het huwelijk
- Verwerpen de doop
- Verwerpen de mis
- Verwerpen de biecht.
Ze vonden dat god was geboren in het ‘slechte lichaam’ van Christus.
De kerk wees het af. De hoge geestelijken zagen de katharen bovendien als een bedreiging omdat iedereen het verschil kon zien tussen de welgedane katholieke prelaten en de katharen die het armoede-ideaal van Christus navolgden.
Paus Innocentius III riep in 1209 de gelovigen op tot een kruistocht tegen de katharen omdat prediken en verbieden niet hielp. Een leger uit Noord Frankrijk vermoordde in het zuiden vele duizenden mensen met een afwijkend geloof en plunderde hun bezittingen.
Een andere armoedebeweging was de sekte van waldezen. De inhoud van hun geloof was niet in strijd met de kerkelijke leer, maar zij vonden dat ieder vroom mens als priester kon optreden. Ook tegen hen trad de kerk streng op.
Inquisitie.
Omdat de paus vond dat het onderzoek naar ketterij door de bisschoppen te weinig effect had, stelde hij daarvoor in 1227 zelf een onderzoekscommissie in. Dit was het begin van de pauselijke inquisitie. In deze kerkelijke rechtbank maakte men vooral gebruik van franciscanen en dominicanen, omdat veel van deze broeders gestudeerd hadden.
De pauselijke inquisitie onderzocht beschuldigingen met grote ijver. De verdachten hadden weinig rechten en konden worden gefolterd.
De inquisiteurs waren er echter in de eerste plaat sop uit om de ziel van hun mede mensen te redden. Bekeren vonden ze belangrijker dan straffen. De doodstraf op de brandstapel werd in de Middeleeuwen maar in een klein gedeelte van de vonnissen uitgesproken.
Ballingschap.
Door de Gregoriaanse beweging, de kruistochten, de bedelorden en de inquisitie stonden de pausen in de 13e eeuw op het toppunt van hun macht. Daar kwam snel een einde aan. Toen Paus Bonifatius VIII in 1296 opnieuw beweerde dat alle vorsten aan de paus moesten gehoorzamen en dat geestelijke geen belastingen aan koningen mochten betalen, liet de Franse koning hem arresteren.
De opvolger van Bonifatius was een Fransman en hij was de eerste paus die zich niet meer vestigde in Rome, maar in Avignon. Hoewel de pausen niet automatisch gehoorzaamden aan de Franse koning, verloren ze wel het respect van veel gelovigen  ‘Babylonische ballingschap van de pausen’ (1309 – 1377).
Oplossing: terugkeren naar Rome.
In 1378 vond de pauskeuze weer plaats in Rome, maar daar kreeg de meerderheid van de kardinalen spijt van en koos alsnog een Fransman. Er waren nu dus jaren lang 3 pausen, die door verschillende landen gesteund werden.  westers schisma.
Een poging om een gemeenschappelijke paus te kiezen leidde ertoe dat er jarenlang 3 pausen waren. Pas in 1417 lukte het om één paus voor de kerk te benoemen. Gezag paus was erg verzwakt.
4.3.1
Het Duitse rijk.
Nadelen leenstelsel: De leenmannen waren niet meer trouw aan hun vorst.
De Duitse keizer benoemde systematisch bisschoppen als bestuurders over delen van zijn rijk. Hij koos daarvoor trouwe aanhangers dan vrome priesters. Het voordeel van een bisschop boven een graaf was dat het ambt niet erfelijk werd, want bisschoppen mochten niet trouwen.
Het geven van een kerkelijke ambt gebeurde door het overhandigen van een ring en een staf  investituur.
De Gregoriaanse beweging wilde de kerk zuiveren. De nieuwe leiders van de kerk maakten bezwaar tegen de investituur door leken, want zij vonden dat die macht bij de paus moest liggen. Hierdoor ontstond de Investituurstrijd.
