Geschiedenis
Hoofdstuk 3 - § 1 + 2

Paragraaf 1
Pas de laatste 200 jaar (18e eeuw) maakt de mens veel gebruik van machines.
Pas sinds die tijd zijn mensen gebruik gaan maken van gas, olie, elektriciteit en atoomenergie.
Het gebruik van nieuwe machines en energiebronnen werd mogelijk door vele uitvindingen.
De uitvindingen maakten het ontstaan van industrieën mogelijk.
Daarvoor was ook nodig:
- Energiebronnen: Nieuwe machines zorgden voor: Gas, olie, elektriciteit en atoomenergie.
- Grondstoffen: Deels uit Europa, deels uit koloniën.
- Zeer veel kapitaal: In het begin van rijke kooplieden en banken.
- Voldoende arbeidskracht: Vanaf de 18e eeuw: Snelle bevolkingsgroei, meer machines.
De mensen gingen van jagen verzamelen, over op akkerbouw en veeteelt, over op industrie.
Enorme veranderingen: Industriële revolutie.
Industriële revolutie zorgde voor een Industriële samenleving.
Industriële samenleving: Goederen gemaakt in fabrieken en de meeste mensen wonen in steden.
Het begon in Engeland halverwege de 18e eeuw.
Een eeuw later ook in West-Europa en de VS.
Eind 19e eeuw in Oost-Europa en Japan.
20e eeuw in de rest van de wereld.
Industrialisme vergeleken met Aladdin. Wrijf over lamp en je krijgt alles wat je wilt. Zet de machine aan er is ook veel mogelijk.
Paragraaf 2
Nieuwe machines te groot en te duur voor thuis.
Rijke ondernemers kochten werkplaatsen, machines en grondstoffen.
De producten gemaakt in de fabriek werden door de ondernemers verkocht.
Meer arbeiders werkten in fabrieken.
Eerste fabrieken stonden langs snel stromende rivieren.
Het water werd gebruikt als aandrijving.
Door stoommachines werden de fabrieken bij ijzermijnen en steenkoolmijnen gebouwd.
Arbeiders gingen bij de fabrieken wonen.
Gevolg: Ontstaan nieuwe steden of groei oude steden.
In 1750, in Engeland, woonde ong. 15% in de stad, 100 jaar later ong. 50 %.
Groei fabrieken mogelijk door:
Massaproductie: Productiesysteem waarbij grote aantallen van het zelfde product wordt gemaakt.
Arbeidsverdeling: Het maken van producten in kleine stappen.
Lopende band: Een product wordt vanzelf naar iedere arbeider gebracht, minder tijdverlies.
Nadelen:
Minder vakmensen
Eentoniger werk
Meer spanningen, door het tempo
Minder aandacht voor arbeiders als mens
Voordelen:
Sneller
Goedkoper, voor meer mensen betaalbaar
Onderdelen konden worden vervangen.
Werkomstandigheden
Voor de industrialisatie werden er gereedschappen gebruikt. Spullen werden zelf en op een eigen tempo gemaakt. Door de industrialisatie hoefden mensen alleen, maar een machine te bedienen. Dat zorgde voor saai werk.
Het werk was makkelijker. Er werden meer ongeschoolde werknemers in diens genomen. Die waren goedkoper. Ook veel vrouwen en kinderen werken. Die waren ook erg goedkoop.
Er was al langer kinderarbeid, maar tegen kinderarbeid in fabrieken werd geprotesteerd. Het werk was ongezond en kinderen werden vaak afgeranseld.
Werknemers kregen vaak boetes, leefden in ongezonde omstandigheden, veel ongelukken en groot risico werkloos te worden. Een werkloze arbeider heeft geen inkomsten, zijn leven hangt af van particuliere liefdadigheid.
Eind 19e eeuw verbeterde het leven in de steden.
Gezinnen van 12 personen leefden op 1 kamer.
Geen toilet, geen waterleiding en geen riolering.
Weinig amusement in de (weinige) vrije tijd.
Belangrijkste veranderingen:
Straatverlichting (Eerst gas, later elektriciteit)
Uitgaansmogelijkheden (Toneel, sport en film)
Ondergrond rioleringstelsel
Waterleidingen
Meer politie (meer veiligheid)
Meer scholen, ziekenhuizen en bibliotheken
Georganiseerde activiteiten (door arbeiders om elkaar te helpen)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.