Hoofdstuk 3: Tijd van Monniken en Ridders

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2407 woorden
  • 17 februari 2015
  • 49 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 49 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Gallo-Romeinen en Franken



Een deel van de Germaanse en Keltische stammen waren in het Romeinse rijk gaan leven met als taak de grenzen te verdedigen. Deze stammen werden feoderati genoemd. In de 5e eeuw waren de grenzen van het romeinse rijk zo verzwakt dat stammen in grote hoeveelheden het rijk binnen trokken. Deze hoeveelheden waren ze groot dat we spreken van volksverhuizingen. Doordat mensen op de vlucht sloegen en hun grond onbeheerd achter lieten stortten de voedselvoorziening en de handel in, er ontstonden hongersnoden en overal werd gevochten en geplunderd. In Gallië waren het vooral Franken die gebieden innamen. De krijgsheren heersten over de Gallo-Romeinen (Galliërs die de Romeinse cultuur hadden overgenomen) en hun eigen soortgenoten. De Germanen vormden de nieuwe elite maar behielden van de Romeinse cultuur wat ze er bruikbaar aan vonden. De romeinse adel trouwde met Frankische families, zo onstond er een nieuwe Frankische adel.





 



Het feodalisme ontstaat



Clovis zoekt aansluiting bij Gallo-Romeinse elite.



481 nam Clovis de leiding op de Merovingen. Hij schakelt andere stamhoofden uit met geweld en sluwe politiek. Na 20 jaar is hij de koning van de Franken.



Clovis bekeerd zich tot katholieke christendom, hij wordt gedoopt.



Clovis kreeg steun van zijn vazallen om groot gebied te veroveren en te behouden.



Vazallen bonden zich door eed van trouw af te leggen.



Vazallen konden ook administratieve of juridische taken beschikken.



Clovis’ dood → rijk verdeeld onder zijn zonen.



Clovis’ opvolgers konden hun positie niet handhaven → Karel Martel kreeg de macht



Zijn regerende familie (dynastie) worden Karolingen.  Karel had vaak veldslagen met islamitische Arabieren. De koning wilde ridders aan zich vestigen maar hiervoor moest hij ze belonen. Dit deed hij met leen. Hieruit ontstond het feodalisme oftewel leenstelsel. De koning was de leenheer de ridder de leenman.





Karel de Grote



Karel de Grote verdeelde zijn rijk in 400 graafschappen. De graven van deze gebieden moesten rechtspreken en de wetten van de koning uitvoeren. Zendgraven controleerden of de graven hun werk goed uitvoerden. Markgraven kregen een graafschap aan de grens van het rijk en verdedigden deze grenzen. De koning liet in zijn rijk paltsen (burchten) bouwen. Wanneer de koning er verbleef was het tijdelijk de hoofdstad van het rijk. Toen Rome in 733 werd aangevallen hielp Karel de paus. Toen dit weer gebeurde werd Karel in 800 in Rome tot keizer gekroond. Dit bracht hem in conflict met de keizer van het Byzantijnse Rijk.





 



Het Byzantijnse Rijk



Oostelijke helft v/h Romeinse Rijk → Byzantijnse Rijk, hoofdstad Constantinopel.



Keizer Justinianus wilde het Romeinse Rijk herstellen door west-romeinse gebieden te veroveren.



Dit lukte niet, om deze herovering te financieren putte hij zijn rijk uit dus dit hield geen stand.



Constantinopel kwam in de middeleeuwen tot economische bloei. De stad lag op een gunstige plaats van de handelsroutes. Het Byzantijnse Rijk week van de christelijke kerk af. Het rijk verzwakte en de Byzantijnse keizer in 800 moest accepteren dat Karel de Grote zich nu keizer kon noemen.





De zwakte van het leenstelsel



Leenmannen wilden hun gebied erfelijk maken. Als een koning dit toestond dan verloor hij de controle over het gebied, maar als hij dit niet toestond kon hij in conflict komen met een leenman. Dit kon een koning zich niet veroorloven omdat hij de leenmannen nodig had voor het verdedigen en het besturen van zijn rijk. Onder zwakke koningen werden leenmannen steeds machtiger. Leenmannen gingen zelf ook leenmannen benoemen, zogenaamde achterleenmannen die trouw zwoeren aan de leenman en niet aan de koning. Tijdens de Middeleeuwen moesten koningen hard vechten voor de erkenning van hun gezag.