Hendrik IV (1050-1106) was een sterke keizer, die zelf zijn bisschoppen bleef benoemen. Toen paus Gregorius VII hem in krachtige taal berispe en nogmaals vaststelde dat hijzelf de enige universele macht had, lied Hendrik hem in 1076 door de Duitse bisschoppen afzetten.
De paus antwoordde daarop door op zijn beurt Hendirk af te zetten en in de kerkelijke ban te doen. De grote leenmannen konden nu in opstand komen. Hendrik ging de paus opzoeken en vroeg om vergiffenis. De paus moest vergiffenis geven omdat hij vertegenwoordiger was van de heilge moederkerk. Hij nam Hendrik weer op in de kerk. Nu moest de keizer nog zin opstandige leenmannen verslaan, maar daarna verklaarde hij Gregorius opnieuw afgezet en benoemde hij een nieuwe paus. Gregorius moest vluchten voor Hendriks soldaten en stierf.
Later sloot keizer Hendrik V een akkoord met de paus, het concordaat van Worms (1122). De hoge geestelijken van het bisdom kozen bisschoppen.
Door de Investituurstrijd waren de keizers hun machtbasis kwijt. Voortaan waren in Duitsland de machtigste heren de zeven keurvorsten, de grote leenmannen die de keizer kozen. In 1273 kozen ze voor het eerst een keizer uit de familie Habsburg. Vanaf het midden van de 15e eeuw verder er alleen maar Habsburgers benoemd, maar die hadden niet veer macht meer.
Duitsland werd geen nationale staat.
De Nederlanden.
Het gebied wat nu Nederland is, was nog geen staat en lag aan de rand van het Duitse rijk. Er woonde weinig mensen. Ontwikkeling was van kleine naar steeds grotere bestuurseenheden.
De Karolingen hadden het gebied verdeeld in een groot aantal kleien gouwen.
Vanaf de 9de eeuw wisten een paar graven kleien gouwen bij elkaar te voegen tot grotere gebieden.
Sinds het concordaat van Worms was de keizer niet meer in staat om in het bisdom Utrecht sterke bestuurders aan te stellen. De benoeming vond nu plaats door verwanten van de omringende heersers,.
Vanaf de 12de eeuw namen Gelre en Holland gebieden van Utrecht af en de bisschop raakte door oorlogjes diep in de schulden.
Pas omstreeks 1100 begonnen de plaatselijke machthebbers in Kennemerland, zich graven van Holland te noemen.
Holland en Zeeland werden kort na 1300 geërfd door de graven van Henegouwen. In de loop van de 15e eeuw zou dit gebied, net als de grote concurrenten Vlaanderen en Brabant, in handen komen van de hertogen van Bourgondië.
De Franse koningszoon Filips de Stoute kreeg als beloning voor zijn moed in de strijd tegen de Engelsen van zijn vader het Franse hertogdom Bourgondië.
Zijn nakomelingen zouden op een effectieve manier terrein winnen: zij trouwden met belangrijke erfgenamen.
ZO kwamen aan het eind van de middeleeuwen de belangrijkste gebieden van de Nederlanden in één hand.
Hertog Filips de Goede reorganiseerde in zijn land de belastingen om een grotere bron van inkomsten te krijgen. Ook werd in ieder gewest namens de vorst een rechtbank ingesteld waarbij de onderdanen in beroep konden gaan. Dat bevorderde de centrale macht.
Toen Filips op latere leeftijd dement was geworden, maakte hij plannen om op kruistocht te gaan. Al zijn gebieden hadden inmiddels een Statenvergadering (Staten-Generaal), een vergadering van de afgevaardigden van de drie standen.
De hertog ging uiteindelijk niet op kruistocht.
De Nederlanden vormden nog niet één staat en al helemaal geen nationale staat. Er was bijna geen gemeenschappelijke bestuur, er was niet één taal en de gebieden lagen niet eens aaneengesloten. Het enige samenbindende element was de hertog van Bourgondië, die ook graaf van Holland enz. was. Toch zien we hier al gemeenschappelijke elementen ontstaan, rechtspraak en de belastingen.