 



De Noormannen



Macht Frankische vorsten bedreigd. Invallen door Noormannen die zich aangetrokken voelden tot de rijke steden en kloosters langs de kusten en rivieren in het zuiden die ze vaak tegenkwamen tijdens hun handelstochten. Karel de Grote had een kustverdediging opgezet met forten. Lodewijk de Vrome de zoon van Karel gaf Noormannen gebieden in leen, zij moesten nu het gebied beschermen tegen hun eigen landgenoten. Noorman Rollo kreeg een gebied in leen in Noordwest-Frankrijk van Karel de Eenvoudige. Dit werd Normandië genoemd. Hij gedroeg zich alleen niet echt als een leenman, hij deed wat hij wilde. 1066 einde van de Vikingtijd, de Noorse koning sneuvelde bij de poging van het verovering van Engeland.







Agrarisch-autarkisch



In het Romeinse Rijk hadden steden een bestuursfunctie. Het platteland werd beheerd door grootgrondbezitters. Grootgrondbezitters vormden samen met de Romeinse bestuursambtenaren en rijke handelaren de elite. Onder aan deze sociale ladder stonden de slaven. Ze deden het werk voor de elite. Dit heet een agrarisch-urbane samenleving. Na de Germaanse invallen organiseerden grootgrondbezitters hun land in domeinen. Deze domeinen waren grotendeels zelfvoorzienend (autarkisch). In plaats van een agrarisch-urbane samenleving ontstond nu een autarkisch-urbane samenleving.





Vrijen, horigen en lijfeigenen



Er ontwikkelde een machtige adel in de Middeleeuwen. Daaronder had je een laag sociale vrijen. Dit zijn boeren op eigen grond of landheren van gepachte boerderijen. De pacht werd in natura betaald. Deze mensen hadden vrije status en mochten deelnemen aan rechtsprekende vergaderingen. Deze vrijen moesten wel hun heer bijstaan op het slagveld. Een heervaart betekende voor vrijen dat ze hun akkers lange tijd onbeheerd moesten laten. In de zevende en achtste eeuw werden vele vrijen horigen zodat ze onder bescherming van een lokale heer op het land konden werken. Zij gaven hun heer dan een deel van de oogst, bewerkten zijn akkers en voerden verschillende herendiensten uit. Ze mochten het land van deze heer niet zomaar verlaten.



Onder de horigen stonden de lijfeigenen: knechten in dienst van de heer op zijn land werkten in ruil voor voedsel en huisvesting. De domeinbezitters maakten van slavernij → horigheid.



De organisatie van een domein verschilde per regio. In Noord-Europa bestond een landgoed uit 2 delen: vroonland en hoevenland. vroonland → door de edelman zelf beheerd, via rentmeester.



Het centrum van het vroonland bestond uit het woonhuis van de heer dit heet het vroonhof.



Het vroonland werd onderhouden door de lijfeigenen van het landgoed. De rest bestond uit hoevenland en was verdeeld over verschillende boederijen → dit konden vrijen en horigen pachten.



Dit systeem noem je een 2-ledig domein. Na val Romeinse Rijk verviel de handel. Het was noodzakelijk om zoveel mogelijk van je eigen domein te kunnen leven. Er ontwikkelde zich om de meeste domeinen een autarkische economie. Boeren specialiseerden zich in smeden, weven, leer bewerken en alles wat een kleine gemeenschap maar nodig kon hebben. Dit volledige systeem het het hofstelsel. Hof komt van het woord hoeve.





Dorestad  



Dorestad was een belangrijke schakel in het handel drijven op lange afstanden. Het lag op de splitsing van de Rijn met de Lek. Dorestad was belangrijk, ze hadden het recht om hun eigen munt te slaan. Dorestad was zo rijk dat ze vaak werden aangevallen door Noormannen. In 863 werd hier het laatst melding van gedaan. Dorestad werd minder belangrijk omdat de rivier verzandde.





Religie is politiek



Succes christendom in Europa komt door de nauwe samenwerking tussen de Paus en de Karolingische vorsten, de snel groeiende rijkdom en de goede organisatie van de kerk.



De katholieke kerk had een hiërarchische opbouw. Aan het hoofd de paus als opvolger van de apostel Petrus, de eerste bisschop van Rome.





de Christelijke kerk → bisdommen, kerkelijke bestuursgebieden → aan het hoofd een bisschop die was baas over de priesters in de parochiekerken en zag toe op het verspreiden en handhaven van het geloof.  Een bisschop zetelde in een stad en bestuurde vanuit daar zijn bisdom.





De paus zond missionarissen door Europa om heidense volken te kerstenen, te bekeren tot het christelijke geloof. De tactiek was om de plaatselijke heerser en zijn edelen te dopen. De lokale bevolking zou hen dan wel volgen.



Beide partijen haalden uit deze samenwerking voordeel.



De Katholieke kerk won aan invloed door de toename van het aantal gelovigen en kon een beroep doen op de koning voor militaire steun als dat nodig was. De koning zag zijn heerschappij gesteund door een groeiende kerk en een goddelijke zegen.



De 1e Frankische koning die zich liet dopen was Clovis, dit deed hij rond 500.  Hij had in een veldslag god om hulp gevraagd en won de slag. Vele ridders lieten zich ook dopen na de slag.  Clovis zag de voordelen van een bondgenootschap met de kerk. De paus had moeite om zijn positie te handhaven.



Dit kon je zien door bijvoorbeeld deze gebeurtenis: Karel de Grote werd door de paus gekroond tot keizer als beloning voor het herhaaldelijk beschermen van de paus tegen diens vijanden.  





Monniken en missionarissen



Mensen wilden zich helemaal wijden aan het geloof en bouwden een klooster. Belangrijk waren het celibaat, gehoorzaamheid, hard werken en armoede. Paus Gregorius stuurde monniken door heel Europa. Wanneer ze werkten binnen het gebied van een al bekeerde koning of vorst dan genoten ze zijn bescherming. In 690 moest Willibrord de Friezen bekeren. Dit deden ze meestal door aan te tonen dat hun goden zwak waren door bijvoorbeeld heilige dingen kapot te maken. Hij kreeg hulp van Bonifatius. Friezen bleven zich tegen kerstening verzetten en Bonifatius wilde hen op 80 jarige leeftijd nog bekeren. De Friezen wilden dit niet en vermoordden hem ijn 754. Hij werd in Fulda (Duitsland) begraven.















 



Kloosters in het feodale stelsel



De kerk was erg rijk geworden door schenkingen van gelovigen die hoopten hiermee een plaatsje in de hemel te verdienen. Dit zette zich voort in de vroege Middeleeuwen. Gelovigen schonken na hun dood hun landgoederen aan kloosters, de kloosters ontwikkelden zich hierdoor tot grootgrondbezitters. In het begin van de vroege Middeleeuwen werkten op de landgoederen vaak nog slaven. De kerk streefde ernaar om de slavernij af te schaffen.



Kloosters waren hoeders van het christelijke geloof. Ze hadden ook een sociale functie.



Monniken en nonnen zorgden voor armen en zieken en namen kinderen uit arme gezinnen op. In kloosters werd onderwijs gegeven. Monniken moesten de bijbel kunnen lezen dus die konden wel lezen en schrijven.



Karel de Grote zag het belang van onderwijs en vaardige wetten in.



Karel de Grote verbleef veel in zijn palts in Aken. Dit was het politieke culturele centrum van zijn rijk. De Palts was een groot complex van agrarische gebouwen, bestuursvertrekken, keizerlijke zalen en een grote paltskapel. Karel zag zijn rijk als een voorzetting van het Romeinse Rijke en wilde veel aspecten van de klassieke cultuur laten herleven. Door het  geleerden die klassieke handschriften verzamelden en kopieerden naar zijn hof te halen werd een eenvoudigere schrijfletter ontwikkeld, de Karolingische minuskel. De periode van  grote belangstelling voor de klassieke Oudheid noemen we de Karolingische Renaissance.