Engeland tegen Frankrijk.
Engeland werd bewoon door de angelsaksen, een verzameling van verschillende Germaanse volken. De zwakke koning Eduward de belijder heeft waarschijnlijk in het midden van de elfde eeuw een vage belofte gedaan dat zijn neef, Hertog Willen van Normandië, hem mocht opvolgen. Toen de Engelse edelen na Edwards dood Harold van Wessex tot koning benoemden, kwam Willem zijn erfdeel opeisen. In 1066 organiseerde hij een legertje van avonturiers uit Noord Frankrijk. Hij stak het kanaal over en versloeg Harold bin de Slag bij Hastings.

Willem de Veroveraar ( zo werd hij genoemd ) voerde na zijn overwinning het leenstelsel in, maar zorgde er wel voor dat er veel macht bij de koning terecht kwam. Hij en zijn opvolgers voerden het centrale administratie in,m een schatkist ven ambtenaren. De rechtspraak werd zo georganiseerd dat hij onder controle stond van de koning en niet van de edelen. De koning bezat een kwart van de grond. Daardoor waren in Engeland al vroeg de voorwaarden voor een nationale staat aanwezig. De koning had echter nog altijd veel gebied in Frankrijk, waarbij hij één van de grootste leenmannen was.
De Franse koningen uit de familie Capet namen allerlei maatregelen om hun macht te versterken:
- Vaste belastingen
- Een huurleger dat voortdurend paraat was
- Afzetbare ambtenaren in plaats van edelen.
In 1328 waren de Capets in mannelijke lijn uitgestorven. De Engelse koning Eduward III maakte aanspraak op de troon omdat zijn moeder een Franse princes was, maar de Franse standenvergadering koos een ander familielid, filips VI van Valois, tot koning.
Pas in 1337 viel Eduward Frankrijk binnen om de troon op te eisen. Tot 1453 is er met onderbrekingen oorlog gevoerd.  100 jarige oorlog.
Bourgondië vochten met de Engelse mee.
Voor de Franse kroonprins/dauphin Krael VII stonden de zaken er in 1429 er slecht voor. Engelse koning was tot koning van Frankrijk gekroond.
Jeanne was een boerendochter van 15/16. Ze liep van huis weg en ging naar het hof van de dauphin in Chinon. Karel liet zich overtuigen dat het meisje door de hemel gezonden was om hem de overwinning te bezorgen. Hij kon wel een wonder gebruiken.
Ze mocht mee om Orléans te veroveren, maar wel als mascotte. De fransen deden extra hun best. Namen Orléans en nog 3 steden in, waarna Karel in reimstot koning werd gezalfd.
In 1430 werd Jeanne gevangengenomen en aan de Engelsen uitgeleverd, en een jaar later wegens ketterij veroordeeld tot de brandstapel. Ze is in de 20ste eeuw heilig verklaard. Ze zorgde voor ’n nationaal gevoel in Frankrijk.
Belangrijke factor: centrale macht van de vorst. Koningen versterkten de macht door verschillende middelen:
• Vorstelijke rechtbank
• Staand leger
• Ambtenaren
• Vaste beloningen

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

C.

C.

DANKU DANKU
You saved my day!
XoX

11 jaar geleden

Q.

Q.

jezus dit is veel te lang man een samenvatting moet het boek kort samenvatten dis is zo wat nog meer dan het boek

11 jaar geleden

L.

L.

hoi
ik zit in havo 1 en ben nu bezig met hoofdstuk 4 en ik ben overal aan het zoeken en typ overal geschiedenis memo havo 1 smaenvatting in en ik krijg alleen maar samenvattingen van de 4de klassers of zo
als u me er een van havo 1 hoofdstuk 4 zou kunnen geven zou dat heel fijn zijn

11 jaar geleden

M.

M.

Jeetje, haha. Ik dacht kijk alvast rond voor me toetsweek maar dit is mijn hele boek. Wel handig als ik me boek een keer niet thuis heb maar voor een samenvatting, VEEL TE LANG!

10 jaar geleden

A.

A.

Kan het niet wat korter -,-

9 jaar geleden

T.

T.

Bedankt!!!!!!

9 jaar geleden

een scholier

een scholier

Dank maar is het niet een beetje lang?

10 maanden geleden