De islam in ontwikkeling



Oorsprong islam ligt in Mekka. Mohammed werd hier geboren in 570. De meeste Arabische stammen hingen in die tijd een Polytheïstische religie aan. Mohammed kreeg in 610 een openbaring van Allah, hij moest de woorden van Allah opschrijven. Dit werd de Koran. Mohammed werd profeet van Allah. De islamitische jaartelling begint wanneer Mohammed en zijn volgelingen moesten vluchten uit Mekka in 622 (de Hidsjra). Mohammed bekeerde veel mensen tot de islam. Na de dood van Mohammed in 632 breidde de islam zich verder uit. Het was voor hun een heilige plicht om de islam te verspreiden (de Jihad). De Jihad heeft 2 betekenissen: bestrijden van eigen zwakheden van iedere moslim, het  bidden, vasten etc. De kleine jihad is het verdedigen van de islam tegen bedreigingen van buitenaf. Het grondgebied van de islam werd fors uitgebreid.  Bij veroveringen werden andere geloven werden met rust gelaten onder voorwaarden. Extra belasting en acceptatie van het nieuwe gezag. De christenen en joden hadden hier een dhimmi-status. Toch werden veel mensen uiteindelijk moslim, zo raakten ze deze achtergestelde positie kwijt.  





Een verdeelde wereld



In de islamitische wereld was geen eenheid. Een gebied dat door moslims was veroverd heet een kalifaat. De belangrijkste islamitsche families waren de Omayyaden en de Abassieden. Omayyaden kozen Damascus als hun hoofdstad en waren van 661 tot 750 leiders van de islamitsche wereld. Onder de Omayyaden was het islamitische gebied het grootst. In 750 werden ze verslagen door de Abassieden. De nieuwe leider liet alle mannelijke leden van de Omayyaden vermoorden. Abd el-Raham slaagde er in om naar Spanje te vluchten. Spanje kwam tot grote culturele bloei. Er was een tolerant klimaat voor Joden en Christenen. In 929 werd het aangeduid als het kalifaat van Cordoba. De Abassieden verplaatsten hun hoofdstad naar Bagdad. Ook hier kwam cultuur tot bloei. Door de Omayyaden werd de stroming van de soennieten de grootste in de islam. Een andere grote stroming is de stroming van de sjiieten. Ze waren het oneens over wie de kalief moest worden. De kalief was zowel vorst als religieus leider. De soennieten vonden dat je niet persé van Mohammed hoefde af te stammen, de sjiieten vonden van wel. De sjiieten geloven dat de neef van Mohammed, Ali, de enige echte opvolger was. Zij worden de sji’at Ali genoemd; partij van Ali. De soennieten vinden dat Aboe Bakr de echte opvolger was. Binnen deze stromingen zijn ook weer splitsingen.













 



Islam in Europa: strijd om de macht



De islam probeerde Europa verder binnen te dringen. De islamitsche legers vochten met Frankische legers, onder andere in 721 bij Toulouse en 725 bij Autun. Rond 733 stuitte zo’n leger op een Frankisch leger onder leiding van Karel Martel. Deze veldslag werd de Slag bij Poitiers genoemd. Er werd veel waarde gehecht aan deze slag, het voorkwam een grootschalige islamitische invasie. Tegenwoordig wordt het gezien als een conflict tussen kleine bendes moslims en Frankische ridder groepen. Het ging de Frankische en islamitsche leiders vooral om hun eigen machtpositie behouden, en niet om religie. In de 11e eeuw begonnen de christenen aan een herovering van Spanje die tot 1492 zou duren: de Reconquista.





Wetenschap en cultuur



Moslims moesten ook kennis verwerven. De islamitische wetenschap bereikte een hoogtepunt in de negende en tiende eeuw. Arabieren hadden veel belangstelling voor filosofische en natuurwetenschappelijke geschriften van de oude Grieken. Kalief Haroen al-Rashid richtte in Bagdad een huis van wijsheid op: bibliotheek en onderzoekscentrum voor vertaling van klassieke geschriften.



Filosoof Al-Kindi introduceerde Griekse filosofie in de Arabische wereld. Hij hield zich ook bezig met wiskunde astrologie en filosofie. Hij introduceerde ook het gebruik van indiase cijfers.



In spanje werden al deze geschriften weer omgezet in het Latijn. Europese geleerden gebruikten die taal. Islamitische geleerden hebben belangrijk onderzoek gedaan in de anatomie en astronomie. Ze hebben door een uitvindig de zeevaart een grote impuls gegeven. Hun medische kennis stond op veel hoger niveau dan die van de Europeanen





 


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

super goede samenvatting! Maar is het niet in 773 dan Karel de Grote de Paus te hulp schoot i.p.v 733

5 jaar geleden